Skip to main content

Full text of "Weber and de Beaufort"

See other formats


1 


i»1 


265 

ICHTHYOLOGIAE 

285-A 

ARCHIPELAGI   ÏNDICI 

PRODROMUS, 

AUCT. 

PETRO    EQUITE     A     BLEEKER, 

Math.  Mag.,  Philos.  Nat.  et   Med.  Dr  ;  Ordin.    Coron.   Querc.    et  Ordin.  Beg.  Frideric. 
Praefect.;  Ordin.  Leon.  Neèrl.,  Ordin.  Imperial.  Austriac.  Coron.  I  err.  et  Ord. 
Rtg.  Boruss.  Aquil.  Ruhr.  Eq.  Class.  Sup.;  Societ.  Reg.  Scient.  Ind. 
Neèrl.  Praes.  ;  Acad.  Reg.  Scient.  Neetland,  etc.  etc.  Soc. 


VOLUMEN  II. 


C  Y  P  R  I  N  I. 


«*>=*>5«>**>*>- 


BAT  A  VIAE, 

TYPIS  LANGEÏ  ET  SOC. 
1860. 


«2  /  .  <-     . 


;EP  121951 


f-rshes 


DE 

Zoo 


V  I  S  S  C  H  E  N 


VAN     DEN 


INDISCHEN    ARCHIPEL 


BESCHREVEN    EN    TOEGELICHT 


DOOK 


Dr.     P.    BLEEK  E  E, 

Kommandeur  der  Orde  van  de  Eikenkroon  en   van  de    Koninklijke    WurttemôergscAe  Frederiks- 
Orde ,    Bidder   der    Orde   van   den   Nederlandschen   Leeuw  en   van  de    Keizerlijke    Oosten- 
rijksehe   Orde  van  de  IJzeren  Kroon,    Bidder  3e  Klasse  der   Koninklijke  Pruissische 
Orde  van  den  Booden  Adelaar ,  President  der  Koninklijke  Natuurkundige  Vereenï- 
ging   in    Nederlandse//    India' ,    Lid   der   Koninklijke   Akademie   van    Weten- 
schappen te  Amsterdam,  enz.  enz. 


D  E  E  L    n. 
C  Y  P  R  I  N  I. 


BATAVIA, 

LANGE  &   CO. 

1860. 


ORDO   CYPRIN! 


KARPERS. 


Pisces  ossei,  branchiis  liberis  simplicibus,  malacopteri ,  corpore  oblongo 
vel  elongato  squamato  vel  nudo,  nunquara  loricato:  suboperculo  non 
deficiënte;  ossibus  intermaxillaribus  marginem  maxillae  superioris  con- 
stituentibus,  palatinis  edentulis;  pbaryngealibus  inferioribus  non  unitis, 
dentatis  ;  pinna  dorsali  unica  radiosa  libera.  Ventriculus  sacco  coeco 
nullo.    Appendices  p)doricae  nullae. 

Aanm.  De  Cyprinen  zijn  weinig  minder  scherp  gekenmerkt  in-  de  groote  rei  der 
Beenige  visschen  dan  de  zoo  na  aan  ze  verwante  Siluren.  De  aanwezigheid  van 
het  suboperkel,  de  vorming  van  den  bovenkaaksrand  geheel  door  de  tusschenkaaks- 
beenderen,  het  niet  vergroeid  zijn  der  onderste  keelgatsbeendercn ,  eene  vrij  staande 
enkele  straalachtige  rugvin,  en  ongetande  gehemeltebeenderen,  zijn  kenmerken, 
welke  men,  vereenigd,  bij  geen  der  overige  orden  van  weekvinnige  visschen  aantreft. 

De  bepalingen  der  orde,  door  andere  schrijvers  gegeven,  zijn  niet  van  volstrekte 
waarde.  Tot  die  bepalingen  reken  ik  de  zoodanige,  welke  de  Cvprinoïden  en  Cy- 
prinodontoïden  als  eene  enkele  familie  of  orde  omvatten.  Er  is  daarin  sprake  van 
kenmerken ,  welke  niet  bij  alle  Cyprinen  gevonden  worden  en  welke  alzoo  slechts 
van  betrekkelijke  waarde  zijn.  Zoo  ontbreken  soms  de  schubben  (Aulopyge  Heek.) 
en  de  zwemblaas  (Homaloptera  V.  Ilass.,  Lepidocephalns  Blkr,  Acanthophthalmus 
V.  Ilass.).  De  kaken  zijn  niet  altijd  zwak  en  de  mondspleet  is  niet  altijd  klein 
(Macrochirichthys  Blkr,  Kampala  V.  Ilass.),  en  bovenste  keelgatbeenstanden  vindt 
men  bij  de  geheele  familie  der-Cyprinodontoïden.  De  onderste  keelgatbeenstanden 
zijn  niet  altijd  groot  en  sterk  (Cobitiformes ,  Honialopteraeformes ,  Catostomini  en 
Cyprinodontoïdei)  ;  de  schubben  zijn  niet  altijd  gladrandig  (soorten  van  Homaloptera» 
en  zelfs  ontbreken  de  schubben  niet  standvastig  op  den  kop  (Lepidocephalns  Blkr). 
De  buik,  volgens  sommige  schrijvers  bij  de  Cvprinen  altijd  afgerond,  is  bij 
sommige  geslachten   mesvormig  zamengedrukt    en    scherp    hoezeer    niet   doornachtig 

l 


gekield  (Chela  Buch.,  Laubuca  Blkr,  Macrochirichtliys  Blkr),  enz.  Er  is  echter 
geene  soort  der  Cyprinen  bekend,  op  welke,  volgens  don  tegen  woord  igen  stand 
tier  wetenschap,  de  hier  vene  kenmerken  niet  volledig  passen  en  aan  den  an- 

deren kant  sluiten  zij   alle  andere   verwante  orden  uit. 


De  Cyprinen  zijn  eerst  laat  op  de  aarde  verschenen.  Ofschoon  zij  reeds  in  de 
voorwereldlijke  tijden  de  zoete  wateren  bevolkten  ,  reikt  haar  oorsprong  niet  verder 
dan  de  tertiaire  vormingen  en  in  dat  tijdperk  zelf  werden  nog  de  Cvprinoïden  van 
de  Cyprinodontoïden  voorafgegaan.  Men  kent  een  zestal  soorten  van  Cyprinodon  en 
Poecilia  uit  de  rnolasse-periode ,  terwijl  het  aantal  soorten  van  echte  Cvprinoïden, 
dusverre  in  de  tertiaire  lagen  aangetroffen  en  alle  behoorendo  tot  geslachten 
der  Cobitiforraes ,  Cyprininen  en  Barbinen,  slechts  ongeveer  35  bedraagt ,  zoodat  in 
het   geheel  thans  nog  slechts  ongeveer  40  soorten  van  fossiele  Cyprinen  bekend  zijn. 

Alhoewel  nu  aannemelijk   is,  dat  de  nadere  kennis  van  meer  zoetwatervorruin 
van   het  tertiaire  tijdvak,    nog    zal    leiden  tot   de    ontdekking   van   nieuwe    fos 
vormen  der  orde,   laat  zich  niet  verwachten,   dat  haar  aantal  eenigzins  zal  nabij  ko- 
men aan  dat  der  soorten   van  Cyprinen  van   de  thans  levende  schepping. 

Inderdaad  zijn  zij  de  talrijkst  vertegenwoordigde  orde  van  visschen  in  de  tegen- 
woordig bestaande  orde  van  zaken  en  de  in  de  registers  der  wetenschap  ingeschre- 
vene soorten  zijn  thans  reeds  meer  dan  1100  in  getal,  van  welk  cijfer  meer  dan 
I  komen  op  de  Cvprinoïden  alleen.  Zij  kunnen  gerekend  worden  ruim  een 
achtste  gedeelte  uit  te  maken  van  de  thans  bekende  nog  levende  vischsoorten,  en 
wanneer  men  alle  fossiele  vormen  bij  deze  verhouding  in  rekening  brengt,  dan  be- 
draagt hun  aantal  nog  meer  dan  een  tiende  van  het  geheel.  Deze  evenredigheid 
is  nog  te  opmerkelijker,  wanneer  men  in  het  oog  houdt,  dat  de  Cvprinoïden, 
welke  meer  dan  91  procent  bevatten  van  het  gchcele  aantal  thans  nog  levende  Cy- 
prinen, in  geheel  Australië,  Polynésie  en  Zuid-Amerika  ontbreken  en  in  Afrika 
in    slechts  een  gering  aantal  soorten  worden  aangetroffen. 


Ken  eeuw  geleden  kende  men  nog  niet  zoovele  levende  soorten  van  Cyprinen  als 

ns  fossiele. 

Arledi  kende  er  slechts  22  of  23,  en  op  het  einde  de  vorige  eeuw  waren  er  nog 
naauwelijks   50  in  de  registers  der  wetenschap  ingeschreven. 

Ie,  in  zijne  Histoire  naturelle  des  Poissons,  en  Schneider,  in  het  Systema 
posthumum  van  liloch,  beschreven  nog  geene  70  soorten.  Sedert ,  doch  voorname- 
lijk in  de  beide  :  tientallen  jaren,  is  de  kennis  ten  dezen  met  reuzenschreden 


vooruitgegaan. 


Azië,  de  Indische  archipel  en  Noord-Amerika  hebben  hunne  rijke  bijdragen  allengs 
geleverd.  Zuid-Amerika  bragt  nienigen  vorm  der  Cyprinodontoïden  aan  het  licht, 
en  zelfs  Afrika  voegde  enkele  tientallen  soorten  bij  die  der  overige  werekldeelen. 

Nog  geen  30  jaren  geleden  evenwel  bedroeg  het  aantal  bekende  soorten  nog  geen 
nog  geen  vierde  gedeelte  van  het  tegenwoordige. 

In   1S43  was  het  cijfer  der  soorten  tot  ongeveer  500  geklommen. 

In  het  begin  van  het  tegenwoordig  decennium  schatte  men  het  reeds  op  ruim  G50, 
en  de  talrijke  nieuwe  vormen,  in  de  jongste  jaren  van  den  Indischen  archipel  eu 
Oost-Azië  en  van  Noord-Amerika  bekend  geworden,  doen  voorspellen,  dat  het  thans 
bereikte  cijfer  van  meer  dan  1100  soorten,  nog  op  verre  na  niet  uitdrukt  het  getal  dei' 
werkelijk  op  de  aarde  levende.  Latere  tijden  zullen  ongetwijfeld  nog  honderden  nieuwe 
vormen  aan  het  licht  brengen. 


De  belangrijke  ontdekkingen  der  laatste  jaren  hebben  een  nieuw  licht  doen  op- 
gaan over  de  geographische  verbreiding  der  Cyprinen.  Men  meende  ze  vroeger  tor 
het  noordelijk  halfrond  beperkt  te  zijn.  De  heer  Agassiz  schreef  zelfs  nog  in  1S5') 
(^Lake  Superior  p.  .352)  //  1  am  not  aware  that  any  of  these  fishes  have  ever  been 
r/ noticed  in  the  waters  of  the  southern  hemisphere;  nor  do  they  extend  anywhere 
//far  beyond  the  limits  of  the   temperate  zone,  as  it   is    well  ascertained  that    thev 

are  most  numerous  in  the  rivers  and  lakes  of  Central  Europe  and  Central  Asia  and 
■  Northern  America.  Indeed,  it  is  so  much  their  natural  home,  that  thev  do  not 
//seem  to  occur  in  the  northernmost  freshwater  streams  nor  anywhere  in  the  tropics, 
//  except  in  very  great  altitudes,  where  recently  a  few  have  been  found  in  the  Amies". 
Hoezeer  nu  ook  deze  meening  van  een  der  grootste  ichthyologcn  blijkbaar  nier 
steunde  op  den  stand  der  kennis  in  gezegd  jaar,  als  wanneer  het  reeds  bewezen 
was,  dat  de  lage  landen  van  zuidelijk  Bengalen  en  Hindustan  en  Pegu  meerdere 
Cyprinen  voeden,  terwijl  ook  reeels  zuid-afrikaansche  en  javasche  vormen  der  orde, 
dus  van  het  zuidelijk  halfrond,  waren  beschreven,  bleef  toch  de  stellino-  o-crond, 
dat  voornamelijk  de  gematigde  streken  van  het  noordelijk  halfrond  als  de  hoofdba- 
kermat  der  Cyprinen  waren  te  beschouwen.  Doch  ook  deze  stelling  schijnt  hare  waarde 
grootendeels  te  hebben  verloren,  sedert  het  gebleken  is,  dat  de  evennachtlijnstreken 
der  Soenda-eilanden  niet  alleen  een  zeker  aantal  soorten  van  Cyprinen  herbergen, 
maar  dat  zij  daar  zelfs  zoo  talrijk  zijn,  dat  de  soorten  van  Cyprinoïden  alleen  er  meer 
dan  13  procent  uitmaken  van  het  geheele  aantal  bekende  thans  levende  soorten  ;  eene 
verhouding,  welke,  in  aanmerking  genomen  het  betrekkelijk  nog  weinig  onder.: 
der  zoete  wateren  van  de  Soenda-eilanden,  zeer  zeker  nog  op  verre  na  niet  uitdruk: 
den  wezenlijken  rijkdom  dier  wateren  aan  Cyprinoïden  en  welke  verhouding  voorts 
alleropmerkelijkst  moet  voorkomen,  wanneer  men  in  het  oog  houdt,  dat  de  eeuwen 


lang  door  talrijke  naturalisten  voortgezette  nasporingcn  ,  van  geheel  Europa  niet  meer 
dan  een  gelijk  bedrag  aan   soorten    van    deze  orde  hebben  doen   kennen. 

De  grenzen  der  Cyprinen  zijn  alzoo  niet  alleen  ruimer  te  stellen  dan  geschied 
was,  maar  de  verbreiding  der  soorten  binnen  die  grenzen  blijkt  ook  niet  zoo  te 
zijn  als  was  vermoed. 

Sir  J.  Richardson  verviel  in  een  ander  uiterste  door  te  beweren ,  en  zulks  reeds 
in  het  jaar  1S36  (Fauna  Boreali-Americana  III  Fish.  p.  ÏO'J)  dat  de  Cyprinen  11  abound 
in  the  fresh- waters  of  all  quarters  of  the  world",  eene  bewering,  die  evenmin  in 
de  toenmalig  bestaande  kennis  haren  grond  had  als  die  van  den  heer  Agassiz  in 
1S50,  en  die  ook  gewis  niet,  lang  volgehouden  is  geworden  door  den  voornaamsten 
ichthyoloog  van  do   australische  wateren. 

Voor  zoo  ver  de  tegenwoordige  kennis  reikt,  zijn  de  Cyprinen  uitgesloten  van 
Australië  en  Polynésie.     Zij  bewonen  alle  overige  werelddeelen. 

In  het  noordelijk  halfrond  strekken  zij  zich  uit  tot  tusschen  den  C0n  en  70"  breedte- 
graad,  doch  zij  schijnen  den  noordpoolcirkel  niet  te  overschrijden.  Van  Groenland 
en  IJsland  zijn  nog  geene  soorten  bekend  geworden.  Men  vindt  ze  algemeen  op 
het  vastland  van  het  noordelijk  halfrond,  zoowel  op  dat  der  oude  als  dat  der  nieu- 
we wereld,  doch  zij  strekken  zich  ook  uit  tot  de  eilanden  ,  welke  beide  vastlanden  om- 
zoomen.  Groot-Brittanje  heeft  zijne  Cyprinen  zoowel  als  de  Japansche,de  Philip- 
pijnsche  en  de  Soenda  eilanden  en  Ceylon,  en  en  ook  op  de  Antillen  ontbreken 
ze  niet.  In  het  midden -gedeelte  van  Zuid-Azië  en  in  de  groote  stroomgebieden 
van  Noord-Amerika  schijnen  zij  echter  hare  talrijkste  soorten  te  bezitten,  ter- 
wijl zij  het   spaarzaamste  schijnen  vertegenwoordigd  te    worden  in  Afrika. 

In  het  zuidelijk  halfrond  strekken  de  Cyprinen  zich  veel  minder  ver  uit.  In 
Afrika  gaan  zij  tot  over  den  30q,  in  Zuid-Amerika  tot  den  o  ja  breedtegraad. 
Talrijk  nog  zijn  zij  op  Java  en  de  deelen  van  Sumatra  en  Borneo,  zuidelijk  van 
de  evennachtslijn  gelegen,  doch  Java  (met  Pali)  en  Borneo  is  ook  hare  zuidoos- 
telijke grens.  Zij  gaan  in  het  oostelijk  gedeelte  van  het  zuidelijk  halfrond  niet 
verder  dan  de  'Je  breedtegraad  en  de  USe  graad  beoosten  Greenwich.  Op  het 
groote  eiland  Celebes  ontbreken  ze  reeds,  evenzeer  als  op  Timor  en  in  de  Molukken , 
en  men  vindt  ze  dan,  in  oostelijke  of  zuidoostelijke  rigting  voortgaande,  niet  eer- 
der terug,  voor  men  Zuid-Amerika  heeft  bereikt,  waar  dan  toch  nog  de  Cvpri- 
noïden   volkomen   ontijreken  om  slechts  aan   de  Cyprinodontoïden  plaats  te  laten. 

De  grenzen  verschillen  nog  voor  beide   familiën, 

De  Cyprinoïden  gaan    -erder  noordelijk  dan  de  Cyprinodontoïden. 

In  Noord-Amerika  schjnen  de  Cyprinodontoïden  den  45"  breedtegraad  niet  te 
overschrijden.  Ook  in  Europa  strekken  zij  zich  niet  noordelijker  uit  en  zijn  daar 
tut  Spanje  en  Italie'  beperkt.  In  Azië  is  het  niet  anders  gesteld  en  zelfs  schijnt 
het,   dat  zij    daar  den    10"  graad  breedte  niet  bereiken  vermits  de  noordelijkst   be- 


5 

kende  vindplaats  tot  heden  toe  is  Jedo,  de  hoofdplaats  van  Japan,  in  welker 
zoete  wateren  nog  eene  Aplocheilos  leeft. 

In  het  zuidelijk  halfrond  is  deze  verhouding  eenigzins  anders.  In  Afrika  schij- 
nen de  Cyprinodontoïden  weinig  minder  zuidelijk  te  gaan  dan  de  Cyprinoïden ,  ver- 
mits eene  Hydrargyra  van  Quellimane  in  Mossambique  vermeld  is.  In  den  In- 
dischen  Archipel  hebben  de  Cyprinodontoïden  hare  zuidelijke  en  oostelijke  grens, 
evenzeer  als  de  Cyprinoïden ,  in  Borneo  en   Sumatra. 

Maar  in  de  nieuwe  wereld  zijn  de  grenzen  geheel  anders  getrokken.  Terwijl  de 
Cyprinoïden  zuidelijk  Mexiko  niet  overschrijden  en  de  Antillen  niet  bereiken ,  en 
alzoo  ver  noordelijk  van  de  evennachtsliju  verwijderd  blijven,  gaande  Cvprinodon- 
toïden  door  Centraal-Amerika  en  de  Antillen  naar  Zuid-Amerika,  om  eerst  hare 
begrenzing  te  vinden  in  Uraguay  en  La  Plata.  Alhoewel  van  Noord-Amerika 
meer  soorten  bekend  geworden  zijn  dan  van  Zuid-Amerika,  laat  zich  verwachten, 
dat  de  zuidelijke  helft  der  nieuwe  wereld  niet  minder  vormen  voedt  dan  de  noor- 
delijke. In  allen  gevalle  bezit  zij  de  merkwaardigste  vormen,  de  Orestiasinen  en 
Anablepinen. 

De  oude  wereld  is,  in  verhouding  tot  de  nieuwe,  arm  aan  Cyprinodontoïden, 
vermits  van  Amerika  thans  reeds  3  maal  meer  soorten  bekend  zijn  dan  van  ge- 
heel het   oostelijk   halfrond. 


Zoo  lang  men  nog  slechts  eenige  weinige  soorten  van  Cyprinen  kende,  kon  men 
zich  vergenoegen  met  ze  tot  zeer   enkele  geslachten   te  brengen. 

Artedi  nam  slechts  3  geslachten  van  Cyprinen  aan,  Cyprinus,  Cobitis  en  Ana- 
bleps, geslachten,  welke  aan  de  subfamiliën  Cypriniformes  en  aan  de  familie  der 
Cyprinodontoïden  beantwoorden.  Voortreffelijk  werd  zijn  geslacht  Cyprinus,  naar 
de  hem  bekende  soorten,  gekenmerkt:  door  3  kieuwstralen,  in  het  midden  zamen- 
gesnoerde  zwemblaas,  tandeloozen  bek  en  n  ossa  duo  in  faucibus  inferioribus  ser- 
rata  et  dura  pro  dentibus,  quibus  superne  unicum  os  ovale  seu  mollius  respon- 
det."  Cobitis  is  door  Artedi  naast  Cyprinus  gesteld,  maar  de  verwantschap  van 
Anableps  met  beide  werd  door  hem  niet  opgemerkt. 

Linneus  loste  het  geslacht  Anableps  in  Cobitis  op  en  bedierf  het  geslacht  verder, 
door  er  ook  in  op  te  nemen  eene  Poecilia,  alsmede  Houttuyn's  Cobitis  japonica. 
Overigens  plaatst  Linneus  Cobitis  en  Cyprinus  in  zijne  afdeeling  Abdominales  zoo 
ver  mogelijk  van  elkander,  en  wijzigde  de  diagnose  van  C  prinus  van  Artedi  zonder 
haar  te  verbeteren. 

In  zijne  // Historiae  piscium  naturalis  promovendae  missus  quintus"  (1749),  on- 
derscheidde J.  Th.  Klein  de  geslachten  Cyprinus,  Brama,  Mystus  en  Leuciscus. 
Het  eerste  beperkte  hij  tot  echte  Cyprininen,  waarbij  hij  echter  ook  eenige  Poma- 


centroïden  opnam.  Brama  beval  er  Abramis  Cuv.,  Carassius  Nilss.,  ïinca  Cuv.  en 
Scardinius  üp.  Mystus  is  er  gelijkbeteekenend  niet  Barbas  Cuv.,  en  Leaciscas  omvat 
er  de  overige  soorten  van  Leuciscus  Cuv.,  doch  tevens  ook  Alausa  Cuv.  ]Iij  gaf  al- 
len aan  voor  de  splitsing  van  liet  Artedische  geslacht  Cyprin  us, 
waarop  eerst  door  Cuvier  verder  werd  voortgebouwd.  De  hem  bekende  Cobitiformes 
bragt  Klein  onder  zijn  uiterst  zamengesteld  geslacht  Enchelyopus. 

I.  T.  <  ïronovius,  in  zijn  Museum  ichthyologicunij  uitgegeven  in  het  jaar  1754 ,  nam 

ir  Artedi  voorgestelde  geslachten  aan,  Anableps  evenwel  van  Cobitis  en  Cyprinus 

verwijderd  plaatsende.      Hij   verdeelde  de  soorten  van  Cyprinus  in  die  niet,  en  in  die 

.■1er    voeldraden.     Later,    in  zijn  Zoöphylacium  (uitgegeven  in    1 7G3)  plaatste  hij 

ibitis  in  zijne  orde  Branchiostegi  en  Cyprinus  en  Anableps,  verwijderd  van  elkander, 
in  zijne  orde  Branchiales. 

In  he;  Systema  ichthjologicum  van  Bloch  en  Schneider  (1801)  werden  de  Cyprinen 
met  het  geslacht  Poecilia  verrijkt.  Anableps  staat  er  door  de  genera  Notacanthus, 
v.,  Salmo,  Clupea  en  nog  andere,  van  Cobitis  en  Cyprinus  verwijderden  Aiuia 
neemt  er  rang  tusschen  Cyprinus  en  Poecilia. 

Lacepède  ging  in  het  vijfde  deel  (an  XI)  van  zijne  Histoire  des  Poissons  reeds 
een  weinig  verderen  beschreef  7  geslachten,  Cobitis,  Misgurnus,  Anableps,  Fundulus, 
Hydrargyra,  Cyprinodon  en  Cyprinus.  Met  uitzondering  van  .Misgurnus,  welk  ge- 
ueheel  foutief  bepaald  was  en  later  in  Acanthopsis  is  opgelost,  zijn  deze  ge- 
slachtsnamen ,  gedeeltelijk  echter  onder  eene  gewijzigde  beteekenis ,  behouden  gebleven. 
Lacepède  kwam  echter,  evenmin  als  zijne  voorgangers,  op  het  denkbeeld,  ze  tot 
eene  natuurlijke  groep  bijeen  te  brengenen  plaatste  ze 'zeer  verspreid  in  zijn  stelsel. 

De  heer  C.  Duméril  bragt  de  hem  bekende  Cyprinen,  in  het.  jaar  1S0U ,  het  eerst 
onder  bepaalde familiën ;  —  Cobitis,  Misgurnus,  Anableps  en  Fundulus,  met  nog  an- 
dere zeer  heterogene  geslachten  onder  zijne  familie  Cylindrosomen  ;  —  Hydrargyra 
en  Cvprinus,  insgelijks  vermengd  m  I  hoogst  uiteenloopende  genera,  in  zijne  familie 
Cvmnopomen.  Geen  dezer  beide  familiën  is  als  eenigzins  natuurlijk  te  beschouwen 
en  de  kennis  der  Cyprinen   won  er  niet  bij. 

Rafinesque  was  de  eerste,  die,  in  zijne  Indice  d'lttiologia  Siciliana  (18l0)  den  fa- 
milie-naam Ciprinidi  •  Ie,  doch  hij  plaatste  daarin  Mugil  naast  Cyprinus, 
waardoor  het  natuurlijke  der  familie  geheel  verloren  ging.  In  zijn  in  1S1Ö  te  Pa- 
lermo verschenen  werk  over  de  Natuur,  stelde  hij  de  Cyprinia,  aU  familie,  op  nog 
minder  natuurlijke  wijze  zamen  en  splitste  ze  in  drie  subfamiliën,  een  van  welke 
hij  Gymnopomia  noemde,  en  welke,  even  als  zijne  familie  Cylindrosomia ,  overeen- 
komen met  de  gelijknamige   familiën   van   den   heer    Duméril. 

De  natuurlijke    verwantschappen    der  Cyprinen    werden    het  eerst  begrepen    door 

»rges  Cuvier.     11  ij   vatte  de  Cyprinoïden  en  Cyprinodontoïdeu  te  zamen  in  eene 

enkele  familie,  zijne  Cyprinoides  [welke  volgens  mijne   wijze  van  beschouwing  eveu- 


7 

wel  eene  hoogere  waarde  heeft.)  en  splitste  in  1817  het  geslacht  Cyprinus  Art. 
in  verschillende  geslachten,  in  Cyprinus,  Barbus,  Gobio,  Tinca,  Cirrhina,  Abra- 
mis,  Labeo  en  Leuciscus.  Ten  onregte  evenwel  bragt  hij  ook  het  geslacht  Go- 
norhvnchus  Gron.  tot  dezelfde  familie.  Het  door  hem  in  de  eerste  uitgave  van 
zijn  Règne  animal  voorgestelde  geslacht  Lebias,  is  sedert  tot  Cyprinodon  Lac.  terug- 
eebragt. 

Nadat  door  Cuvier,  meer  bepaald  dan  door  Klein,  de  baan  gebroken  was  in  de 
ontleding  van  het  geslacht  Cyprinus  Art.,  en  nadat  talrijke  nieuwe  vormen  van  Cy- 
prinen  aan  het  licht  gekomen  waren,  begreep  men,  in  die  splitsing  nog  verder  te 
moeten  gaan. 

Lesueur  grondde  in  ISIS  het  geslacht  Catostomus,  en  in  1S21  nog  het  geslacht 
Mollienisia. 

Rafinesque,  na  zich  in  Noord-Amerika  verplaatst  te  hebben,  onderkende  met 
scherpen  blik  een  aantal  nieuwe  generische  vormen,  deels  onvoldoende  gekenmerkt 
en  aanvankelijk  niet  in  de  stelsels  opgenomen ,  doch  in  de  jongste  tijden,  door 
de  nasporingen,  vooral  van  den  heer  Agassiz,  als  natuurlijke  geslachten  gewaar- 
deerd. Die  geslachten  schijnen  alle  beschreven  te  zijn  in  zijn'  Prodromus  van  70 
nieuwe  geslachten  (ISIS)  en  in  zijne  Ichthyologia  Ohiensis  (1S20),  welke  werken 
niet  ter  mijner  beschikking  zijn,  doch  zij  zijn  in  de  nieuwere  ichthyologische  schrif- 
ten over  Noord-Amerika  nader  aangeduid  onder  de  namen  Exoglossum,  Pimephales, 
Moxostoma,  Carpiodes,  Cycleptus,  Luxilus  en  Ichthyobus,  welke  het  burgerregt  ver- 
kregen hebben,  en  onder  de  namen  Decactylus,  Eurystomus,  Hypcntelium,  Rutilas 
en   Teretulas,  welke  door  de  nieuwere  ichthyologen  niet  aangenomen    zijn. 

Terwijl  Lesueur  en  Rafinesque  nieuwe  generische  vormen  in   Noord-Amerika  be- 
schreven, ontdekten  Buchanan  Hamilton  in  Britsch-Indië,  en  Kuhl  en  Van  Ha 
op  Java,  nog  andere   nieuwe*  genera. 

Buchanan  was  evenwel  in  de  bepaling  dier  geslachten  niet  gelukkig.  In  zijn: 
Account  of  Fishes  found  in  the  river  Ganges  and  its  branches,  te  Edinburg  in 
1822  uitgegeven,  heeft  hij  de  Cypriniformes  onder  9  groepen  gebragt,  welke  hij 
noemde  Chela,  Paribus,  Bangana,  Cyprinus,  Puntius,  Danio,  Morulius,  Cabdio 
en  Garra,  maar  hij  kenmerkte  ze  zoo  onvolledig  en  gebrekkig,  dat  geen  derzelve 
als   generische   vorm   is   behouden   gebleven,  behalve  Chela. 

Kuhl  en  Van  Hasselt  onderscheidden  met  scherperen  blik  de  Cyprinen- wereld , 
die  zich  op  Java  voor  hen  ontrolde,  maar  zij  hadden  den  tijd  niet,  hunne  waar- 
nemingen in  voldoenden  vorm  te  publiceren.  Gezamenlijk  ontdekten  zij  de  ge- 
slachten Hampala,  Crossocheilos  en  Lobocheilos,  terwijl  Van  Hasselt  bovendien  nog 
onder  zijn'  eigen'  naam  opstelde  de  geslachten  Labiobarbus  (Rohita  en  Dangila 
Val.),  Diplocheilus  (subgenus  van  Labeo  Val.),  Acanthophthalmus ,  Acanthopsis ,  Ho- 
maloptera  en  Odontopsis  of  Homalopsis  (Panchax  Val.).   Het  geslacht  Chela  onder- 


s 

scheidde  Van  Hasselt  ook,  zonderden  arbeid  van  Buchanan  te  kennen,  en  noemde 
liet  Oxvsjaster. 

In  de  tweede  uitgave  van  het  Règne  animal  (1S29)  heeft  Cuvier  in  de  geslachts- 
verdeeling  der  Cyprinen  weinig  verandering  gebragt,  niettegenstaande  de  arbeid 
van  Buchanan  hem  volkomen  bekend  was,  en  ook  de  onderzoekingen  van  Rafinesque 
en  Kuhl  en  Van  Hasselt  hem  niet  vreemd  konden  gebleven  zijn.  Hij  heeft  in 
die  tweede  uitgave  de  geslachten  der  Cyprinen  slechts  vermeerderd  met  de  beide 
door  Lesueur  voorgestelde,  t.  w.  Catostomus  en  Mollienisia. 

De  heer  J.  Van  der  Hoeven  gaf  in  1S33,  in  eerste  uitgave  van  zijn  voortreffelijk 
Handboek  der  dierkunde  w ,  eene  nadere  omschrijving  van  het  geslacht  Ilomaloptera 
V.  Ilass.,  hetwelk  intusschen  door  Gray  Balitora  was  genoemd,  alsmede  van 
Chela  Buch.,  hetwelk  hij  daar  als  een  ondergeslacht  beschouwt.  De  heer  Van  der 
Hoeven  brengt  er  de  Cyprinen  tot  vijf  typen  terug,  tot  Cobitis ,  Ilomaloptera, 
Anableps,  Cyprinodon  en  Cyprinus,  welke  hij  als  geslachten  beschouwt.  l)c  toen 
reeds  bekende  geslachten  van  Cyprinodontoïden  brengt  hij ,  met  uitzondering  van 
Anableps,  als  subgenera  onder  Cyprinodon,  en  de  geslachten  der  Cypriniformcs,  met 
uitzondering  van  Ilomaloptera,  als  subgenera,  onder  Cyprinus.  Gonorhynchus neemt 
daar  zelfs  plaats  als  een  subgenus  van  Cyprinus.  —  De  typen  van  den  heer  Van  dei- 
Hoeven  zijn  zeer  goed  gekozen,  doch  hebben  ecne  hoogere  waarde  dan  die  van 
geslachten.  Slechts  Gonorhynchus,  welks  kenmerken  buiten  de  typen  niet  alleen 
maar  zelfs  buiten  de  familie  vallen,   behoort  er   uit   te    worden  verwijderd. 

Terwijl  de  strekking  van  den  heer  Van  der  Hoeven  blijkbaar  was,  cenc  vereen- 
voudiging in  de  splitsing  der  Cyprinen  en  eene  terugbrenging  der  genera  tot  de  waarde, 
door  Artedier  aan  gegeven,  achtten  andere  zoölogen  het  noodig,  de  toen  aangeno- 
mene  geslachten  nog    verder  te  splitsen. 

Inderdaad  moest  de  noodzakelijkheid  daarvan  wel  blijken,  bij  de  toenemende  op- 
hooping van  bouwstoffen,  en  het  kon  niet  bevreemden,  dat  men  bij  eene  groep 
van  viisehen,  bij  welke  de  natuur  slechts  van  betrekkelijk  weinige  kenmerken  had 
gebruik  gemaakt  om  honderdvoudige  verscheidenheden  te  voorschijn  te  roepen,  aan 
die  kenmerken  eene  hoogere  waarde  hechtte,  dan  men  er  aan  toegeschreven  zou 
hebben  bij  familiën ,  weinig  rijk  aan  soorten,  maar  uitstekende  door  veelvuldigheid 
van  in  het  oog    springende   kenteekenon. 

Na  ]  S3 1  namen  de  nasporingen  betreffende  de  Cyprinen  op  meer  uitgebreide 
schaal  toe  en   gaven  een'  rijken  buit  aan  nieuwe   generische   vormen. 

In  1535  stelde  de  heer  Rüppell  (Neuer  Nachlrag  von  Beschreibungen  und 
Abbildungen  neuer  l'ische,  im  Nil  entdeckt)  twee  nieuwe  geslachten  voor,  onder  de 
namen  Labeobarbus  en  Varicorhinus. 

De  heer  Agassiz  stelde  het  eerst  voor,  de  Cyprinen  in  twee  familiën  te  splitsen, 
en  in  navolging  daarvan   nemen  de  meeste  ichthyologen    thans  aan  de  familiën   der 


Cyprinoïden  en  der  Cyprinodontoïden.  Ia  de  familie  der  Cyprinoïden  zelve  stelde 
hij  reeds  in  1S36,  in  het  eerste  deel  der  Mémoires  de  la  Société  des  sciences  naturelles 
de  Neuchatel,  eenige  nieuwe  genera  op  t.  w.  Rhodeus,  Phoxinus,  Chondrostoma 
en  Aspius.  De  toen  tevens  door  hem  van  Cobitis  en  Leuciscus  afgezonderde  geslachten 
Acanthopsis  en  Pelecus  hebben  dezelfde  waarde  als  Acanthopsis  van  Van  Hasselt 
en  Chela  van  Buchanan.  De  heer  Agassiz  maakte  ook  het  eerst  het  Artedische  ken- 
merk der  keelgatbeenstanden  vruchtbaar  voor   de  herkenning  der  geslachten. 

Nilsson  zonderde  (in  1837?)  het  geslacht  Carassius  van  Cyprinus  af. 

J.  Heckel  verrijkte  in  het  jaar  1S3S  de  familie  der  Cyprinoïden  met  het  geslacht 
Schizothorax,  hetwelk  echter  nog  twee  andere  natuurlijke  geslachten  inhield,  welke 
eerst  later  als  zoodanig  werden  bepaald. 

Aan  den  kolonel  W.  II.  Sykes  had  men  te  danken  het  geslacht  Rohtee,  van  het- 
welk hij  eenige  soorten  in  het  jaar  1S33  bekend  maakte  in  zijn  artikel  h  On  the 
Fishes  of  the  Dukhun." 

In  hetzelfde  jaar  ISoS  verscheen  een  derde  belangrijke  arbeid  over  de  zuid- 
aziatische  Cyprinen,  van  den  heer  J.  MacClelland,  getiteld  //Indian  Cyprinidae." 

Hij  vatte  de  Cyprinen  op  als  familie,  geheel  in  den  geest  van  Cuvier  en  splitste 
haar  in  drie  subfamiliëu,  welke  hij  noemde:  Paeonominae,  Sarcoborinae  en  Apalop- 
terinae.  Deze  splitsing  was  minder  gelukkig  dan  de  door  den  heer  Agassiz  voorge- 
stelde. Zijne  Paeonominae  omvatten  Labeoninen,  Catastominen,  Cyprininen  en  Bar- 
binen  en  maken  alzoo  een  deel  uit  van  mijne  onderfamilie  Cypriniformes.  De  Sarco- 
borinae omvatten  slechts  een  deel  der  Barbinen.  In  de  Apaloptcrinen  daarentegen 
vindt  men  de  Cyprinodontoïden  vereenigd,  niet  alleen  met  de  Cobitiformes  en  IIo- 
malopteraeformes ,  maar  zelfs  met  Labeoninen. 

Nog  minder  slaagde  de  heer  MacClelland  in  eene  juiste  bepaling  der  geslachten 
en  hij  begreep  de  Cuviersche  genera  verkeerd,  waardoor  hij  b.  v.  een  aantal  in- 
dische  soorten  geheel  ten  onregte  bragt  tot  Gonorhynchus  Gron.,  Cirrhinus  Cuv.  en 
zelfs  tot  Catostomus  Les. 

Niettemin  heeft  zijn  arbeid  talrijke  nieuwe  generische  vormen  aan  het  licht  ge- 
bragt,  en  hoezeer  hij  ook  de  door  hem  voorgestelde  nieuwe  geslachten  in  den  regel 
zeer  gebrekkig  heeft  bepaald,  kunnen  ze  bijkans  alle,  naauwkeuriger  omschreven, 
hunne  plaats  in  het  stelsel  behouden.  Die  geslachten  zijn,  wat  de  Cyprinoïden  aan- 
gaat, Cymenophysa,  Psilorhynchus,  Platycara,  Oreinus  (Schizothorax  Heek.),  Systo- 
mus,  Perilampus  en  Opsarius,  en,  wat  de  Cyprinodontoïden  betreft,  Aplocheilos. 
Zijn  geslacht  Schistura  valt  geheel  met  Cobitis  Art.  zamen. 

De  eerste  proeven  van  natuurlijke  stelsels  van  visschen  van  Charles  Lucien  Bonapar- 
te, prins  van  Canino,  dagteekenen  ingelijks  van  het  vierde  decennium  dezer  eeuw.  Hij 
nam  de  familiën  van  den  heer  Agassiz  aan ,  slechts  den.  naam  van  Cyprinodontes 
in  dien  van  Poecilidae  veranderende.     De  Cyprinoïden  zelve  splitste  hij  eerst  in  drie 


10 

subfamiliën ,  Anableptini,  Cyprinini  en  Leuciscini,  doch  in  1S39  bragt  hij  teregt  de 
Anablepini  tot  de  Cyprinodontoïden  terug,  zoodat  ïi ij  elke  familie  in  twee  onder- 
familiën  verdeelde,  de  Poecilidae  n.  1.  in  Anableptini  en  Poecilini.  Later  nog  zon- 
derde hij ,  even  als  Swainson  ,  ook  de  Cobitiformes  van  zijne  Cyprinidae  als  eigene  fa- 
milie af  onder  den  naam  Cobitidae. 

William  Swainson  stelde  in  1SS9  in  zijne  "Natural  History  of  Fishes,  Amphibians 
and  Reptiles  or  Monocardian  animals",  eene  andere  verdeeling  der  Cyprinen  voor, 
doch  hij  was  daarin  even  weinig  gelukkig,    als  in  vele  andere  deelen  van  zijn  stelsel. 

Niet,  alleen  scheidde  hij  de  Cobitiformes  en  Ilomalopteraeformes  (Balitorinae)  uit  de 
Cyprinoïden,  maar  bragt  de  overige  Cyprinoïden  tot  de  waarde  van  nog  minder  dan 
eene  subfamilie  terug,  vermits  zijne  Cyprinae  er  als  eene  subfamilie  der  Salmonidae 
voorkomen  en  Erythrinus  en  Arapaima  J.  Muil.  er  als  twee  van  zijne  vijf  geslachten 
van  Cyprinae  figureren.  Overigens  verheft  hij  de  Cobitidae  tot  eene  eigene  familie 
en  brengt  daartoe  vier  subfamiliën,  zijne  Cobitinae,  Anablepinae,  Poecilinae  en  Ba- 
litorinae, zoodat  zijne  Cobitidae  een  zamenstel  zijn  van  Cypriniforines,  Cobitiformes 
en  Cyprinodontoïden. 

Ten  opzigte  zijner  geslachten  volgde  Swainson  evenzeer  eene  van  die  zijner  voor- 
gangers verschillende  zienswijze. 

Zijne  Cyprinae  zonder  tanden  beantwoorden  bijkans  geheel  aan  de  eigenlijke  Cy- 
prinoïden en  hij  neemt  daarin  slechts  aan  de  geslachten  Cyprinus,  Catostomus  en 
Leuciscus.  Onder  Cyprinus  brengt  hij  dan  als  subgenera  Cyprinus,  Barbus,  Labeo- 
barbus  en  Salmostoma  of  Salmophasia  (Chela  Buch.)  ;  onder  Catostomus  als  subgenera 
Labeo ,  Catostomus  en  Chedrus  ;  en  onder  Leuciscus  als  subgenera  nogmaals  Chela 
en  voorts  Esomus,  Leuciscus,  Tinca,  Abramis  en  Gonorhynchus   Gron. 

De  Cobitinae  bevatten  bij  Swainson  verder  2  geslachten  :  Cobitis,met  de  subgenera 
Cobitis  en  Acourus;  en  Canthophrys  (Acanthopsis  V.  Ilass.)  met  de  subgenera  Can- 
tophrys,  Diacanthus  en  Somileptus,  ondergeslachten,  welke  gedeeltelijk  op  de  onjuiste 
meening  gegrond  zijn,  dat  er  de  schubben  zouden  ontbreken.  In  de  overige  sub- 
familiën der  Cobitidae  zijn  geene  nieuwe  geslachtsverdeelingen  voorgesteld. 

Alhoewel  Swainson's  indeelingen  op  niet  houdbare  gronden  rusten,  zijn  toch  twee 
zijner  subgenera  als  natuurlijke  geslachten  te  behouden  t.  w.  Esomus,  hetwelk  weinige 
jaren  later  door  den  heer  Valenciennes  nader  werd  beschreven  onder  den  naam  van 
Nuria,  en  Chedrus,  hetwelk  mij  evenzeer  voorkomt  een  natuurlijk  geslacht  te  zijn. 

A.  Smith  deed  (1839 — 1845?)  in  zijne  *  Illustrations  of  the  Zoology  of  South  Africa  ee- 
nige  nieuwe  typen  kennen,  welke  hij  Abrostomus,  Cheilobarbuseu  Pseudobarbus  noemde. 

De  prins  van  Canino  voegde  daarbij  in  IS -11  de  geslachten  Scardinius,  Squalius 
en  Telcstes,  welke  hij  in  de  Fauna  Italica  beschreef. 

J.  E.  De  Kay  stelde  in  1S42,  in  zijne  Zoology  of  New- York,  het  geslacht  Stilbe 
op,  hetwelk  echter  niet  van  Luxilus  Raf,  verschilt. 


11 

De  belangrijkste  werken  van  den  nieuwen  tijd  over  de  Cyprinen  ziju  zeker  die  van 
den  lieer  Valenciennes  en  van  J.  Heckel. 

De  drie  deelen  der  groote  Histoire  naturelle  des  Poissons ,  welke  over  de  Cyprinen 
handelen,  dagteekenen  van  1S42  tot  184G,  en  Heckel' s  Fische  Syriens  en  zijne 
//  Nachtrage"  daarop,  van  de  jaren  1843  tot  1S47. 

De  heer  Valenciennes  nam  de  familiën  van  den  heer  Agassiz  niet  aan ,  evenmin 
als  vele  der  reeds  in  de  wetenschap  gevoerde  genera.  Hij  bleef,  even  als  Cuvier, 
de  Cyprinen  als  eene  enkele  familie  beschouwen ,  maar  hij  bragt  eene  aanmerke- 
lijke hervorming  inde  diagnosen  der  geslachten  en  voegde  aan  de  Cypriiio'ïden  toe 
de  geslachten  Dangila,  Rohita,  Capoüta,  Catla  en  Sclerognathus,  en  aan  de  Cypri- 
nodontoïden  het  merkwaardige  geslacht  Orestias,  alsmede  het  door  hem  buiten  de 
Cyprinoïden  geplaatste  geslacht  Punchax ,  hetwelk  Van  Hasselt  reeds  Homalopsis 
had  genoemd,  doch  niet  beschreven. 

Heckel's  arbeid,  in  zijne  Fische  Syriens,  voor  zooverre  die  de  Cyprinen  in  het 
algemeen  behandelt,  is  van  een'  meer  zuiver  systematischen  aard  en  bepaalt  zich 
tot  de  onderfamilie   der  Cypriniformes. 

De  heeren  Agassiz  en  MacClelland  waren  Heckel  voorgegaan  in  de  waardering  van 
de  bijzonderheden  van  het  tandenstelsel  en  van  de  betrekkelijke  lengte  van  het 
darmkanaal,  ter  bepaling  van  de  geslachten  en  van  hunne  onderlinge  verwantschap- 
pen. Maar  Heckel  ging  veel  verder,  wat  het  tandenstelsel  betreft,  en  beproefde 
zelfs  naar  den  bijzonderen  bouw  en  rangschikking  der  keelgatstauden  de  talrijke 
door  hem  aangenocuene  geslachten  te  bepalen. 

In  het  overzigt,  in  1843  door  Heckel  gegeven,  splitst  hij  de  Cypriniformes  eerst 
in  twee  hoofdgroepen,  de  Macroentri  en  Brachyeutri.  De  Macroentri  verdeelt  hij  dan 
in  twee  groepen,  in  die  met  //  dentés  excavati"  en  in  die  met  //  dentés  masticatorii." 
Evenzoo  verdeelt  hij  de  Brachyentri  in  die  met  //dentés  uncinato-submolares"  en 
die  met  //dentés  uncinato-subconici."  Elk  dezer  ondergroepen  splitst  hij  dan  nog  in 
kleinere  groepen ,  voornamelijk  naar  de  bijzondere  gedaante  der  tanden,  zoodat  het 
geheel  verdeeld  is  in  13  zoodanige  kleinere  groepen. 

Hoezeer  nu  de  keelgatstanden  der  Cyprinoïden  een  voortreffelijk  hulpmiddel  aan- 
bieden bij  de  bepaling  van  vele  geslachten  en  zelfs  van  hunne  onderlinge  verwant- 
schappen, ging  Heckel  toch  te  ver,  door  meerdere  nieuwe  geslachten  bijkans  uit- 
sluitend op  geringe  bijzonderheden  van  het  tandenstelsel  te  gronden  en  hij  heeft 
dat  later  zelf  ingezien. 

Het  aantal  der  door  Heckel  in  1843  voorgestelde  nieuwe  geslachten  is  aanmerke- 
lijk. Zelfs  na  aftrekking  van  Osteobrama,  Cyrene,  Scaphiodon  ,  Leucosomus  en  Glos- 
sodon ,  van  welke  de  vier  eerstgenoemde  reeds  onder  de  namen  Rohtee ,  Dangila ,  Orei- 
nus  en  Luxilus  door  andere  ichthyologen  in  de  wetenschap  waren  gevoerd,  terwijl  het 
laatste  geheel  buiten  de  orde  valt,  blijven  nog  de  genera  Cyprinion ,  Luciobarbus,  Iso- 


12 

cephalus,  Tylognathus,  Discognathus,  Carpio,  Gibelion,  Aulopyge,  Rhytidostouius , 
Chondrochylus,  Chondrorhynchus ,  Phoxinellus,  Levicos,  Acanthobrama,  Devario, 
Bliccopsis,  Blicca,  Argyreus,  Pachystomus  en  lil  us  over,  welke  hij  aan  de  bestaande 
toevoegde,  geslachten,  welke  niet  alle  behouden  zijn  kunnen  blijven  en  gedeeltelijk 
later  ook  door  Ileckel  zelven  zijn   teruggetrokken. 

Overigens  gaf  Ileckel  zijne  op  het  tandenstclsel  gegronde  groepen  geenszins  voor 
natuurlijke  groepen  uit,  en  hij  heeft  achter  zijne  overzigtstafel  zelfs  laten  volgen  eene 
rangschikking  der  54  door  hem  toen  aangenoinene  geslachten,  zoo  als  zij  naar  zijne 
meening  in  natuurlijke  orde  op  elkander  volgden ,  eene  rangschikking  evenwel,  welke 
sedert  belangrijke  wijzigingen  heeft  ondergaan. 

Nog  eene  tierde  rangschikking  gaf  Heckel  in  hetzelfde  jaar  en  in  hetzelfde  werk , 
waarbij  hij  ook  de  monddeelen  en  den  vinbouw  tot  grondslag  nam.  Volgens 
deze  rangschikking  zijn  de  Gypriniformes  verdeeld  in  tien  Tribus,  welke  niet  met 
voldoende  scherpte  zijn  begrensd  en  ook  ongenoemd  gebleven.  Hij  plaatste  de  ge- 
slachten in  deze  Tribus  als  volgt. 
Tribus  I.  Cyprinus  Guv.,  Carpio  Heek.,  Carassius  Nilss.,  Gibelion  Ile-k.,  Cy- 
prinion  Heek.,  Cyclurus  Ag.  s  Amia  L?. 
Devario  Heek.,  Rhodeus  Ag, 

Systomus  McCl.,  Barbus  Cuv.,  Labcobarbus  Riipp.,  Luciobarbus  Heek., 
Schizothorax  Heek.,  Scaphiodon  Ileck.,  Aulopyge  Heek.,  Abrostomus 
Smith. 

Catostomus  Les.,  Rhytidostomus   Heck.?,  Exoglossum  Raf. 
Labeo   Cuv.,   Cyrene   Heek.,   Rohita  Val.,  Tylognathus  Ileck.,   Disco- 
gnatlius Heek. 
//    VI.     Gobio  Cuv..  Tinca   Cuv.,  Isocephahis  Ileck. 

//  VIL    Gymnostomus   Ileck.,   Chonclrostoma  Ag.,  Chondrochylus  Heek.,  Chon- 
drorhynchus  Ileck. 
v  VIII.  Abramis  Cuv.,  Blicca    Heek.,  Bliccopsis    Ileck.,   Acanthobrama  Ileck., 

Osteobraina  Heek.,  Glossodon  Ileck.,  Ballerus  Ileck. 
//    IX.   Chela  Buch.,  Esomus  Swns.,  Bclccus  Ag.,  Perilampus  McCl.,  Alburnus 

Rond.,  Aspius  Ag. 
n     X.  Scardinius  Bp.,  Idus  Heek.,  Leucos  Heek.,  Pachystomus  Heek.,  Leuciscus 
Klein,  Phoxinellus  Ileck.,  Phoxinus  Ag.,  Argyreus  Ileck.,  Squalius  Bp., 
Leucosomus  Heek.,  Opsarius   McCl. 
In  het  jaar    1847    kwam    Ileckel  op  zijne  rangschikkingen    terug,    en    nam  een' 
anderen  grondslag  aan  voor  de  hoofdverdeeling   der  Cypriniformes.     Hij    vond  dien 
m  de  vorming  der  monddeelen,  deelen  welke  evenzeer  in  verband  staan  tot  de  le- 
venswijze  der  betrokkene   vormen  als  de  keelgatstanden  en  de   lengte-verhoudingen 
van  het  darmkamaal,  maar  dit  vóór  hebben,  dat  zij  die  levenswijze  in  een  uitwendig 
en  gemakkelijk  herkenbaar  tceken  terugkaatsen. 


// 

IL 

II 

111. 

II 

IV. 

II 

V. 

13 

Hiermede  was  eene  derde  groote  schrede  gedaan  in  natuurlijke  rangschikking  der 
Cypriniformes. 

Heckel  bragt  alle  soorten ,  bij  welke  de  onderkaak  in  een'  dunnen  kraakbeenigen 
rand  overgaat,  tot  zijne  Temnochilae,  en  alle  overige  tot  zijne  Pachychilae.  Deze  laatste 
liet  hij  verder  onaangeroerd,  doch  zijne  Temnochilae  splitste  hij  in  twee  onderafdee- 
lingen,  gegrond  op  het  al  of  niet  aanwezig  zijn  van  lippen.  Tot  de  groep,  bij  welke 
de  lippen  aanwezig  zijn,  bragt  hij  de  geslachten  Labeo  Cuv.,  Rohita  Val.,  Tylogna- 
thus  Heek.,  Discognathus  Heek.  en  Cyrene  Heek.  ■ —  tot  de  groep  zonder  lip  (onderlip) , 
de  geslachten  Cyprinion  Heek.,  Dillonia  Heek.,  Schizopyge  Heek.,  Scaphiodon  Heek., 
Gymnostomus  Heek.,  Aspidoparia  Heek.  en  Chondrostoma  Ag,  geslachten,  welke 
hij  nog  onderrangschikte  naar  het  al  of  niet  aanwezig  zijn  van  een'  beenigen  straal 
in  de  rugvin  en  naar  de   gedaante  en   formule  der  keelgatstanden. 

Behalve  de  geslachten  Dillonia,  Schizopyge  en  Aspidoparia  stelde  Heckel  in  1847 
nog  een  nieuw  geslacht  der  Pachychilae  op,  hetwelk  hij  in  de  Addenda  en  Corri- 
genda op  zijn  Fische  Syriens  met  den   naam  van  Mola  bestempelde. 

De  betere  kennis  der  Cypriniformes  is  aan  de  studiën  van  Heckel  grootelijks 
verpligt  en  zonder  twijfel  zou  zijn  stelsel  in  de  bijzonderheden  vollediger  uitge- 
werkt zijn  geworden,  indien  hij  had  kunnen  beschikken  over  zoovele  zuid-aziatische, 
indisch-archipelagische  en  noord-amerikaansche  vormen  met  merkwaardigen  kaak-  en 
lipbouw,   welke  eerst  na  zijnen  arbeid  voor  het  eerst  of  beter  zijn  bekend  geworden. 

Tusschen  de  jaren  1842  en  184G  stelde  de  Prins  Charles  Lucien  Bonaparte  nog  op 
het  geslacht  Gardonus  met  de  subgenera  Pigus,  Gardonus  en  Cephalus,  en  voorts 
in  het  genus  Leucos  het  ondergeslacht  Cenisophius,  inliet  geslacht  Scanlinius  het 
subgenus  Ilegerius  en  in  het  genus  Leuciscus  het  ondergeslacht  Microlepis.  Geen 
dier  namen  echter  is  door   de  nieuwere   ichthvolo^eu  aangenomen. 

De  Cyprinodontoïden  werden  door  Heckel  in  het  jaar  1S4S  nog  verrijkt  met  het 
geslacht  Xiphophorus ,  en  in  hetzelfde  jaar  ook  stelde  de  heer  Agassiz,  in  de  Cypri- 
noïden,  zijn  geslacht  Rhinichthys  voor. 

In  het  tegenwoordig  decennium  werden  weder  groote  voortschreden  gemaakt  in 
de  kennis    der  Cyprinen. 

Zeer  talrijke  vormen ,  vooral  noord-amcrikaansche  en  indisch-archipelagische , 
kwamen  het  aantal  der  bekende  verdubbelen  en  talrijke  nieuwe  geslachten  ook 
werden  weder  voorgesteld. 

De  opvattingen  omtrent  de  waarde  dier  geslachten  liep  zeer  uiteen,  en  terwijl 
men  aan  den  eenen  kant  geneigd  was  bijkans  alle  de  talrijke  nieuwere  genera  te 
verwerpen  en  ze  hoogstens  met  den  rang  van  ondergeslachten  in  de  spaarzame  oude 
geslachten  op  te  lossen,  ging  men  aan  den  anderen  kant  tot  een  ander  uiterste  over, 
door  geslachtskenmerken  te  vinden  in  zoo  weinig  beteekenende  bijzonderheden  der 
bewerktuiging,  dat  het  inderdaad  dreigde  moeijelijk  te  worden  aan  het  aantal  der 
op  te  stellen  genera  andere  grenzen  te  stellen  dan  die  der  soorten. 


14 

De  heer  Van  der  Hoeven  bleef  in  de  tweede  uitgave  (1S50)  van  zijn  Handboek  der 
dierkunde,  een  voorstander  van  het  behouden  der.  Artedische  genera.  Slechts  aan 
twee  opmerkelijke  nieuwere  typen,  aan  Artedi  ongekend  gebleven,  Aulopyge  Heek. 
en  Ilomaloptera  V.  Ilass.  kende  hij  generische  waarde  toe.  Alle  Cobitiformes  behooren 
volgeus  hem  tot  Cobitis  Art.  als  genus,  en  alle  Cypriniformes ,  met  uitzondering 
slechts  van  Ilomaloptera  en  Aulopyge,  tot  Cyprinus  Art.,  als  genus.  Even  zoo 
neemt  hij  in  de  Cyprinodontoïden  slechts  3  geslachten  aan,  Anableps,  Cyprinodon 
en  Orestias,  terwijl  hij  alle  overige  typen  deze  familie  slechts  als  subgenera  van 
Cyprinodon  erkent. 

De  meeste  specialiteiten  echter  in  de  kennis  der  Cyprinen,  Heckel  en  de  heeren 
Agassiz,  Baird,  en  Girard,  gingen  voort,  aan  vele  nieuwe  door  hen  waargenomen 
typen  nieuwe  geslachtsnamen  te  verbinden  en  ook  de  heeren  Gervais,  Ayres, 
Poey  en  Basilewski  stelden  nog  bovendien  nieuwe  genera  voor.  Het  aantal  geslach- 
ten der  Cyprinen  werd  daardoor  bijkans  verdubbeld. 

De  Cyprinodontoïden  ontvingen  in  dit  decennium  van  den  heer  Poey  (1S51)  de 
geslachten  Gambusia,  Limia  en  Girardinus;  van  de  heeren  Baird  en  Girard  het  ge- 
nus lletcrandria;  van  den  heer  Agassiz  het  geslacht  Zygonectes  en  van  den  heer 
Gervais   (1S53)  het  geslacht  Tellia. 

De  Cyprinoïdcn  erlangden  nog  veel  rijkere  toevoegingen. 

De  Catostominen  waren  reeds  door  Raiinesque  als  een  kompleks  van  verschillende 
geslachten  beschouwd  geworden.  De  heer  Agassiz  voegde  daar  nog  bij  de  geslachten 
Bubalichthys,  Hylomyzou  en  Ptychostomus,  en  de  heer  Girard  de  genera  Minomus 
en  Acomus. 

Wat  de  overige  Cypriniformes  betreft,  waren  de  nieuw  voorgestelde  geslachten 
veel  talrijker. 

Het  was,  even  als  voor  de  Cyprinodontoïden  en  Catostominen,  bijkans  uitsluitend 
de  nieuwe  -wereld ,   welke  alle  die  typen  opleverde. 

Slechts  Tellia  maakt  daarop  ceue  uitzondering  voor  de  Cyprinodontoïden,  even 
als  Leucaspius  Ilcck.  Kner  en  Culter  Bas.  voor  de  Cyprinoïdcn. 

De  typen  der  nieuwe  wereld,  en  in  het  bijzonder  van  Noord-Amerika,  gaven  den 
heer  Baird  aanleiding  tot  de  opstelling  van  Ccratichthys,  Cheilonemus  en  Hypso- 
lcpis;  den  heeren  Baird  en  Girard  tot  die  van  Cochlognathus,  Gila  en  Pogonichthys, 
den  heer  Agassiz  tot  die  van  Acrocheilus,  Campostoma,  Hybognathus,  Ilybopsis , 
Hyborhyiichus,  Mylochcilus  en  Btychocheilus;  den  heer  Ayres  tot  die  van  Mylopha- 
rodon,  en  eindelijk  den  heer  Girard  nog  tot  die  van  niet  minder  den  23  geslachten, 
welke  hij  noemde  Agosia,  Albumops,  Alburnoides,  Algoma,  Algansca,  Chconda, 
Chrosomus,  Clinostoums,  Cliola,  Codoma,  Cyprinella,  Dionda,  Iludsonius,  La- 
vinia,  Meda,  Moniana,  Nocomis,  Orthodon,  Richardsonius,  Semotilus,  Siboma, 
Tigoma   en   Tiaroga. 


15 

Te  oordeeleu  naar  de  trouwens  weinig  voldoende  beschrijvingen,  welke  van  de 
meeste  dezer  geslachten  gegeven  zijn,  laat  zich  vermoeden ,  dat  meerdere  met  vroeger 
reeds  bekend  gemaakte  zamenvallen  en  dat  aan  vele  andere  het  burgerregt  zal  ge- 
weigerd worden. 

Over  de  geslachten,  welke  ik  zelf  heb  gemeend  te  moeten  voorstellen,  zal  hier- 
onder nader  worden  gehandeld. 


Niettegenstaande  de  verdubbeling  van  het  aantal  genera  in  het  jongste  decennium , 
heeft  de  natuurlijke  rangschikking  der  Cyprinen  in  denzelfden  tijd  niet  die  vorde- 
ringen gemaakt,  welke  men  van  het  bekend  worden  van  zoo  talrijke  nieuwe  vor- 
men, het  regt  had  te  verwachten.  Intusschen  zijn  vele  gegevens  daarvoor  neder- 
gelegd,  vooral  in  de  uitkomsten  der  jongere  nasporingen  van  den  heer  Agassiz  op- 
zigtelijk  de  Catostominen  en   noord-amerikaansche  Labeoninen. 

De  heer  C.  Girard  splitste  in  1S56  de  Cypriniformes  in  Cyprini,  Catostomi,  Chon- 
drostomi  en  in  nog  twee  andere  groepen,  welke  hij  met  de  nummers  IV  en  V 
aanduidde. 

Zijne  opvatting  der  door  hem  benoemde  groepen  Cyprini  en  Chondrostomi  ver- 
schilt echter  aanmerkelijk  van  de  gewone,  zonder  dat  zij  beter  is.  De  natuurlijke 
rangschikking  der  Cypriniformes  heeft  er  niets  door  gewonnen ,  evenmin  als  door 
zijne  groepen  IV  en  V,  welke  haren  grond  hebben  in  het  aanwezen  van  dentés 
raptatorii  en  het  al  of  niet  aanwezig  zijn  van  voeldraden. 

De  heer  C.  Duméril  kwam ,  een  halve  eeuw  na  de  uitgave  van  zijne  Zoölogie  ana- 
lytique, op  zijne  oude  rangschikking  der  Cyprinen  terug,  en  gaf  in  zijn  nieuw  werk 
eene  nieuwe  indeeling  der  door  hem  aangenomen  typen,  eenc  indeeling,  welke  meer 
op  oorspronkelijkheid   dan  natuurlijkheid  kan  bogen. 

De  Cyprinen  zijn  er  gebragt  onder  zijne  familiën  Gymnopomes-Cyprinoïdes,  Po- 
gonophores  en  Lépidopomes.  Van  deze  familiën  heeft  die  der  Gymnopomes-Cvpri- 
noïdes,  in  zoo  verre  de  beteekenis  der  geheele  orde,  als  zij  de  geslachten  Cyprin  us, 
Tinea,  Abramis,  Pelecus,  Leuciscus,  Chondrostoma,  Catostoma,  Cyprinodon,  Poe- 
cilia,  Fundulus  en  Hydrargyra  omvat. 

Opmerkelijk  genoeg  echter  zijnde  geslachten  Barbus,  Gobio,  Anableps  en  Ores- 
tias  van  die  familie  uitgesloten,  om  verder  in  het  stelsel,  nadat  eerst  de  Clupeoïden 
(Gymnopomes-Clupéides  Duin.)  onmiddellijk  op  de  Gymnoponies-Cyprinoïdes  gevolgd 
zijn,  plaats  te  nemen,  de  vier  eerstgenoemde  geslachten  in  de  familie  Pogonophores, 
in  welke  ook  Trichomycterus,  Eremophilus,  Vandellia  (alle  Siluroïden)  en  Gonorhyn- 
chus  geplaatst  zijn,  het  laatstgenoemde,  nogmaals  met  Fundulus  en  Hydrargyra, 
achter  de  familie  Opisthoptères,  in  de  familie  Lépidopomes,  welke  een  vreemdsoor- 
tig zamenstel  is  van  Cyprinodontoïden ,  Mugiloïden ,  Polynemoïden,  Tetragonurifor-* 
mes,  Scombresocioïden  en  Notopteroïden, 


16 

Er  behoeft  niets  meer  vân  deze  rangschikking  van  den  heer  Duniéril  gezegd  te 
worden,  om  in  het  oog  te  doen  vallen,  hoe  weinig  zij  aan  eene  natuurlijke  beantwoordt: 

De  laatste  mij  bekende,  inde  rangschikking  der  Cyprinen  voorgestelde,  wijziging 
is  die  van  Heckel  en  den  heer  R.  Kner  in  hun  werk  u  Die  Süswasserfische  der 
östreichischen  Monarchie",  ia  1858  te  "Weenen  uitgegeven  en  mij  eerst  kortelings  on- 
der de  oogen  gekomen.  Zij  betreft  echter  uitsluitend  de  afzondering  der  Cobitiiien 
uit  de  Cyprinoïden  en  hare  verheffing  gelijktijdig  met  eenige  echte  Siluroïden , 
zooals  Cetopsis,  Parciodon  en  Trichomycterus ,  tot  eene  eigene,  met  den  naam  van 
Acanthopsides  bestempelde,  familie,  eene  familie,  welke  mij ,  op  nader  te  ontwikkelen 
gronden,  voorkomt  niet  aannemelijk  te  zijn. 


Voor  mij  bestaan  de  Cyprinen  uit  twee  familiën ,  de  door  den  heer  Agassiz  reeds 
voorgestelde  Cyprinoïden  en  Cyprinodontoïden. 

Die  familiën  zijn,  mijns  inziens,  natuurlijk  en  bovendien  scherp  van  elkander  ge- 
scheiden, behalve  doorliet  tandenstelsel,   ook  door  het  kieuwstelsel. 

Den  arbeid  mijner  voorgangers  mij  ten  nutte  makende,  vooral  dien  van  Heckel 
en  van  den  heer  Agassiz,   heb  ik  getracht,  verbeteringen  in  de  onderverdeelingen  der 
familiën,  voornamelijk  der  Cyprinoïden,  aan  te  brengen. 

Ik  splits  de  Cyprinoïden  in  drie  onderfamiliën ,  de  Cobitiformes,  Homaloplerae- 
formes  en  Cypriniformes. 

In  de  Cobitiformes  neem  ik  aan  verschillende  goed  gekenmerkte  geslachten ,  twee 
van  welke,  Lcpidoccphalus  en  Cobitichthys ,  het  eerst  door  mij   zijn  voorgesteld. 

De  Homalopteraeformes  omvatten  de  geslachten  Ilomaloptcra,  Platycara  en  Lisso» 
rhynchos,  het   laatste   door  mij   voorgesteld. 

De  Cypriniformes  bevatten  twee  hoofdgroepen,  de  rhalakrognathinen  en  Cheilogna- 
thincn,  reeds  door  Heckel  aangeduid  met   de  namen  Temnochilae  en   Pachychilae. 

De  Phalakrognathinen  sluiten  twee  kleinere  groepen  in,  de  Labeoninen  en  de 
Chondrostominen. 

In  de  groep  der  Phalakrognathinen  was  het  noodig  meerdere  nieuwe  genera  op 
te  stellen.  Ik  heb  die  genoemd  Epalzeorhynchos ,  Discognalhichthys,  Schismato- 
rhynchos,  Morulius  (Chrysophekadion  ol.) ,  Rohitichthys,  Darbiehthys,,  Morara,Opi- 
stocheilos,  Pseudogobio,  Achcilognathus  en  Mrigala. 

De  hoofdgroep  der  Cheilognathincn  bevat  drie  scherp  gekenmerkte  groepen  in  de 
Catostominen,   Cyprininen  en   lîarbinen. 

Slechts  in  de  Barbinen,  de  groep  wxlke  de  talrijkste  vormen  bezit,  meende  ik 
nieuwe  geslachtstypcn  te  moeten  voorstellen.  Ik  heb  die  genoemd  Cylocheilichthys , 
Üalantiocheilos,  Amblyrbynchichthys ,  Albulichthvs,  Hypselobarbus,  Ilemibarbus, 
Chanodichthys,  Pseudoculter,  Ilemiculter,  Elopichthys,  Lcptobarbus,  Sarcocheilich- 


17 

tins ,  Pseudophoxinus ,  Thynnichthys ,  Hypophtlialmichthys ,  Gnathopogon  ,  Rasbora  , 
Pseudorasbora ,  Rasborichthys,  Luciosoma,  Laubuca   en  Macrochirichthys. 

De  familie  der  Cyprinodontoïden  bezit  op  verre  na  niet  de  verscheidenheid  van 
typen  der  Cyprinoïden. 

Men  kan  ze  gevoegelijk  brengen  onder  de  vier  groepen  Cyprinodontinen,  Aplo- 
cheilinen ,  Anablepinen  en   Orestiasinen. 

In  de  Cyprinodontinen  slechts  heb  ik  gemeend  nieuwe  generische  typen  te  vinden 
in  Fundulichthys  en  Pseudoxiphophorus. 

Over  alle  deze  onderfamiliën ,  hoofdgroepen,  groepen  en  geslachten,  wordt  hier- 
onder uitvoeriger  gehandeld. 

Ik  heb  ook,  voor  zooverre  mijne  hulpmiddelen  zulks  hebben  toegelaten,  alle  de 
talrijke,  door  de  nieuwere  schrijvers  voorgestelde,  geslachten  aan  een  kritisch  onder- 
zoek onderworpen. 

Dikwerf  stuitte  ik  daarbij  op  het  onvolledige,  ja  meermalen  volstrekt  onvoldoende , 
der  gegevens,  in  de  bestaande  beschrijvingen  en  afbeeldingen  nedergelegd ,  en  lang 
heb  ik  mij  daardoor  laten  terughouden  ,  de  uitkomsten  van  dat  onderzoek  te  formuleren. 

Ik  heb  het  intusschen  gewaagd,  die  talrijke  geslachten  te  schiften,  sommige  met 
elkander  te  vereenigen,  andere  zelfs  nog  te  splitsen,  en  in  het  algemeen  vaste  ken- 
merken ter  hunner  juiste  onderscheiding  aan  te  wijzen. 

Ik  geloof  voor  talrijke  geslachten  daarin  voldoende  geslaagd  te  zijn,  evenzeer  als 
ik  overtuigd  ben,  dat  nadere  en  meer  zorgvuldige  waarnemingen  der  natuur  zul- 
len leeren ,  dat  voor  andere  genera  de  gegevens  onvoldoende  en  deels  onjuist  door 
de  ichtlvyologen  zijn  te  boek  gesteld. 

Maar  deze  herziening  heeft  dikwerf  geleid  tot  zoo  groote  wijzigingen  of  beper- 
kingen van  de  bestaande  diagnosen  der  geslachten ,  dat  het  misschien  beter  ge- 
weest ware,  geen  der  namen  van  die  geslachten,  ter  vermijding  van  toeneming  der 
thans  reeds  bestaande  verwarring,  te  bezigen  en  eene  rei  van  geheel  nieuwe  namen 
te  ontwerpen. 

Ik  heb  dat  niet  gedaan,  voornamelijk  uit  eerbied  voor  mijne  voorgangers  en 
ook,  omdat  er  geen  einde  zou  komen  aan  de  naamsveranderingen,  wanneer  het  be- 
ginsel aangenomen  werd,  dat  een  eens  gegeven  naam  veranderd  behoort  te  worden, 
zoodra  blijkt,   dat  de  aan  hem  gehechte  diagnose  onvoldoende  of  onjuist  is. 

Ieder  naturalist  staat  bloot  aan  het  onjuist  formuleren  van  een  geslacht,  zoo  lang 
hij  niet  alle  soorten  kent,  welke  tot  dat  geslacht  behooren.  En  het  is  juist  deze 
kennis,  welke  eerst  van  eene  verre  toekomst  is  te  verwachten. 


De  Indische  archipel  bevat  slechts   Cyprinen  in   zijne   westelijke  helft.     Zij  gaan 
er,  zooals  boven  reeds  is  aangestipt,  niet   verder  oostelijk  dan  Borneo  en  Bali.  Re- 

3 


18 

kent  men  echter  ook  de  Fhilippijnsclie  eilanden  tot  den  Indischen  archipel,  dan 
is  hare  grens  nog  iets  oostelijker  te  stellen.  Luçon  heeft  nog  zijne  Cvprinen, 
terwijl  Celebes,  hetwelk  op  dezelfde  lengte  is  gelegen,  er  volstrekt  van  schijnt 
verstoken  te  zijn. 

De  Cvprinen  zijn  in  den  Soenda-archipel  talrijk  aan  soorten  en  merkwaardige 
typen.  Maar  zulks  is  slechts  van  toepassing  op  de  Cyprinoïden,  niet  op  de  Cv- 
prinodontoïden. 

Van  de  Cyprinoïden  ken  ik  thans  141  archipclagischc  soorten;  van  de  Cypri- 
nodontoïden  slechts  2. 

De  armoede  aan  Cyprinodontoïden  komt  alzoo  stork  uit  tegenover  den  rijkdom 
aan  Cyprinoïden,  en  deze  laatste  vooral  zullen  blijken  nog  veel  talrijker  aan  soorten 
te  zijn,  wanneer  de  hoogere  gedeelten  der  groote  stroomgebieden  van  Java,  en 
vooral  van   Sumatra   en  Borneo,   beter  zullen  zijn  onderzocht. 


Intusschen  is  de  reeds  verkregene  kennis  niet  als  onbelangrijk  te  achten,  vooral 
wanneer  in  aanmerking  genomen  wordt  de  tijdruimte,  binnen  welke  zij  is  verkregen. 

Te  vergeefs  zoekt  men  bij  de  oudere  schrijvers  naar  bepaalde  soorten  van  archi- 
pelagische  Cvprinen. 

Slechts  oppervlakkige  aanduidingen  van  karpers  vindt  men  bij  Bont  en  Xicuhof. 
Onder  karpers  verstonden  deze  schrijvers  echter  ook  sommige  zeevisschen.  Bont 
noemde  de   door  hem   afgebeelde  iNotopterus  zelfs  Tinea  marina. 

Zelfs  in  de  beide  eerste  tientallen  jaren  dezer  eeuw  treft  men  nog  geen  spoor  van 
kennis  ten  dezen  aan. 

Men  moet  tot  het  jaar  1S22  opklimmen,  den  tijd  waarin  II.  Kuhl  en  J.  C. 
Van  Hasselt  hunne  scherpzinnige  waarnemingen  aan  de  natuur  van  Java  wijdden, 
om  tot  de  eerste  kennis  omtrent  de  Archipelagische  Cvprinen  te  geraken. 

Getroffen  door  den  onverwachten  rijkdom  aan  Cvprinen  der  Javasche  rivieren, 
onverwacht  omdat  meer  dan  twee  eeuwen   van  curopesche  vestiging  in  deze  gewes- 

;  geenc  enkele  soort  daarvan  hadden  aan  het  licht  gebragt,  wierpen  Kuhl  en 
Van  Hasselt,  doch  vooral  Van  Hasselt,  zich  met  blijkbare  voorliefde  op  de  waarne- 
ming der  merkwaardige  vormen,  welke  de  Javasche  Cyprinen  hun  aanboden.  1 
onto-ins  niet  aan  hunnen  kritischen  blik,  dat  die  vormen  in  zoo  vele  opzigten  van 
die  der  curopesche  Cvprinen  verschillen  en  zonder  twijfel  zou  een  groot  gede< 
van  den  arbeid  der  latere  ichthyologcn  overbodig  geweest  zijn  ,  wanneer  zij ,  die 
thans  nog  in  de  wetenschap  hadden  kunnen  bloeijen,  niet  in  de  jongelingsjaren 
aan   haar  waren  ontrukt  geworden. 

In  een'  brief  van  het  laatst  van  December  1S22,  gerigt  aan  C.  J.  Tcmminck  en 
bij   uittreksel  opgenomen  in  het  eerste  deel  van  Jaargang  1823  van  de   // Algemeene 


19 

Konst-  en  Letterbode",  zijn  de  eerste  uitkomsten  der  waarnemingen  van  Kuhl  en  Van 
Hasselt  betreflende  de  javasche  Cyprinen  nedergelegd. 

Zij  hadden  ook  reeds  opgemerkt,  dat  de  stroomgebieden  in  hunne  verschillende 
gedeelten,  naarmate  van  de  helderheid  der  wateren  en  van  de  loodregte  uitbreiding, 
verschillende  soorten  voeden. 

Zij  duidden  een  aantal  soorten  aan,  gedeeltelijk  door  den  heer  Valenciennes  nader 
bekend  gemaakt,  en  welke  bijkans  zonder  uitzondering  door  mij  zijn  teruggevonden. 
Deze  soorten  zijn. 

Cobitis  fasciata  Val.  =5  Nemacheilos  fasciatus  K.  v-  H. 
Acanthopsis  dialyzona   V.  Hass.  —  Cobitis   macrorhynchos  Blkr. 
Acanthophthalmus  fausiatus  V.  llass.  —  Cobitis  Kuhlii  Val. 

//     javanicus  V.  Ilass.  —  Cobitis  oblonga  Val. 
Lepidocephalus   Ilasseltii    Blkr  ^  Cobitis   octocirrhus    V.    Hass.  —   Cobitis  Has- 

seltii  Val. 
Homaloptera  fasciata  V.    Hass.  :=!  Homaloptera  Wassinkii  Blkr. 

//     javanica  V.  Hass.  =:  Homaloptera  Zollingeri  Blkr. 
Crossocheilos  oblongus  K.  v.  H.  :=:  Labeo  oblongus  Val. 

Labeo   (üiplocheilos)    erythropterus  Blkr  =3  Diplocheilos  erythropterus  V.  Hass. 
Lobocheilos  falcifer  K.  v.  II.  ^  Labeo  falcifer  Val. 
Dangila  leptocheila  Val.  =!  Labiobarbus  leptocheilos  V.  Ilass. 

h       lipocheila  Val.  z=i  Labiobarbus  lipocheilos  V.  Ilass. 
Cyprinus  flavipinnis   K.  v.  H.  s  Cyprinus  floripenna    (err.  typogr.)    V.  Hass. 
Labeobarbus  tambra  Blkr  ~  Barbus  tambra  K.  v.  11. 
Systomus  (Barbodes)  hypselonotus  Blkr  ^  Barbus  hypselonotus  V.  Hass. 

//(//)  maculatus  Blkr  ^  Barbus  maculatus  V.  Hass.  =;  Barbus  binotatus  Kuhl. 
//(//)  obtusiroshïs  Blkr  ;=s  Barbus  obtusirostris  V.    Hass. 
//(//)  rubripinnis  Blkr  =3  Barbus  rubripinnis  V.   Hass. 
Barbus  striatus  V.  Ilass.    (species  plane  incognita,  an  forte  Rohita  Ilasseltii  Val.  ?). 
Hampala  macrolepidota  K.  v.  H. 

Rasbora  lateristriata   Blkr    :=:  Leuciscus  lateristriatus  K.  v.  II. 
Chela  anomalurus  Blkr  —  Clupea  anomaluraV.  Ilass.  :=:  Oxygaster  anomalura  V.  Ilass. 
Panchax  Buchanani   Val.  :=!    Homalopsis  javanica  K.  v.  H.  ^  Odontopsis  arrna- 

ta  V.  Ilass.? 
Behalve  de  genoemde  soorten  kenden  Kuhl  en  Van  Hassslt  nog  een  aantal 
andere,  zooals  Homaloptera  erythrorhina  V.  Ilass.,  Homaloptera  ocellata  V.  Ilass., 
Rohita  vittata  Val.  (Labiobarbus  vittatus  K.  v.  H.J,  Cirrhina  breviceps  Val.  (La- 
biobarbus breviceps  K.  v.  IL),  Barbichthys  laevis  Blkr  (Barbus  nudicephalus  K. 
v.  IL),  Cyclocheilichthys  apogon  Blkr  (Barbus  apogon  Kuhl)  en  Luciosoma  setige- 
rum  Blkr,  doch  de  namen  dier  soorten  zijn  niet  door  hen   openbaar  gemaakt. 


20 

De  rijke  verzamelingen  ,  door  Kuhl  en  Van  Hasselt  en  de  hun  opgevolgd  hebbende 
leden  der  voormalige  natuurkundige  kommissie  naar  het  Museum  van  natuurlijke 
historie  te  Leiden  gezonden,  hebben  veel  bijgedragen  tot  eene  nadere  kennis  der  Ja- 
vasche  Cvprinen.  De  heer  Valenciennes  heeft  de  daar  vergaderde  bouwstoffen  kun- 
nen raadplegen  en  de  uitkomsten  er  van  nedergelegd  in  de  groote  Histoire  naturelle 
des  Poissons.  Ik  zie  in  de  deelen  van  het  groote  vischwerk  ,  welke  over  de  Cvprinen 
handelen,  4G  Javaschc  soorten  der  orde  beschreven,  doch  het  aantal  dier  soorten 
is  geringer,  omdat  meerdere  onder  verschillende  namen  twee  tot  driemaal  als 
verschillende  soorten  zijn  opgebragt.  Na  terugbrenging  dier  soorten  tot  hare  ware 
beteekenis,  zijn  de  overblijvende  de  hier  ondergenoemde  38. 

Cobitis  fascial  a  Val. =2  Cobitis  chrysolaimos  K.  v.  IL,  Val.—  Xemacheilos  fasciatus 

K.  v.  II.  —   Cobitis  suborbitalis  Val. 
Acanthopthalmus  fasciatus  V.  Ilass.  0  Cobitis  oblonga  Val. 

11         javanicus  V.  Ilass.  —  Cobitis  oblonga  Val. 
Lepidocephalus  llasseltii  Blkr  ö  Cobitis  Ilasseltii   Val. 
llomaloptera   erythrorhina  V.  Ilass.  0  Balitora  erythrorhina  Val. 
//         pavonina  Blkr  0  Balitora  pavonina  Val. 
h         Valenciennesi  Blkr  ö  Balitora  occllata  Val. 
Crossocheilos  (Crossocheilos)  oblongns  V.  Ilass.  —  Labeo  oblongus  Val. 
Labco  (Diplocheilos)  erythropterus   Blkr  =3  Labeo  erythropterus   Val. 

11     ?  (     //    ?)  hispidus  Blkr  =3  Labeo  hispidua  Val. 
Lobocheilos  (Lobocheilos)  falcifer  V.  Ilass.  —  Labeo  falcifer  Val. 

//         (Cobionichthys)   lipocheilos  Blkr  =3    Chondrostoma  lipocheilos  Val. 
//        ?  vel  Rohita?  ?  :=!  Cirrhina  breviceps  Val  =;  Labiobarbus  breviceps  K.  v.  II. 
Rohita   (Rohita)  llasseltii  Val. 
//         (     u     )  microcephalus  Val. 

//         (     11     )  vittata  Val.  —  Labcobarbus  vittatus  K.  v.  II. =  Rohita  erythrura  Val. 
Dangila    leptochcila   Val.—  Labiobarbus    leptocheilus    K.  v.  II.  =  Dangila    Cu- 
vieri  Val. 
n       Kuhlii  Val. 

11       lipocheila  Val.  =3  Labiobarbus  lipocheilus  K.  v.  II. 
Barbichthys  laevis  Blkr  ö    Barbus  lacvis  Val.  =:    Barbus  nudicephalus  K.  v.  IJ. 
Cyprinus  flavipinnis   K.  v.  IL,  Val.  =s    Cyprinus  vittatus  Val. 
Labeobarbus  douronensis  Blkr   s    Barbus   douronensis   Val. 
//       soro  Blkr  =3*  Barbus   soro  Val. 
//       tambra  B!kr  :=:   Barbus  tambra  Val. 
t'yclocheilichthys  (Cyclocheilichthys)  armatus  Blkr  =    Barbus   armatus  Val. 

v       (Anematichthys)  apogon  Blkr  =:    Barbus  apogon  Kuhl  a  Systomus  apo- 
gon  Val. 


// 

( 

II 

) 

II 

( 

II 

) 

H 

( 

II 

) 

II 

( 

II 

) 

II 

( 

II 

) 

II 

( 

II 

) 

21 

Systornus  (Barbodes)  brarnoides  Blkr  S    Barbus  bramoides   Val. 

lnpselonotus  Blkr  ;=;  Barbus  hypselonotus  V.    Hass.,  Val. 
lateristri^a  Blkr  =3     Barbus  lateristrio;a  Val. 
maculatus  Blkr  =:    Barbus  ruaculatus  V.  Hass.  -=t,  Barbus  bi- 
notatus  Kuhl,   Val. 

inannnatus  Blkr  :=:    Barbus  mannnatus  Val. 
obtusirostris  Blkr  ^    Barbus  obtusirostris  V.  Hass. 
rubripinnis  Blkr  =3  Barbus  rubripinnis  V.  Hass.  Val-  s  Bar- 
bus orphoides  Val.  zz    Barbus  gardonides  Val.  spcciru.  javanic. 
Hampala  macrolepidota  K.  v.  H.  :=:  Capoëta  macrolepidota   Val. 
Luciosoma  (Luciosoma)  setigerum  Blkr  =!    Barbus  sctigerus  Val. 
Chela  anonialurus    Blkr  :=!    Oxygaster   anonialurus    V.    Hass.  =!    Leuciscus   oxy- 

gaster   Val. 
Macrockiriclühys  ?  raacrochir  Blkr  =;  Clupea  macrochira  K.  v.  H.  =3    Leuciscus 

rnacrocliirus  Val. 
Pancbax  Bucbanani  Val.  :=:  Hornalopsis   javauica  K.  v.  II.  —  Odontopsis  arruata 

V.  Hass. 
De  kennis   der    Javasche  Cyprinen    werd  hierdoor    vermeerderd  met   die  van  20 
soorten,  zoodat  daardoor  in  het  geheel,  Barbus  striatus  V.  Ilass.  als  geheel  onze- 
kere soort  alleen  uitgezonderd ,  42  Cyprinen  in  de  registers  van  Java  bleven  in  te 
schrijven. 

Nagenoeg  gelijktijdig  met  den  beer  Valenciennes  maakte  ook  Heckel,  in  zijne 
Fische  Syriens,  eenige  archipclagische  Cyprinen  bekend. 

Alle  soorten  van  Kuhl  en  Van  Hasselt  en  van  den  heer  Valenciennes  waren  uitslui- 
tend van  het  westelijke  gedeelte  van  Java,  terwijl  die  van  Heckel  alle  buiten  Java, 
op  Borneo  en  de  Philippijnen  waren  gevonden.  Met  uitzondering  van  een  diersoor- 
ten, van  welke  mij  geene  beschrijving  is  onderde  oogen  gekomen,  zijn  zij  kor- 
telijk  in  gezegd  werk  beschreven.  Zij  zijn: 

Systomus?  (Barbodes)  carassiodes  Blkr  ^  Barbus  carassiodes  Heck. ,  van  Borneo. 
Dangila  festiva  Blkr  7=i  Cyrene  festiva  Heck.,   van  Borneo. 
//     ocellata  Blkr  ^3    Cyrene   ocellata  Heck.,   van  Borneo. 
//     cyanopareja  Blkr  ~  Cyrene  cyanopareja  Heek.,  van  de  Philippijnen. 
11     philippinia  Blkr  ^  Cyrene  philippinia  Heek.,  van  de  Philippijnen. 
Met  deze  soorten  werd  voor  het  eerst  het   voorkomen  van  Cyprinen  ook  op  an- 
dere eilanden  van  den  Indischen  archipel  bewezen. 

In    1S49  bewees  de  heer  Th.  Cantor  het  voorkomen  van  Cyprinen  op  het  eigen- 
lijk meer  tot  het  geographisch  gebied  van   Malakka  behoorend  eiland  Pinang,  waar 
hij  de  volgende  soorten  aantrof. 
Hampala  macrolepidota  V.  Hass.  ;=;  Capoëta  macrolepidota  Val. 


•  >•> 


Rasbora  rasbora  Blkr?  =  Leuciscus   rasbora  Cuv.,  Cant. 
Fanchax  Buchanani  Val. 


Zoover  was  clc  kennis  der  Cyprinen  gevorderd,  toen  ik  mijne  nasporingen  be- 
trekkelijk  dezelfde  orde   begon. 

.Men  had  in  het  geheel  slechts  43  soorten  van  den  gcheelcn  archipel  leeren  ken- 
nen en  de  van  ze  gegevene  beschrijvingen  waren,  wat  de  groote  meerderheid  be- 
treft, als  onvoldoende  te  beschouwen,  wat  ook  gedeeltelijk  niet  anders  kon ,  omdat 
ze  genomen  moesten  worden  naar  lang  in  wijngeest  bewaarde  of  opgezette  of 
opgelegde  voorwerpen . 

Was,  hetgeen  men  ten  deze  van  het  grootste  eiland  van  den  Archipel  wist,  niet 
noemenswaardig,  van  de  overige  Soenda-eilanden  buiten  Java  wist  men  volstrek- 
telijk   niets. 

Mij  is  het  voorregt  te  beurt  mogen  vallen,  veel  in  de  ontbrekende  kennis  van 
de  arehipelagische  Cyprinen  aan  te  vullen,  en  het  eerst  eenig  licht  te  versprei- 
den over  de  Cyprinen  van   Sumatra,   Bali,  Biliton,  Banka  en  Singapoera. 

Talrijke  soorten  voorts  hel)  ik  het  eerst  in   de   wetenschap  kunnen  voeren ,  en   al- 
hoewel meerdere  vroeger  door  mij  als  nieuwe  opgestelde  soorten  mij  later,  bij  dieper 
doordringen    in  dezen  tak   van    studie   en    na   bekoming   van  rijkeren    voorraad  aan 
bouwstoffen,  gebleken  zijn  tot  vroeger  reeds  bekende  doch  gebrekkig  beschrevene  te 
belmoren,  blijven,  na  aftrekkking  dier  soorten,  toch  nog  84  soorten  over,  van  1S5!) 
tot   1S5S   door  mij    beschreven,  van  welke  de  wetenschap  vroeger  geen  kennis  droeg. 
Do  beschrijvingen  dier  soorten   zijn  ia  talrijke  bijdragen   verspreid.     Ik  Iaat  hare 
namen    hier  volgen    in   de  orde,  waarin   hare  beschrijvingen  van   1S4!)  af  tot  heden 
zijn  openbaar  gemaakt  en  met   bijvoeging  der  nieuwere  namen,    welke   veranderde 
inzigten  in   hare  generische  verwantschappen   hebben  noodig  gemaakt. 
ÏS4D.  Svstomus  (Barbodcs)  gonionotus  Blkr  —    Barbus  gonionotus  Blkr. 
//       (     h     )     erythropterus  Blkr  —    Barbus  erythropterus  Blkr. 
Cycloeheilichthys    (Cycloeheilichthys)    enoplos    Blkr—    Barbus    enoplos   Blkr. 
Morulius  chrysophekadion    Blkr  s    Rohita    chrysophekadion    Blkr  —    Rohita 
polyporos    Blkr  =:   Rohita  koilogencion    Blkr  =5    Rohita    cyanomclas 
Blkr  s  Chrysophekadion  polyporos  Blkr. 
Systomus    (Capoëta)    brevis  Blkr  =!   Capoëta  brevis  Blkr. 
Rasbora  argyrotaenia  Blkr  ~    Leuciscus    argyrotaenia  Jïlkr  s  Leuciscus  cya- 
notaenia  Blkr  —    Leuciscus  Schwenkii  Blkr. 
1S5Ü.  Balantiocheilos   melanopterus   Blkr  ~     Barbus   melanopterus  Blkr  =   Systo- 
mus mclanoptcrus  .Blkr. 
Rohteichthys  mierolepis  Blkr  —    Barbus  microlepis  Blkr  —  Systomus  mjcro- 
lepis  Blkr  =  Rohtee  microlepis  Blkr. 


23 

Amblyrhynchichthys  truncatus  Blkr  —    Barbus  truncatus  Blkr  s    Systomus 

truncatus  Blkr. 
Epalzeorhynchos  kallopterus  Blkr  —    Barbus  kalopterus  Blkr. 
Macrochirichthys  uranoscopus   Blkr  —    Leuciscus  uranoscopus  Blkr. 
llasbora  dusomensis  Blkr  ^  Leuciscus  dusonensis  Blkr. 
Dangila   spilurus  Blkr. 
llasbora  kallochroma  Blkr  —  Leuciscus  kallochroma  Blkr. 

1851.  Cyclocbeiliclithys  (Siaja)  niicrolcpis  Blkr  =:  Capoëta  microlepis  Blkr. 
Systomus  ('Systomus)  bulu  Blkr. 

Leptobarbus  Hoevenü  Blkr  =:  Barbus  IToevcnii  Blkr. 

Cyclocheilichthys  (Siaja)  siaja Blkr=5  Capocta  euoplos  Blkr=;  Capoëta  siaja  Blkr. 

Rohita  (Rohita)  Schlegeli  Blkr. 

Rasbora  Einthoveni  Blkr  =j  Leuciscus  Einthovenü  Blkr. 

Cobitichthys  barbatuloicles  Blkr  =;  Cobitis  barbatuloides  Blkr. 

Rasbora  cephalotaenia  Blkr  ;=!  Leuciscus  cephalotaenia  Blkr. 

1852.  Roliita  (Rohita)  melanopleura   Blkr. 

Chela  oxygastroides  Blkr  —  Leuciscus  oxygastroides   Blkr. 

Systomus  (Capocta)   padangensis  Blkr  ö  Capocta  padangensis  Blkr. 

Hampala  ampalong  Blkr  —  Capocta  ampalong  Blkr. 

Dangila  sumatrana  Blkr. 

Rohita  (Rohita)  enneaporos  Blkr. 

a     (     h     )    ti'iporos  Blkr. 
Thynniclithys   thynnoides  Blkr  =!  Leuciscus  thyunoides  Blkr. 
Luciosoma  (Triuemati.hthys)  trinema  Blkr^i  Leuciscus  trinema  Blkr. 
Rasbora  sumatrana   Blkr  =i  Leuciscus  sumatranus   Blkr. 
Hymcnophysa  MacClellandi  Blkr  —  Cobitis  hymenophysa  Blkr. 

//       macracanthus   Blkr—  Cobitis  macracanthus  Blkr 
Cobitis  Jaklesi  Blkr. 
Rohita  (Rohita)  Waandersi  Blkr. 
Homaloptera  ophiolepis  Blkr. 

«       salusur  Bikr. 

a       gymnogftster  Blkr. 
1S53.  Systomus  (Barbodes)  Huguenini  Blkr—  Barbus  Huguenini   Blkr. 

Cyclocheilichthys  (Cyclocheilichthys)  repasson  Blkrr=!  Barbus  repasson  Blkr. 

Systomus  (Capoëta)  oligolepis   Blkr  —  Capocta  oligolepis  Blkr. 

Dangila  fasciata  Blkr. 

Systomus  (Barbodes)  fasciatus  Blkr  s  Barbus   fasciatii3  Blkr. 

Rohita   (Rohita)  oligolepis  Blkr. 

Rasbora  bankanensis  Blkr  —  Leuciscns  bankanensis  Blkr. 


24 

Cyclocheilichthys   (Siaja)  heteronema  Blkr  =3  Barbus   heteronema  Blkr. 
h       (Aneinatichthys)   janthochir  Blkr  =3  Systomus  janthochir  Blkr. 
//       (Cyclocheilichthys)   macraranthus  Blkr  r=x  Barbas  macraranthus  Blkr. 
Systomus  (Barbodes)  Schwanefeldi  Blkr—  Barbus  Schwanefeldii  Blkr,  ex  parte. 
Crossocheilos  (Crossochciliclithys)    cobitis   Blkr^  Lobocheilos  cobitis  Blkr. 
Lobocheilos  (Lobocheilos)  Schwanefeldi    Blkr. 

Schismatorhynchos    heterorhynchos   Blkr  ö  Lobocheilos  hcterorchynhos   Blkr 
ö  Schismatorhynchos  lobocheilioides  Blkr. 
1854.  Labeobarbus  tambroides  Blkr  =:  Barbus  tambroides  Blkr. 

llasbora  latcristriata  Blkr  ^    Leuciscus  lateristriatus   V.    Hass.  ie.  russ. 
Acanthopsis  choirorhynchos  Blkr  -=j    Cobitis  choirorhynchos  Blkr. 
Lepidocephalus  macrochir  Blkr  ~    Cobitis  niacrochir  Blkr. 
Aplocheilus  javanicus  Blkr. 

Systomus  (Barbodes)   amblycephalus  Blkr  S    Barbus  amblycephalus  Blkr. 
//   (Capoeta)    sumatranus  Blkr  ;=j    Capoeta  tetrazoua  Blkr. 
1355.  Luciosoma   (Luciosoma)  spilopleura  Blkr. 
Rohita   (Rohita)  brachynotopterus  Blkr. 

Diplocheilichthys  pleurotaenia   Blkr  —    Lobocheilos   pleurotaenia  Blkr. 
Rasbora  leptosoma  Blkr  —    Leuciscus  leptosoma  Blkr. 
Systomus  (Barbodes)  javanicus  Blkr  ö    Barbus  javanicus  Blkr. 

//       (     //     )     marrophthalmus  Blkr  s    Barbus  macrophthalmus  Blkr. 

(     «     )     platysoma   Blkr  e=j    Barbus  platysoma  Blkr. 
//       (Systomus)   lawak   Blkr. 
Cyclocheilichthys    (Anematichthys)   apogouoides    Blkr  zz    Systomus  apogonoi- 
des  Blkr. 
//  (  Siaja  )  Deventeri   Blkr  —    Capoeta  Deventeri  Blkr. 
Systomus   (Capoeta)    leiacanthus  Blkr  — j    Capoeta  javanica    Blkr. 
Albulichthys  albuloides   Blkr  —    Systomus  albuloides  Blkr. 
1856.  Systomus  (Barbodes)  tetrazona  Blkr  s    Barbus  tetrazona  Blkr. 
Rasborichthys  Hell'ri  hi  Blkr  a    Leuciscus  Ilelfrichii  Blkr. 
Rohita  (Rohita)  borneënsis  Blkr. 
//       (     ii     )     kahajanensis  Blkr. 
a       (     "     )     Kappenii  Blkr. 
1350.  Systomus   (Barbodes)   koilometopon  Blkr. 
1557.       //       (     //     )     bunter  Blkr  —    Barbus  bunter  Blkr. 

Lobocheilos?   (Lobocheilos?)  llasseltii  Blkr  —    Barbus    Hasseltii  Blkr. 

u       (Gobionichthys)  niicrocephalus  Blkr  a    Cobio  microcephalus  Blkr, 
Labeo  (Diplocheilos)  lucas  Blkr  —    Lobocheilos  lucas  Blkr. 
//       (     //     )     rohitoides  Blkr  a   Lobocheilos  rohitoides  Blkr. 


25 


1S3S.  Systomus  (Systomus)  Waandersi   Blkr. 

Behalve  deze  84  soorten  bevat  mijn  kabinet  nog  eenige  andere,  vroeger  niet 
beschrevene.     Ik   heb  die  genoemd  : 

Crossocheilos  (Crossocheilichthys)   Laugei. 
Lobocheilos   (Lobocheilos)   lehat. 
Rohita  (Rohita)  Kuhli. 
Cyelocheilichthys  (Siaja)   macropus. 
Systomus    (Barbodes)   belinka. 

h       (     ii     )     poniosoma. 
Thynnichthys  polylepis. 
Rasbora  borneënsis. 
Chela   hypophthalmus. 
De   laatstgenoemde  soorten  worden  in  dezen  arbeid  voor  het  eerst  bekend  gemaakt 
en  brengen  het  aantal  der  door  mij  ontdekte  archipelagische  soorten    van    Cypriuen 
op  93,  en  dat  der  in  het  geheel   waargenomene  op    141. 

Van  die  soorten  behooren  slechts  2  tot  de  familie  der  Cyprinodontoïden  en  daarin 
tot  de  groep  der  Aplocheilinen ,  welke  groep  tot  de  oude  wereld  beperkt  is  en  daarin 
tot  Zuid-  en  Oost-Azië  en  de  Japansche  en   Indische  eilanden. 

Van  de  overblijvende  139  Cyprinoïden  behooren  11  soorten  tot  de  subfamilie 
der  Cobitiformes,  welke  subfamilie  insgelijks  tot  de  oude  wereld  is  beperkt,  doch 
zich  uitstrekt  over  de  geheele  breedte  van  Azië  en  Europa,  terwijl  zij  in  Afrika 
seene  vertegenwoordigers   telt. 

De  Ilomalopteraeformes  tellen  op  de  Soenda-eilanden  9  soorten.  Andere  soorten 
dezer  subfamilie  zijn   slechts  bekend    van   Zuid-Azië. 

De  Cypriniformes,  119  in  getal,  behooren,  op  2  soorten  na,  alle  tot  de  groepen 
der  Labeoninen  en   l'arbinen. 

De  Catostominen  vindt  men  evenmin  in  den  Indischen  Archipel  als  in  Europa, 
Afrika  en  bijkans  geheel  Azië,  van  welk  werelddeel  tot  nog  toe  slechts  oostelijk  Si- 
berië het  bestaan  van  Catostominen,  en  dan  nog  slechts  van  eene  enkele  soort, 
heeft   aangewezen. 

Ook  de  Cyprininen  mogen  gezegd  worden  in  den  Indischen  archipel  niet  natuur- 
lijk voor  te  komen,  want  Carassius  auratus  is  er  slechts  een  kultuurvisch  en  Cyprinus 
flavipinnis  is  dat  even  zoo  en  heeft  zich  vrijwillig  ook  nog  niet  verder  verspreid 
dan  in  de  bovenlanden  van  het  westelijke  gedeelte  van  Java.  liet  eigenlijke  vader- 
land der  Cyprininen  is  ook  beperkt  tot  de  gematigde  en  koudere  streken  van  Azië 
en  Europa,  van  waar  enkele  soorten  over  de  meest  verschillende  deelen  der  aarde 
zijn   verbreid. 

De  arcliipelagische  Labeoninen  zijn,  volgens  den  tegenwoordigen  stand  der  weten- 
schap, 42  of  4.J  in  getal.     Deze  groep  vindt  men  in  alle  werelddeelen  terug,  waar 

4 


2G 

Cyprinoïïlen  leven,  doch  hare  soorten  zijn  zoo  talrijk  in  Zuid- en  Zuidwestelijk  Azië' 
en  in  Nbord-Atncrika ,  als  zij  spaarzaam  zijn  in  Europa,  Zuid-Afrika  en  Oostelijk 
Azië,  terwijl  ze  in  Noord-Europa  en    Noord-Azië  geheel  ontbreken. 

De  Barbinen  zijn  in  den  Soenda-archipel  in  de  talrijkste  soorten  vertegenwoordigd. 
Die  soorten  zijn  74  in  getal  en  maken  alzoo  de  grootste  helft  uit  van  de  gezamen- 
lijke archipelagische  Cyprinoïden.  Trouwens  zijn  de  Barbinen  in  het  algemeen  de 
rijkst  bedeelde  groep  der  geheele  familie,  bedragende  het  aantal  harer  soorten,  over 
de  geheele  aarde  en  de  thans  levende  schepping  genomen,  ruim  G 1°  /a  van  alle 
thans  bekende  der  geheele  familie.  Betrekkelijk  het  talrijkst  zijn  zij  in  Zuid-Azië 
en   Europa,  het  spaarzaamste  in  Noord  Azië'  en  Afrika. 


Ue  kennis,  door  mijne  waarnemingen  verkregen ,  heeft  reeds  eenig  licht  doen  op- 
gaan over  de  geographische  verbreiding  der  archipelagische  Cyprinen. 

Toen  ik  mijne  nasporingen  begon,  was  op  de  kaart  van  den  Indischen  archipel 
slechts  een  gedeelte  van  westelijk  Java  en  ecne  enkele  plek  op  Borneo  en  Luçon 
met  Cyprinen  te  beteekenen,  en  wel,  zooals  hierboven  reeds  is  aangeduid  Luçon 
eu  Borneo  elk  met  2,  Java  met  42  soorten  en  Pinang,  zoo  men  dit  eiland  tot  den 
Archipel  wil  rekenen,  met  3  soorten. 

Die  verhoudingen  zijn  thans  reeds  aanmerkelijk  gewijzigd. 

Van  Java  ken  ik  73,  van  Bali  2,  van  Sumatra  84,  van  Nias  1,  van  Singapoera 
3,  van  Banka  10,  van  Biliton  4,  en  van  Borneo  52  Cyprinen;  cijfers,  welke  zeker 
wel  in  de  verte  niet  uitdrukken  de  juiste  verhoudingen  der  op  die  eilanden  voor- 
komende soorten,  maar  toch  reeds  opmerkelijk  zijn,  omdat  zij  aantoonen ,  eensdeels 
den  vroeger  niet  vermoeden  rijkdom  van  alle  grootere  Socnda-eilanden  aan  ver- 
tegenwoordigers der  orde  en  ten  andere,  dat  Sumatra  vooral  zeer  rijk  is  aan  Cyprinen, 
rijker  zeker  dan  Java,  vermits  het,  alhoewel  minder  onderzocht  dan  Java,  thans 
reeds  11  soorten  meer  heeft  aan  te  wijzen.  Ook  het  cijfer  van  Borneo  zou  hoogst- 
waarschijnlijk veel  hooger  zijn,  zoo  niet  de  mij  tot  dusverre  van  daar  gewordene 
karpers  alle  van  slechts  uit  de  lage  gedeelten  der  gebieden  van  zijne  groote  stroomen 
waren  toegezonden.  Eene  geheel  andere  wereld  van  Cyprinen  beweegt  zich  gewis 
in  het  hart  van  dit  grootste  eiland  der  wereld,  dan  nabij  zijne  stroommondingen, 
evenzeer  als  zulks  reeds   voor  Java  en   Sumatra  bewezen  is. 


Nog  kort  geleden  bestond  er  veel  grond  aan  te  nemen  ,  dat  de  archipelagische 
Cyprinen ,  eene  geheel  afgezonderde  fauna  uitmaken. 

Geen  enkele  archipelagische  soort  dor  Cyprinoïden  was  van  buiten  den  archipel  be- 
kend, want  Barbus  gardonides  Val.  van  Bengalen,  door  den  heer  Valenciennes  ook 


27 

opgegeven  als  Java  te  bewonen,  komt  hier  niet  voor,  —  en  al  wilde  men  Pinang 
binnen  de  grenzen  van  den  Archipel  trekken,  dan  is  het  nog  twijfelachtig,  of  de 
soort,  door  den  heer  Cantor  van  daar  als  Leuciscus  rasbora  beschreven,  inder- 
daad  dezelfde   is    als  Cyprinus  rasbora   van   Buchanan. 

Slechts  van  Panchax,  dus  een  Cyprinodont,  wist  men,  dat  zij  zoowel  op  de 
Soenda-eilanden   als  in  Bengalen   leeft. 

Maar  ook  hieromtrent  heeft  de  jongste  tijd  een  nieuw  licht  doen  opgaan. 

Men  is  dit  verpligt  aan  de  nasporingen  van  den  graaf  Francis  De  Castelnau. 
Met  groote  getrouwheid  heeft  de  heer  De  Castelnau,  tijdens  zijn  verblijf  in  Siam , 
te  Bangkok,  de  physiognomie  der  visschen,  welke  hij  aldaar  heeft  waargenomen, 
in  een  album  teruggegeven.  Dit  album,  mij  ter  inzage  welwillend  toegezonden, 
heeft  met  zekerheid  een  groot  aantal  archipelagische  vischsoorten  en  daaronder  ook 
meerdere  Cyprinoïden  laten  herkennen.  Daardoor  is  bewezen,  dat  ook  in  Siam  's 
stroomen  leven  Morulius  chrysophekadion ,  Rohita  (Rohita)  melanopleura ,  Rohita 
(Rohita)  borneénsis,  Systomus  (Systomus)  bulu,  Systomus  (Barbodes)  rubripinnis, 
Amblyrhynchichthys  truncatus,  Balantiocheilos  melanopterus ,  Rasbora  dusonensis  en 
Macrochirichthys  nranoscopus.  En  aangezien  datzelfde  album  ook  heeft  geleerd,  dat 
meerdere  Labyrinthvisschen,  Rhynchobdelloïden  en  Siluroïden ,  welke  vroeger  ook 
alleenlijk  van  de  rivieren  van  den  lndischen  archipel  bekend  waren,  insgelijks  in 
de  zoete  wateren  van  Siam  voorkomen,  laat  zich  de  groote  verwantschap  tusschen 
de  zoetwater-vischfauna  van  Siam  en  die  der  Soenda-eilanden  niet  miskennen. 
Die  verwantschap  is  zelfs  zoodanig,  dat  ik,  zoo  als  ik  mij  reeds  elders  heb  uitge- 
drukt, indien  ik  niet  bekend  geweest  was  met  den  oorsprong  der  afbeeldingen 
van  den  heer  De  Castelnau,  ze,  wat  de  zoetwatervisschen  betreft,  gehouden  zou 
hebben  als  voor  te   stellen  de  zoetwatervischfauna  van  Borneo  of  Sumatra. 

Het  lijdt  geen'  twijfel,  dat  een  voortgezet  onderzoek  der  zoetwater-faunen  van  de 
genoemde,  door  eene  vrij  breede  zee  van  elkander  gescheidene,  gewesten  ,  ten  opzigte 
van  de  geographische  verbreiding  der  Cyprinen  nog  menig  merkwaardig  punt  zal 
aan  het  licht  brengen  en  dat  menig  geoloog  daarin  aanleiding  zal  vinden  tot  the- 
oriën  over  den  genetischen  zamenhang  dier  gewesten  en  de  geboorte  van  de  tus- 
schen ze  liggende   Chinesche   en   Maleische  zceén. 

Een  ander  merkwaardig  punt  is  de  verdeeling  der  verschillende  soorten  van 
Cyprinen  over  de  verschillende  Soenda-eilanden.  Gelijk  voor  de  plantenwereld, 
voor  meerdere  klassen  van  het  dierenrijk,  en  in  de  klasse  der  visschen  in  het 
bijzonder  voor  de  Siluren,  reeds  was  aangetoond,  dat  Sumatra  en  Borneo  meer  met 
elkander  overeenkomen  dan  een  van  beide  met  Java,  is  zulks  thans  ook  ten  op- 
zigte der  Cyprinen  te  bewijzen.  Talrijke  soorten  worden  gelijkelijk  op  Borneo  en 
Sumatra  aangetroffen ,  welke  op  Java  worden  gemist,  en  talrijke  soorten  ook  vindt 
men  op  Java,   welke  op    Borneo    en    Sumatra    ontbreken.     Voor    zooveel    men  van 


28 

de  eilanden  Banka  en  Biliton  weet,  zijn  zij  in  een  cyprinologisch  opzigt  evenzeer 
nader  verwant  aan   Borneo  en  Sumatra    dan  aan  Java. 

Volgens  den  tegen woordigen  stand  der  kennis  zijn  volgende  verhoudingen  aan 
te  teekenen. 

1°.  Soorten,  op  alle  drie  groote  Soenda-eilandcn  (Java,  Sumatra,  Borneo)  voor- 
komende zijn:  Hymenophysa  MacClellandi,  Rohita  Hasseltü,  Roliita  vittata,  Dan- 
gila  Cuvieri,  Barbicbtbys  laevis ,  Cycloch  ilichthys  (Anematichthys)  apogon  (ook  op 
Banka),  Systomus  (Barbodes)  lateristriga  (ook  op  Singapocra,  Banka  en  Biliton) , 
Svstomus  (Barbodes)  niaculatus  (ook  op  Bali,  Nias,  Singapoera ,  Banka  en  Bili- 
ton), Hampala  macrolepidota  (ook  op  Pinang),  Chela  anomalurus,  Chela  oxygas- 
troides  en    Panchax  Buchanani  (ook  op  Pinang). 

2\  Java  beeft  gemeen  met  Sumatra,  maar  niet  met  Borneo;  Cobitis  fasciata , 
Acanthophthalmus  javanicus,  Acanthophthalmus  faseiatus,  Homaloptera  fasciata, 
Homaloptera  ocellata  Homaloptera  ophiolepis,  Homaloptera  salusur,  Crossocheilos 
(Crossocheilos)  oblongus,  Crossocheilos  (Crossocheilichthj's)  cobitis,  Lobocheilos(  Lo- 
bocheilos) faleifer,  Lobocbcilos  (Lobocheilos)  Sehwanefeldi ,  Morulius  chrysopheka- 
dion,  Rohita  microcephalus,  Labeobarbus  douronensis,  Labeobarbus  soro,  Labco- 
l)arbus  tambra  Labeobarbus  tambroides ,  Cyclocheilichthys  (Cyclocheilichthys)  arrna- 
tus ,  Systomus  (Barbodes)  javanicus,  Systomus  (Barbodes)  marginatum,  Luciosoma 
(Luciosorna)   setigerum,  Rasbora  argyrotacnia  en  Rasbora  lateristriata. 

3°.  Borneo  heeft  gemeen  met  Java  maar  niet  met  Sumatra:  Acanthopsis  dialyzona 
en  Systomus  (Barbus)  erythropterus. 

4°.  Borneo  heeft  gemeen  met  Sumatra  maar  niet  met  Java:  Hymenophysa  ma- 
cracanthus,  Epalzeorhynchos  kalloptcrus,  Rohita  melanopleura,  Rohita  Schlegeli,  Ro- 
hita triporos,  Dangila  fasciata,  Dangila  ocellata,  Cyclocheilichthys  (Cyclocheilich- 
thys)  siaja,  Cyclocheilichthys  (Cyclocheilichthys)  microlepis,  Balantiocheilos  mela- 
nopterus,  Systomus  (Barbodes)  faseiatus  (ook  op  Banka),  Systomus  (Barbodes) 
Sehwanefeldi,  Systomus  (Systomus)  bulu,  Hampala  ampalong,  Albulichthys  albu- 
loides,  Amblyrhynchichthys  truncatus,  Rohteichthys  microlepis,  Leptobarbus  lloe- 
venii,  Luciosoma  (Trinematiehthys)  trinema,  Thynnichthys  polylepis,  Rasbora  du- 
sonensis  en   Macrochirichthys  uranoscopus. 

Wanneer  de  hoogere  gedeelten  der  stroomgebieden  op  Cyprincn  zullen  onderzocht 
zijn,  zal  het  ook  blijken,  dat  menige  soort,  sub  2°  aangevoerd,  ook  de  heldere 
rivierwateren  van  Borneo  bevolkt,  maar  ik  geloof  niet ,  dat  toekomstige  nasporingen 
vele   der  soorten  op  Java  zal    doen   vinden  in   deze   §  vermeld. 

5°.  Aan  Java  zijn  eigen:  Lepidocephalus  Hasseltii,  Homaloptera  erythrorhina, 
Homaloptera  pavonina,  Homaloptera  Valenciennesi ,  Labeo  (Diplocheilos)  erythro- 
pterus,  Labeo  (Diplocheilos)  lucas,  Labeo  (Diplocheilos)  rohitoides,  Labeo?  (Diplo- 
cheilos)  hispidus,   Lobocheilos  (Lobocheilos)  lehat,   Lobocheilos  (Gobionichthys)  ja- 


29 

vanicus,  Lobocheilos  (Gobionichthys)  ruicrocephalus,  Lobocheilos  ?  ?  Hasseltii,  Dan- 
gila  Kuhli,  Dangila  lipocheila,  Cirrhina breviceps  Val.,  Cyclocheilichthys  (Cyclochei- 
lichthys)  enoplos,  Cyclocheilichthys  (Siaja)  Deventeri,  Cyclocheilichthys  (Aneniatichthys) 
apogonides,  Systonius  (Barbodes)  bramoides,  Systomus  (Barbodes)  bunter,  Systoraus 
(Barbodes)  gonionotus,  Systomus  (Barbodes)  hypselonotus,  Systomus  (Barbodes)  koi- 
lometopon,  Systomus  (Barbodes)  inacrophthalmus,  Systomus  (Barbodes)  obtusirostris , 
Systomus  (Barbodes)  platysoma,  Systomus  (Capoëta)  brevis,  Systomus  (Capoëta) 
leiacanthus,  Systomus  (Systomus)  lawak,  Systomus  (Systomus)  Waandersi,  Macro- 
chirichthys  ?  ?  macrochirus  en  Aplocheilos  javanicus. 

6%  Aan  Sumatra  zijn  eigen:  Cobitis  Jaklesi,  Acanthopsis  choirorhynchos,  Lepido- 
cephalus  macrochir,  Homaloptera  gymnogaster,  Crossocheilos  (Crossocheilichthys) 
Langeï,  Schismatorhynchos  heterorhynchos,  Diplocheilichthys  pleurotaenia,  Rohita 
brachynotopteriis ,  Rohita  eneaporos,  Rohita  Kuhli,  Dangila  sumatrana,  Cyclo- 
cheilichthys (Cyclocheilichthys)  macracanthus,  Cyclocheilichthvs  (Cyclocheilichthys) 
repasson,  Systomus  (Barbodes)  belinka,  Systomus  (Barbodes)  goniosoma,  Svsto- 
mus  (Barbodes)  Hugueniiii,  Systomus  (Capoëta)  oligolepis,  Systomus  (Capoëta)  pa- 
dangensis,  Systomus  (Capoëta)  sumatranus,  Thynnichthys  thynnoides,  Rasbora  lep- 
tosoma,   Rasbora  sumatrana  en  Chela  hypophthalmus. 

T.  Aan  Borneo  zijn  eigen:  Cobitichthys  barbatuloides,  Rohita  Kappenü,  Dangila 
festiva,  Dangila  spilurus,  Cyclocheilichthys  (Siaja)  heteronema,  Cyclocheilichtys  (Siaja) 
macropus,  Cyclocheilichthys  (Anematichthys)  janthochir,  Systomus  (Barbodes)  arn- 
blycephalus,  Systomus  (Barbodes)  tetrazona  en  Rasbora  borneënsis. 

8°.  Aan  Banka  zijn  eigen:  Rohita  oligolepis,  Rohita  Waandersi  en  Rasbora 
bankanensis. 

9°.  Biliton  heeft  tot  nog  toe  geene  eigene  soorten  aan  te  wijzen ,  evenmin  als 
Bali,  Nias  en  Singapoera,  terwijl  van  de  overige  Soenda-eilanden  nog  geene  en- 
kele soort  der  orde   is  bekend  geworden. 

10°.  Aan  de  Philippijnen  zijn  eigen:  Dangila  cyanopareja  en  Dangila  philippinia, 
de  twee  eenige  soorten  van    Cjprinen,  tot  dusverre  van  die  eilandengroep  vermeld. 

Ten  opzigte  van  de  verdeeling  der  generische  typen  over  de  Soenda-eilanden 
blijkt  uit  het  bovenstaande: 

1°.  Dat  de  drie  groote  Soenda-eilanden  met  elkander  gemeen  hebben  de  ge- 
slachten Hymenophysa,  Acanthopsis,  Rohita,  Dangila,  Barbichthys,  Cyclochei- 
lichthys, Systomus,  Hampala,  Luciosoma,  Rasbora,  Chela,  Macrochirichthys? 
en   Panchax. 

2°.  Dat  Java  gemeen  heeft  met  Sumatra,  maar  niet  met  Borneo:  Cobitis,  Acan- 
thophthalmus ,  Lepidocephalus,  Homaloptera,  Crossocheilos,  Lobocheilos,  Morulius, 
Labeobarbus,  en  het  subgenus  Luciosoma. 

3°.  Dat  Borneo  met  Java  geen  enkel  geslacht  gemeen  heeft,  wat  niet  tevens 
op  Sumatra  voorkomt. 


30 

4'.  Dat  Borneo  daarentegen  niet  Sumatra  gemeen  heeft,  maarniet  tevens  ook  met 
Java,  de  geslachten  Epalzeorhynchos,  Balantiocheilos,  Albulich  thys ,  Amblyrbyn- 
chichthys,  llohteichthys,  Leptobarbus,  Thynnichthys  en  het  subgenus  Trinematichthys. 

5°.  Dat  in  den  archipel  uitsluitend  op  Java  zijn  gevonden  de  subgenera  Diplo- 
cheilos  en  Gobionichthys  en  het  geslacht  Cyprinus,  van  welke  echter  slechts  Co- 
bionichthvs  aan  Java  eiüren  is. 

G\  Dat  aan  Sumatra  eigen  is  het  geslacht  Diplocheilichthys,  terwijl  het  ge- 
slacht Schismatorhynchos  wel  ook  in  Zuid-Azie  vertegenwoordigd  wordt ,  doch  in 
den  Archipel  op   Sumatra  alleen  staat. 

7  .  Dat  aan  Borneo   geheel  eigen  is  het  geslacht  Rasborichthys. 

S.  Dat  de  van  Bali,  Nias,  Biliton,  Banka,  Singapoera  en  de  Philippijnen  be- 
kend gewordene  soorten  alle  behooren  tot  geslachten,  welke  ook  op  andere  eilan- 
den voorkomen. 

De  boven  omschrevcne  verhoudingen  zijn  in  de  hieronder  volgende  opgave  tabel- 
larisch aangeduid. 


Wil  men  eenig  denkbeeld  van  den  soortenrijkdom,  hierboven  ontvouwd,  dan 
is  het  slechts  noodig  Java  of  Sumatra  te  vergelijken  met  eenig  ander  groot  eiland, 
gelegen  nabij  een  vastland  dat   rijk  is  aan  Cyprinen. 

Groot-Brittanjc  staat  ten  dezen  in  ongeveer  dezelfde  verhouding  tot  Europa,  als 
Sumatra  of  Java  tot  Azië. 

Engeland  en  Schotland  te  zamen,  in  grootte  weinig  verschillende  van  Java,  voeden 
slechts,  volgens  de  // List  of  the  specimens  of  British  animals  in  the  Collection  of  the 
British  Museum"  van  den  heer  J.  E.  Gray,  21  soorten  van  Cyprinen,  t.  w.  2  Co- 
bitiformes,  3  Cyprinincn  en  lü  Barbinen,  en  van  die  soorten  zijn  eenige  nog  van 
het  vastland   overgebragt. 

Van  Java  daarentegen  kent  men  thans  reeds  73  en  van  Sumatra  81  Cyprinen 
en  die  cijfers  drukken  stellig  nog  op  vele  soorten  na  niet  uit  het  wezenlijk  op  ze 
voorkomende,  terwijl  zich  niet  laat  verwachten,  dat  het  cijfer  van  Groot-Brittanje 
door  nieuwe  waarnemingen  eenigzins  van  belang  zal  gewijzigd  worden. 

Maakt  men  de  vergelijking  op  eene  eenigzins  grootere  schaal,  b.  v.  van  Java  en 
Sumatra  te  zamen,  met  eenig  groot  gewest,  rijk  aan  Cyprinen  en  naauwkeurig  door 
naturalisten  onderzocht,  bij  voorbeeld  den  Oostenrijkschen  Staat,  zooals  die  nog  in 
begin  dezes  jaars  omschreven  was,  met  zijne  groote  stroomgebieden  van  den  Do- 
nau  en  den  Po,  dan  blijkt  het,  dat  Sumatra  alleen  thans  reeds  meer  Cyprinen 
heeft  aan  te  wijzen  dan  geheel  Oostenrijk,  vermits  in  den  jongsten  arbeid  van 
Heckel  en  den  heer  R.  Kner  over  de  oostenrijksche  visschen,  in  het  geheel  SI 
Cyprinen  zijn  opgegeven.     En    voegt  men  Java  en    .Sumatra  bijeen,    om  eene   uit- 


31 

« 

gestrekthcid  lands  te  erlangen,  die  van  Oostenrijk  meer  nabij  komende,  dan  blijkt 
het,  dat  men  thans  reeds  van  beide  eilanden  40  soorten  meer  kent,  dan  van  de  ge- 
heelc  Oostenrijksche  monarchie. 

Geheel  Europa  bezit,  volgens  den  tegenwoordigen  stand  onzer  kennis,  juist  zooveel 
soorten  van  Cyprinen ,  als  thans  reeds  van  de  Soenda-eilanden  zijn  ontdekt  geworden. 

De  Cyprinen  zijn  over  den  Indischen  Archipel  verbreid  als  volgt. 


32 


CYPRINORUM   ARCIIIPELA.GICORUM   DISTRIBUTIO   GEOGRAPHICA. 


N  0  M  I  N  A. 

ei 

> 

ri 

c3 

3 

ta 

to 

P 

ri 

S 

to 

c 

W 

a 

ad 

pq 

a 
o 

S 

d 
a 
o 

é  i 

aï 

11 
< 

FaMILIA   CïPKISOIDEI. 

Subfamilia  Cobitiformes. 

1  Hvmenophysa   MacClellandi    BIkr. 

1 

» 

1 

» 

II 

n 

n 

11 

1 

il 

» 

2             »       macracantüus    Blkr.  .     . 

n 

» 

1 

)) 

J) 

» 

» 

1) 

1 

11 

1} 

3  Cobitis  fasciata  Val 

ï 

» 

1 

V 

11 

u 

11 

11 

» 

11 

11 

)! 

II 

1 

» 

II 

» 

11 

n 

ii 

11 

'1 

5  Cobiticbtbys  bavbatuloides  Blkr.     . 

» 

11 

n 

il 

lï 

ii 

11 

il 

i 

11 

1» 

6  Acanthopsis    choirorhynchoa    Blkr. 

)) 

11 

ï 

il 

» 

n 

11 

n 

» 

11 

11 

7           »       dialyzona  V.  Hans.      .     . 

1 

11 

» 

n 

n 

» 

11 

n 

i 

11 

II 

8  Acanthophthalmus  fascia  tus  Y.  Ilass. 

1 

11 

ï 

u 

il 

51 

11 

u 

» 

» 

lï 

9              »       javauicus  V.  Ilass. 

1 

)) 

ï 

» 

n 

11 

11 

n 

ir 

il 

II 

10  Lepidocepkalus  Hasseltii  Blkr.  .     . 

1 

11 

» 

n 

il 

» 

11 

» 

il 

M 

1» 

Il             m       macrochii'  Blkr.    .     .     , 

i) 
G 

1» 
)) 

ï 

» 

)) 
)i 

11 

11 

11 
11 

n 

n 

il 

4 

11 

11 

11 

Tot.    :    :    :    . 

s 

? 

11 

iSitbfamilia  Ilomalopteraej 'ormes. 

12  Ilomaloptcva  fasciata  V.  Ilass. 

1 

n 

ï 

» 

» 

11 

11 

il 

11 

11 

11 

13         »         gyranogaster  Blkr.  .     .     . 

11 

il 

ï 

il 

ïi 

11 

11 

il 

11 

11 

11 

14          ii          javanica   V.   Ilass.  . 

1 

n 

ï 

n 

» 

II 

11 

il 

11 

11 

II 

15         »         ocellata   V.  Flass.     .     :     . 

1 

» 

ï 

» 

11 

11 

1) 

il 

1) 

11 

IP 

1G         »         ophiolepïs  Blkr.       .    .     . 

1 

ir 

ï 

» 

)l 

» 

11 

ii 

11 

11 

11 

17         »         salusur  Blkr 

1 

u 

ï 

11 

» 

II 

91 

il 

11 

11 

11 

13          »          erytbrorliina   Blkr.  . 

1 

n 

» 

» 

)) 

)1 

II 

il 

»1 

11 

11 

19         h         pavonina  Blkr 

1 

'j 

» 

II 

il 

11 

'1 

il 

11 

11 

11 

20         »         Valenciennesi  Blkr.      .     . 

1 
8 

11 

G 

II 

n 

11 
1) 

II 
11 

il 
n 

11 
11 

11 
II 

11 

Totaal.     ;     . 

II 

11 

Subfamilia  Cyprini  formes. 

21  Crossocheilos  (Crossockeilos)  oblongus 

'm        ,  cobitis    Blkr. 

1 
1 

1 
1 

'1 
» 

n 

il 

II 

II 

11 

II 

>• 

1» 
11 

II 
II 

'1 

23             •!         (       »       )  ]             Blkr. 

11 

u 

1 

H 

» 

11 

11 

n 

'I 

H 

11 

24  Epalzeorhynchos    ka'!               Blkr. 

» 

» 

1 

'i 

n 

11 

11 

n 

1 

11 

'I 

25  Schismatorhynchos   heterorhynchos 

Blkr.  " "... 

1. 

h 

1 

il 

n 

II 

'1 

n 

>! 

11 

n 

2>3  Diplochetüchthys  pleurota 

H 

u 

1 

1) 

ïi 

11 

11 

n 

11 

H 

II 

'1    .  isp.     .     . 

2 

'I 

G 

1] 

» 

11 

II 

n 

1 

» 

M 

33 


o3 

03 

o 

ci 
ft 

NOMINA. 

>■ 

1-5 

"3 

3 

=3 

to 

K 

to 

C 

co 

ei 

ci 

s 
o 

o 
ç 

o 

Per  transp. 

2 

n 

G 

>» 

» 

)J 

t» 

)l 

1 

)} 

)) 

27  Labeo  (Diplocheilos)  erythropterus 

Blkr.    .    .    . 

1 

» 

» 

J) 

» 

» 

» 

)) 

H 

» 

)) 

2S        »       (     »     )  lucas    Blkr.       .     . 

1 

n 

» 

» 

)) 

)) 

H 

» 

)) 

» 

1) 

29         »        (     »     j  rohitoides  Blkr.     . 

1 

» 

» 

» 

)) 

11 

n 

)) 

)) 

» 

)» 

30        ■>?(»)  hispidus  Blkr.  .     . 

1 

» 

n 

n 

» 

» 

n 

)) 

11 

») 

)» 

31  Lobocbeilos   (Lobocbeilos)    falcifer 

V.  Hass.       . 

1 

» 

î 

)) 

» 

JÏ 

» 

» 

ï) 

î) 

)} 

32        ii         (     »     )  lebat  Blkr.      .     . 

1 

n 

)i 

» 

» 

)> 

» 

n 

il 

ïï 

)} 

33        ii         (     »     )  Schwanefeldi  Blkr. 

1 

» 

î 

» 

» 

» 

)) 

» 

» 

» 

1) 

34.         »         (Grubiouicbtbys)  javanicus 

Blkr.  .     . 

1 

H 

ï) 

» 

n 

n 

» 

» 

» 

1) 

» 

35        ii          (    ii    )  microceplialusBlkr. 

1 

» 

)) 

» 

n 

» 

H 

îï 

1) 

» 

)} 

3G        »       ?  (Lobocbeilos  ?)     Hasseltii 

Blkr.     .     .     . 

1 

)) 

n 

)> 

)> 

» 

)ï 

ii 

» 

)» 

n 

37  Morulius  cbrysophekadion  Blkr.   . 

1 

)l 

ï 

n 

» 

» 

» 

» 

)) 

J) 

1 

3S   Roliita  (llobita)  borneënsis  Blkr.  . 

» 

>» 

n 

j> 

!» 

n 

» 

m 

1 

)> 

1 

39        »  (     »      )  brachynotopterusBlkr. 

n 

1) 

ï 

n 

JJ 

» 

)) 

» 

n 

)» 

il 

40        »  (      »      )  enneaporos    Blkr.     . 

n 

I) 

ï 

» 

» 

» 

» 

» 

n 

n 

il 

41        »  (      »      )  Hasseltii  Val.      .     . 

1 

)> 

ï 

» 

„ 

)) 

)) 

!) 

l 

» 

)» 

42        ii  (      h      )  kahajanensisBlkr.    . 

» 

l) 

ï 

i> 

» 

» 

>J 

)) 

1 

» 

n 

43        h  (      n      )  Kappenii  Blkr.    .     . 

>l 

)) 

» 

m 

)> 

n 

)) 

» 

1 

» 

» 

44        h  (      n      )  Kuhli  Blkr.     .     .     . 

n 

» 

ï 

» 

)J 

» 

)) 

1> 

» 

n 

ï» 

45        »  (      ii      )  melanopleura  Blkr.  . 

» 

)) 

ï 

» 

1) 

n 

)> 

» 

1 

i> 

ï 

4  G       »  (     »      )  microcephalus   Blkr. 

i 

» 

ï 

» 

» 

» 

H 

)ï 

)) 

»» 

» 

47        »  (      n      )  oligolepis  Blkr.   .     . 

» 

I) 

» 

» 

1) 

i) 

1 

)) 

» 

» 

u 

48        »  (      „      )  Schlegeli  Blkr.    .     . 

» 

» 

ï 

» 

)J 

n 

J» 

H 

1 

»» 

ï 

49        »  (      »      )  triporos  Blkr.      .     . 

» 

» 

ï 

» 

J) 

» 

») 

!» 

1 

» 

» 

50        ii   (      »      )  vittata  Val.    .     .     . 

l 

)) 

ï 

)) 

)) 

» 

n 

)) 

1 

» 

»» 

51        »  (      »      )  Waandersi  Blkr.     . 

» 

)> 

» 

)) 

» 

» 

ï 

)ï 

M 

î» 

» 

l 

)) 

ï 

» 

» 

» 

n 

)I 

1 

» 

)> 

53        »       fasciata  Blkr.        .     , 

» 

11 

ï 

i) 

» 

» 

» 

n 

1 

» 

)» 

54        »       f'estiva  Blkr.     .          .     . 

M 

» 

)j 

» 

)> 

u 

n 

n 

1 

») 

ti 

1 

n 

n 

» 

» 

i» 

n 

» 

n 

„ 

»i 

56        »       ocellata  Blkr.  .     ; 

Î) 

» 

l 

» 

)> 

» 

» 

» 

1 

n 

» 

57        »       spilurus  Blkr. 

)» 

i) 

» 

!) 

» 

» 

» 

n 

1 

»> 

»* 

58        »       sumatrana  Blkr.  ,     .     .     . 

11 

n 

ï 

1) 

J) 

» 

» 

n 

» 

i) 

» 

59         »       lipocbeilos  Val. 

1 

» 

)) 

)» 

)J 

» 

n 

)) 

>! 

») 

u 

CO        »       cyanopareja  Blkr.     .    .     . 

)) 

i) 

i) 

» 

n 

i» 

» 

») 

M 

1 

n 

61        »       philippinia  Blkr.       .     .     . 

)) 

» 

i» 

)) 

» 

» 

» 

n 

!» 

1 

il 

62  Barbichthys  laevis  Blkr.      .     .     . 

1 

n 

ï 

)) 

» 

H 

» 

» 

1 

»» 

il 

63  Cirrhina  breviceps  Val.  (çen.??). 

1 

j) 

» 

)> 

tl 

î» 

n 

n 

)) 

» 

» 

64  Cypriuus  flavipinnis  V.  Hass. 

1 

» 

» 

J» 

» 

J» 

» 

n 

» 

j» 

1 

65  Carassius  auratus  Nilss.        .     . 

1 

i) 

» 

» 

» 

)) 

1 

» 

» 

»j 

1 

66  Labeobarbus  dourouensis  Blkr.     . 

1 

» 

ï 

') 

n 

» 

» 

n 

îï 

»» 

)» 

67        ii       soro  Blkr 

1 

» 

ï 

1) 

n 

l) 

)) 

» 

» 

n 

H 

68         h       tambra  Blkr 

1 

» 

ï 

)> 

n 

» 

)) 

» 

)) 

m 

n 

69          »        tambroides  Blkr.      .     .     . 

1 

)) 

ï 

» 

» 

» 

» 

» 

)) 

j) 

» 

70  Cyclocheilichthv3     (  Cycloebeilich- 

thys)  armatus  Blkr.     .     .     . 

1 

» 

l 

)} 

» 

îï 

» 

» 

)» 

» 

n 

Transp 

2S    ' 

i 
n 

00 

„      1 

I) 

1 

3 

iî 

15 

2 

c 

34 


N  O  M  I  N  A. 


i-s 

té 

-•— 

.-2 

£ 

9 

Ù1 

B 
CS 

a 

ci 

^. 

rt 
bO 

.S 
co 

a 

S 

o 

o' 

a 
o 

DO 

a 

?s  ï 


72 
73 
74 
75 

76 
77 
78 
79 
80 
81 


Per  transp. 
'1  Cyclocbeilicbtbys    (Cyclocheilich- 

thys)  enoplos  Blkr 

»       (  »   )  macracantbusBlkr 

»       (       »     )  repasson  Blkr. 

»  (Siaja)   Deventeri  Blkr. 

»  (    »    )  heteronema  Blkr. 

»  (    »    )  siaja  Blkr,    .     . 

»  (    h    )  macropus    Blkr. 

»  (    »    )  microlepis    Blkr. 

»  (Anematichthys)   apogon  Blkr 

»  (    n    )  apogon  ides  Blkr. 

ii  (    »    )  janlho  'hir  Blkr. 

82  Balantiocheilos  melanopterus  Blkr. 

Systomus  (Barbodes)  amblycepha- 

lus  Blkr.  . 

)  belinka  Blkr.     .     . 

)  bramoides  lilkr.     . 

)  buoter  Blkr.       .     . 

)  erythropterus  Blkr.. 

)  fasciatus    Blkr. 

)  gonionotns  Blkr.     . 

)  goniosoma  Blkr.     . 

)  Huguenini    Blk.    . 

)  hypselonotus  Blkr. . 

)  javanicus    Blkr.     . 

)  lateristriga  Blkr.    . 

)  koüometopon  Blkr. 

)  macrophtbalmus  Blkr 

)  maculatus   Blkr.     . 

)  marginatus  Blkr.     . 

)  obtusirostris  Blkr.  . 

)  platysoma  Blkr.    . 

)  l'uluipimiis  Blkr    . 

)  Schwanefeldi   Blkr. 

)  tetrazona  Blkr. 

(Capoëta)  brevia  Blkr.  .    . 

)  leiacanthus  Blkr.     . 

)  oligolepis    Blkr.    . 

)  padangensis  Blkr.  . 

)  sumatranus  Blkr.    . 

(Systomus)  bulu  Blkr.    .    . 

)  lawak  Blkr.  .     .     . 

)  Waandersi  lilkr.    . 

112  Kampala  ampalong  Blkr.     .     . 

113  »  macrolepidota  K.  v.  II 
111  Albuliclitliys  albuloides  Blkr.  . 

115  AfflDiyrhynchichtbys  truncatus  Bklr 

116  Robteicbtbys  microlepis  Blkr. 

117  Loptobarbus  Iloevenii  Blkr. 

Transp. 


84 

II      ( 

85 

»      ( 

86 

"      ( 

S7 

11     ( 

88 

II     ( 

89 

II     ( 

90 

"     ( 

91 

I)     ( 

92 

11     ( 

93 

"     ( 

1)     ( 

95 

II     ( 

96 

»     ( 

97 

11     ( 

98 

11     ( 

99 

11     ( 

100 

11     ( 

101 

"     ( 

102 

11      I 

103 

11     ( 

104 

»     ( 

105 

M      ( 

106 

»      ( 

107 

»      ( 

108 

»      ( 

109 

11      ( 

110 

Il      ( 

111 

H     ( 

28 

0 

20 

1 

» 

» 

» 

» 

1 

» 

» 

1 

1 

» 

» 

h 

» 

» 

ii 

H 

i 

» 

11 

» 

h 

11 

i 

1 

11 

i 

1 

» 

» 

» 

)| 

» 

ii 

» 

i 

ii 

11 

» 

» 

H 

1 

1 

11 

n 

1 

» 

» 

1 

» 

n 

» 

II 

i 

1 

11 

n 

» 

11 

i 

)} 

11 

i 

1 

11 

n 

1 

11 

i 

1 

» 

i 

1 

11 

:ï 

1 

» 

t> 

1 

l 

î 

1 

» 

î 

1 

» 

» 

1 

H 

h 

1 

11 

j> 

11 

11 

î 

11 

» 

il 

1 

» 

» 

1 

» 

» 

11 

» 

î 

!) 

» 

î 

» 

» 

î 

» 

» 

î 

1 

» 

II 

1 

H 

» 

II 

M 

î 

1 

» 

î 

11 

II 

î 

» 

11 

î 

» 

II 

î 

II 

II 

î 

54 

51 

1 

0 

0 

15 

2 

)) 

11 

» 

n 

ii 

11 

II 

n 

» 

n 

)} 

11 

)i 

n 

>! 

1) 

11 

!! 

n 

Il 

11 

11 

Il 

i 

■> 

1) 

11 

11 

i 

11 

H 

11 

11 

i 

II 

11 

» 

11 

i 

31 

n 

1 

11 

i 

11 

n 

)1 

îl 

» 

îl 

n 

11 

11 

i 

!1 

n 

11 

11 

i 

II 

>i 

11 

11 

i 

11 

n 

11 

11 

» 

11 

ii 

II 

11 

» 

11 

» 

II 

1)" 

ii 

)l 

n 

>! 

II 

i 

11 

n 

1 

11 

i 

11 

» 

)! 

1) 

» 

II 

n 

11 

)] 

» 

11 

n 

11 

11 

» 

II 

)i 

11 

11 

» 

11 

» 

I) 

11 

n 

11 

i 

1 

1 

i 

II 

» 

11 

11 

» 

11 

>! 

)! 

11 

» 

11 

1 

1 

1 

i 

II 

11 

11 

11 

» 

11 

J> 

11 

11 

» 

11 

II 

11 

II 

ii 

11 

11 

11 

11 

n 

11 

11 

11 

11 

1 

I) 

il 

11 

11 

1 

H 

» 

» 

11 

» 

11 

» 

II 

Jl 

» 

11 

H 

» 

11 

(t 

11 

n 

11 

» 

» 

11 

» 

1» 

11 

» 

11 

il 

11 

11 

i 

11 

il 

»1 

)1 

n 

1> 

» 

11 

II 

n 

11 

» 

11 

11 

1 

II 

» 

11 

11 

1 

11 

l) 

II 

I) 

1 

11 

11 

II 

II 

1 

V 

11 

11 

11 

1 

I) 

II 

11 

11 

1 

11 

2 

7 

2 

36 

2 

35 


NOMINA. 

a 
i-s 

'S 

ci 

i- 
*a 
03 

a 

s 

ce 

a 

to 
c 
ci 
p 

ta 

M 

s 
eu 

SO 

a 

ci 

à 
o 

o 

<L> 

a 
u 
o 

M 

eu 
a. 

m 

G 
Hi 

-< 

Per  transp. 

51 

l 

54 

1 

1 

2 

7 

2 

36 

2 

10 

IIS  Luciosoma  (Luciosoma)  Betigerum 

Blkr.       . 

1 

» 

1 

» 

)1 

i» 

)) 

n 

» 

» 

11 

119       'i         (     h     )  spilopleura    Blkr. 

» 

n 

1 

» 

1) 

» 

» 

» 

n 

n 

1 

120       »    (Tiinematichthys)  trinema  Blkr. 

I) 

» 

1 

n 

ïl 

n 

» 

H 

1 

n 

î) 

121  Thynnicbthys  thynnoides  Blkr.     . 

» 

n 

1 

» 

» 

» 

)) 

» 

M 

» 

)) 

122       »         polylepis  Blkr.     .     .     •     . 

JI 

» 

1 

» 

n 

» 

)) 

I) 

1 

n 

11 

123  Rasbora  argyrotaenia  Blkr.       .     . 

1 

1 

1 

n 

» 

» 

» 

11 

11 

n 

îï 

124       »      bankaneusis  Blkr.       .     .     . 

» 

î) 

» 

» 

» 

» 

1 

J) 

il 

n 

)J 

I) 

1) 

n 

» 

» 

» 

» 

I) 

1 

» 

!» 

12C       »      cephalotaenia  Blkr. 

11 

1) 

n 

» 

H 

» 

1 

l 

1 

» 

Il 

)) 

H 

i 

» 

n 

i> 

H 

)1 

1 

» 

1 

)1 

1) 

n 

)j 

» 

1 

1 

1 

1 

t) 

» 

120       ir      kallochroraa  Blkr. 

» 

n 

n 

» 

» 

)! 

1 

M 

1 

» 

11 

1 

n 

i 

» 

» 

I) 

1) 

î) 

)> 

» 

j; 

» 

M 

i 

» 

» 

» 

)> 

)) 

)) 

n 

» 

n 

H 

i 

» 

n 

)) 

)1 

J) 

» 

» 

j> 

n 

» 

n 

» 

î 

)) 

» 

n 

M 

)1 

î 

134  Rasborichtbys  Helfriehi  Blk 

r. 

n 

» 

n 

il 

» 

11 

î) 

» 

1 

n 

» 

135  CLela  anomalura  Blkr.   . 

i 

» 

i 

» 

j) 

11 

)) 

n 

1 

n 

n 

13G     »     hypophthalmus  Blkr.    . 

j) 

n 

i 

» 

» 

>! 

)> 

)i 

II 

» 

» 

137     m     oxygastroides  Blkr. 

1 

» 

i 

n 

» 

H 

n 

» 

1 

n 

» 

138  Maorochiricbthys  uranoscopus  Blkr. 

H 

n 

i 

» 

» 

» 

n 

» 

1 

» 

î 

139     »     ?:  rnacrochirus  Blkr.     ,     .     . 

1 

57 
fi 

» 

2 

H 

G8 

» 
1 

» 

» 

îi 

H 

4 

» 

47 

4- 

2 

n 

Tot.     .     : 

2 

3 

14 

8 

n      llomulopteraeformes.     .     .     . 

8 

» 

6 

H 

II 

» 

« 

» 

V 

11 

11 

57 
71 

2 

GS 

1 
1 

2 

3 

10 
10 

4 

4 

47 
51 

2 
2 

14 

Tot.     .     . 

2 

82 

2 

3 

14 

Familia  Cyprinodontoidei 

140  Aploeheilos  javanicus  Blkr.      .     . 

141  Panchax  Buebanani  Val.      .     ,     : 

1 
1 

2 

11 

1 

» 

i 

0 

11 
11 

0 

II 

1 

ii 

1 

Tot.     .     . 

0 

1 

0 

i 

0 

1 

0 

1 

Ordo  Cyprini. 

71 

2 

82 

1 

o 

à 

10 

4 

51 

2 

14 

»            ClTRIXODON'TOIDEI.       .      .  . 

2 

0 

1 

0 

1 

0 

0 

0 

1 

0 

1 

Tot.    .    . 

73 

2 

83 

1 

3 

O 

10 

4 

52 

2 

15 

36 

Hierbij  zijn  waarschijnlijk  nog  te  voegen  Barbus  balleroides  Val,  en  l'arbus  caras- 
sioides  Heek. 


Eene  optelling,  met  de  mij  beschikbare  hulpmiddelen,  van  de  Cyprinen  der  thans 
levende  schepping,  heeft  mij  doen  vinden  een   cijfer  van   1144  soorten. 

In  dit  cijfer  zijn  de  archipelagische  soorten  begrepen.     Deze  soorten  maken  alzoo 
ongeveer  1/8  of  ruim  0,12  uit  van  het  geheel. 

Gaat   men  deze  verhouding  meer  in   bijzonderheden  na,    met  betrekking   tot    de 
fatniliën,  subfamiliën  en  groepen,  dan  erlangt  men  de  volgende  uitkomsten. 

Van  de  Cyprinodontoïden  zijn  07  soorten  beschreven,  waaronder  slechts  2  archi- 
pelagische.    De  evenredigheid  is  dus  :=:    1:48,5. 

De  beschrevene    Cyprinoïden  zijn  1047  in    getal,  met  inbegrip  der  142    archipe- 
lagische.    De  verhouding  is  alzoo  :=!    1:7,37. 

De  subfamilie  der  Cypriniformes  telt,  met  inbegrip  van  122  archipelagische,  050 
soorten.     Men  vindt  daaruit  de  proportie  s  1:7,86. 

lu  de  wetenschap  zijn  thans  72    soorten    van  Gobitinen    vermeld,    waaronder   11 
archipelagische.     Men  erlangt  daaruit  de  evenredigheid  ^    1:6,54. 

Van  de  lö  bekende  Homalopteraeformes ,  zijn  9   archipelagische  ;=:  1:1,77. 
Deze  verhoudingen  zijn  voorts  voor  de  groepen   der  Cypriniformes  als  volgt. 
Voor  de  Phalakrognathinen.     .     ö    1:  5,07. 
//         »  Cheilognathinen.       :     ö    1:  9,05. 
//         h  Labeoninen.    .     .     .     =3    1:  4,18. 
//         //  Chondrostominen.      .     ö    0:64. 
h         h  Catostominen.      .     .     ö    0:54. 

h         it  Cyprinen.        .     .     .     zz    0:33,  of  de  beide  ingevoerde  soorten  in  reke- 
ning brengende.       .      a    1:10,5. 
u         h  Barbinen.  .     =i    1:  8,15. 

De  fossiele  Cyprinen  zijn  in   deze   verhoudigen  buiten  berekening  gelaten. 


Alhoewel  de  Cyprinen  in  den  archipel  een  zoo  merkwaardig  groot  gedeelte  van 
het  geheel  uitmaken,  is  het  toch  opmerkelijk,  niet  alleen  dat  de  Cyprinodontoïden 
er  naauwehjks  en  de  Chondrostominen,  Catostominen  en  Cyprininen  er  in  het  ge- 
heel niet  vertegenwoordigd  worden,  maar  dat  ook,  met  uitzondering  slechts  van 
de  Cobitiformes ,  zoo  talrijke  geslachten  van  de  overige  Cyprinoïden  niet  worden 
aangetroffen.  Men  vindt  er  geen  enkele  amerikaansch  genus  terug  en  van  de  in  Afrika 
en  Europa  levende  geslachten  hoogstens  Labeobarbus,  Systomus,  Chela,  Labeo  en 
Crossocheilos. 


37 

Ik  heb  hieronder  laten  volgen  een  tabellarisch  overzigt  van  de  geographische  ver- 
verbreiding van  alle  de  door  mij  aangenomene  geslachten  der  Cyprinen ,  en  men  zal 
daaruit  kunnen  ontwaren ,  dat  van  de  35  geslachten  der  Labeoninen  niet  minder  dan 
26,  en  van  de  69  genera  van  Earbinen  niet  minder  dan  53  in  den  archipel  ontbreken. 

Uiterst  grensgewest  der  Cyprinen  in  het  zuidoosten,  heeft  de  archipel  evenwel 
de  merkwaardigste  en  meest  zamengestelde  vormen  in  het  leven  geroepen  en  voedt 
hij  vertegenwoordigers  van  de  geslachten  Epalzeorhynchos,  Diplocheilichthys,  Lo- 
bocheilos,  Barbichthys,  Cyclocheilichthys,  Albulichthys,  Rohteichthys ,  Leptobarbus, 
Rasborichthys  en  Macrochirichthys ,  van  welke  de  groote  vastlanden  der  oude  en 
nieuwe    wereld  tot  nog  toe  geene  soorten  hebben  aangewezen. 


CYPRINORUM    DISTRIBUTIO    GEOGRAPHICA. 


FAMILIA  I.    CYPINKOIDEI. 


SPECIES. 

GENERA. 

o 

Ta 

ei 
"o 

< 

o 

'c 
o 
P< 

C3 
1-5 

Asiaticae. 

O 

ci 

o 

p 

a 
c 

ai 

ci 

Araericanae. 

As.  Merid. 
As.  Occid. 

aa 

a 
a; 

o 

H 

— 

a 
< 

a 
< 

7* 

S 
*-< 

S 
< 

-^2 
O 

H 

01 

te 

o 

SüBFAMILlA    1    COUITIFOKIICS. 

Ilymenophysa  McCl.       .       , 
Acanthopsis  V.  Hass.     ,       .       , 
Lepidocephahis  Blkr. 

thophthalmus  V.  Hass.       : 

Cobitis  Art 

Cobitichthys  Blkr. 

2 
2 
2 
2 
2 
1 

1 
1 

» 
» 

5 

O 

S 

1 

2 
20 

34 

4 
2 
1 

7 

Î1 

3 
5 

4 

1 

d 

9 
3 

» 
» 

3 

» 
» 

9 

» 

12- 

11 
11 
)l 

Î) 

H 

8 

1 
1 

» 
H 

1 

» 
II 
IJ 

G 

î 

il 
il 
1 
5 

7 

» 

N 
» 

» 
il 
i) 
il 
H 
)) 
)> 
» 
11 
)» 

0 

» 

î 

î 

H 

2 

» 
I) 

11 

)) 

1) 

î) 

)) 

» 

)) 
ï) 
II 
» 
» 
» 

0    . 

3 
12 

1 

2 

30 

5 

53 

4 
2 
1 

7 

» 

G 
G 
5 

1 

3 

10 

3 

II 

n 

34    ( 

II 
O 
II 

ï) 

2 

1) 

» 
n 
il 
n 
11 
» 

» 
it 
n 
n 
n 

» 
» 

» 

il 

» 
il 
n 
n 
» 
il 
il 
n 

il 

M 
1) 

11 
11 
11 
)) 

11 

11 
11 
11 

II 

11 
11 
11 
1) 

11 

n 
» 
n 
n 
» 

» 

» 

» 

» 

n 

» 
n 
» 
» 
» 
n 
ii 
n 

» 
n 

» 
ii 
» 

» 

ii 
» 

» 

n 
n 
» 

M 
II 

G 
15 

3 

4 

33 

11 

Tot.      ,      ; 

11 

7 

5 

» 

72 

SüBFAM,    2   IIOMALOPrEIiAErOKMES 

Horaaloptera  V.  Hass. 
Psilorhynchus  McCl. 
rhynchus  Blkr. 

9 

n 
» 

9 

1 

3 

» 

1 
4 

1 
7 

)) 
1) 
)) 

n 

il 

13 
2 
1 

Tot.       .       . 

11 

11 

» 

11 
» 

11 
» 
li 
ll_ 

1G 

AMIL1A   3    CïPElSIFOBHEa 

Cohors  A.  Pltalacrognathiui. 

S  t  ï  r  p  s    1    L  a  b  e  o  n  i  n  i. 

oorliynclios  Blkr. 
1  us  Heek. 
il  is  V.  Hass. 
ignathichthys  Blkr. 
ycara  McCl. 
Schismatorb.yncb.os  Blkr. 

rnathus  li                .      . 
cheilichthys  Blkr. 
V,    Ikiss. 

» 

» 
ii 
» 

)0 

n 
n 

2 

II 
II 
II 

S 

11 
11 

1! 

10 

1 

G 

11 

5 

1 

4 

22 

3 

1 
7 

Transp.       : 

17 

?S 

n    j    » 

Cl 

39 


SPECIES. 

Asiaticae. 

À  m  erica  n  a  e. 

u 

< 

ci 

tü 

'a 
o 

et 

ci 

3 

Ü 

c3 

a 

< 

GENERA. 

O 

< 

ï-i 

a 
o 

03 

<! 

-i-â 
O 

43 

a 

< 

< 

s 
«i 

C 

a 
tn 

'S 

Per  transp. 

17 

0 

2S 

G 

0 

0 

34 

0 

10 

0 

0 

0 

0 

61 

14 

» 

20 

11 

11 

20 

11 

1} 

ii 

» 

» 

320 

1 

)> 

11 

11 

îî 

11 

11 

)> 

n 

11 

•i 

ii 

11 

Rohitichthys  Blkr. 

11 

» 

1) 

» 

1) 

n 

)) 

1 

» 

11 

33 

iî 

l 

10 

» 

1 

lï 

1) 

i 

11 

11 

n 

n 

11 

» 

11 

Abrostomus  Smith. 

.. 

)î 

)j 

11 

)) 

11 

» 

11 

2 

» 

•y 

IJ 

■< 

2 

Barbichthys  Blkr. 

1 

» 

» 

lî 

» 

» 

11 

» 

n 

» 

lî 

3) 

1 

Morara  Blkr. 

1) 

» 

2 

11 

11 

2- 

11 

n 

iî 

■i 

J* 

II 

■2 

Semiplotus  Blkr. 

)> 

» 

1 

1) 

1) 

1 

11 

» 

iî 

'i 

II 

:i 

1 

Opistocheilos  Blkr. 

lî 

» 

0 

3 

11 

4 

11 

n 

îî 

» 

11 

:i 

4 

Cochlognathus  B.  Gîr. 

1) 

» 

n 

1) 

11 

11 

n 

» 

1 

» 

lî 

i 

1 

Pirnepkales  Rat'. 

11 

» 

H 

11 

1) 

11 

» 

» 

» 

11 

o 

3 

Pseudo<robio  Blkr. 

lî 

i 

)) 

11 

11 

}i 

n 

» 

» 

n 

'ï 

-1 

1 

Mylopliarodon  Ayr. 

)) 
1) 
H 

lî 
)) 

11 
11 
11 

11 
il 
11 

11 
11 
11 

n 

M 

O 

2 

M 

:) 
il 

31 
îî 
Jl 

3 
o 
o 

; 

2 
2 

)) 
)) 

» 

11 
11 

1) 
11 

)) 
11 

4 
2 

n 

11 

lî 

4 
o 

4 

■J 

11 

» 

» 

1) 

11 

Iî 

ii 

îl 

4 

n 

'1 

4 

4 

)) 

» 

ï) 

<î 

11 

1) 

» 

Iî 

10 

n 

11 

10 

10 

îî 

» 

11 

tl 

1) 

11 

n 

lî 

2 

m 

31 

2 

2 

Hyborhynchus  Ag. 

)I 

)) 

11 

11 

11 

11 

îî 

lî 

5 

» 

■• 

"i 

5 

J) 

» 

» 

11 

H 

11 

» 

H 

7 

iî 

11 

7 

7 

Orthodon  Gir. 

n 

n 

)! 

11 

11 

1) 

il 

» 

1 

31 

'1 

1 

1 

n 

» 

)) 

11 

lî 

IJ 

n 

11 

O 

1) 

11 

3 

3 

AlgaDsea  Gir. 

n 
43 

n 

îl 

65 

9 

11 

11 
11 

31 

73 

i> 

11 

13 

i 

53 

31 

11 
lî 

4 
53 

■r 

Tot.       .       . 

1 

180 

S  t  i  r  p  s  2  Chondrostomini. 

Chondrostoma  Ag. 

11 

)) 

11 

o 

tl 

o 

5 

îl 

n 

11 

11 

11 

7 

Acbeilognathus  Blkr. 

n 

5 

)J 

11 

il 

H 

'i 

lï 

n 

lî 

;i 

îl 

5 

Aspidoparia  Heck. 

il 

)) 

1 

» 

11 

1 

n 

)l 

» 

11 

il 

'1 

1 

Gvmnostomus   Heck 

» 

)) 

11 

1 

» 

15 

n 

i 

n 

11 

n 

31 

16 

Mrigala  Blkr.     . 

» 

1) 

6 

îl 

îî 

C 

ii 

I) 

!) 

IJ 

31 

11 

■:; 

Dillonia  Heck. 

:î 

1) 

îl 

)) 

îî 

11 

» 

1 

l) 

'1 

31 

1 

i 

Cyprinion  Heck. 
Oreiniis  MeCl. 

)> 
îî 

)) 
O 

O 

6 
13 

l) 
11 

C 
16 

11 
1) 

31 

11 

11 
11 

31 
11 

31 

i 

Schizopyge  Heck. 

n 

11 

4 

o 

11 

6 

n 

11 

31 

3) 

:' 

G 

Tot 

• 

)i 

5 

28 

24 

ïî 

11 

52 

5 

2 

lî 

)) 

)1 

-"1 

64 

(1)  Spec.  1  meert,  habit. 


40 


SPECIES. 

O 

Asiatieac. 

Americanae. 

To 
a 

< 

a 
.2 
'a 

o 

a, 

a 

1-5 

C3 
a 

O 
B 

w 

o 

CS 

a 
es 

< 

. 

G  E  N  E  It  A. 

en 

«si 

^3 

'Ö 
O 

o 

ui 

,22 
'S 

o 

«i 

S. 

a 

en 

< 

o 
H 

eu 

a 

a 

< 

■3 

!5 

«J 

o 

O 
O 

ipitulaiio  Stirpium. 

Labeonini.                       : 

13 

1 

65 

0 

» 

)) 

73 

H 

13 

53 

» 

1) 

25 

ISO 

Chondrostomini.       '.       '. 

n 

5 

28 

24 

i) 

» 

52 

5 

2 

» 

)ï 

)) 

» 

Cl 

Tot.  Phalacrognathini. 

13 

G 

93 

33 

» 

)) 

125 

5 

15 

53 

» 

)> 

» 

241 

Cohors  B.  Cheilognathini. 

S  t  i  r  p  S  1  Catostomini. 

Acomus  Gir.       ;      :      .      : 

H 

)) 

M 

» 

)> 

1 

1 

II 

II 

7 

» 

II 

7 

S 

Minomus  Gir.           .... 

)) 

» 

» 

)) 

» 

» 

» 

» 

» 

3 

» 

n 

3 

3 

1) 

» 

» 

)? 

» 

11 

» 

)) 

1) 

10 

» 

u 

10 

10 

Ptychostomua  Ag.           .       : 

)) 

» 

II 

)) 

)) 

» 

)) 

)) 

J) 

7 

» 

» 

7 

7 

)) 

J) 

)) 

)) 

» 

M 

» 

» 

» 

1 

» 

)j 

1 

1 

Carpioiles  Raf.           .... 

» 

» 

» 

)) 

)) 

Jï 

» 

)) 

» 

5 

D 

i) 

5 

5 

Cycleptus  Kat'.          .... 

»1 

» 

•i 

I) 

J) 

I) 

1J 

» 

)> 

2 

» 

» 

2 

2 

Ichthyobus  Raf.        .       ;      .      . 

I) 

» 

» 

n 

» 

II 

)) 

)) 

» 

4 

» 

H 

•1 

4 

)) 

» 

'I 

n 

» 

)) 

» 

n 

» 

G 

» 

Jl 

G 

6 

» 

)) 
)> 

M 

n 

J) 

1 

J) 
1 

» 

8 
53 

l) 
IJ 

8 
53 

8 

Tot. 

)ï 

54 

Stirps  2  Cyprinini. 

1  (M 

2 

)) 

î 

4 

» 

5 

8 

» 

1 

» 

» 

1 

13 

Carassius  Nilss 

H') 

6 

m 

» 

9 

» 

9 

7 

2 

1 

» 

1 

1 

20 

Tot.       .       . 

2 

S 

i 

î 

13 

n 

14 

15 

2 

2 

» 

1 

2 

33 

Stirps  3  B  a  r  b  i  n  i. 

Racoma  McC'l.                       , 

)> 

n 

» 

4 

» 

» 

•1 

II 

» 

» 

» 

)) 

H 

4 

Schizothorax  lleuk.         .       , 

» 

» 

■î 

4 

ÎJ 

» 

7 

» 

» 

n 

» 

» 

)) 

7 

Balantiocheilos  Llkr. 

i 

» 

i 

» 

» 

» 

1 

M 

n 

m 

» 

» 

J) 

1 

Amblyrhynchichthys  Blkr. 

i 

» 

i 

M 

)l 

n 

1 

" 

» 

» 

n 

M 

» 

1 

Albulichthya  Blkr. 

i 

» 

)! 

)) 

)) 

)> 

j) 

Jî 

)j 

n 

H 

)ï 

» 

1 

Hampala  V.  H                ... 

2 

» 

1 

» 

)) 

n 

i 

» 

» 

» 

n 

» 

M 

2 

Trans  p. 

5 

0 

7 

s 

0 

0 

n 

0 

0 

0 

0 

0 

0 

1G 

(1)  Introduct. 

(2)  Mauritius. 


41 


SPECIES. 

o 
a 
u 

'so 

< 

o 

ce 
o 

'c 
o 
c 
ce 

1-5 

Asiaticae. 

ai 
ce 

o 
ce 
&, 
p 

3 

Ü 

a 

C 

< 

Americanae. 

GENERA 

-6 

<5 

O 

t3 

6 

aï 

< 

"S 

O 

+3 

O 

H 

32 

a 

< 

T3 

g 
< 

o 
H 

0 

SD 

H 

Per  trauap. 

5 

0 

7 

8 

0 

0 

14 

0 

0 

0 

0 

0 

1G 

Hypselobai'bus  Blkr. 

» 

11 

4 

n 

II 

» 

4 

11 

n 

» 

)1 

11 

J) 

4 

Systomus  IMcCI. 

31 

]> 

48 

11 

II 

1) 

59 

î) 

10 

il 

1) 

11 

U 

9  b 

Cyclocbeiliebtbys  Blkr.   . 

12 

M 

M') 

n 

» 

11 

1 

11 

11 

n 

!) 

11 

Jl 

12 

Barbus  Cuv 

If 

)) 

11 

7 

11 

» 

7 

5 

5 

11 

Jl 

Jl 

11 

17 

Labeobarbus  Riipp. 

4 

11 

9 

4 

2 

11 

14 

5 

7 

11 

lî 

» 

11 

30 

Opsaridium  Pet.  (gen.  ?  ?  )     . 

3] 

)J 

)) 

» 

n 

11 

11 

» 

1 

1) 

Jl 

3) 

J) 

1 

Hemibarbus  Blkr.     . 

IJ 

1 

» 

U 

n 

11 

11 

n 

11 

u 

11 

11 

1) 

1 

Pseudopboxinus  Blkr. 

I) 

lî 

J> 

1 

n 

11 

1 

n 

11 

lî 

JJ 

11 

31 

1 

Kobteicbtbys  Blkr. 

1 

33 

J> 

J! 

n 

I) 

n 

» 

)) 

11 

1) 

1) 

31 

1 

Rohtee  Syk.              : 

)) 

11 

G 

)J 

3 

11 

9 

» 

lî 

1) 

lî 

11 

1) 

9 

Acanthobrama  Heck. 

11 

11 

ji 

4 

2 

11 

G 

» 

)) 

1) 

11 

3} 

3) 

G 

Rbodeus  Ag. 

31 

» 

)) 

1 

» 

1' 

1 

i 

Jl 

Jl 

Jl 

31 

1) 

1 

Chanodicbtbys  Blkr. 

i> 

1) 

ï) 

11 

rt 
J 

11 

3 

n 

II 

Jl 

11 

Jl 

I) 

«j 

Pseudoculter  Blkr. 

)> 

H 

n 

» 

2 

11 

2 

ii 

11 

Jl 

11 

11 

11 

Hemiculter  Blkr.       , 

» 

>! 

11 

» 

1 

)î 

1 

» 

)> 

11 

11 

J' 

31 

1 

Aulopyge  Heck. 

» 

)) 

» 

Jl 

u 

» 

» 

i 

11 

11 

» 

1) 

31 

1 

Meda  Gir. 

n 

11 

il 

)) 

ij 

11 

n 

» 

11 

1 

1) 

31 

1 

1 

Chedrus  Swns.           , 

» 

lî 

4 

)) 

n 

}) 

4 

n 

11 

11 

Jl 

11 

n 

4 

Plargyrus  Kaf.           .       . 

» 

>î 

« 

» 

» 

lî 

iï 

u 

11 

7 

11 

11 

7 

4 

Catla  Val 

jj 

» 

1 

II 

» 

11 

1 

» 

11 

1) 

11 

lî 

)i 

1 

Hypophthalmichtbys  Blkr. 

j) 

11 

» 

» 

G 

11 

6 

n 

11 

11 

1J 

JJ 

31 

G 

Tbynnicbtbys  Blkr. 

2 

11 

1 

11 

3 

11 

4 

n 

11 

11 

11 

11 

II 

G 

Amblypbaryngodon  Blkr, 

» 

II 

3 

1) 

ii 

î) 

3 

n 

11 

11 

J) 

11 

1) 

3 

Devario  Heck.           .       . 

» 

il 

4 

11 

n 

11 

4 

il 

Jl 

11 

1) 

îl 

31 

4 

Luciosoma  Blkr. 

» 

1 

n 

n 

II 

1 

?! 

î) 

M 

1) 

31 

11 

<» 

Perilampus  McCl. 

Jl 

» 

3 

)î 

n 

)1 

)! 

1) 

11 

)) 

31 

11 

3 

Esoraus  Swns. 

•) 

n 

o 
O 

» 

i) 

ji 

3 

Il 

II 

11 

Jl 

31 

31 

! 

Tinea  Cuv. 

1 

îi 

)) 

ï 

n 

1 

2 

)1 

'1 

1) 

Jl 

31 

I) 

2 

Argyreus  Heck. 

1) 

M 

)) 

n 

ii 

il 

n 

'1 

11 

11 

J) 

1) 

U 

11 

Cbrosomus  Kaf. 

1) 

11 

1) 

» 

n 

M 

ii 

JJ 

II 

1 

11 

11 

1 

1 

Tiaioga  Gir.       , 

)) 

>1 

n 

il 

n 

11 

n 

Jl 

II 

1 

1) 

11 

1 

1 

Phoxinus   Ag. 

1) 

lî 

» 

il 

n 

U 

ii 

1 

Jl 

11 

31 

31 

1) 

1 

•lellus  Heck. 

)) 

11 

n 

n 

n 

11 

)) 

1 

», 

)) 

Jl 

)) 

Jl 

1 

Cirrhina  Cuv,     . 

1) 

M 

1 

n 

n 

Jl 

1 

II 

U 

Jl 

lî 

31 

)] 

1 

Gobio  Cuv. 

)) 

n 

» 

ï 

ï 

II 

2 

4 

u 

4 

11 

13 

4 

; 

Sarcoclieilichtbys  Blkr, 

)) 

1 

)) 

31 

n 

1) 

u 

I) 

II 

Jl 

31 

11 

•' 

ï 

Leptobarbus  Blkr.    . 

1 

il 

)) 

n 

n 

n 

n 

U 

n 

II 

Jl 

H 

11 

ï 

Giiathopogon  Blkr. 

)] 

2 

\I 

H 

il 

» 

n 

1) 

M 

1) 

11 

U 

» 

o 

Pfcudorasbora  Blkr. 

11 

2 

» 

» 

il 

n 

n 

11 

11 

Jl 

1) 

31 

11 

2 

Rasbora  Blkr.            .       , 

11 

n 

11 

N 

4 

» 

15 

1) 

» 

II 

31 

31 

1) 

24 

Rasboriebthys  Blkr. 

1 

» 

Jl 

1) 

1) 

» 

11 

1) 

Jl 

Jl 

1) 

M 

11 

1 

Elopicntbys  Blkr. 

n 

» 

11 

II 

2 

31 

2 

H 

11 

1) 

11 

JJ 

I! 

•_> 

Aspius  Ag. 

n 

» 

i) 

G 

» 

» 

C 

G 

1) 

11 

31 

), 

)î 

12 

Gila  Baird  Gir.        .      ; 

ji 

n 

)) 

II 

» 

» 

Jl 

II 

1 

21 

" 

31 

21 

21 

Tra 

72 

6 

107 

M 

29 

1 

17° 

[24 

23 

46 

'■ 

4G 

42 


SPECIES. 

o3 
ta 

Asiaticae. 

Americanae. 

GENERA. 

'ta 

a 

"P 

«S3 

tu 
a 
o 

S 

ci 

i-s 

CD 
Ci 

O 
C3 

O 

o 
es 

c 

C3 

< 

à 

o 
tJO 

H 

As.  Merïd. 
As.  Occid. 

-4-S 

c 

<D 

"S 

C 

in 

< 

en 

o 
H 

+3 

'/2 

a' 
< 

< 

s 

<3 

o 
H 

Per  transp. 

72 

6 

107 

41 

29 

i 

170 

24 

23 

46 

1) 

» 

46 

330 

I'tychoclieilus  Ag. 

w 

» 

» 

» 

II 

î) 

)) 

» 

» 

0 

» 

» 

9 

9 

Opsarius  McCl.  . 

» 

G 

18 

1 

1 

» 

20 

» 

2(') 

» 

H 

» 

11 

28 

Abi'.amis  Cuv.      .        .         ;        . 

» 

n 

H 

4 

» 

» 

4 

1C 

>! 

» 

» 

» 

» 

20 

Luxilus  Raf.        ...         ; 

» 

» 

» 

H 

» 

» 

1) 

n 

» 

10 

» 

» 

10 

10 

Alburnus  Heck.  .        , 

» 

» 

» 

14 

)) 

u 

14 

14 

2 

7 

M 

» 

7 

37 

Hybopsis  Ag. 

» 

» 

» 

11 

H 

n 

» 

» 

» 

fi 

» 

» 

6 

R 

Lcucosomus   Ileck. 

» 

» 

» 

)] 

)) 

» 

» 

» 

» 

15 

ÎJ 

» 

15 

15 

Ceratichthvs   Baird 

» 

» 

» 

)) 

» 

» 

» 

» 

)) 

S 

» 

)) 

3 

Seraotilua  Raf.     .... 

» 

» 

» 

)) 

>J 

» 

)) 

n 

» 

7 

I) 

» 

7 

7 

Leuciscus  Klein  (').     .         , 

n 

1 

1 

4 

C 

1 

11 

48 

«j 

6 

)) 

» 

G 

fi7 

Scardinius  ]îp.     ,         .         ; 

» 

ii 

ï) 

» 

)> 

» 

» 

13 

» 

» 

» 

» 

)) 

13 

Alburuops  Gir.    ,         .         , 

î) 

ii 

» 

» 

» 

u 

» 

» 

)> 

4 

» 

» 

4 

4 

CyprineÛa  Gir.             ,         .         : 

H 

» 

)) 

» 

» 

» 

» 

» 

n 

31 

11 

» 

31 

31 

Codoraa  Gir.        :        .        , 

1) 

ii 

)) 

» 

)> 

» 

M 

» 

» 

2 

» 

» 

2 

« 

Smiliogastcr  Blkr.        :         ; 

n 

» 

1 

» 

/ 

)) 

1 

» 

» 

» 

» 

» 

» 

1 

Culter  Bas. 

n 

» 

)1 

» 

G 

)) 

6 

» 

» 

» 

)) 

j) 

M 

6 

Laubuca  Blkr,    , 

» 

ii 

2 

» 

» 

» 

2 

n 

n 

)> 

)) 

)ï 

II 

2 

Chela  Bach.         .         : 

3 

n 

22 

» 

» 

» 

99 

1 

» 

» 

)) 

» 

II 

26 

Maerochirichthys  Blkr.        , 

2 

77 

13 

1 
152 

67 

42 

)) 

2 

1 

2C0 

» 

» 

116 

11 

146 

2 

Tot.       ;       ; 

116 

30 

628 

Recapitllatio  Stirpium. 

Catostomini.         j         ;         ,         ; 

» 

» 

» 

1> 

» 

1 

1 

n 

» 

53 

» 

» 

53 

54 

Cyprinini.    .         ,          .         ,         , 

2 

8 

1 

1 

13 

ii 

14 

15 

2 

2 

» 

1 

2 

33 

Barbini.       .         ,         .         ;         . 

77 

70 

13 

152 
158 

67 
68 

42 
55 

2 
3 

200 
275 

116 
131 

30 
32 

146 

201 

» 

i 

146 
201 

G28 

Tot.  Cheilognathini.    .         :        ; 

21 

715 

Recapitclatio   COHOETUM. 

Phalacrognathyii.          : 

43 

G 

03 

33 

)) 

» 

125 

5 

15 

53 

» 

« 

53 

244 

Cheilognathini.     , 

1U 

122 

21 

27 

153 
246 

6S 
101 

55 
55 



3 

275 
400 

131 

32 

201 
251 

H 

)> 

i 

i 

201 
254 

715 

Tot.        .        . 

136 

47 

959 

RECAPITULATE    SUBFAMILIAR. 

Cobitiformes.       .        .        : 

11 

7 

34 

12 

7 

2 

53 

5 

)) 

)) 

H 

» 

» 

72 

Homalopteracformes.             .         : 

9 

n 

7 

» 

i> 

» 

7 

>> 

» 

)> 

» 

» 

» 

16 

Cyprinilbrmes.                        , 

122 

27 

246 

101 

55 

3  400 

136 

47 

254 

» 

i 

254 

959 

Tot.        .        : 

112 

34 

287 

113 

02 

5. 

460, 

141  1 

47 

251 

}) 

i 

254 

1047 

(')  1  Spec.  Maurit.  (2)  Cum  specieb.  dubiae  affinitatis. 


43 


GENERA. 


SPECIES. 


tn 

ci 

« 

<D 

a 

CL, 

o 

Eü 

ci 

1-9 

Aslatipe. 

Americanae. 

ci 

ci 

o 

Ö 

Ô 

a» 

o 
H 

ci 

a, 

o 

3 

P 

ci 
o 

Eh 

a' 

p 

O 

H 

<! 

<î 

< 

< 

o 

H 


FaMILIA   II   CïPEIN'ODON'TOlDEI. 

Cohors  A.  Cyprinodonlini. 

Heteraudria  Baird  Gir. 

Fuuduliclitkys  Blkr.        • 

Mollienisia  Les 

Pseudoxiphophorus  Blkr. 
Xiphophorus  Heck.  .... 

Hydrargyra  Lac.       .      .      «      , 
Fundulus  Lac.                       ; 

Jï 
Jï 
ïï 
ïï 
J» 
Jï 
» 
)) 

n 

» 

jj 
» 

» 

)) 
)) 
)) 
)J 
» 
1 
Jï 
Jï 
H 
Jï 
J) 
)) 
Jï 
3Î 

J) 
» 

H 

J) 
H 
» 

Jï 
J) 
» 
J) 
» 
JJ 
J) 
)) 

)) 

3 

3 

C 

)) 
ÏJ 

)) 

C 

» 
» 

6 

» 

& 

n 

» 

» 
w 
)) 
n 
» 
» 
u 
n 

S 
» 

n 

V 

n 
1! 

8 

JJ 
JJ 
>} 

8 

Jï 
J) 
» 
ï) 
H 

M 
» 

J) 
» 
» 
H 

)) 
» 

J) 

H 
» 

n 

» 

v 
» 

n 
» 

Jï 

» 
)) 
Jï 
JJ 
J) 
» 
» 
JJ 
» 
H 
» 
» 

Jï 

J) 
)' 

J> 

)) 
ÎJ 

n 
n 
» 

S 

» 
]) 
» 
J) 
Jï 
ïï 
Jï 
)î 
» 
» 
J) 
11 

8 

3 
3 

6 

m 
« 

8 
G 

J) 
1) 

14 

31 

2 

» 
JJ 
Jï 
» 
» 

» 
)) 
11 
Jï 
11 
» 

2 

» 
» 

n 

2 

» 

2 

1 

4 

n 
» 
» 
ï) 
» 

» 

ï 

» 
n 

6 

1) 

Jï 

Jï 

)J 
Jï 

G 
n 
n 

» 

Jï 

C 

Jï 

4 
8 

ï) 

2 
1 

1 

» 
3 
7 
1 

10 

43 

Jï 
J) 

)) 
JJ 

43 

Jï 

Jï 
Jï 

Ts 

» 
1 

JJ 
Jï 
JJ 
J) 
JJ 
J) 
Jï 

4 
jï 
3 
1 

9 

Jï 
» 

J) 

Jï 
)) 

9 

)3 
JJ 
Jï 

9 

Jï 

2 

J! 
)J 

Jï 
ÎJ 

1 

JJ 
ïï 

1 
» 

C 
1 

11 

I) 

)) 

JJ 

10 
3 

11 

» 
10 

3 

24 

J) 

8 
1 

4 

8 

ï! 

3 
1 
1 
1 
7 
7 
9 
12 

C2 

)J 

J' 

Jï 

10 
3 

62 

Jï 

10 
3 

75 

1 
19 
1 
4 
8 
1 

1 

1 
1 

7 

S 

9 

12 

Tot.      .      : 
Cohors  E.  Aploche'dhù. 
Panclias  Val.    ; ;      ;      :      ; 

Tot.      '.      ; 

1 
1 

2 

1 

» 
1 

1 

7G 

ù 

5 
8 

Cohors  C.  Orestiasini, 

Cohors  D.  Anablepini. 
Anableps  Art.     ,      .       .      •       ; 

Kecapitulatio  ConORTUM. 
Orestiasini.           ;       .       .       , 

H 

» 

2 

H 

1) 

2 

» 

1 
1 

M 

!> 

2 

10 
3 

7G 
8 

10 
3 

Tot.       .       . 

G 

97 

Becapitulatio  Familiaeuji. 

Tot.      ;     : 

142 
2 

144 

34 

2 

36 

287 
G 

293 

113 

8 

121 

G2 

3) 

C2 

5 

» 

5 

460 

M 

474 

141 
2 

143 

47 
G 

53  1 

254! 
397 

Jï 

9 

9 

1 

24 

25 

231 
75 

329 

1047 
97 

1144 

F  A  M  I  L  I  A    CYPRINOIDE  I. 

KARPERACHTIGE  N. 


Cyprini  maxillis  edentulis;  ossibus  pharyngealibus  inferioribus  tan- 
tum dentatis,  dentibus  uni-  ad  triseriatis ,  ossibus  interrnaxillaribus 
non  coalitis;  radiis  membrana  branchiostega  3. 

Aanra.  De  Cyprinoïden  verschillen  standvastig  van  de  Cyprinodontoïden  door 
gladde  tandelooze  kaken,  aanwezigheid  van  een-  tot  driereijige  tanden  op  slechts  de 
onderste  keelgatsbeenderen  en  de  aanwezigheid  van  slechts  drie  kieuvvstralen.  Het 
besclnibt  zijn  des  ligchaams  is  evenmin  standvastig  (Aulopyge) ,  als  het  onbeschubt 
zijn  van  den  kop  (Lepidocephalus) ,  en  de  schnbben  zelve  zijn  zelfs  ook  niet  altijd 
gladrandig  of  c\kloïde  (Homaloptera).  Ook  andere  kenmerken,  door  verschillende 
schrijvers  als  den  Cyprinoïden  eigen  opgegeven,  worden,  zooals  hierboven  reeds  is 
aangetoond,  niet  standvastig  bij  alle  soorten  teruggevonden  en  kunnen  alzoo  niet 
dienen  tot  cene  volstrekte  bepaling  der  familie. 

Alhoewel  rijker  aan  soorten  dan  eenige  andere  familie  van  visschen,  bieden  de 
Cyprinoïden  geenszins  aan  eene  aan  dien  rijkdom  beantwoordende  veelvuldigheid  van 
belangrijke   en   in  het  oog  vallende  kenmerken.     Zij  sicken   ten  dezen  opzigtc  hoo- 

lijk  af  bij    de   Siluroïden,   welke  toch  nog   op  verre   na  niet  half  zooveel  soorten 

i  vatten. 

De  natuur  heeft  zich  bij  de  Cyprinoïden  bediend  van  het  eenvoudigste  alphabet 
otn  de  veclvoudigste  soorten  van  elkander  te  doen  onderkennen  en  die  kenmerken 
zijn  veelal  nog  zoo  M'einig  in  het  oogvallend  uitgedrukt,  dar  het  eene  wanhopige 
onderneming  zou  kunnen  schijnen,  wanneer  men  de  meer  dan  1000  bekende  soorten 
voor  zich  had  uitgespreid,  die  soorten  eenigzins  voldoende  te  rangschikken. 

Ruim  een  eeuw  geleden,  toen  men  nog  geen  dertig  soorten  kende,  bestond  die 
moeijelijkheid  niet,  omdat  het  voldoende  kon  schijnen  ze  onder  slechts  een  paar 
iten  te  brengen.  Maar  de  talrijke,  elkander  met  rassche  schreden  opge- 
volgd hebbende  ontdekkingen  van  de  laatste  tientallen   jaren ,  hebben   eene  verdere 


IJ 


splitsing  onvermijdelijk  gemaakt,  en  indien  er  thans  nog  schrijvers  zijn,  welke  oor- 
deelen,  dat  aan  de  Artedische  geslachten  Cobitis  en  Cyprinus  hoogstens  slechts  enkele 
andere  kunnen  worden  toegevoegd ,  laat  zich  zoodanig  oordeel  slechts  verklaren  door 
een  weinig  doordringend  onderzoek  of  eene  beperkte  kennis  der  soorten. 

De  Artedische  geslachten  Cobitis  en  Cyprinus  hebben  in  den  tegenwoordigen  tijd 
eene  hoogere  beteekenis  en  bchooren  gewaardeerd  te  worden  als  subfamiliën. 
Als  subfamilie  kan  daarbij   gevoegd  worden  die  der  Homalopleraeformes. 
In  zoover  de  rangschikking  der  Cyprinoïden  slechts  deze  subfamilièn  betreft,  biedt „ 
zij  geene  zwarigheden  aan. 

De  Cobitiformes  zijn  van  de  gewone  Cypriniformes  altijd  gemakkelijk  te  onder- 
kennen aan  hare  onderkaaksvoeldraden  en  enge  vertikale  kieuwspleet,  uiterst  kleine 
in  de  huid  gezonkene  schubjes  en  de  volstrekte  afwezigheid  van  pseudobranchiën 
en  zoo  het  al  moeijelijk  wordt,  ze  naar  die  kenmerken  van  sommige  Horaalopte- 
raeformes  te  onderscheiden ,  beslist  het  niet  neergedrukt  zijn  van  kop  en  ligchaam 
en  het  niet  vlak  breede   van  den  buik,  dat  zij   geene  llomalopteraeformes  zijn. 

Ook  nog  de  splitsing  der  Cobitiformes  in  geslachten  is  op  vaste  grondslagen  te 
bewerkstelligen,  zooals  in  het  hoofdstuk  over  deze  subfamilie  nader  zal  blijken. 

De  Homalopteracformes  zijn  gemakkelijk  te  herkennen  aan  den  zeer  platten  kop 
en  buik,  de  aan  de  buiklijn  ingeplante  horizontale  min  of  meer  schijfvormige  en 
meerdere  onverdeelde  stralen  bezittende  borstvinnen ,  de  kleine  vertikale  kieuwspleet 
en  de  kleine  onderstaande  centrale  mondopening. 

De  moeijelijkheid  in  de  onderverdeeling  der  Cypriniformes  begint  ook  eerst  na 
men  eenige  hoofdgroepen  uit  ze  gevormd  heeft. 

Ileckel  heeft  een  gewigtig  kenmerk  gevonden  in   den  bouw  der  kaken  en  li; 
en  met  eene  geringe  wijziging  in  de  definitie  is  zijne   verdeeling  der  Cypriaiformes 
in  Temnoehilae  en  Pachychilae  eene  zeer  gelukkige  te  noemen. 

Die  afdeelingen  vallen  bijkans  geheel  zaaien  met  die,  welke  ik  heb  voorgesteld 
onder  den    namen   Phalakrosnathinen  en  Cheiloiniathinen. 

Ik  heb  met  die  namen  willen  uitdrukken,  dat  bij  de  eene  afdeeling  de  onder- 
kaak,  welke  evenwel  soms  zeer  dik  is  en  niet  altijd,  zooals  Heckel  zich  uitdrukt, 
//in  aciem  attenuata",  vrij  of  naakt  uitpuilt,  onverschillig  of  er  eene  onderlip  aan- 
wezig is  of  niet,  terwijl  bij  de  andere  afdeeling  de  onderkaak  steeds  met  de  lip  is 
bekleed,  welke,  indien  zij  al  eene  groote  ontwikkeling  bereikt,  zooals  bij  sommige 
soorten  van  Labeobarbus  en  bij  Balantiocheilos,  steeds  de  onderkaak  inhult  en  v 
haar  afhangt. 

O 

De  geslachten  Labeo  Cuv  en  Chondrostoma  Ag.  hebben  de  typen  geleverd  voor 
'wee  groote  groepen  der  Phalakrognathinen. 

Inderdaad  kan  men  de  talrijke  vormen  brengen  tot  twee  groepen,  gegrond  op 
de  aanwezigheid  of  niet  aanwezigheid  der  onderlip,  groepen  reeds  door  .  1  on- 


46 

derscheiden  maar  niet  benoemd.     Men  kan  ze  naar  de  geslachten  ,    die  het    eerst 
in  ze  zijn  opgesteld,  bestempelen  met  de  namen  Labeoninen  en  Chondrostominen. 

Ieder  dezer  groepen  bevat  talrijke  geslachten,  tot  welker  groeperingen  bepaling 
de  karakters  moeten  gezocht  worden,  voornamelijk  in  het  tandenstelsel  en  in  de 
bijzonderheden  van  den  bouw  van  kaken,  lippen  en  snuit,  terwijl  ook  in  de  za- 
menstelling  en  plaatsing  der  vinnen  en  de  beschubbing  zijn  te  vinden  goede  ken- 
merken,  welke  hieronder  nader  uiteengezet  zullen  worden. 

De  Ckeilognathinen,  tot  welke  de  groote  meerderheid  der  Cyprinoïden  behoort, 
laten  zich  in  drie  natuurlijke  groepen  splitsen.  Ik  noem  die  naar  hare  voorname 
typen  Catostomini,  Cyprinini  en  Barbini. 

De  Catostominen  herkent  men  aan  den  vleezigen  kop,  dikke  lippen  en  vooral 
aan  de  zeer  talrijke  keelgatstanden ,  welke  in  eene  enkele  rei,  ten  getale  van  40 
tot  meer  den  60,  op  elk  onderkeelgatsbeen  zijn  ingeplant  en  het  de  gedaante 
eener  kam  geven. 

De  Cyprininen  hebben,  afgescheiden  van  hare  overige  natuurlijke  karakters,  tot 
voornaam  en  gemakkelijk  herkenbaar  onderscheidingsteeken  een'  getaiuleu  aarsvin- 
doorn,  welken  men  bij  geene  andere  groep  der  familie   terug  vindt. 

De  Barbinen  missen  die  aarsvindoorntanden  en  hebben,  ter  stellige  onderscheiding 
van  de  Catostominen,  nimmer  meer  dan  12  (4 — 12)  tanden  op  elk  onderste  keel- 
gatsbeen.     Deze  tanden  zijn  op  één  tot  drie  reijen   geplaatst. 

De  grootste  moeijelijkheid  in  het  vaststellen  van  natuurlijke  geslachten  en  in  het 
bepalen  van  hunne  verwantschappen,  ontmoet  men  bij  de  Barbinen.  Want  hoe 
scherp  de  uiterste  vormen  der  groep  ook  aan  elkander  schijnen  tegenovergesteld 
te  zijn,  zooals  de  geslachten  Barbus  en  Macrochirichthys,  bieden  de  honderden 
tusschenvormen  zoo  talrijke  en  weinig  merkbare  overgangen  aan,  dat  men  bij  eene 
poging  tot  ondergroepering  der  geslachten  telkens  stuit  op  het  niet  volstrekt  gel- 
dige of  standvastige  van  de  gebezigde  kenmerken ,  en  daaruit  laat  zich  dan  ook 
verklaren,  waarom  meerdere  uitstekende  ichthyolo^en  zich  verklaard  hebben  tesen 
de   opstelling   van  zoovele  geslachten,   welke  men  aan  de   Barbinen  heeft  ontleend. 

liet  is  hier  echter  hoofdzakelijk  de  moeijelijkheid,  de  juiste  kenmerken  te  vin- 
den en  zich  bij  de  vorming  van  genera  niet  op  een  enkel  maar  op  een  kompleks 
van  kenmerken  te  verlaten.  Op  die  wijze  de  natuur  met  naauwgezetheid  raad- 
plegende, zal  men  de  meeste  geslachten  met  voldoende  juistheid  kunnen  bepalen 
en  zich  ook  met  beter  gevolg,  dan  tot  dus  verre  geschied  is,  aan  de  natuurlijke 
groepering  dier  geslachten  kunnen  wagen. 

Il:   heb   in  dezen   arbeid   die  groepering  beproefd,  even  als  de  onderrangschik- 
king der  Phrtlakrognathinen,  maar  ik  heb  mij   daarbij  dikwerf  moeten  bepalen  tot 
het  gebruik  maken   van   de  gegevens,  in  de   verschillende    ichthyologische   werken 
voorhanden,   en  ik  moest  daardoor  noodzakelijk  blootstaan  aan  de  dwalingen,  welke 
de  onvolledigheid  of  onjuistheid  dier  gegevens  kunnen  voortvloeijen. 


47 

ïntussclien  heb  ik,  mijne  Bengaalsche  en  Japansche  rnedegerekend,  170  soorten 
naar  de  natuur  kunnen  onderzoeken  en  daaronder  vele,  welke  tot  de  meest  merkwaar- 
dige geslachten  behooren. 

Zooals  boven  is  ontvouwd,  laten  zich  de  Cyprinoïden  verdeelen  in  drie  onderfa- 
miliën,  de  Cobitiformes,  Homalopteraeformes  en  Cypriniformes,  terwijl  de  laatste  zich, 
verder  laten  splitsen  in  twee  hoofdgroepen ,  Phalakrognathinen  en  Cheiloghathinen , 
elke  van  welke  nog  twee  tot  drie  goed  gekenmerkte  grootere  groepen  omvat.  Men 
kan  deze  hoofdverdeelingen  gemakkelijk   kenschetsen  als  volgt. 

Familia  Cyprinoïdei. 

Subfamilia   I.    Cobitiformes.  Squamae  niinitnae  in   cute   muco  tegente  Iaevi  quasi 
immersae.     Cirri   6    ad   10.    Apertura    branchialis   verticalis  angusta.     Ca- 
put corpusque  non  depressa.     Pinnae    anacanthae,    pectorales   radio    sim- 
plice    unico   tantuiu.     Pseudobranchiae  nullae.   Dentés    pharyngeales   conici 
uniseriati. 
Subfamilia  II.  Homalopteraeformes.  Caput  corpusque  depressa  interne  plana.  Pin- 
nae anacanthae,  pectorales  et  ventrales  linea  ventrali  insertae,  horizontales, 
subdisciformes,  pectorales  radiis  simplicibus  pluribus.     Dentés  pharyngeales 
conici  uniseriati.     Os  inferum ,  parvum ,  centrale. 
Subfamilia  III.   Cypriniformes.    Cirri   nunquam  plus    quam   4,  frequenter   nulli. 
Caput  corpusque  compressa.     Apertura  branchialis    lata.    Pinnae   pectorales 
radio  simplice  unico  tantum.     Dentés  pharyngeales  uni-ad  triseriati ,  varias 
formes  referentes.  /;....'<   ■■    ^-^ 
Cohors  1.  Phalacror/nathini.  Maxilla   inferior  margine  libero  nuda,  cum  labio 
inferiore  non   vestita. 
Stirps  a.  Labeonini.  Labium  inferius  vario  modo  constructum ,  post  api- 

cem  maxillae  reflexum. 
Stirps  b.    Chondroslomini.    Labium  inferius   deficiens. 
Cohors  2.  Cheilor/nathini.    Maxilla  inferior  apice   cura  labio  inferiore  vestita. 
Stirps  a.   Catostomini.    Caput    labiaque    carnosa.     Dentés    utroque    osse 

pharyngeal!   inferiore  40   ad  plus  quam  CO,  pecten  efficientes. 
Stirps  h.  Cyprifiini.   Corpus  oblongum.    Pinnae   dorsalis  multiradiata  et 

analis  pauciradiata  singulae  spina  dentata  armatae. 
Stirps  e.  Barbini.    Pinna  analis  radio  dentato  nullo.    Dentés  pharyngeales 
uni-ad  triseriati  parci  utroque  latere  nunquam  plus  quam  12. 

Omtrent  alle  deze   hoofdverdeelingen  wordt  hieronder  in   nadere   bijzonderheden 
getreden. 


4^ 

J)e  archipelagische  Cyprinoïden  van  mijn  kabinet  heb  ik  alle  op  nieuw  beschreven. 
Naarmate  de  studie  dier  soorten  ,  welke  eerst  opvolgend  mijne  verzameling  kwa- 
men verrijken,  mij  tot  nieuwe  inzigten  bragt  betrekkelijk  de  kenmerken,  op  welke 
bij  de  beschrijvingen  voornamelijk  behoort  gelet  te  worden,  heb  ik  de  overtuiging 
erlangd,  dat  mijne  beschrijvingen  van  vroegere  jaren  cene  algeheele  herziening  be- 
hoefden om  ze  te  kunnen  doen  dienen  tot  de  voldoende  herkenning:  der  geslachten 
en  soorten,  en  te  eerder  ben  ik  tot  die  herziening  overgegaan,  omdat  die  diagnosen 
veelal  waren  genomen  naar  een  enkel  of  naar  zeer  enkele  voorwerpen,  welke  boven- 
dien niet  alle  in  een'  gewenschten  toestand  van  bewaring  verkeerden  of  slechts  een' 
bepaalden  leeftijdstoestand  voorstelden.  Van  vele  dier  soorten  zijn  mij  later  groo- 
tere reijen  van  voorwerpen  in  uitmuntenden  toestand  van  bewaring  geworden,  en  ik 
werd  daardoor  in  staat  gesteld  veel  in  mijne  vroegere  beschrijvingen  te  verbeteren 
en  aan  te  vullen. 

Bovendien  was  die  herziening  noodig,  omdat  ik  vroeger  een'  minder  goeden  weg 
volgde  in  de  bepaling  van  de  betrekkelijke  grootte  der  oogen  ,  de  dikte  des  lïgchaams 
en  van  de  formulen  der  schubben,  üe  afmetingen  der  oogen,  zoo  ze  niet,  zoo 
als  bij  vele  Cobitiformes,  met  de  huid  van  den  kop  overtogen  zijn,  laten  zich  be- 
.  bepalen,  wanneer  men  die  der  oogkas  zelve  neemt,  dan  wanneer  ze  genomen 
worden,  wat  ik  vroeger  veelal  deed,  tusschen  den  vrijen  rand  van  het  de  iris  min 
of  meer  bedekkend  oogvlics.  De  dikte  des  ligchaams  laat  zich  het  zekerste  opgeven, 
wanneer  men  haar  neemt  over  het  operkel  of  de  schouderbeenderen  en  niet  achter 
de  oksels,  waar  die  dikte  soms  wel  aanmcrkelijker  is,  doch  ook  afhankelijk  van  den 
toestand  der  weeke  deelen ,  van  vet  of  kuit.  liet  aantal  schubben  op  eene  over- 
langsche  rei  wordt  voorts  in  den  regel  naauwkcuriger  bepaald  door  te  tellen  de 
hubben  op  welke  zich  een  zijlijnbuisje  bevindt  (namelijk  daar  waar  de  zijlijn  aan- 
wezig is)  dan  door  ze  te  volgen,  zooals  ik  vroeger  veelal  deed,  in  eene  regtc  lijn 
van  de  kieuwopening  tot  het  midden  van  den  staartvingrond.  Ook  in  het  beschrij- 
ven van  het  tandcnstelsel  ben  ik  vroeger,  deels  door  mindere  geoefendheid,  veelal 
miuder  naauwkeurig  te  werk  gegaan  dan  mij  later  gebleken  is  voor  cene  goede 
waardering  van  de   dentitie  noodig  te   zijn. 

Voorts  valt  nog,  met  het  oog  op  de  verschillen  tusschen  mijne  vroegere  en 
tegenwoordige  beschrijvingen,  opte  merk  en,  dat  de  grootere  reijen  voorwerpen,  over 
welke  ik  thans  heb  kunnen  beschikken,  van  zelve  hebben  medegebragt  wijzigingen 
in  de  vroeger  gegeveue  hoogte-  en  lengte-evenredighcden  van  ligchaam  en  kop  en 
i.  want,  alhoewel  die  evenredigheden  binnen  zekere  grenzen  zijn  besloten 
en  daardoor  niet  ophouden  bij  de  bepaling  der  soorten  van  waarde  te  zijn,  ver- 
schillen ze  toch  soms  aanmerkelijk  binnen  die  grenzen,  naarmate  de  voorwerpen 
een'  verschillenden  leeftijdstoestand  behooren. 

i  het   algemeen  als  regel,    dat    de  kir,  m  verhouding 


49 


tot  de  lengte  des  ligchaams  en  de  oogen  in  verhouding  tot  de  lengte  van  den  kop , 
kleiner  worden,  naarmate  het  dier  in  lengte  toeneemt ,  terwijl  daarentegen  de  hoogte 
des  ligchaams  in  verhouding  tot  zijne  lengte  toeneemt ,  naarmate  het  dier  den  vol- 
wassenen  toestand  nadert. 

Ten   opzigte  der  door  mij   gebezigde  termen,  zijn  slechts  eenige  weinige  toelich- 
tingen noodig.     In  dezen  arbeid  wordt  verstaan  onder  : 

Longitudo  capitis,   .  .  De  volstrekte  lengte  van  den  kop,  gemeten   van  eene  lood- 

lijn,  welke  men  voor  de  snuitspits  laat  vallen,  tot  aan   den 
achterrand  des  operkels. 
Latitudo  capitis,  ...  De  breedte  van  den  kop,  gemeten  over  de  operkels. 

Oculi  velati, Oogen   zonder   oogvlies  en   geheel  met   de  boven  de  oogen 

doorschijnende  kophuid  overtrokken. 
JMembrana  palpebralis,  Ooglidvlies,  verlengsel  der  kophuid  binnen  den  oogkasrand 

en ,  na  een  grooter  of  kleiner  gedeelte  der  iris  ringvormig  be- 
dekt te  hebben ,  zich  weder  naar  den  oogkasrand  terugslaande. 
Cirri  rostrales,  ....  Snuitdraden,  dezelfde,  welke  oneigenaardig  door  andere  schrij- 
vers //  cirri  maxillares"   genoemd   worden. 
Cirri  supramaxillares,  .  Bovenkaaksdraden ,  dezelfde,  welke  door  andere  ichthj-ologen 

minder  eigenaardig  met  den  naam  //cirri  labiales"  bestempeld 
worden. 

De   kaauwvlakte  van  verschillende  gedaante,  welke  men   bij 
vele  keelgatstanden  waarneemt. 
Eene  vin  met  meer  dan  15  verdeelde  stralen.' 
Eene  vin  met  meer  dan  10  doch  minder  dan  15  verdeelde 
stralen. 

Eene  vin  met  minder  dan  10  verdeelde  stralen: 
De  bekspleet  in  het  midden  der  ondervlakte  van  den  kop. 
van  de  zijvlakte  van  den  kop  verwijderd. 
De  groef,  welke  men  bij  vele  Cypriuoïden  vindt  aan  de  on- 
dervlakte der  onderkaak,  in  de  kinhuid,  en  welke  soms  enkel 
is  en  dwars  geplaatst,  soms  dubbel,  aan  elke  zijde  der  kin 
één  (soms  zelfs  twee)  en  overlangs  geplaatst. 


Facies  masticatoria, 

Pinna   multiradiata , 
Pinna  pluriradiata ,  . 

Pinna  pauciradiata , 
Rictus  centralis,   .  . 

Sulcus  postlabialis,  . 


SU  BF  AMI  LI  A    I.     C  0  BIT  IF  ORME  S. 

MEEKSLANGACHTIGEN. 

Cyprinoidei  corpora  elongato  vel  oblongo  comprcsso  vel  cylindraceo , 
non  depresso,  squamis  minimis  cycloideis  in  cute  muco  tegente  laevi 
quasi  immersis  vestito.  Caput  cute  ubique  tectum;  rostro  carnoso; 
ore  parvo  infero  cirris  G  ad  12  cincto;  labiis  earnosis;  maxilla  infe- 
riore  plana  ante  labium  inferius  prominente.  Dentés  pharyngeals 
conici  uniseriati.  Pseudobranchiae  nullae.  Apertura  branchialis  angus- 
ta,  verticalis.  Pinnae  anacanthae,  dorsalis  et  analis  pauci-  ad  plu- 
riradiatae,  nunquam  multiradiatae ,  pectorales  radio  sinplice  unico 
tantum. 

Aanni.  Toen  Artcdi  het  geslacht  Cobitis  opstelde,  kende  hij  slechts  de  drie  gewone 
europesche  soorten  daarvan.  Zijne  diagnose  bepaalde  zich  tot  de  volgende  woorden: 
//Caput  et  corpus  cathetoplatea.  Pinnae  dorsi  et  ventrales  eadem  a  rostro  distan- 
tia  sitae.  Cirri  ad  os.   Corpus  maculosum". 

Sedert  173S,  het  jaar  waarin  Artedi's  diagnose  werd  openbaar  gemaakt,  zijn  nog 
ongeveer  70  andere  soorten  bekend  geworden,  welke  tot  Cobitis  te  brengen  zijn, 
doch  oj)  verscheidene  van  die  soorten  zou  van  de  door  Artcdi  genoemde  ken- 
merken slechts  dat  der  voeldradcn  kunnen  toegepast  worden,  want  er  zijn  soorten 
met  cilindervormig  ligchaam ,  soorten  bij  welke  de  rugvin  ver  achter  de  buik- 
vinnen  is  ingeplant  en  soorten  bij  welke  het  ligchaam  niet  de  geringste  vlekteekc- 
ning  vertoont. 

Linneus  ontnam  aan  het  geslacht  Cobitis  zijne  oorspronkelijke  en  natuurlijke  be- 
teckenis ,  door  er  Cyprinodontoïden  in  te  plaatsen  uit  de  geslachten  Anableps  en 
Fundulus. 

Cuvier,  het  geslacht  opvattende  in  den  zin  van  Artedi,  gaf  er  in  IS  17  eene 
nieuwe  omschrijving  van,  doch  ook  deze  past  op  verre  na  niet  op  alle  soorten.  Want 
er  zijn  er,  zooals  mijne  Cobitis  macracanthus,  bij  welke  de  kop  niet  klein  en  het 
ligchaam  niet  lang  te  noemen  is;  andere,  zooals  Cobitis  oblonga  Val.,  bij  welke 
de  rugvin  ver  achter  de  buikvinnen  is  geplaatst;  en  nog  andere,  zooals  Cobitis  dario 
Buch. ,   bij  welke  een  gedeelte  der  zwemblaas  zich  buiten  het  gewone  beenige  wer- 


51 

veiomhuisei  bevindt  en  zich  als  een  ruime  zak  tot  ver  achter  in  de  buikholte  uitstrekt. 

De  heer  Valenciennes  heeft  de  Cuviersche  diagnose  verbeterd,  waartoe  hij  in 
staat  gesteld  was  door  de  ongeveer  46  soorten  van  Cobitiformes,  welke  tijdens  de 
uitgave  van  het  18e  deel  der  groote  Histoire  naturelle  des  Poissons  bekend  waren. 
Met  de  waarde  van  subfamilie  aangenomen ,  past  het  geslacht  Cobitis  Val.  ook  op 
alle   sedert   not?   ontdekte   soorten. 

Toen  men  talrijke  buiten-europesche  soorten  van  Cobitis  had  leeren  kennen,  heeft 
men   getracht ,  het  groote  Artedische  geslacht  in    meerdere   genera  te  splitsen. 

Proeven  daarvan  zijn  geleverd  door  Kuhl  en  Van  Hasselt,  door  de  heeren  Gray, 
Agassiz  en  MacClelland  en  door  William  Swainson ,  maar  de  grondslagen,  op  welke 
die  splitsingen  berustten ,  waren  deels  onvoldoende ,  deels  onvoldoende  uiteengezet , 
en  zoo  werden  alle  bekende  soorten  door  den  heer  Valenciennes  ten  onrei^te  weder 
tot  een  enkel  "'eslacht  teruo^ebraert. 

Lacepède  vormde  uit  Cobitis  fossilis  L.  een  eigen  geslacht ,  hetwelk  hij  Misgurnus 
noemde,  doch  geheel  ten  onregte  tanden  in  de  kaken  toekende. 

Kuhl  en  Van  Hasselt  stelden  in  1S22  voor  het  geslacht  Nemacheilus,  aan  het- 
welk de  oude  beteekenis  van  Cobitis   werd  gegeven. 

Na  den  dood  van  Kuhl  ontdekte  Van  Hasselt  nog  de  soorten,  op  welke  hij  de  ge- 
slachten Acanthophthalmus  en  Acanthopsis  grondde.  Hij  was  de  eerste ,  die  de 
soorten  van  Cobitis  met  bewegelijke  onderoogkuilbeensdoornen  van  de  overige  soor- 
ten van  Cobitis  afzonderde,  en  gaf  den  geslachtsnaam  Acanthophthalmus  aan  de  soorten 
met  stompen  snuit,  bij  welke  de  doorn  zich  onder  het  oog,  en  den  geslachtsnaam 
Acanthopsis  aan  de  soorten  met  spitsen,  verlengden  snuit,  bij  welke  de  doorn 
zich  voor  het  oog  bevindt. 

Het  geslacht  Botia  Gray,  ingelijksop  den  bewegclijken  onderoogkuilsdoorn  gegrond , 
omvat  als  zoodanig  de  geslachten  Acanthophthalmus  en  Acanthopsis  van  Van  Hasselt, 
maar  de  soort,  in  de  Illustrations  of  Indian  Zoology  onder  den  naam  van  Botia 
grandis  afgebeeld,   is  eene  Hymenophysa,  waarover  nader. 

De  heer  Agassiz    nam    twee   geslachten    van    Cobitiformes    aan. 

Onder  Cobitis  begreep  hij  de  soorten  zonder  wangdoornen ,  onder  Acanthopsis  die 
met  wangdoornen.  Zijn  geslacht  Acanthopsis  heeft  alzoo  dezelfde  beteekenis  als 
Botia  Gr. 

Ducrotay  de  Blainville  schijnt  de  eerste  geweest  te  zijn ,  die  het  geslacht  Cobitis 
tot  eene  hoogere  groep  verhief,  althans  plaatste  hij  in  eene  soort  van  stelsel,  in  IS  10 
in  het  8Se  deel  van  het  Journal  de  Physique  openbaar  gemaakt,  zijne  //  Cobites  "  in 
eene  groep  zijner  afdeeling  Tétrapodes  abdominaux,  met  den  naam  Subenchi'liosomes". 

Swainson  stelde  met  de  Cobibiformes  eene  familie  te  zamen,  onder  den  naam  Co- 
bitidae,  doch  hij  begreep  daaronder  de  Homalopteraeformes  en  de  Cyprinodontoïden. 
Zijne  Cobitinae  echter,  welke  hij  als  onderfamilie  der  Cobitidae  opstelde ,   hebbende» 


52 

zelfde  waarde  als  Cobitis  Art.  of  mijne  Cobitiformes  In  de  splitsing  dezer  sub- 
familie  ging  Svvainson  verder  dan  zijne  voorgangers.  Wel  nam  hij  in  het  wezen 
dezelfde  geslachten  aan  als  de  heer  Agassiz ,  het  geslacht  Acanthopsis  slechts  be- 
stempelende met  den  naam  Canthophrys,  maar  hij  vond  voor  de  beide  geslachten 
subgenera  uit,  voor  Cobitis  de  ondergeslachten  Cobitis  en  Acoura,  voor  Cantho- 
phrys de  subgenera  Canthophrys ,   Diacanthus  en   Somileptes. 

liet  subgenus  Acoura  zou  van  Cobitis  slechts  verschillen  door  eene  in  het  al- 
gemeen tweekwabbige  staartvin  en  schublooos  ligchaam  en  daartoe  zouden  belmo- 
ren Cobitis  savoua  Bach.  (Acoura  obscura  Swns.),  Cobitis  turio  Buch.  (Acoura  ar- 
gentata  Swns.)   en  Cobitis  corica  Euch.   (Acoura  cinerea  Swns.). 

Het  ondergeslacht  Canthophrys  zou  gekenmerkt  zijn  door  afgeronde  staartvin  en 
ono-eschubd  ligchaam.  Swainson  bragt  daartoe  Cobitis  cucura  Buch.,  Cobitis  pan- 
da Buch.,  Cobitis  balgara  Buch.  en  Cobitis  guntea  Buch.,  soorten,  welke  Swainson 
zich  de  vrijheid  gaf  te  herdoopen  met  de  namen  Canthophrys  albescens,  Canthophrys 
rubi°-iuosus ,  Canthophrys  olivaceus  en  Canthophrys  vittatus. 

Het  subgenus  Diacantha  zou  verder  kenbaar  zijn  aan  ovaal,  onbeschubd  lig- 
chaam en  gevorkte  staartvin.  Cobitis  geta  Buch.  en  Cobitis  dario  Buch.,  welker  na- 
men Swainson  evenzeer  veranderde  in  die  van  Diacantha  zebra  en  Diacantha 
llavicauda,  zouden  daartoe  belmoren. 

Het  ondergeslacht  Somileptes  eindelijk  zou  tot  kenmerken  hebben  een  lancetvormig, 
zeer  zamengedrukt ,  bcschubd  ligchaam;  groote,  nabij  de  snuitspits  geplaatste  oogen 
en  afgeronde  staartvin.  Swainson  bragt  daartoe  Cobitis  gongota  Buch.  en  Cobitis 
botiaBuch.,  of,  wat  hetzelfde  is  ,  zijne  Somileptes  bispinosa  en  Somileptes  unispina. 

De  heer  MacClelland  nam,  in  zijne  Indian  Cyprinidae,  aanvankelijk  slechts  twee 
ceslachten  van  Cobitiiurmes  aan.  Hij  grondde  die  geslachten  op  het  al  of  niet 
tweedeelio-e  van  de  staartvin,  onder  Cobitis  latende  de  soorten  met  afgeronde  of 
af"eknotte  staartvin  en  de  soorten  met  tweekwabbige  staartvin  brengende  tot  zijn 
geslacht  Schistura.  Verder  in  hetzelfde  werk  stelde  hij  nog  voor  drie  bengaalsche 
soorten,  Cobitis  dario  Buch.,  Cobitis  geta  Buch.  en  Botia  grandis  Gr.  den  geslachts- 
naam llymcnphysa  voor  ,  wegens  de  aanwezigheid  bij  die  soorten  van  eene  vrij  in 
de  buikholte  hangende,  door  een  middenschot  in  kwabben  (into  lobes)  verdeelde 
zwemblaas. 

Prins  Charles  Lucien  Bonaparte  stelde  gecne  nieuwe  geslachtsverdeeling  der  Co- 
bitiformes voor,  maar  verhief  zo  tot  den  rang  cener  familie,  onder  den  naam  Co- 
bitidae. 

In  het  groote  vischwerk  zijn  de  Cobitiformes  aangenomen,  noch  in  den  zin  eener 
familie,  noch  in  dien  eener  subfamilie,  noch  zelfs  in  dien  cener  groep.  Evenzeer 
heeft  de  heer  Valenciennes  alle  bovengenoemde  geslachten  en  ondcrgeslachtcn  ver- 
worpen. 


O  o 

Inderdaad  is  de  generische  waarde  van  .  de  ter  splitsing  gebezigde  kenteekenen 
deels  voor  betwisting  vatbaar,  deels  volstrekt  onaannemelijk,  terwijl  nog  andere 
kenteekenen,  zooals  die  der  zwemblaas,   niet  uitwendig  zigtbaar    zijn. 

Maar  dit  neemt  niet  weg,  dat  zij,  in  verband  met  andere  kenmerken,  na  een 
nieuw  onderzoek  der  thans  reeds  zoo  talrijke  soorten,  kunnen  dienen  ter  vaststel- 
ling van  generische  groepen,  onder  welke  die  soorten,  mijns  inziens,  inderdaad  be- 
hooren  gebragt  te  worden. 

De  Cobitiformes  toch  bieden  in  hare  bewerktuiging  zoo  talrijke  en  deels  gewigtige 
verschillen  aan,  dat  men,  indien  ze  aangetroffen  werden  bij  zoovele  familiën ,  welke 
grootere  soorten  tot  vertegenwoordigsters  hebben,  niet  zou  aarzelen  daaraan  generische 
waarde  te   hechten. 

Tot  die  verschillen  reken  ik  te  behooren  de  aanwezigheid  van  een'  gevorkten  on- 
deroogskuilsdoom,  welke  reeds  aanleiding  heeft  gegeven  tot  de  opstelling  van  de 
geslachten  Acanthopsis  V.  Huss.  en  Acanthophthalmus  V.  Ilass.  (Botia  Gr.,  Acanthop- 
sis  Ag.,  Canthophrys  Swns.) 

Andere  merkwaardigheden  vindt  men  in  den  bouw  der  zwemblaas.  Bij  eeni^e 
soorten  is  geen  spoor  van  zwemblaas  te  herkennen  ,  terwijl  zij  bij  talrijke  soorten 
bestaat  uit  een  klein  eenkamerig  of  tweekamerig  blaasje,  besloten  in  eene  beenige 
doos  gevormd  door  eene  buitengewone  ontwikkeling  van  den  voorsten  wervel.  Maar 
eenige  andere  soorten,  zooals  Cobitis  dario  Each.,  Cobitis  macracanthus  Blkr, 
C'obitis  hynienophysa  Blkr,  enz.  bezitten  bovendien  eene  ruime ,  vrij  in  de  buikholte 
liggende  zwemblaas,  welke  door  eene  kortere  of  langere  buis  met  de  voorste  klei- 
nere in  de  beenige  holte  der  wervelnitstecksels  beslotenc  blaas  in  gemeenschap  staat.  Op 
deze  merkwaardigheid  berust  het  geslacht  Ilymenphysa  McCL,  hetwelk  inderdaad 
verdient  als  een  eigen  geslacht  te  worden  aangenomen ,  omdat  het  genoemde  ken- 
merk in  verband  staat  met  andere  bijzonderheden  in  den  bouw,  welke  ik  zoo 
aanstonds  zal  vermelden. 

Minder  gelukkig  was  het  denkbeeld,  geslachten  vast  te  stellen  op  de  gedaante 
der  staartvin  (Schistura  McCl.)  en  op  het  al  of  niet  beschubd  zijn  des  ligchaams. 
(Acoura,  Canthophrys,  Diacantha  Swns.)  De  staartvin  toch  biedt  in  haren  vorm  de 
meest  talrijke  verscheidenheden  aan,  van  gaaf  en  afgerond,  tot  weinig  en  diep  in- 
gesneden. Bij  vele  soorten  is  die  insnijding  of  uitranding  zelfs  zoo  gering,  dat  de 
vin,  indien  zij  niet  geheel  uitgespannen  is,  het  voorkomen  heeft  afgeknot  of  af- 
gerond te  zijn.  Van  dit  kenmerk  is  door  Swainson  bij  zijne  subgenera  insgelijks 
gebruik  gemaakt,  terwijl  hij  bovendien  het  kenmerk  van  schubloosheid  daarbij 
bezigde.  Totdat  nadere  waarnemingen  het  tegendeel  zullen  hebben  aangetoond  , 
geloof  ik,  met  den  heer  Valenciennes,  dat  alle  soorten  van  Cobitiformes  huidschubjes 
bezitten,  alhoewel  die  zeker  bij  vele  zoo  klein  zijn,  dat  zij  ecner  oppervlakkige  waar- 
neming ligtelijk  ontglippen.     Van  twee  soorten  in  mijn  bezit,  Diacantha  flavicauda 


54 

Swns.  (Cobitis  dario  Buch.)  en  Canthophrys  vittatus  Swns.  (Cobitis  guntea  Buch.) 
kan  ik  met  zekerheid  zeggen  (vergel.  Verband.  Batav.  Genootsch.  XXV  Nalez, 
ichthvol.  van  Bengalen  p.  143),  dat  het  ligchaain  even  volkomen  met  schnbjes 
bekleed  is  als  dat  van  alle  mijne  overige  soorten.  Swainson  schijnt,  in  zijne  bepa- 
ling omtrent  het  al  of  niet  beschubd  zijn  van  de  bengaalsehe  soorten,  enkel  afge- 
gaan te  zijn  op  de  beschrijvingen  van  Buchanan  in  zijn  werk  over  de  visschen 
van  den  Ganges.  De  ondergeslachten  Acoura,  Canthophrys  en  Diacantha  kunnen, 
om  de  boven  ontwikkelde  redenen,  niet  behouden  blijven.  Het  subgenus  Somilep- 
les  Swns.  valt  overigens  niet  Acanthopsis  zamen  en  is  er  slechts  van  afgescheiden 
op  grond  van  zeer  zamengedrukt  ligchaam,  groote  oogen  en  afgeronde  staartvin. 

De  mij  beschikbare  soorten  van  Cobitiformes  zijn  slechts  lu  in  getal,  en  ik  ben 
alzoo  in  het  onderzoek  der  talrijke  overige  soorten  beperkt,  tot  de  daarvan  bestaande 
beschrijvingen  en  afbeeldingen. 

Die  beschikbare  soorten  bieden  echter  zoo  verschillende  bijzonderheden  in  de  be- 
werktuiging aan,  dat  ik  niet  aarzel,  daarin  grond  te  vinden  tot  hare  groepering 
in  eenige  geslachten,  en  als  mijne  meening  uit  te  drukken,  dat  eene  nadere  studie 
der  overige  soorten  er  toe  zal  leiden ,  ze  deels  tot  die  geslachten  terug  te  brengen , 
deels  welligt  ze  tot  nog  andere  eigene  geslachten  te   verheffen. 

Eene  eerste  bijzonderheid  in  de  bewerktuiging  der  Cobitiformes,   welke  door  de- 
schrijvers  te  zeer  is  over  het  hoofd  gezien,  is  het  met  de  kophuid  bedekt  zijn  of  niet 
bedekt  zijn  der  oogen.     Bij  vele  soorten  zijn  de  oogen  vrij,  van  eenoogvlies  voor- 
zien, zoodat  de  kophuid  zich  tot  eene  soort  van  ooglid  over  het  oog  verlengt  om 
te   slaan  en  eene  soort  van  bindvlies  te  vormen. 

Hiertoe  behooren  de  soorten,  welke  ik  vroeger  heb  beschreven  onder  de  namen 
Cobitis  macracanthus,  Cobitis  hymenophysa ,  Cobitis  dario,  Cobitis  fasciata  en 
Cobitis  Jaklesi. 

Bij  alle  mijne  overige  soorten  zijn  de  oogen  geheel  met  de  kophuid  overtogen. 

Eene  andere  bijzonderheid  der  bewerktuiging  is  te  vinden  in  de  plaatsing  der 
voeldraden. 

Bij  alle  mijne  soorten  zijn  minstens  C,  bij  enkele  S  tot  meer  voeldraden  aanwezig. 
Zijn  er  meer  dan  0,  dan  behooren  de  meerdere  tot  de  onderlip,  doch  de  normale 
C  draden  behooren  steeds  tot  den  snuit  of  tot  de  bovenlip.  De  bovenlip-  of  bo- 
venkaaksdraden  zijn  ingeplant,  of  slechts  aan  den  hoek  der  bovenkaak,  of,  wanneei 
er  meer   dan  een  paar  aanwezig  is,  ook  aan  het  midden  van  eiken   tusschenkaak- 

ïnstak.     Zoo   zijn  bij    sommige    soorten   4    snuitdraden  en  2    bovenkaaksdraden 
aanwezig,    en   bij    sommige    andere    soorten    slechts   2    snuitdraden    en   4   boven- 
alen. 

Vallen  deze  verschillen,  met  andere  verschillen  van  waarde  zamen,  clan  ligt  daarin 
grond  tot  het  opstellen  van  eigene  geslachten. 


o  o 

Een  derde  punt  in  de  bewerktuiging  der  Cobitiformes,  wat  bijzondere  opnier- 
merking  verdient ,  is  de  inplantingsplaats  der  rugvin  boven  of  geheel  achter  de 
buikvinnen.  In  deze  kenmerken  is  misschien  slechts  generische  waarde  te  zoeken , 
wanneer  ze  door  andere  van  hooger  gewigt  begeleid  zijn. 

Zeer  opmerkelijk  eindelijk  is  nog  de  bijzonderheid,  dat  bij  enkele  Cobitiformes 
niet  alleen  het  ligchaam ,  maar  ook  de  kop  met  schubjes  is  bekleed.  Zoo  hebben 
Cobitis  macrochir  Iilkr  en  Cobitis  Ilasseltü  Val.  schubjes  op  wangen  en  operkels 
en  eerstgenoemde  soort  zelfs  op  de  kruin  en  het  suboperkel.  Bij  alle  mijne  overige 
soorten  is  de  huid  van  den  kop  volkomen  sckubloos,  wat  ook  wel  het  geval  zal 
zijn  bij  verre  weg  de  meeste  overige  bekende  soorten,  hoezeer  ik  vermoed,  dat  er 
onder  de  bengaalsche  soorten  zijn,  welke  een  dergelijk  karakter  aanbieden. 

De  boven  omschrevene  kenmerken,  in  verband  beschouwd  met  elkander,  met  die, 
gelegen  in  de  aanwezigheid  of  afwezigheid  van  wangdoornen  en  den  algemeenen 
bouw  en  habitus,  hebben  mij  geleid  tot  het  aannemen  in  de  subfamilie  Cobitifor- 
mes van  de  geslachten  Hyrnenophysa,  Cobitis,  Lepidocephalus,  Acanthopsis, 
Acanthophthalmus  en  Cobitichthys. 

Deze  geslachten  laten  zich  naar  volgend  schema  gemakkelijk  herkennen. 

I  Spina  suborbitalis   bifurcata. 

/\  /, , i  • .  <..  . . 

a.  Pinna  dorsalis  pinnis  ventralibus  opposita. 

f  Oculi  liberi.  Cirri  G  vel  8,  rostrales  4,  supramaxillares  2,  inframaxillares 
.interdum   2.    Vesica    natatoria    parte  majore    libère    in  cavitate    ventris 
suspensa. 

Ilymcnoplnjsa  McCl.  :   < i , 

ff  Oculi  velati.  Cirri  6,  rostrales  2,    supramaxillares  4.    Vesica    natatoria 
tota  in  pyxide  vertebrali  inclusa. 

Acanthopsis  V.  Hass.  =■  'r«  >->■>•■■     -    ■■<... ,:.' 

b.  Pinna  dorsalis  pinnas  ventrales  inter  et  analem  sita.  Oculi  velati.  Corpus  valde 

compressum.    Vesica   natatoria  nulla.    Cirri  C. 
f  Cirri  rostrales  4,   supramaxillares  2.    Caput   squamosum. 

Lepidocephalus  Blkr. 
ff  Cirri  rostrales  2,  supramaxillares   h.  Caput  alepidotum. 

AcanthopJdhalmus  V.   Hass.  s  .,..,.,,,.  /,,,.,  ; 

II  Spina    suborbitalis    nulla.    Pinna    dorsali  pinnis    ventralibus    opposita.  Vesica 
natatoria  tota  in  pyxide  vertebrali   inclusa. 

a.  Oculi  liberi.    Cirri  G,  rostrales  4,  supramaxillares  2. 

Cobilis  Art. 


56 


b.  üculi  velati.  Cirri  10  ad  12,  rostro-supramaxillares  G — S,  inframaxillares 
1.  Corpus  valde  compressutn.  Pinna  caudalis  supra  et  infra  caudain  in  ca- 
rinatn  subadiposam  producta. 

Cohltlchthi/s  Blkr. 


Ik  beschouw  deze  geslachten  als  natuurlijke  en  ik  bezit  van  alle  2  tot  4  soorten. 
De  bestaande  gegevens  zijn  overigens  niet  voldoende  om  de  overige  reeds  bekende 
soorten  alle  met  zekerheid  eene  plaats  in  ze  aan  te  wijzen.  Misschien  zelfs  vindt 
men   er   typen  onder,  welke  tot  eigene  geslachten  belmoren  te  worden   verheven. 

De  Cobitiformes  zijn  beperkt  tot  Europa,  Azië  en  den  Indischen  archipel  en 
bezitten  het  grootste  aantal  soorten  in  zuidelijk  en  zuidwestelijk  Azië. 

Ue  geslachten  Hymenophysa,  Acanthophthalmus  en  Lepidocephalus  schijnen  zich 
verder  westelijk  uitte  strekken  dan  Hindustan,  doch  oostelijk  gaat  Hymenophysa 
tot  Java,  Borneo  en  Japan  en  de   beide  overige  tot  Java. 

Acanthopsis  en  Cobitis  hebben  de  grootste  verbreiding.  Acanthopsis  vindt  men 
zoo  wel  in  Engeland  als  in  Japan  vertegenwoordigd. 

Cobitichthys  schijnt  uitsluitend  te  belmoren  tot  Oostelijk  Azië,  tot  China  ,  Japan 
en  Borneo. 

De  bekende  soorten  der  subfamilie  zijn ,  voor  zoo  ver  ik  heb  kunnen  nagaan , 
de  hier  onder  genoemde. 


Species  Cobitiformium  hucusque  cognitae. 

Habit. 
Hymenophysa  dario  Blkr  ~   Cobitis  dario  Buch.  =3  Diacantha 

flavicauda  Suns.  =    Schistura  dario    McCl.    ,     .     .  Bengala,  Assam, 
geto  Blkr.  =3  Cobitis  geto   Buch.  ^  Diacantha  zebra 

Swns.  —  Schistura  geta  McCl Béng.  Assam. 

grandis  Blkr  ö  Botia  grandis  Gr.  =:  Cobitis  grandis 

Val.   =;    Schistura  grandis  McCl Hindustan. 

curta  Blkr  a  Cobitis  curta  T.   Schl.       .     :     .     .     :  Japonia. 
MacClellandi    Blkr  =3  Cobitis  hymenophysa  Blkr.     .  Java,  Sumatra, 
macracanthus  Blkr  =:  Cobitis   macracanthus  Blkr.     .  Sumatra,  Borneo. 


57 


Habit. 
Cobitis     barbatula  L.  =;  Cobitis  Farstembergii  Fitz.      :     :     1  Eur.,  As.  occ.  sept. 
h  nurga  Nordm.  ^  Cobitis  inerga  Krynick.     ....  Russia  meridon. 

frcnata  Heck Syria. 

panthera  Heck Syria. 

insignis  Heck Syria. 

tigris  Heck •.  Syria. 

leopardus  Heck Syria. 

malapterus  Val Syria. 

argyrograinma  Heck Syria. 

persa  Heck Persia. 

luarmorata  Heck Cashmir. 

vittata  Heck Cashmir. 

mooreh  Syk Deccan. 

Ruppellii  Syk Deccan. 

arenata  Val Hindostan. 

scaturigina  Buck.  =!  Schistura  scaturigina  McCl.      .  Bengala,  Assam, 
bilturio  Bucli.  =:  Cobitis  ocellata  McCl.     .     .     .     .  Bemrala. 


•Q* 


9 


turio    Buck.  ^    Acoura  argeutata    Swns.  ^:   Cobitis 

gibbosa  McCl Bengala. 

savona  Buch.  :=;  Acoura  obscura  Swns.  ^  Schistura 

savona  McCl Bengala. 

corica  Buch.  :=!  Acoura   cinerea    Swns.  ^s  Schistura 

punctata  McCl Bengala. 

rupecula  =i     Schistura    rupecula   McCl.   =:    Cobitis 
rupecula  Val :     .  Bengala. 

a       ??  boutanensis  =:    Cobitis  boutanensis  McCl.       .     .     .  Een°;ala, 

»       ?    zonata  ^    Schistura  zonata    McCl.  ^  Cobitis   zona- 

ta  Val „     .     .     .  Assam. 

//       ?    chlorosoma  =i    Cobitis  chlorosoma  McCl.        .     .     .  Assam. 

//       ?    monoceros  :=:    Cobitis  inonoceros   McCl Assam. 

//       ??  pavonacea  ;=;    Cobitis    pavonacea  McCl.     :     .     .     .  Assam. 

//       ??  subfusca  ^3    Schistura    subfusca    McCl.  =s    Cobitis 

subfusca  Val ,     .     .     .     .  Assam. 

h      ??  phoxockeila  =3  Cobitis   phoxocheila    McCl.        .     .     .  Assam. 

//       ??  guttata  =;  Cobitis  guttata  McCl Asam. 

//       ?    micropus  s  Cobitis  micropus  Val.    ......  China. 

//  spiloptera  Val Cochin-China. 

a  chrysolciirnos  K.  v.  H.  =3   Nemacheilus  fasciatus  V. 


58 

Habit. 
Hass.   —    Cobitis    fasciata    Val.  s    Cobitis    suborbi-    v 

talis  Val.  =3  Cobitis   Pfeifferi  Blkr Java,  Sumatra. 

*  Cobitis     Jaklesi  Blkr Sumatra. 

Acanthopsis  fossilis  Ag.  =!  Cobitis  fossilis  L Europa,  Asia  occid. 

u  taenia  Selys  =3  Cobitis  taenia  L.  :=!  Botia  taenia  Yarr.  Eur.,  As.  sept.,  Japon. 

y  elongatus  Blkr  s    Cobitis   elongata  Heck.  Kner.      .  Europa. 

//  linea  Heck Persia. 

//       ?    armatus   Blkr  a  Cobitis  armatus  McCl Afghanistan. 

//       ?    maya  Blkr=j  Cobitis  maya  Sykes Deccan. 

n  guntea    Blkr  :=!   Cobitis    guntea   Buch.  =3     Cantho- 

phrys  guttatus  Swns Bengala,  Assam. 

//  amnicolus  Blkr  =;  Cobitis  amnicola  Val Bengala. 

»           montanus  Blkr—    Schistura   montana   McCl.  :=!  Co- 
bitis niontaua  Val Bengala. 

//       ?    cucura   Blkr    ö    Cobitis   cucura   Buch.  :=i    Cantho- 

phrys  albescens  Swns Bengala. 

a       ?    aculeatus  Blkr  :=)    Schistura  aculeata    McCl.  :=!    Co- 
bitis aculeata  Val Assam. 

»       ?    gongota  Blkr—  Cobitis    gongota  Buch.  s  Somilep- 

tes  bispinosa  Swns.  es  Cobitis  oculata  McCl.    .     .     .  Bengala. 

//       ?    botia    Blkr  :=)    Cobitis    botia    Buch.   ;=-    Somileptes 

unispina    Swns.  =5    Cobits   mucronata    McCl.       .     .   Bengala. 

//  dialyzonaV.  Hass.  =;  Cobitis  macrorhynchos  Blkr.     .  Java,  Borneo. 

//           choirorhynehos  Blkr  =3  Cobitis  choirorhynchos  Blkr.     .  Sumatra. 
Acanthophthalmus  pangia  Blkr  =:  Cobitis  pangia  Buch.  s  Can- 
thophrvs    rubiginosus    Swns.    a     Cobitis    cinnamo- 
mea  McCl Bengala. 

a       ??  thcrmalis  Blkr  =;  Cobitis   thermalis  Val Ceylon. 

a  fasciatus  V.  Hass.  —  Cobitis  Kuhlii    Val.        .     .     .  Java,  Sumatra. 


'/  javanicus  K.  v.  II.  —  Cobitis  oblonga  K.  v.  IL,  Val.  Java. 


Lepidocepbalus  ?  balgara  Blkr  =:  Cobitis  balgara  Buch.  =;  Can- 

thophrys  olivaceus  Swns.  =:    Schistura  bulgara  McCl.  Bengala. 
n  Hasseltii    Blkr—    Cobitis    Hasscltii  Val.  ^    Cobitis 

octocirrhus   V.  Hass.? Java. 

macrocliir   Blkr  sa  Cobitis  macrochir  Blkr.      .     .     .  Java. 
Cobitichthys    anguillicaudatus    Blkr    =     Cobitis    anguillicau- 

data  Cant China. 

pectoralis    Blkr  j=j    Cobitis   pectoralis    McCl.       .     .  China. 


59 


Habit. 

Cobitichthys  bifurcatus  Blkr  =i    Cobitis  bifurcatus  McCl.  .     .  China. 

//  deceaicirrosus  Blkr  =3  Cobitis  decemcirrosus  Basil.    .  China. 

h       ??  psammismus   Blkr  =;   Cobitis    psammismus    Richds.  China. 

//  rubripinnis    Blkr  0    Cobitis    rubripinnis     T.    Schl. 

(nec  Blkr  ol.) Japonia. 

//  mandatas  Blkr  =3    Cobitis  mandata  T.    Schl.       .     .  Japonia. 

h  enalios  Blkr  =;    Cobitis    rubripinnis    Blkr    ol.     (nec 

T.   Schl.) Japonia. 

//  dichachrous    Blkr Japonia. 

h  polynema  Blkr Japonia. 

h  barbatuloides    Blkr  =:     Cobitis    barbât uloides    Blkr.  Borneo. 

Species   fossiles. 


Cobitis  centrochir  Ag Oeningen. 

//         cephalotes  Ag Oeningen. 

//         longiceps  Ag Mombach. 

? 

Acanthopsis  angustus  Ag Oeningen. 


Het  aanwezen  van  Cobitiformes  op  de  Soenda-eilanden  is  het  eerst  aangetoond 
geworden  door  Kuhl  en  Van  Hasselt. — Van  Hasselt  kende  5  soorten  van  Java,  Co- 
bitis fasciata,  Acanthophthalmus  javanicus,  Acanthophthalmus  fasciatus,  Lepidoce- 
phalus  Hasseltiien  Acanthopsis  dialyzona,  soorten,  welke  ik  alle  heb  teruggevonden. 

Na  Kuhl  en  Van  Hasselt,  tot  op  mijne  onderzoekingen,  werd  geene  enkele  soort 
aan  deze  5  toe^evoe^d ,  want  Cobitis  chrvsolaimos  Val.  en  Cobitis  suborbitalis 
Val.  zijn   mijns  inziens  tot  Cobitis  fasciata  terug  te  brengen. 

Op  Java  vond  ik ,  behalve  de  5  genoemde  soorten ,  van  welke  slechts  vier  in  de 
groote  Histoire  naturelle  des  Poissons  zijn  vermeld,  nog  Lepidocephalus  macrochir 
en  Hymenophysa  MacClellandi. 

Sumatra,  van  waar  vroeger  geene  enkele  soort  van  Cobitiformes  bekend  was, 
heeft  mij  van  de  Javasche  soorten  geleverd  Hymenophysa  MacClellandi,  Cobitis 
fasciata,  Lepidocephalus  macrochir,  Acanthophthalmus  javanicus  en  Acanthophthal- 
mus fasciatus,  en  bovendien  nog  Hymenophysa  macracanthus,  Cobitis  Jaklesi  en 
Acanthopsis  choirorhynchos ,  dus  in  het  geheel  acht  soorten. 

Van  Borneo  ontving  ik  slechts  4  soorten,  Hymenophysa  macracanthus,  Hyme- 
nophysa MacClellandi,  Acanthopsis  dialyzona  en  Cobitichthys  barbatuloides,  welke 
laatste   soort  aan  Borneo  eigen  schijnt  te  zijn. 


60 

Opmerking  verdient  liet,  dat  van  de  eilanden  Banka,  Biliton  en  Singapoera  nog 
geene  enkele  tot  deze  subfamilie  behoorende    soort  is  bekend  geworden. 

De  archipelagische  Cobitiformes  beminnen  bij  voorkeur  de  heldere  snel  vlietende 
rivieren  der  bergachtige  streken.  Nabij  de  riviermondingen  treft  men  wel  voor- 
werpen aan  van  Cobitis  fasciata,  Acanthopsis  diakzona,  Lepidocephalus  Ilasselfii 
en  Acanthophthalmus  fasciatus,  doch  slechts  zelden,  en  in  den  regel  slechts  bij 
hoogen  stand  en  snellen  stroom  der  rivieren.  Zij  belmoren  echter  in  de  hoogere  ge- 
deelten der  rivieren  te  huis,  waar  eenige  soorten,  zooals  Cobitis  fasciata  en  Le- 
pidocephalus Ilasseltii,  althans  op  Java,  dikwerf  in  honderden  voorwerpen  te  gelijk 
trevan^en  worden. 


Hymenophysa  McCL,  Blkr.  Getjoepax. 

Corpus  oblongum  compressum,  microlepidotum.  Maxilla  inferior  acie 
tenui,  tuberculo  nullo.  Caput  acutum.  Oculi  liberi.  Cirri  G  vel  S ,  ros- 
trales  4  ,  supramaxillares  2.  Caput  alepidotum.  Spina  suborbitalis.  Nares 
anteriores  patulae.  Pinna  dorsalis  vcntralibus  opposita,  caudalis  biloba. 
Vesica  natatoria  duplex,  posterior  libère  in  eavitate  abdominali  sus- 
pensa;     Dentés  pharyngeales  conici  uniseriati. 

Aanm.  Ik  beschouw  het  geslacht  Hyinenophysa  als  volkomen  natuurlijk.  De 
bijzondere  bouw  der  zwemblaas  gaf  den  heer  MacClelland  aanleiding  tot  het 
denkbeeld,  dat  men  daarop  een  eigen  geslacht  zou  kunnen  vestigen  onder  den 
naam   van    Hymenphysa,  doch  hij   bragt  dit  denkbeeld  niet  ifi  praktijk  en    plaatste 

■  Cobitiformes  onder  Cobitis  en  Schistura,  latende  hij  de  door  hem  beschrevene 
soorten    van    Hymenophysa  onmiddellijk  achter  die   van  Schistura  volgen. 

De  heer  Valenciennes  heeft  het  geslacht  Hymenophysa  niet  aangenomen ,  voorna- 
melijk omdat  hij  meende,  dat  het  karakter,  gelegen  in  de  zwemblaas,  niet  vergezeld 
was  van  kenmerken  in   andere  organen. 

In  de  eerste  plaats  moet  ik  hier  aanteekencn,  dat  de  zwemblaas  bij  Hymenophysa 
niet,  zooals  ik  zelf  vroeger  meende  en  beschreef,  enkel  is  en  niet  slechts  bestaat 
uit  de  ruime,  vrij  in  de  buikholte  liggende,  blaas,  maar  dat  die  blaas  slechts  het 
achterste  gedeelte  der  geheele  zwemblaas  daarstelt  en  door  eene  kortere  of  langere 
buis  vereenigd  is  met  het  voorste  gedeelte,  hetwelk,  even  als  bij  de  geslachten  Cobi- 
tis, Cobitichlhys  en  Acanthopsis,  besloten  is  in  cene  beenige,  door  den  voorsten  wervel 
gevormde  doos  en  zelfs  betrekkelijk  aanmerkelijk  grooter  is  dan  bij  de  genoemde 
geslachten.  Deze  bijzonderheid  was  door  mij  nog  niet  opgemerkt,  tijdens  ik  de  drie 
soorten  van  het  geslacht,  in  mijn  kabinet  bevat,    beschreef  en  bekend  maakte. 


61 

En  zijn  echter  andere  kenmerken  dan  die,  welke  betrekking  hebben  tot  den  bouw 
der  zwemblaas,  welke  regt  geven  Hymenophysa  als  een  eigen  geslacht  aan  te 
nemen. 

Vooreerst  is  de  habitus  der  tot  hetzelve  behoorende  soorten  een  geheel  eigenaar- 
dige   en  reeds  voldoende  om  ze  van  alle  overige    Cobitiformes  te  onderscheiden. 

Alle  doen  zij  zich  kennen  door  een  veel  korter  en  gedrongener  ligchaam  dan 
men  bij  alle  overige  Cobitiformes  waarneemt,  eene  gedaante  aan  welke  door  den 
betrekkelijk  hoogen  rug  meer  kenmerkends  wordt  bijgezet.  Het  is  voornamelijk 
op  grond  van  de  gedaante  des  ligchaams,  dat  ik  Cobitis  curta  T.  Schl.  tot  Hyme- 
nophysa  breng,  welke  japansche  soort  overigens  ook  de  andere  uitwendige  ken- 
teekenen   van  Hymenophysa  bezit. 

Ten  tweede  verschilt  Hymenophysa  van  Cobitis,  volgens  mijne  opvatting  van  dit 
geslacht,  door  de  aanwezigheid  van  den  gewoonlijk  sterk  ontwikkelden  onderooo-- 
kuilsdoorn,  terwijl  het  zich  met  geen  der  overige  geslachten  van  Cobitiformes  laat 
vereenigen,   wegens  zijne  vrije  niet  met  de   kophuid  overtogene  oogen. 

Men  kan  het  geslacht  alzoo  oogenblikkelijk  herkennon  aan  de  onderoogkuilsdoor- 
nen  met  gelijktijdig  vrije  oogen  en  men  wordt  in  die  herkenning  nog  vergemakkelijkt 
door  de  gedrongene  vormen  des  ligchaams  en  hoogen  rug,  alsmede  door  de  gevorkte 
staartvin  en  min  of  meer  spitsen  varkensachtigen  snuit,  welken  alle  soorten  met  el- 
kander gemeen  hebben. 

De  thans  bekende  soorten  van  Hymenophysa  laten  zich  groeperen  in  die  met 
zes  en  in  die  met  acht  voeldraden.  Alle  hebben  echter  4  aan  de  basis  di<*t  bij- 
eenstaande    snuitdraden  en  twee  aan    den   bekhoek    ingeplante    bovenkaaksdraden. 

De  onderkaaksdraden  ontbreken  soms  en  zijn  altijd  slechts  weinig  ontwikkeld. 
Zij  staan  ook  niet  in'verband  met  andere  kenteekenen,  gewigtig  genoeg  om  aan  de 
groepen  eene  hoogere  beteekenis  te  geven. 

Tot  de  achtdradige  soorten  behooren  Hymenophysa  macracanthus,  Hymenophysa 
geto  en  Hymenophysa  grandis;  tot  de  zesdradige  Hymenophysa  MacClellandi,  Hyme- 
nophysa dario  en  Hymenophysa  curta. 

De  beide  archipelagische  soorten  laten  zich  voorts  naar  volgend  schema  van  de 
aan  haar  verwante  onderkennen. 

I.   Cirri  S.   Corpus  fasciis  transversis  fuscis  latis  3,  oculari.  dorso-ventrali  et  dorso- 
anali.  D.   3/8  vel   3/9. 

Hymenophysa  macracanthus  Blkr. 

II.   Cirri  6.   Corpus  vittis  transversis  15  p.  m.  coerulescentibus.  D.   3/T0ad3/l3. 
Hymenophysa,  MacClellandi  Blkr, 


62 

Ibjmenophysa    macracanthus  Blkr,  Grootdoornige    Gvtjoeban.  Atl.    Cypr. 
Tab.  I. 

Ilymenoph.  corpore  oblongo  corapregso,  altitudine  4  circiter  in  ejus  Iongitudine,  latitudine2  circiter 
hi  ejus  altitudine;  capite  acuto  convexo  33  ;  ad  ó  in  Iongitudine  corporis;  altitudine  cupitis  1  et 
paulo  ad  1';,  ,  Iatitudine  2  ad  1-/3  in  ejus  Iongitudine;  linea  rostro-frontali  con  vexa;  oculis  liberis, 
in  posteriore  dimidio  capitis  sitis,  lineara  rostro-frontaleni  non  attingentibus,  diametro  4  ad  G  in 
Iongitudine  capitis,  diametris  1:;.  i  ad  23,  \  distantibus;  linea  interoculari  value  con  vexa;  naribus 
dio  rostri  apicem  inter  et  orbitam  circiter  paulo  ante  spinam  suborbitalem  perforatis,  valde 
approximatis ,  posteriovibus  anterioribus  majoribus  foraminiformibus ,  anterioribus  valvula  lata  basi 
subtubit'ormi  claudendis  ;  spina  suborbital!  sat  longe  anteoculum  inserta,  validissima,  bifurcata,  ramo 
ïnferiore  ramo  superiore  plus  duplo  longiore,  sub  oculi  margîne  posteriore  desinente;  rostro  acutiusculo 
convexo,  oculo  duplo  fere  vel  plus  duplo  longiore,  carnoso,  ante  os  prominente;  maxilla  superiore 
maxilla  inferiore  longiore,  longe  ante  ouulum  desinente;  maxilla  ïnferiore  gracilî  coebleariformi  sat 
longe  ante  labium  inferius  deflexum  prominente;  labiis  latis  carnosis,  superiore  antice  in  lobos  2 
obloDgo-rotundos  membranaceos  producto,  inferiore  pendulo  margîne  sinuato;  cirris  8,  rostralibus  4 
apice  rostri  basi  communi  insertis,  dimidio  apicali  antennatim  articulatie  externis  cirris  roediis  et 
oculo  longioribus,  mediis  sat  alte  palmatis  (membrana  sat  alte  unitis);  cirris  supramaxillaribus  basi 
carnosis  compressis  apice  gracilibus  cirris  rostralibus  externis  non  vel  vix  longioribus;  cirris  infra- 
maxillaribus  basi  approximatis  latis  cirris  ceteris  brevioribus;  dentibus  pharyngealibus  utroque  latere 
5  unîseriatis  conicis  acutis  vix  curvatis  parvis;  apertura  brancbiali  subverticali;  squamis  minimis, 
oculo  nudo  bene  conspicuis;  linea  laterali  rectiuscula  per  media  latera  decurrente,  antice  tumida; 
vesica  natatoria  bipartita,  parte  anteriore  globosa  in  cavitate  ossea  inclusa  cum  parte  posteriore 
tubulo  gracili  longo  unita,  parte  posteriore  oblonga  parte  anteriore  plus  duplo  majore  libère  in  cavi- 
tat<  ventris  suspensa:  pinna  dorsali  junioribus  paulo  ante,  aetate  provectis  supra  basin  ventralium 
incipiente  et  ante  pinnam  analem  desinente,  acuta  vel  acutiuscule  rotundata,  non  emarginata, 
re  quam  basi  louga,  corpore  humiliore;  pinnis  pectoralibus  junioribus  acutiuscule  rotundatis 
aetate  provectis  acutis,  ventrales  non  vel  vix  attingentibus,  capite  breviorjbus;  vcntralibus  acutis  vel 
acute  rotundatis  pectoralibus  brevioribus;  anali  acuta  non  vel  vix  emarginata,  duplo  circiter  altiore 
quam  basi  longa,  dorsali  humiliore;  caudali  profundc  iucisa  lobis  valde  acutis  3'  i  ad  3  h  in  Ion- 
gitudine corporis;  colore  corpora  pulcbre  roseo  vel  fiavo,  i'aseiis  3  latis  transversis  nigricante-fuscis 
luteo  limbatis;  fascia  l"  oculari  verticc  incipiente  oculum  amplectcnte,  interne  gracilescente  et  non 
cum  fascia  lateris  oppositi  unita  ;  fascia  media  dorso-vcntrali  latissima,  ante  pinnam  dorsalem  inci- 
piente interne  gracilescente  et  ventre  ante  pinnas  ventrales  cum  fascia  lateris  oppositi  unita;  fascia 
3l  a  pinna  dorsali  ct  a  tota  caudae  dorso  incipiente  pinnam  analem  versus  descendente  et  totam 
caudam  fere  amplectcnte;  pinnis  dorsali  ct  anali  totis  fere  nigricante-fuscis  ba=i  antice  et  margine  an- 
tre et  apice  interdum  roseo-rubris;  pinnis  peetoralibus  et  ventralibus  juvenilibus  miniatis,  aetate 
iribus  roseis  medio  late  fuscis;  caudali  pulchre  rubra;  iride  aurea,  violacée  et   fusco  tiucta. 

B.  3.  D.  3/8  vel  3/9.  P.  1/13  ad   1/15.  V.  1/8.  A.  3/5vel3/G.  C.  8/ 17/8 ad  10/17  12.  lat.  brev.  incl. 
Cobitis  macracanthus  Blkr,  Diagn.  Beschr.  nieuwe    visebs.    Sumatra    Tient.  I  ad  IV,  Nat. 

T.  Ned.  Ind.  Ill  p.  603. 
Mat  jan  Mal.  Sum.,  Geljuban  Lampong.  Sum. 

Ilab.  Sumatra  (Pangabuang,  Palembang,  Djambi,  Lahat,  Lematang-Eaim.  Kwanten),  ia  fluviis. 
Borneo  (Bandjermasin,  Kahajan,  Pontiauak,  Sintang),  ia  fluviis. 

Longitudo  36  specimiuum  48"  ad  820' 


63 

Aanm.  Ik  beschreef  deze  soort  voor  het  eerst  ter  aangehaalde  plaatse,  in  het 
jaar  1S52,  naar  kleinere  voorwerpen  van  Sumatra.  Sedert  ontving  ik  talrijke  voor- 
werpen, niet  alleen  van  verschillende  plaatsen  van  Sumatra ,  maar  ook  van  Borneo 
en   daaronder  van  ongeveer  een  voet  lengte.   Op  Java  schijnt  zij  niet  voor  te  komen. 

De  Grootdoornige  Getjoeban  heeft,  even  als  Hymenophysa  grandis  en  Hymeno- 
phvsa  geto  ,  8  voeldraden,  doch  bij  eerstgenoemde  soort  is  het  ligchaam  onregel- 
matig gevlekt  en  zouder  banden  ,  terwijl  bij  laatstgenoemde  de  donkere  dwarsbanden 
7  of  9  in  getal  zijn,  zoodat  zij  zich  bij  den  eersten  oogopslag  daarvan  laat  onder- 
kennen. 

Merkwaardig  is  bij  deze  soort  de  verlenging  der  bovenlip  in  twee  afgeronde 
kwabben  en  de  voelsprietachtige  geleding  der  snuitdraden.  Zij  is.  naar  ik  ver- 
moed, de  grootste   soort  van  alle  bekende  Cobitiformes. 

Hymenophysa  MacClellandi  Blkr.  MacClellandsche    Getjoeban.  Atl.   Cy- 
prin. Tab.  II  fig.  6. 

Hymenoph.  corpore  elongato  compresse,  altitudine  5  fere  ad  5 '/2  in  ejus  longitudine,  latitudine  2  fere 
ad  2'  2  in  ejus  altitudine;  capite  suilloideo,  acuto,  4"2  5  ad  5  fere  in  longitudine  corporis;  altitudine 
capitis  1'  2  ad  1"  \  ,  latitudine  21  2  ad  3  in  ejus  longitudine;  linea  rostro-frontali  declivi  rectiuscula:  oen- 
lis  liberis,  in  posterlore  dimidio  capitis  sitis,  lineam  rostro-frontalem  non  at  tingen  tibhs,  diametro  5 
ad  7  in  longitudine  capitis,  diametro  1  et  paulo  ad  1'  2  distantibus;  linea  interoculari  convexa;na- 
ribus  medio  circiter  rostri  apicem  inter  et  orbitam  longe  ante  spinam  suborbitalem  perforatis,  valde 
approximatis,  posterioribus  foraminiformibus,  anterioribus  valvula  magna  dimidio  basali  tubiformi 
clamlendis;  spina  suborbitali  non  longe  ante  oculum  inserta,  valida,  bil'urcata,  ramo  inferiore  raruo 
superiore  duplo  circiter  longiore,  sub  medio  oculo  circiter  desinente;  rostro  acuto  non  vel  vis  con- 
vexo  suilloideo,  oculo  juvenilibus  duplo  aetate  provectioribus  phi3  duplo  longiore,  ante  os  prominente. 
carnoso;  maxilla  superiore  maxilla  inferiore  longiore,  apice  hamato,  longe  ante  oculum  desinente;  ma- 
xilla inferiore  sat  gracili,  cochleariformi ,  ante  labium  inferius  deflexum  prominente;  labiis  carnosis, 
simplicibus,  non  lobatis;  cirris  G,  rostralibus  4  apice  rostri  basi  communi  insertis,  non  articulatis. 
internis  supra  cirros  externos  insertis  iisque  et  oculo  multo  longioribus  basi  tantum  leviter  palmatis; 
cirris  supramaxillaribus  2  basi  parum  carnosis  cirris  rostralibus  non  vel  non  multo  brevioribus  ; 
dentibus  pharyngealibus  utroque  latere  uniseriatis  conicis  acutis  vis  curvatis  parvis;  apertura 
brancliiali  subverticali;  operculo  postice  inferne  in  processum  obtusum  producto;  squamis  minimis 
oculo  nudo  conspicuis;  linea  laterali  rectiuscula,  per  media  latera  decurrente,  antice  tumida;  vesica 
natatoria  biparti  ta,  parte  anteriore  globosa  in  cavitate  ossea  inclusa  cum  parte  posteriore  tubo  bre- 
vi  sat  amplo  unita,  parte  posteriore  oblonga  parte  anteriore  plus  duplo  majore  libère  in  cavita:e 
ventris  suspensa;  pinna  dorsali  supra  vel  vix  ante  pinnas  ventrales  incipiente  et  paulo  ante  analem 
desinente,  acutiuscula,  non  vel  parum  emargiuata,  corpore  humiliore,  juvenilibus  vix  vel  non  aeta- 
te provectis  multo  longiore  quam  alta;  pinnis  pectoralibus  acutiuscule  vel  obtusiuscule  rotundatis, 
longe  ante  ventrales  desinentibus  capite  multo  sed  minus  duplo  brevioribus;  ventralibus  acutiuscule 
vel  obtusiuscule  rotundatis  pectoralibus  brevioribus;  anali  acute  vel  obtuse  rotundata,  non  vel  vix 
emarginata,  multo  minus  duplo  altiore  quam  basi  longa,  dorsali  paulo  vel  non  humiliore;  caudali 
profunde  incisa,    lobis   acutis  vel   acute  rotundatis  41  3  ad  5  in  longitudine  corporis:  colore  corpore 


C4 

supernc  pulchre  roseo-viridi,  inferno  margaritaceo ;  capite  utroque  latere  fasciis  2  longitudinalibu3 
violasccntibus,  siiperiore  rostro-frontali,  inf'eriore  rostro-oculari  ;  corpora  junioribus  1'nsciis  13  ad  15 
transversis  snbaequilatis  et  subaequidistantibus  coerulescentibus  vel  dorso  violascentibus  autice  et 
postice  vitta  vel  vittula  profunde  eoerulea  lineam  ventralern  non  attingente  marginatis,  aetate  pro- 
vectis  fasciis  non  vel  vix  conspïcuis  sed  vittulis  coeruleis  persistenübus;  pinnia  roseis,  dorsali  l'asciis 
4  vel  ü  obliquis  vel  subhorizontalibus  violuseente-coeruleis  et  apice  vulgo  macula  nigra  vel  fusco- 
violacea;  caudali  dimidio  basali  vittis  0  ad  5  trausversis  coeruleis;  iride  fuscaaureoet  roseo  tincta. 
B.  3.  D.  3/10  ad  3/13.  P.  2/10    ad  2/13.  V.   1/7.  A.  3/5  vel  3/6.  C.  10/17/10  ad  15/17/15,  lat. 

brev.  incl. 
Syn.  Colitis  hymenopfojsa    Blkr,    Diagn.    Beschrijv.  nieuwe  vischs.    Sumatr.    Tient,  I — IV,  Nat. 
ïijdschr.  N.  Ind.  HI  p.  C02. 
Langu  Lampong. 
Hab.  Java  (Ngawi),  ia  fluviis. 

Sumatra  (Pangabuang,  Palcmbang,    Lcmatang-Enim,  Lahat),  in  fluviis. 
Borneo  (Kahajan,  Pontianak),   in  fluviis. 
Longitudo  24  specirainum  Cl"  ad  187". 

Aanm.  Ik  ontdekte  de  hier  beschrevene  soort  gelijktijdig  met  de  Grootdoornige 
Getjoeban  en  beschreef  haar  ter  zelfder  plaatse  naar  een  enkel  kleiner  voorwerp 
van  Palembang.  Sedert  ontving  ik  vrij  talrijke  exemplaren  van  verschillende  plaatsen 
van  Sumatra  en  Borneo  en  ook  enkele  van  Java.  Van  hare  archipelagische  verwante 
verschilt  zij  door  slanker  ligchaam ,  talrijker  rugvinstralen,  talrijke  anders  gekleurde 
ligchaamsbanden  en  door  de  aanwezigheid  van  slechts  zes  voeldraden.  Dit  laatste  ken- 
merk heeft  zij  gemeen  met  Ilymenophysa  curta  en  Ilymenophysa  dario,  doch  zij  laat 
zich  nog  gemakkelijk  van  deze  beide  soorten  onderkennen, —  van  Ilymenophysa  curta 
door  hare  dwarsche  ligchaamsbanden  en  aanmerkelijk  talrijker  rugvinstralen, —  en 
van  Ilvmenopliysa  dario  door  spitser  profiel,  kleinere  oogen,  talrijker  rugvinstralen 
en   talrijkere  en  minder  schuins  geplaatste  dwarsche  ligchaamsbanden. 

Ik  bezit  slechts  3  javasche  voorwerpen  dezer  soort,  gevangen  in  het  gebied  der 
Solo-rivier,  nabij  Ngawi.  Deze  voorwerpen  hebben  alle  slechts  13  dwarsche  lig- 
chaamsbanden, slechts  3/10  of  3/11  rugvinstralen  en  de  violetblaauwe  rugvin- 
bandjes  bijkans  horizontaal  geplaatst  en  zeer  smal.  Ook  eenige  mijner  sumatrasche 
voorwerpen  vertoonen  dezelfde  bijzonderheden  en  ik  zou  er  aanleiding  in  gevonden 
hebben  alle  die  voorwerpen  tot  eene  eigene  soort  te  brengen ,  indien  ik  niet  ook 
in  het  bezit  was  van  nog  twee  andere  voorwerpen,  welke,  met  de  aanwezig- 
heid van  15  dwarsche  ligchaamsbanden  en  zeer  schuinschen  stand  der  rugvinban- 
den,  zooals  ik  bij  de  meeste  mijner  exemplaren  waarneem,  slechts  3/10  tot  3/11 
rugvinstralen  bezitten,  zoodat  hier,  vermits  overigens  de  habitus  van  alle  voor- 
werpen gelijk  is,  slechts  aan  klimaatsvarieteiten  te  denken  is. 


65 

AcANTHOPSis  V.  Hass.,  Blkr.  Modderkruiper. 

Corpus  elongatum  compressum,  microlepidotum.  Maxilla  inferior 
acie  tenui,  tuberculo  nullo.  Oculi  velati.  Cirri  6  ad  10,  rostrales  2, 
supramaxillares  4.  Caput  compressum ,  alepiclotum.  Spina  suborbitalis. 
Nares  anteriores  patulae  non  tubulatae.  Pinna  dorsalis  ventralibus 
opposita.  Vesica  natatoria  parva  in  cavitate  ossea  vertebrali  inclusa. 
Dentés  pharyngeals  conici  uniseriati. 

Aanru.  De  geslachtsnaam  Acanthopsis  is  niet  het  eerst  voorgesteld  door  den  heer 
Agassiz,  zooals  men  algemeen  schijnt  aan  te  nemen  en  ook  uit  den  Nomenclator  van 
den  heer  Agassiz  zon  opmaken,  maar  dagteekent  reeds  van  het  jaar  1S23,  in 
welk  jaar  een  uittreksel  uit  een'  brief  van  Van  Hasselt  over  de  visschen  van  Java , 
in  de  Algemeene  Konst-  en  Letterbode  is  opgenomeu  en  daaruit  vertaald  overgeno- 
men in   het  Bulletin  van  De  Férussac  van  1S24. 

Van  Hasselt  grondde  zijn  geslacht  Acanthopsis  op  eene  merkwaardige  soort  van 
Java,  welke  hij  onder  den  naam  van  Acanthopsis  dialyzona  aanduidde,  en  nam  als 
geslachtskenmerk  aan  den  spitsen  verlengden  snuit  en  de  plaatsing  van  den  on- 
deroogkuilsdoorn  vóór  en  niet  onder  het  oog.  De  benaming  Acanthopsis  werd  later 
ook  toegepast  op  alle  soorten  van  Cobitiformes ,  welke  een'  onderoogkuilsdoorn  bezitten  , 
onverschillig  of  die  doorn  vóór  of  onder  de  oogcn  is  ingeplant.  In  beide  gevallen 
laat  de  bepaling  van  het  geslacht  te  wenschen  over.  Niet  alle  soorten  van  Cobitiformes 
met  onderoogkuilsdoornen  zijn  tot  een  zelfde  geslacht  te  brengen  en  aan  den  anderen 
kant  zijn  die  doornen  niet  bij  alle  soorten  van  Acanthopsis  vóór  het  oog  geplaatst, 
terwijl  de  snuit  slechts  bij   enkele  soorten  verlengd  is. 

Ik  heb  alzoo  eene  nieuwe  ^diagnose  van  het  geslacht  opgemaakt,  doch  ik  moet 
aanteekenen ,  dat  ik  slechts  drie  soorten  uit  eigen  aanschouwing  heb  leeren  kennen 
en  dat  ik  alzoo  ten  opzigte  van  alle  overige  soorten  beperkt  ben ,  tot  hetgeen  de 
bestaande  beschrijvingen  en  afbeeldingen  daaromtrent  leeren.  Ik  ben  in  het  bezit 
geweest  van  eene  Acanthopsis  (Cobitis  guntea  Bnch.)  van  Bengalen,  doch  deze  soort  is 
tijdens  de  veelvuldige  verplaatsingen  van  mijn  kabinet  verloren  gegaan,  terwijl  ik 
in  de  daarvan  gegevene  beschrijving,  in  mijne  Nalezingen  op  de  ichthyplogie  van 
Bengalen ,  niet  gelet  heb  op  de  geaardheid  van  het  oogvlies  en  van  de  neusgaten.  Thans 
kan  ik  alzoo  slechts  raadplegen  de  beide  archipelagische    soorten  van  mijn  kabinet. 

Deze  soorten  intusschen  bebooren  tot  eene  eigene  groep  in  het  geslacht  en  zijn 
merkwaardig  door  haren  varkensachtigen  kop  en  ver  vóór  de  oogen  ingeplante 
onderoogkuilbeensdoornen.  Reeds  daardoor  laten  zij  zich  van  alle  overige  soorten 
herkennen. 


66 

Het  geslacht  Acanthopsis,  zooals  het  boven  omschreven  is,  laat  zich  gemakke- 
lijk van  de  overige  geslachten  van  Cobitiformes  onderkennen.  Door  zijnen  onderoog- 
kuilbeensdoornen  reeds  verschilt  het  van  Cobitis  en  Cobitichthys.  Door  zijne  bedekte 
oogen  laat  het  zich  niet  verwisselen  met  Cobitis  en  Hymenopbysa.  Door  zijne 
twee  snuitdraden ,  vier  bovenkaaksdraden  en  onbeschubden  kop  verschilt  het  van 
Lepidoccphalus.  En  ook  met  Acanthophthalmus  kan  het  niet  verward  worden  door 
de  plaatsing  der   rugvin  boven   de  buikvinnen. 

De  beide  archipclagische  soorten  zijn  te  kenmerken  als  volgt. 

1  Cirri  S.  Caput  suilloideum  acutiun,  rostro  oculo  plus  triplo  longiore.  Spina 
suborbitalis  longe  ante  oculum  inserta.     Pinna  caudalis  emarginata. 

A.  Caput  42  3  ad  5  et  paulo  in  longitudine   corporis.    Caput,  dorsum  et  la- 
tere maculis  rotundis   vel  polymorphis  violaceo-fuscis.  A.  2/5  vel  2/6. 

Acanthopsis  choir  ochynchos  Blkr. 

B.  Caput  5  ad  5 J  /3   in  longitudine  corporis.     Maculae  fuscae  capite  dorsoque 
nullae.     A.  2/0  vel  2/7. 

Acanthopsis  dialyzona  V.  Hass. 


Accmthopsis   choirorhynchos   Blkr.,    Yarkensacldige  Moddcrknüper.  Atl. 
Cypr.  Tub.  II  lig.  5. 

Acantli.  corpore  elongato  compresso,  altitudine  9  tys  ad  11  fere  in  ejus  longitudine,  latitudiue  1'  : 
circiter  ia  ejus  altitudine;  capite  valde  acuto,  suilloideo,  5  et  paulo  ad  4-, '3  in  longitudine  corporis; 
altitudine  capitis  21  j  circiter,  latitudine  3'/2  circiter  in  ejus  longitudine;  linea  rostro-frontali  declivi 
recta;  oculis  totis  velatis,  in  po3teriore  tertia  capitis  parte  sitis,  lineae  frontali  maxime  approximatis , 
diametro  C/3  circiter  in  longitudine  capitis,  minus  diametro  {/i  distantibus  ,•  linea  interoculari  non 
convexa;  naribus  medio  circiter  rostri  apicem  inter  et  orbitam  paulo  ante  basin  spinae  suborbitalis  per- 
foratis,  anterioribusbrevitubulatis,  posterioribus  foraminiformibus  ;  spina  suborbitali  longe  ante  oculura 
in3erta,  mediocri,  oculo  breviore,  longe  ante  oculum  desinente,  bifurcata,  ramo  inferiore  ramo  supe- 
riore  minus  duplo  longiore;  rostro  acuto,  suilloideo,  oculo  plus  triplo  longiore,  conico-compressius- 
culo,  apice  ante  os  prominente,  carnoso;  maxilla  superiore  maxilla  inferiore  longiore,  non  hamata, 
longe  ante  oculum  desinente;  maxilla  inferiore  sat  gracili,  coclileariformi,  ante  labium  inferius  deflexum 
prominente;  labiis  carnosis,  simplicibus,  non  lobatis;  cirris  8  gracilibus;  cirris  rostralibus  2  basi 
approximatis  apice  rostri  insertis  oculo  non  vel  non  multo  brevioribus;  cirris  supramaxillaribus  4, 
oculum  longitudine  aequantibus  vel  subaequantibus,  anterioribus  medio  ramo  ossis  intermaxillaris, 
posterioribus  angulo  ossis  intermaxillaris  insertis  anterioribus  longioribus,  cirris  inframaxillaribns 
antice  labio  inferiore  insertis  cirris  ceteris  brevioribus;  dentibus  pharyngealibus  utroque  latere  uni- 
seriatis  p.  m.  11  conicis  acutis  vix  curvatis,  parvis, inaequalibns  ;  apertura  branchiali  subverticali  ;  oper- 
culo  margine  superiore  concavo,  apice  rotundato,  margine  inferiore  valde  curvato;  suboperculo  post 
operculum  prominente;    squamis  minimis  oculo  nudo  conspicuis;  linea  laterali  bene   conspicua,  rec- 


67 

tiuscula,per  media  latera  decurrente;  vesica  natatoria  cavitate  ossea  vertebraliinclusa,  parva,  parte 
accessoria  posteriore  ia  cavitate  ventris  libère  suspensa  nulla;  pinna  dorsali  secunda  4a  ejus  parte 
pinnis  ventralibus  opposita  et  tota  ejus  longitudine  circiter  ante  pinnam  analem  desinente ,  cor- 
pore  paulo  altiore,  aeque  longa  fere  ac  alta,  acuta,  paulo  emarginata;  pectoralibus  acutis  longe 
ante  ventrales  desinentibus,  capite  multo  sed  multo  minus  duplo  brevioribus;  ventralibus  acutis 
vel  acute  rotundatis,  pectoralibus  brevioribus,  minus  ad  plus  earum  longitudine  ante  pinnam  ana- 
lem desinentibus;  anali  acuta  vel  acutiuscule  rotundata,  vix  vel  non  emarginata,  paulo  altiore  quani 
basi  longa,  corpore  humiliore;  caudali  oblique  parurn  emarginata  lobis  acutis  inferiore  superiore  lono-iore 
53/4  ad  63,4  in  longitudine  corporis;  corpore  superne  violascente-  vel  roseo-viridi,  lateribus  ar- 
genteo,  inferne  albido,  fusco-violaceo  vel  viridi-violaceo  maculato  et  rivulato  ;  maculis  genis  parvis 
polymorphis,  rostro  et  fronte  linea  media  oblongi3  trausversis  4  ad  C,  linea  dorsi  media  ma^nis 
oblongis  fascias  transversas  breves  13  vel  14  subsimilantibus,  lateribus  linea  laterali  subrotundis 
magnis  10  ad  12,  lateribus  inferne  parvis  interdum  in  vittam  longitudinalem  undulatam  uni- 
tis,  interdum  nullis  ;  lateribus  dorsum  inter  et  lineam  lateralem  vitta  Iongitudinali  fusca  plu3 
minusve  iuterrupta  subuudulata;  pinnis  aurantiaco- vel  roseo-hyalinis  radiis  roseis  vel  fuscescentï- 
bus;  caudali  membrana  tota  media  pinna  margaritacea ,  radiis  aurantiacis  singulis  maculis  parvis  4 
ad  5  fuscis  vittas  totidem   tranversas  eflicientibus,  basi  superne  macula  nigra  parva  rotundiuscula. 

B.  3.  D.  2/10  vel  2  11.  P.  1/9.  V.  1/6.  A.  2/5  vel  2,0.  C.  7/14/5  vel  6/14/4  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Cubitis  choirorhyndws  Blkr,  Overz.    Ichth.    Sumatra,  Nat.  T.  Ned.  lad.  VII  p.  95. 

Hab.  Sumatra  (Provincia  Palembang  ubi  confluunt  flumina  Lematang-Enim,  Lahat). 

Longitudo  7  speciminum  101'"  ad  17S'". 

Aanui.  Dezs  soort  wordt  aanmerkelijk  grooter  dan  hare  javasclie  geslachtsver- 
wante,  van  welke  zij  zich  overigens  voornamelijk  onderscheidt  door  hare  kleurtee- 
kening  en  betrekkelijk  grooteren  kop.  Zij  schijnt  op  Sumatra  de  plaats  te  vervan- 
gen van  Acanthopsis  dialyzoua  V.  Hass. 

AcantJiopsis  diahjzona  V.  Hass.,  Algem.  Konst-  en  Letterb.  1823  II 
p.  133,  Bullet.  Férussac  1824  p.  377.  Spltssriuitige  Modderkruiper. 
Atl.  Cypr.  Tab.  II  fig.  8. 

Acanth.  corpore  elongato  compresso,  altitudine  9%  ad  ÏO1/»  in  ejus  longitudine,  latitudine  l'/a  cir- 
citer in  ejus  altitudine;  capite  valde  acuto,  suilloideo,  5  ad  5'/3  in  longitudine  corporis;  altitudine 
capitis  2'/3  ad  2'/4,  latitudine  3  circiter  in  ejus  longitudine;  linea  rostro-frontali  declivi  rectiuscula 
vel  convexiuscula;  oculis  totis  velatis,  parte  posteriore  in  tertia  3a  capitis  parte  sitis,  lineaefron- 
tali  maxime  approximatis,  diametro  6  ad  8  in  longitudine  capitis,  minus  diametro  Va  distantibus; 
linea  interoculari  non  vel  vix  convexa;  naribus  medio  circiter  rostri  apicem  inter  et  orbitam  paulo 
ante  basin  spiuae  suborbitalis  perforatis,  minimis,  foraminiformibus ;  spina  suborbital!  lonn-e  ante 
oculum  inserta,  medioeri,  oculo  breviore,  longe  ante  oculum  desinente,  bif'urcata,  rarao  inferiore 
ramo  superiore  minus  duplo  longiore;  rostro  acuto,  suilloideo,  oculo  plus  triplo  lono-iore,  conico 
compressiusculo,  apice  ante  os  prominente;  maxilla  superiore  maxüla  inferiore  longiore,  non  ba- 
mata,  longe  ante  oculum  desinente;  maxilla  inferiore  labiis  carnosis,  simplicibus,  non  lobatis  ;  cir- 
ris  8  gracilibus;  cirris  rostralibus  2  basi  approximatis  apice  rostri  insertis  oculo  brevioribus;  cirris 
supramaxillaribus  4,  anterioribus  medio  ramo  ossis  intermaxillaris  insertis  oculo  paulo  lon^ioribus , 


68 

posterioribus  angulo  ossis  intcrmaxülaris  insertis  cirris  anterioribii3  brevioribus;  cirris  inframaxil- 
Iaribua  antice  labio  Lnferiore  insertis,  param  conspicuis  cirris  ceteris  brevioribus  ;  dentibus  pliaryn- 
<realibus  uniscriatis  conicis  acutis  vix  curvatis,  parvis;  apertura  brancbiali  subverticali ;  operculo 
postice  rotundato  margine  inferiore  valdo  curvato;  suboperculo  post  operculum  prominente;  squamis 
minimis  oculo  nudo  vix  conspicuis;  linea  lateral!  rectiuscula  per  media  latera  decurrente;  vesica 
natatoria  cavitate  ossca  vertebrali  inclusa,  par  va,  parte  accessoria  posteriore  in  cavitatc  ventris 
libero  suspensa  nulla;  pinna  dorsali  secunda  4»  ejus  parte  pinnis  ventralibus  opposita  et  tota  cir- 
citer  ejus  longitudine  ante  pinnam  analem  desinente,  corpore  altiore,  acque  longa  fere  ac  alta, 
acuta,  emaroinata;  pectoralibus  acutis  longe  ante  pinnas  ventrales  desinentibus,  capite  multo  sed 
multo  minus  duplo  brevioribus;  ventralibus  acutis  pectoralibus  brevioribus,  tota  circiter  earum 
longitudine  ante  pinnam  analem  desinentibus;  anali  acuta  vel  acutiuscule  rotunda  ta,  vix  vel  non 
emar^inata,  paulo  altiore  quam  basi  longa,  corpore  humiliore;  caudali  subsemilunariter  emarginata 
lobis  acutis  inferiore  superiore  paulo  longiorc  ó'/i  ad  G  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  su- 
perne  olivaceo-hyalino,  inferne  nitente  margaritaceo,  Iateribus  nitente  aureo-viridi  maculis  diffusisj 
irregularibus  violascentibus  in  seriem  longitudinalem  dispositis  vel  in  fasciam  plus  minusve  unitis; 
pinnis  roseo-byalinis  ;  pinna  caudali  basi  superne  maeula  parva  nigro-violacea  et  basi  et  medio 
vittis  3  vel  4  transversis  dilute  fuscescente-violaceis ;  iride  flava  vel  aurantiaca. 

B.  3.  D.  2/10  vel  2/11.  P.  1/9.  V.  l/G.  A.  2  G  vel  2,7.  C.  8  14/6  ad  C  14  4,  lat.  brev.  incl. 

Nyn.   Cobitis  macrorhynchos  Blkr,  Overz.  Icbtli.  Sumatra,  Nat.  Tijdscbr.  N.  Ind.  VII  p.  OG.  Act. 
Soc.  Scient.  Ind.  Neerl.  II  10c  Bijdr.  Ichtb.  Borneo  p.  20. 
Scroicot  et  Djcler  Sundan.  Batav. 

Hab.  Java  (Batavia)  ,  in  fluviis. 

Borneo  (Kahajan),  in  fluviis. 

Longitudo  9  speciminum  70'"  ad  113'". 

Aanm.  De  ondcrwerpelijkc  soort  is  dezelfde,  voor  welke  Van  Hasselt  den  aan 
het  hoofd  van  dit  artikel  geplaatsten  naam  voorstelde.  Ik  heb  de  zekerheid  daar- 
van erlangd,  niet  alleen  doordien  ik  de  soort  te  Batavia  heb  terug  gevonden,  waar 
zij  de  eenige  vertegenwoordigster  van  haar  geslacht  is,  maar  ook,  doordien  ik 
in  het  bezit  ben  van  cene  kopie  der  afbeelding,  welke  Van  Hasselt  van  haar  heeft 
doen  vervaardigen.  Die  kopie  heeft  eene  lengte  van  136'",  zoodat  de  soort  grooter 
wordt  dan  het  grootste  der  in  mijn  bezit  zijnde  voorwerpen.  Zij  is  te  batavia  zeld- 
zaam.   Van  andere  plaatsen  van  Java  heb  ik  haar  tot  nog  toe  niet  te  zien  gekregen. 

Lepidocepiialus  Blkr.  Schubhop. 

Corpus  elongatum,  valde  compressum ,  microlepidotum.  Maxilla 
inferior  acie  tenui ,  tuberculo  nullo.  Caput  valde  compressum ,  squa- 
mosum,  rostro  convexo.  Oculi  velati.  Cirri  6  vel  8,  rostrales  4,  su- 
pramaxillares  2.  Spina  suborbitalis.  Nares  anteriores  tubulatae.  Pinna 
dorsalis  ventrales  inter  et  analem  sita.  Vesica  natatoria  conspicna 
nulla.    Dentés  pharyngeals  conici  uniseriati. 


G9 

Aanm.  Het  geslacht  Lepidocephalus  is  van  de  overige  geslachten  van  Cobitiformes 
gemakkelijk  herkenbaar  door  het  beschubd  zijn  van  onderoogkuils- en  operkelstreek. 
Deze  beschubbing,  welke  zich  bij  een  der  soorten  zelfs  tot  over  het  geheele  oper- 
kel  en  tot  over  de  kruin  uitstrekt ,  is  in  de  familie  der  Cyprinoïden ,  voor  zoo- 
verre mij  bekend  is ,  een  op  zich  zelf  staand  feit  en  nog  van  geen  enkel  ander  ge- 
slacht bekend, 

Reeds  daarom  schijnt  aan  dit  kenteeken  eene  generische  waarde  behooren  te  wor- 
den gehecht.  Overigens  onderscheidt  Lepidocephalus  zich  van  Cobitis  en  Hyme- 
nophysa  door  zijne  bedekte  oogen ,  tns3chen  de  buikvinnen  en  aarsvin  geplaatste 
rugvin  en  de  afwezigheid  van  zwemblaas;  en  van  Cobitis  bovendien  nog  door  zijnen 
onderoogkuilsdoorn.  Meer  verwantschap  heeft  het  met  de  geslachten  Cobitichthys,  Acan- 
thopsis  en  Acanthophthalmus.  Met  deze  alle  heeft  het  de  bedekte  oogen  gemeen 
en  bovendien  met  Acanthopsis  en  Acanthophthalmus  den  bewegelijken  onderoog- 
kuilsdoorn. Jlet  is  echter  voldoende  van  die  allen  te  onderkenenn.  Cobitich- 
thys mist  den  onderoogkuilsdoorn ,  heeft  2  snuit-  en  4  bovenkaaksdraden  ,  eene 
kleine  zwemblaas  en  de  rugvin  aan  de  buikvinnen  tegenovergesteld.  Acanthopsis 
heeft  wel  een'  onderoogkuilsdoorn,  maar  overigens  voeldraden,  zwemblaas  en  rugvin 
als  bij  Cobitichthys.  Het  meest  verwante  geslacht  echter  is'  Acanthophthalmus,  doch 
ook  dit  nog  is  gemakkelijk  van  Lepidocephalus  te  onderkennen,  niet  alleen  door  het 
volkomen  onbeschubd  zijn  van  den  kop,  maar  ook  doordien  er  slechts  2  snuitdra- 
den  en  daarentegen  4  bovenkaaksdraden  aanwezig  zijn. 

Van  het  geslacht  Lepidocephalus  ken  ik  slechts  twee  soorten  uit  eigen  aanschou- 
wing. Een  daarvan  was  reeds  geruimen  tijd  in  de  wetenschap  bekend  onder  den 
naam  van  Cobitis  Hasseltii  Val.,  terwijl  de  andere  eenige  weinige  jaren  geleden 
door  mij  werd  ontdekt  en  onder  den  naam  van  Cobitis  macrochir  bekend  gemaakt. 
Ik  ben  echter  niet  vreemd  aan  het  denkbeeld,  dat  er  onder  de  Cobitiformes  van  zui- 
delijk Azië  nog  andere  soorten  gevonden  zijn  of  nog  zullen  worden,  welke  tot 
Lepidocephalus  te  brengen  zijn,  eii  ofschoon  de  bestaande  beschrijvingen  en  afbeel- 
dingen ten  deze  niet  de  genoegzame  voorlichting  geven,  meen  ik  Cobitis  balgara 
Buch.  voor  eene  soort  van  hetzelfde  geslacht  te  mogen  houden ,  welke  echter  8 
voeldraden  zou  bezitten. 

De  beide  soorten  mijner   verzameling  bezitten  de  volgende  kenmerken. 

I.  Cirri  6. 

A.  Vertex  squamosus.  Pinnae  dorsalis  medio  ventrales  inter  et  analem ,  ven- 
trales  in  dimidio  corporis  posteriore  sitae.  Corpus  pinnaeque  maculis  vel 
fasciis  nullis. 


70 


Lcpidocepltalus  macrochir  Blkr. 

B.  Vertex  alepidotus.    Pinnae,  dorsalis  vcntralibus  magis  quain  anali    appro- 
xituata ,  ventrales  in  dimidio    corporis  anteriore   sitae.    Corpus  maculis  et  vittis 
variegatum. 

Lepidocephalus  Hasseltii  Blkr. 


■  D' 


Lepidocephalus  macrochir  Blkr.  Groothandige  Schubkop.  Atl.  Cypr.  Tab 
II  fig.   10. 

Lepidoc.  corpore  elongato  compresse,  altitudine  G'/2  ad  7  ia  ejus  longitudine,  latitudine  2'/f  ad  3  ia 
ejus  altitudiae;  capite  obtuso  convexo  6  ad  6*/8  iu  longitudine  corporis;  altitudine  capitis  l'/sadl'/i, 
latitudine  2Vïad  3  in  ejus  longitudine;  linea  rostro-fïontali  convexa;  oculis  totis  velatis,  postice  ia 
anteriore  dimidio  capitis  sitis,  a  linea  froutali  remotis,  diametro  11  ad  14  in  longitudine  capitis, 
plus  diametro  1  distantibus;  linea  ïnteroculari  convexa,-  naribus  oculis  magis  quam  rostri  apici  ap- 
simatis,  posterioribus  foraminiformibus,  anterioribus  tubulatis;  spina  suborbitali  paulo  ante 
oculum  inserta,  valida,  oculo  longiore,  post  oeuluni  desinente,  bifurcata,  ramo  inferiore  ramo  su- 
periore  plus  duplo  longiore;  rostro  obtuso,  convexo,  elevato,  carnoso,  ante  os  prominente;  maxilla 
superiore  maxilla  inferiore  longiore,  non  liamata,  paulo  ante  oculum  desiuente;  maxilla  inferiors 
cochlearitornii,  ante  labium  defLexum  prominente;  labiis  carnosis,  simplicibus,  non  lobatis;  cirris  6 
carnosis;  cirris  rostralibus  -1  peripberia  apicis  rostri  insertis  externis  internis  paulo  longioribus  capite 
paulo  plus  duplo  brevioribus;  cirris  supramaxillaribus  angulo  o»sis  intermaxillaris  insertis  cirris  ro- 
stralibus externis  paulo  brevioribus;  vertice,  genis  postice  operculisque  squamosis  squamis  minimis 
oculo  nudo  vix  conspicuis;  dentibus  pbaryngealibus  uniseriatis  conicis  acutis  vix  curvatïs,  parvis; 
operculo  postice  rotundato  margine  inferiore  concavo;  suboperculo  post  operculum  non  prominente; 
apertura  branchiali  subverticali;  squamis  corpore  minimis  oculo  nudo  conspicuis,-  linea  laterali  rec- 
tiuscula  per  media  latera  decurrente,-  vesica  natatoria  deficiënte;  pinna  dorsali  medio  ventrales  inter 
et  aualem  sita,  obtusa,  convexa,  corpore  duplo  circiter  bumiliore,  aeque  alta  circiter  ac  basi  longa; 
pinnis  pectoralibus  acutis  capite  paulo  longioribus,  tota  vel  ])ltis  tota  earnm  longitudine  ante  pinnas 
ventrales  desinentibus;  ventralibus  obtusia  rotundatis  pectoralibus  plus  duplo  brevioribus,  in  posteriore 
dimidio  corporis  insertis,  tota  vel  plus  tota  earum  longitudine  ante  analem  desinentibus;  anali  obtusa 
rotundata.  dorsali  non  bumiliore,  altiore  quam  basi  longa;  caudali  extensa  subtruncata  angulisro- 
tundata?'  -i  ad  8'  i  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  pinnisque  fuscescente-aurantiaco  vel  fusco; 
maculis  vel  vittis  corpore  pinnisque  nullis. 

B.  3.  D.  1  8  vel  1  9.  1'.  1/8.  V.  1  3.  A.  1  5  vel  1  G.  C.  12  14,10  ad  10  14  8.  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Colitis  macrochir  Blkr,  Overz.  Icbtli.  fauu.  Sumatr.  Nat.  T.  Ned.  Ind.  VII  p.  97. 

Hab.  Java  (Surakarta),  in  flumine  Pepeh. 

Sumatra  (Palembang)  ubi  confluunt  flumiua  Leraatang  ot  Enim. 

LoDgitudo  3  speciminurn  Gl"'  ad  91'". 

Aanm.     Bij  de  onderwcrpelijke  soort,    welke  ik  reeds  in  het  jaar  1846  ontdekte, 
doch  eerst  in  het  jaar  1 S 5 4  bekend  maakte,  naai  ik  het  eerste  waar,  dat,  in  afwijking 


71 

van  de  overige  Cyprinoïden ,  de  kopergrootendeels  met  sclmbjes  is  bekleed.  Der- 
gelijke schubjes  op  den  kop  heb  ik  sedert  ook  bij  Lepidocephalus  Hasseltii  gevonden  , 
maar  zij  bevinden  zich  daar  slechts  op  de  wangen  en  het  bovenste  gedeelte  der  oper- 
kels,  terwijl  zij  bij  Lepidocephalus  macrochir  zich  tot  over  het  geheele  operkcl  en 
suboperkel  en  tot  over  de  geheele  kruin  uitstrekken. 

In  algemeene  vormen  nadert  deze  soort  meer  tot  de  soorten  van  Acanthophthal- 
mus,  door  ver  achterwaartsche  inplanting  van  buikvinnen  en  rugvin,  terwijl  de  vormen 
van   hare  geslachts verwante  meer  tot  die   van  de  soorten  van  Acanthopsis  naderen. 

Tot  nog  toe  zijn  mij  slechts  de  beide  bovengenoemde  vindplaatsen  van  Lepido- 
cephalus macrochir  bekend  geworden,  zoodat  zij  vrij  zeldzaam  schijnt  te  zijn  en 
beperkt  tot  de  verder  van  de  zee  verwijderde  gedeelten  der  gebieden  van  grootere 
rivieren. 

Lepidocephalus  Hasseltii    Blkr.     Van    Hasselt's   Scliubkop.    Atl.  Cvpr. 
Tab.  II  fig.  2. 

Lepidoc.  corpore  elongato  compresso,  altitudine  6  ad  7  in  ejus  longitudine,  latitudine  lV3  ad 
IV2  in  ejus  altitudine,-  capite  obtusiusculo,  convexo,  b-,?,  ad  6  in  longitudine  corporis;  altitudine 
capitis  1 1,'3  ad  12,5,  latitudine  2/4  ad  2  72  in  ejus  longitudine;  linea  rostro-frontali  convexa ;  genis, 
regione  postoculari  operculoque  superne  squamosis,  squamis  minimis  ope  lentis  tantum  bene  conspi- 
cuis,-  oeulis  totis  velatis,  postice  in  dimidio  capitis  anteriore  sitis,  lineae  frontali  valde  approximatis, 
diametro  6  ad  7  in  longitudine  capitis,  diametro  1  circiter  distantibns ;  linea  interoculari  'convexa; 
naribus  oeulis  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  foraminiforrnibus,  anterioribus 
tubulatis;  spina  suborbitali  paulo  ante  oculum  inserta,  sat  valida,  oeulo  non  vel  vis  longiore,  bifur- 
cata,  ramo  inferiore  ramo  snperiore  minus  duplo  longiore;  rostro  obtuso,  convexo,  elevato,  carno- 
so,  ante  os  prominente;  maxilla  snperiore  maxilla  inferiore  longiore,  nonhamata,  paulo  ante  oculum 
desinente;  maxilla  inferiore  cochleariformi  ante  labium  deflexum  prominente;  labiis  carnosis,  simpli- 
cibu»,  inferiore  bilobo;  cirris  6  carnosis;  cirris  rostralibus  4  peripheria  apicis  rostri  insertis  .  externis 
internis  paulo  longioribus  oculum  vix  attingentibus;  cirris  supramaxillaribus  angulo  ossis  intermaxillaris 
insortis  oculum  attingentibus;  dentibus  pliaryngealibus  uniseriatis  conicis  acutis,  vix  curvatis,  minimis  ; 
apertura  branebiali  subverticali;  operculo  postice  rotandato  mai'gino  inferiore  vix  concavo;  suboper- 
culo  vix  vel  non  post  operculum  prominente;  squamis  corpora  minimis  oculo  nudo  conspicuis;  linea 
laterali  rectiuscula  per  media  latera  decurrente;  vesica  natatoria  deficiënte?;  pinna  dorsali  pinnas 
ventrales  inter  et  analem  sïta,  ventralibus  multo  magis  quam  anali  approximata .  obtusa,  rotun- 
data,  corpore  non  vel  vix  altiore,  altiore  quara  basi  longa;  pinnis  pectoralibus  acutiuscule  rotundatis 
capite  vix  vel  paulo  brevioribus,  tota  circiter  earum  longitudine  ante  ventrales  desinentibus  ; 
ventralibus  obtusiuseule  vel  acute  rotundatis,  ante  mediam  corporis  longitudinem  insertis,  pecto — 
ralibus  paulo  brevioribus,  minus  earum  longitudine  ante  analem  desinentibus;  anali  obtusa  rotnn- 
data,  dorsali  bumiliore,  altiore  quam  basi  longa;  caudali  extensa  convexiuscula  vel  vix  emargi- 
nata,  angulis  obtusiuseule  rotundata  5  ad  5l/2  in  longitudine  corporis;  corpore  superne  viridi,  in- 
ferne  margaritaceo  ;  mediis  lateribus  maculis  viridescente-fuscis  rotuudiusculis  10  ad  12  serie  simplice 
dispositis  vitta  cepbalo-caudali    coerulescente-violaeea  percursis;  vitta  oculo-maxillari   coerulescente- 


72 

violacea;  corporc  Buperne  lateribusque  insuper  maculis  parvis  irregularibus  punctisque  fuscesccnte- 
viridibus  variegato;  iride  coerulescente;  pin  nis  flavesccnte-vel  roseo-bvalinis,  pectoralibii3,  ventra- 
libus  analique  rarîus  et  parce,  dorsali  et  caudal!  semper  et  dense  radiis  punctis  vel  maculis  mini- 
rais  fuscescente-viiidibus  variegatis;  caudali  basi  superne  interdum  macula  viridi-fusca  profun- 
diore  notata.   ^^_ 

13.  S.  D.  2/7  -vel  3  7.  P.  1  7.  V.   1  6.  A.  3  5  vel  3  6  vel  2  fi.  C.  10  H  10  ad  8  14  6,  lat.  brev.  incl. 
Syn.  Cobitls  octoclrrhus  V.  Ilass.,  Algem.  Konst- en  Letterbode  1S23  II  p.  133,  Bulletin  de  Fé- 
ru-sac 1824. 
Cobitls  Hasseltll  Val,  Poiss.  XVIII  p.  56,  lilkr  Descr.  spec.  pisc.  Javan.  nov.  Nat.  T.  Ned. 

Ind.  XIII  p.  365. 
Loche  de  Hasselt  Val.,  Poiss.  XVIII  p.  56. 
Sereni  Javan. 

Serowot,  Serowot ,  Djeler  Sundan.  Mal. 
Hab.  Java  (Batavia,  Buitenzorg,  Tjilankahan,  Perdana,  Bandong,  Garut,  Purworedjo)  in  fluviia 
Longitudo  55  speciminura  32'"  ad  '18'". 

Aan  m.  Sedert  ik  deze  soort  naar  minder  goed  bewaarde  exemplaren,  ter  boven 
aangehaalde  plaatse,  beschreef,  ben  ik  in  het  bezit  gekomen  van  ongeveer  een  veer- 
tigtal nieuwe,  deels  grootere  fraai  bewaarde  voorwerpen.  Een  nader  onderzoek 
daarvan  heeft  mij  doen  ontwaren,  dat  de  onderkaaksdraden  niet  aanwezig  zijn,  zooals 
ik  vroeger  heb  beschreven  ,  maar  dat  ik  de  onderlipskwabbcn  als  zoodanig  moet  hebben 
aangezien,  wat  bij  de  tedere  lippen  der  kleine  voorwerpen  ligtelijk  kan  geschieden, 
vanneer  men  met  een  pincet  slechts  een  weinig  daaraan  trekt. 

De  soort  is  evenzeer  opmerkelijk  door  haren  beschubden  kop  als  Lepidoccphalus 
macrochir,  maar  zij  heeft  de  bijzonderheid,  dat  het  operkel  slechts  van  boven  en 
de  kruin  niet  beschubd  is.  Overigens  verschilt  zij  nog  van  Lepidoccphalus  macrochir, 
doordien  bij  deze  soort  ligchaam  en  vinnen  geheel  zonder  band-  of  vlekteekening  zijn  , 
de  buikvinnen  achter  de  voorste  helft  des  geheelen  ligchaams  zijn  ingeplant,  de 
rugvin  verder  achter  de  buikvinnen  begint,   enz. 

De  afmetingen  van  Lcpidocephalus  Ilasseltii  blijven  zeer  klein.  Zij  schijnt  niet 
grooter  te  worden    dan  liet  grootste  mijner  voorwerpen. 

|  idocephalus  Ilasseltii  is  het  eerst  in  de  wetenschap  gevoerd,  onder  den  naam 
van  Cobitis  Ilasseltii,  door  den  heer  Valenciennes.  Het  schijnt,  dat  de  korte  be- 
schrijving in  de  groote  Histoire  naturelle  des  Poissons  slechts  naar  eene  af  beelding  van 
Van  Hasselt  genomen  is.  Ik  ben  in  het  bezit  van  eene  kopie  der  door  Van  Has- 
selt nagelatene  afbeelding  dezer  soort,  op  welke  slechts  6  voeldraden  zijn  aangeduid, 
wat  aan  de  natuur  beantwoordt,  doch  ook  Van  Hasselt  heeft  blijkbaar  gemeend  S 
voeldraden  te  tellen,  wat  blijkt  uit  den  naam  van  Ccbitis  octocirrhus,  welken  hij 
voor  deze  soort  voorstelde. 


73 

ACANTHOPHTHALMUS    V.    HaSS.,    Blkr  ,    SePwOWOT. 

Corpus  elongatum  valde  compressum,  microlepidotum.  Rostrum  ob- 
tusum.  Maxilla  inferior  acie  tenui,  tuberculo  nullo.  Oculi  velati. 
Cirri  6  vel  8,  rostrales  2,  supramaxillares  4.  Caput  compressum, 
alepidotum.  Spina  suborbitalis.  Nares  anteriores  tubulatae.  Pinna  dor- 
salis  ventrales  inter  et  analem  sita.  Vesica  natatoria  conspicua  nulla. 
Dentés  pharyngeals  conici  uniseriati. 

Aaain.  Ik  behoud  hier  een  door  Van  Hasselt  voorgesteld  geslacht,  hetwelk  hij 
echter  minder  scherp  kenmerkte,  door  daaronder  te  verstaan  die  soorten  van  Co- 
litis, bij  welke  de  onderoogkuilsdoorn  onder  het  oog  is  ingeplant  en  de  snuit 
stomp  afgerond. 

Volgens  deze  diagnose  zou  Acanthophthalmus  niet  te  onderkennen  zijn  van  vele 
soorten  van  Acanthopsis,  voor  de  javasche  soort  van  welk  geslacht  Van  Hasselt  het 
eerst   den  naam  van  Acanthopsis   voorstelde. 

Acanthophthalmus  is  mijns  inziens  een  zeer  natuurlijk  geslacht,  wanneer  het, 
zooals  boven,  naauwkeuriger  begrensd  is.  Het  behoort  tot  de  Cobitiformes  met  be- 
dekte oogen  en  onderscheidt  zich  daarin  van  de  overige  geslachten  voornamelijk 
door  de  aanwezigheid  van  slechts  2  snuitdraden  en  van  4  bovenkaaksdraden ,  met 
gelijktijdig  ver  achter  de  buikvinnen  ingeplante  rugvin. 

Van  Cobitichthys  verschilt  het  door  den  genoemden  stand  der  rugvin,  alsmede 
door  zijnen  onderoogkuilsdoorn.  Dezen  doorn  heeft  het  gemeen  met  Acanthopsis 
en  Lepidoccphalus,  doch  Lepidocephalus  heeft  den  kop  beschubd  en  4  snuitdraden 
en  2  bovenkaaksdraden,  terwijl  bij  Acanthopsis  de  rugvin  aan  de  voor  het  midden 
des  ligchaams  ingeplante  buikvinnen  is  tegenovergesteld,  en  eene  kleine  in  eene 
beenige  doos  beslotene  zwemblaas  aanwezig  is.  In  habitus  heeft  Acanthophthalmus 
overigens  het  meeste  van   Lepidocephalus. 

Voor  zoover  de  bestaande  kennis  reikt,  is  het  geslacht  Acanthophthalmus  in  den 
lndischen  Archipel  door  slechts  twee  soorten  vertegenwoordigd,  welke  beide  reeds 
aan  Van  Hasselt  bekend  waren  en  door  hem  onder  den  naam  van  Acanthophthal- 
mus javanicus  en  Acanthophthalmus  fasciatus  werden  aangeduid.  Met  vrij  groote 
zekerheid  kan  men  Buchanan's  Cobitis  pangia  van  Bengalen  tot  hetzelfde  gesla 
brengen,  en  ik  vermoed  ook,  dat  Cobitis  thermalis  Val.  van  Ceylon  daartoe  te 
brengen  is.  Beide  die  soorten  hebben  8  voeldraden  en  dus  2  meer  dan  de  ar- 
chipelagische. 

De  beide  soorten  van  Van  Hasselt  heb  ik  op  Java  teruggevonden  en  een 
daarvan  tevens  van  Sumatra  ontvangen.  Zij  laten  zich  naar  volgend  schema  ken- 
merken. 

10 


74 


I.  Cirri  6. 

A.  Corpus  fasciis  fuscis  latis  transversis  12  ad   15.     Cirri  capite  triplo   vel 
plus  triplo  breviorcs. 

Jlcanthophthahnus  fascialus  V.   Hass. 

B.  Corpus  fasciis  vel  maculis  nullis.    Cirri  capite  duplo  vel  paulo  plus  duplo 
breviores. 

Acantltophthaîmus  javanicus  V.  Hass. 


Acanthophthalmus  fasciatus  V.  Hass.,  Algem.  Konst- en  Letterb.  1823 
II  p.  133,  Bullet.  Férussac  1824  p.  377.  Gehande  Seroicot.  Atl. 
Cypr.  Tab.  II  fig.  4. 

Acanthophth.  corporc  elongato  compresso,  altitudine  8  ad  10  in  ejus  longitudine,  latitudine  2  ad  3 
in  ejus  altitudine;  capite  obtuso  convcxo,  8  ad  9  in  longitudine  corporis;  altitudine  capitis  Itys  ad 
1-.5,  latitudine  3  circiter  in  ejus  longitudine;  linea  rostro-frontali  convexa;  oculis  totis  velatis, 
postice  in  anteriore  dimidio  capitis  sitis,  lineae  frontali  approximatis,  diametro  7  ad  10  in  longitu- 
tudine  capitis,  plus  diametro  1  distan tibus;  linea  interocularî  convexa;  naribus  oculis  magis  quam 
rostri  apici  approximatis,  posterioribus  foraminiformibus,  anterioribus  tubulatis,-  spina  suborbitali 
paulo  ante  oculum  inserta,  valida,  oculo  longiore,  post  oculum  desinente,  bifurcata,  ramo  inferiore 
ramo  superiore  plus  duplo  longiore;  rostro  obtuso,  convexo,  elevato,  carnoso,  ante  os  prominente;  ma- 
xilla superiore  maxilla  inferiore  longiore,  non  hamata,  sat  longe  ante  oculum  desinente;  maxilla  inferiore 
cochleariformi  gracili  ante  labium  deflexum  prominente;  labiis  carnosis,  simplicibus,  inferiore  bilobo  ; 
cirris  C  carnosis,  subaequilongis ,  capite  triplo  vel  plus  triplo  brevioribus;  cirris  rostralibus  2  apice 
ri  insert  is  valde  approximatis,  supramaxillaribus  4,  anterioribus  medio  ramo,  posterioribus  angulo 
is  intermaxillaris  insertis;  capite  toto  alepidoto;  den  tibus  pharyngealibus  uniseriatis;  operculo  pos- 
tice rotundato  margine  inferiore  vix  concavo;  suboperculo  post  operculum  non  prominente;  apertura 
branch iali  subverticali;  squamis  corpore  minimis,  oculo  nudo  vix  conspicuis  ;  linea  laterali  rectius- 
cula,  per  media  latera  decurrente;  vesica  natatoria  déficiente;  pinna  dorsali  pinnae  anali  multo 
magis  quam  ventralibus  approximata,  paulo  ante  analem  desinente,  obtusa,  rotundata,  corpore 
multo  bumiliore,  vix  vel  non  altiore  quam  basi  longa;  pinnis  pectoralibus  rotundatis  capite  paulo 
ad  multo  brevioribus  plus  tripla  earum  longitudine  ante  pinnas  ventrales  desinentibus;  ventralibus 
in  posterioro  dimidio  corporis  insertis,  rotundatis,  pectoralibus  brevioribus,  dupla  circiter  earum 
longitudine  ante  analem  desinentibns;  anali  obtusa  rotundata,  dorsali  non  bumiliore,  vix  altiore 
quam  basi  longa;  caudali  extensa  truncata  vel  vix  emarginata  angulis  acuta  vel  rotundata,  872  ad 
'J  in  longitudine  corporis;  corporo  pulchre  roseo  fasciis  latis  transversis  fuscis  12  ad  15;  fasciis 
3  anterioribus  cephalicis ,  ceteris  dorso- ventralibus  et  caudalibus,  omnibus  dorso  latissimis  valde  appro- 
ximatis, media  vel  intima  latera  versus  gracilescentibus  vel  subbifurcatis,  Cauda  interne  interdum 
cum  fasciis  lateris  oppositi  unitis  ;  pinnis  pulchre  roseis,  caudali  dimidio  basali  maxima  parte  fusca; 
iride  fusca  vel  coe: 


75 

B.  3.  D.  2/6  vel  27.  P.  1,8.  V.  1/5.  A.  1/5  vel  1/6  vel  2,5  vel  2/6.   C.  10,14/9  ad    6/14/6  lat. 

brev.  incl. 
Syn.  Cobüis  Kuhlii  Val,  Pois3.  XVIII  p.  58;  Blkr,  Deser.  spec.  pisc.  Javan.  nov.  Nat.  T.  Ned. 
Ind.  XIII  p.  364. 
Loche  de  Kuhl  Val.,  Poiss.  XVI11  p.  58. 
Serowot  Sundan. 
Hab.  Java  (Batavia,  Buitenzorg,  Penawangan),  in  fluviis. 

Sumatra  (Lahat),  in  fluviis. 
Longitudo  20  speciminum  72"'  ad  80'". 

Aanm.  Deze  fraaije  soort  is  zeer  gemakkelijk  herkenbaar  aan  de  breede  digt  aan- 
eensluitende dwarsche  bruine  ligchaamsbanden ,  welke  scherp  afsteken  op  een'  schoo- 
nen  rooskleurigen  grond.  Maar  dit  is  ook  het  voornaamste  kenmerk ,  waardoor  zij 
van  den   Onçebanden    Serowot  verschilt. 

De  overige  verschillen  zijn  van  weinig  belang  en  bepalen  zich  voornamelijk  tot 
eene  grootere  lengte  der   voeldraden  en  meer  nabij  de  aars  vin  geplaatste  rugvin. 

Te  Batavia  is  zij  zeldzaam,  verblijvende  zij  bij  voorkeur  in  de  verder  van  de 
zee   verwijderde   gedeelten  der  rivieren. 

Acanthophthalmus  javanicus  V.  Hass.,  Algem.  Konst- en  Letterb.  1823 
II  p.  133,  Buil.  Férussac  1824  p.  377.  Ongebande  Seroioot.  Atl. 
Cypr.  Tab.  II  fig.  3. 

Acanthophth.  corpore  elongato  compresse»,  altitudine  9  ad  11  in  ejus  longitudine,  latitudine  2  circiter 
in  ejus  altitudine;  capite  obtuso  convexo,  7'.4  ad  73, 4  in  longitudine  corporis;  altitudine  capitis 
l3/4  ad  l'/i,  latitudine  2 ',  4  ad  2V2  in  ejus  longitudine;  linea  rostro-frontali  convexa;  oculis  totis 
velatis,  postice  in  anteriore  dimidio  capitis  sitis,  lineae  frontali  approximatis,  diametro  10  circiter 
in  longitudine  capitis,  plus  diametro  1  distantibus;  linea  iuteroculari  convexa;  naribus  oculis  magis 
quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  foraminiformibus ,  anterioribus  tubulatis;  spina  subor- 
bitali  paulo  ante  oculum  inserta,  valida,  oculo  paulo  longiore,  paulo  post  oculum  desinente,  bifur- 
cata,  ramo  inferiore  ram  o  superiore  plus  duplo  longiore;  rostro  obtuso,  convexo,  elevato,  carnoso, 
ante  os  prominente,-  maxilla  superiore  maxilla  inferiore  longiore,  non  hamata,  sat  longe  ante  maxil- 
lam  inferiorem  prominente;  maxilla  inferiore  cocbleariformi,  gracili,  ante  labium  deflexum  prominente; 
labiis  carnosis,  gracilibus,  inferiore  bilobo;  cirris  C  carnosis,  subaequilongis,  capite  duplo  vel  plus 
duplo  brevïoribus;  cirris  rostralibus  2  apice  rostri  insertis  valde  approximatis,  supramaxillaribus  4, 
anterioribus  medio  ramo  posterioribus  angulo  ossis  intermaxillaris  insertis;  capite  toto  alepidoto; 
dentibus  pbaryngealibus  conicis ,  acutis,  vix  curvatis;  operculo  postice  rotundato,  margine  inferi- 
ore vix  concavo;  suboperculo  post  operculum  non  prominente;  apertura  branchiali  subverticali ; 
squamis  corpore  minimis  oculo  nudo  vix  conspirais;  linea  laterali  rectiuscula  per  media  latera 
decurrente;  vesica  natatoria  deficiënte;  pinna  dorsali  pinnae  anali  multo  magis  quam  ventralibus 
approximata,  tota  fere  ejus  longitudine  ante  analem  desinente,  obtusa,  rotundata,  corpore  paulo 
ad  multo  humiliore,  vix  vel  non  altiore  quam  basi  longa;  pinnis  pectoralibus  rotundatis,  capite 
multo  sed  minu3  duplo  brevioribus,  tripla  vel  plus  tripla  carura  longitudine  ante  pinnas  ventrales 


76 

desinentibus;  ventralibus  in  posteriore  dimidio  corporis  insertis,  rotundatis,  pectoralibus  non  vel  vix 
brevioribus,  dupla  vel  minus  dnpla  earum  longitudine  ante  analera  desinentibus;  anaü  obtusa  rotun- 
data,  dorsali  non  vel  vix  humiliore,  vulgo  altiore  quam  basi  longa;  caudali  expausa  truncata  vel 
vix  emarginata,  angulis  acuta  vel  rotundata  S3  i  ad  10'  2  in  longitudine  corporis;  colore  corpore, 
dorso  lateribusque  fusco,  ventre  dilutiore,-  pinnia  aurantiacis,  roseis  vel  fuscescentibus ;  caudali 
dimidio  basali  tota  fera  fusca;  iride  coerulea. 

E.  3.  D.  2  G  vel  2  7.  P.  1  8    vel  1  9.  V.  1  6.  A.  2  .">  vel  2  G.  C.  9  14  8  ad  7  14  G  lat.  brev.  incl. 
Syn.  Cobltls  oblonga  K.  v.  ET.,  Val.,  Poiss.   XV11I  p.  5S,  lilkr ,  Act.  Soc.   Scient.  Ind.  Neerl.  II 
:  B'rjdr.  visebf.  Sumatra  p.  48. 
Loche  oblongue  Val.,  Poiss.  XVIII  p.  58. 
-samping,  Sereivot  Sundan. 
Ilab.  Java  (Buitenzorg,  Tjampca),  in  fluviis. 

Sumatra  (Labat),  in  fluvii<. 
Longitudo  2o  spueimiuuni  GO"  ad  81". 

Aanm.  Zeer  na  verwant  aan  Acanthophthalmns  fasciatus  V.  IJass.,  is  Acanhthoph- 
thalmus  javanicus  toch  gemakkelijk  daarvan  te  onderkennen  aan  haar  ongeband  en 
onsrevlekt  ligchaam.  langere  vocldraden  en  verder  voor  de  aarsvin  eindigende  ruir- 
vin.  In  habitus  en  kleur  heeft  zij  veel  van  Lepidocephalus  macrochir  Blkr,  doch 
eene  verwisseling  is  niet  mogelijk  wanneer  men  acht  geeft,  op  de  geslachtsken- 
merken, terwijl  bovendien  bij  laatstgenoemde  soort  het  ligchaam  minder  slank  is,  de 
rugvin  nader  bij  de  aarsvin  geplaatst,  de  borstvinnen  spits  zijn  en  langer  dan 
de  kop ,  enz. 

Cobitis  Art.,  Blkr,  Meerslang. 

Corpus  elongatum  fusiformi-compressum ,  microlepidotum.  Maxilla 
inferior  acie  tenui,  tuberculo  nullo.  Caput  rotundatum,  alepidotum. 
Oculi  libcri.  Cirri  G  ad  S,  rostrales  4,  supramaxillares  2.  Spina  sub- 
orbitalis  nulla.  Nares  anteriores  tubulatao.  Pinnae  dorsalis  ventrali- 
bus  opposita ,  ventrales  ante  medium  corpus  insertae.  Vesica  nata- 
toria  parva  tota  in  cavitate  ossea  vertebra  li  incl  usa.  Dentés  pharyn- 
geals conici  uniseriati. 

Aanm.  Ik  stel  voor,  den  ouden  geslachtsnaam  Cobitis  te  behouden  voor  die 
Cobitiformcs,  welke  met  Cobitis  barbatula  L.  gemeen  hebben  een  vrij  oogvlies  en 
de  afwezigheid  van  onderoogkuilbeensdoorn.  Waar  deze  beide  kenmerken  vereenigd 
worden  aangetroffen ,  schijnen  zij  van  de  overige,  in  de  diagnose  vermelde,  vergezeld 
te  gaan  en  zij  stellen  dan  een  zeer  natuurlijk  geslacht  daar,  welks  talrijke  en  ge- 
woonlijk zeer  veel  op  elkander  gelijkende  soorten,  minder  gemakkelijk  van  elkander 


77 

zijn  te  onderkennen ,  juist  omdat  zij  in  habitus  en  kleurteekening  de  groote  verw: 
schap  aanduiden,  welke  ze  tot  een  natuurlijk  geslacht  doen  behooren.  Als  l. 
gekenmerkt,  is  dan  ook  gecne   verwisseling   met  andere  geslachten  mogelijk. 

Behalve   Cobitis  heeft  slechts  Hyinenophysa  vrije  oogen,   doch   dit  geslacht  heeft 
sterk   ontwikkelde  onderoogk uilsdoornen    en    een'   geheel   anderen    habitus    des 
chaams ,   enz. 

Cobitichthys  mist  evenzeer  de  onderoogkuilsdoornen  als  Cobitis,  doch  het  heelt 
de  oogen  geheel  door  de  kophnid  overtogen  en  behalve  6  tot  S  voeldraden  .  i 
snuit  en  bovenkaak,  nog   4  aan   de  onderlip. 

De  geslachten  Lepidocephalus ,  Acanthopsis  en  Acanthpohthalums  verschillen  van 
Cobitis,  zoowel  door  bedekte  oogen,  als  door  den  onderoogkuilsdoorn ,  afgescheiden 
van  nog  andere  kenmerken,  gelegen  deels  in  de  plaatsing  der  voeldraden  en  van  de 
rugvin  en  buikvinnen ,  deels  in  de  beschubbing  van  den  kop  en  in  de  al  of  niet 
aanwezigheid  van  eene  zwemblaas. 

Moeijelijk  echter  is  het,  de  bestaande  beschrijvingen  en  afbeeldingen  van  vele 
soorten  tot  de  omschrevcne  geslachtskenmerken  te  herleiden,  aangezien  verre  van 
algemeen  acht  op  ze  gegeven  is.  Met  zekerheid  behooren  er  toe  twee  archipela- 
gische  soorten  van  mijn  kabinet,  alsmede  alle  de  west-aziatische  soorten ,  welke  door 
Heckel  en  den  heer  Valenciennes  zijn  bekend  gemaakt  en  in  het  hier  voren  ge- 
geven overzigt  onder  het  geslacht  Cobitis  geplaatst.  Minder  zekerheid  ten  deze 
bestaat  ten  opzigte  van  de  daar  onder  Cobitis  opgenoruene  soorten  van  Buchanan 
en  den  heer  MacClelland  en  het  zou  mij  zelfs  niet  bevreemden  dat  er  daaronder  voor- 
komen ,  welke,  bij  nadere  bekendheid,  zullen  blijken,  hetzij  tot  Cobitichthys  hetzij 
typen  tot  van  eigene  geslachten  te  behooren.  Ik  vermoed  zulks  althans  van  de  dooi- 
den heer  MacClelland  beschrevene  vierdradige  soorten,  van  Cobitis  pa  vonacea  McCl., 
Cobitis  monoceros  McCl.,  enz.  Of  er  overigens  Cobitiformes  met  slechts  4  voeldraden 
bestaan,  dient  nog,  mijns  inziens,   door  een   nader  onderzoek  bevestigd  te  worden. 

Van  mijne  archipelagische  soorten  was  Cobitis  fasciata  reeds  aan  Van  Has- 
selt bekend. 

Van  ITasselt's  geslacht  Nemacheilus  is  geen  ander  dan  Cobitis.  Nemacheilus  fas- 
ciatus  V.  Hass.  heeft  alle  geslachtskenteekenen  van  Cobitis  barbutula  L.,  zoodat  de 
door  Van  Hasselt  voorgestelde  geslachtsnaam  niet  aannemelijk  is.  De  tweede  soort 
van  den  Soenda-archipel  leeft  op  Sumatra  en  werd  reeds  geruimen  tijd  geleden  door 
mij  onder  den  naam  van  haren  ontdekker,  wijlen  den  heer  P.  Jakles,  beschreven. 
Beide  soorten  zijn    zeer  na  aan  elkander   verwant. 

Zij  laten  zich  naar  volgend  schema  van  de  overige  bekende  soorten  en  van  elkan-? 
der  onderkennen 

I.    Cirri  6.   Pinna    candalis  profunde   eniarginata ,   biloba.     Pinna   dorsalis  radiis 


78 


anterioribus  ventralibus  opposite!.     Corpus  fasciis  fuscescentibus  vel  profonde 
viridibus  transversis.     Cirri  capitc  minus  duplo  breviores. 

A.  Caput  G  fere  ad  Gl/.>   in  longitudine  corporis,  minus  duplo  longius  quam 
altum.     Fasciae  transversae    13  ad  20  frequenter  duplicatae. 

Cobilis  JaJclesi  Blkr. 

B.  Caput  à1,. t  ad  5n  .t  in  longitudine  corporis? ,  duplo  longius  quam  altum.  Fas- 
ciae transversae  11  vel  12. 

Colitis  fasciata  CV. 


Cobitis  fasciata  Val.,  Poiss.  XVIII  p.  18,  Blkr,  Overz.  iclithyol.  Fauna 
v.  Sumatra,  Nat.  Tijdschr.  Ned.  Ind.  VII  p.  96.  Gehande  Meer- 
slang.  Atl.  Cypr.  Tab.  II  fig.  7. 

Cobit.  corpore  elongato,  antice  cylindracco,  postiec  compresso,  altitudine  7'  laad  S1  -i  in  ejus  longi- 
tudine; capito  obtnsiusculo  convexo  G  fere  ad  C1  2  in  longitudine  corporis;  altitudine  capitis  l3/5  ad 
l'i,  latitudine  l3/*  ad  2  fere  in  ejus  longitudine;  linea  rostro-frontali  con  vexa;  oculis  liberis,  in  me- 
dia longitudine  capitis  circiter  Tel  majore  parte  in  drmidio  capitis  anteriore  sitis,  lineae  frontali  valde 
approximatis,  diametro  5  ad  ó-  3  in  longitudine  capitis,  plus  diametro  1  distan tibus;  linea  interocu- 
lari  convexa;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  patulis,  anteriori- 
bus brevïtubulatis ;  spina  suborbital!  nulla  conspicua;  rostro  obtuso  convexo,  oculo  minus  duplo  lon- 
giore,  apice  carnoso  ante  os  prominente;  maxilla  superiore  maxilla  inferiore  longiore,  non  bamata,  paulo 
ante  oculum  desinente;  maxilla  inferiore  sat  lata,  cocbleariformi,  ante  labium  inferius  deflexum  pro- 
minente; labiis  carnosis  simplicibus,  non  lobatis ;  cirris  6  carnosis ;  cirris  rostralibus  4  peripberia  apicis 
rostri  insertis,  basi  non  unitis,  externis  internis loDgioribus  oculum  superantibus  vel  oculi  marginem 
posteriorem  attingentibus  ;  cirris  supramaxillaribus  2  angulo  ossis  intermaxillaris  insertis  oculum  super- 
antibus; dentibus  pbaryngealibus  uniseriatis  parvis  conicis,  acutis,  vix  curvatis,  utroque  latere  5  vel 
6  ;  apertura  branchiali  subverticali  infra  basin  pectoralium  desinente  ;  operculo  postice  rotunda  to,  mar- 
gine  inferiore  concavo;  suboperculo  post  operculum  non  vel  vix  prominente;  squamis  minimis  oculo 
nudo  bene  conspicuis;  linea  laterali  rectiuscula  per  media  latera  decurrente;  vesica  natatoria  minima 
in  cavitato  ossea  vertcbrali  tota  inclusa,  parte  nccessoria  abdomiuali  libera  nulla;  pinna  dorsali 
radiis  anterioribus  pinnis  ventralibus  opposita,  obtusa  vel  acutiuscula,  non  vel  parum  emarginata, 
corpore  non  vel  non  multo  altiore ,  vix  vel  non  humiliore  quam  basi  longa,  dimidia  ejus  longitudine 
circiter  ante  pinnam  analem  desinente;  pinnis  pectoralibus  rotundatis  longitudine  caput  circiter  ae- 
quan tibus,  minus  earum  longitudine  ante  ventrales  desinentibus ,  ventralibus  ante  mediam  corporis 
longitudinen  insertis,  rotundatis,  pectoralibus  paulo  brevioribus,  minus  earum  longitudine  ante  analem 
desinentibus;  auali  acute  vel  acutiuscule  rotundata,  nou  vel  vix  emarginata,  corpore  non  vel  paulo 
humiliore,  altiore  quam  basi  longa;  caudali  profunde  vel  Bubsemilunariter  emarginata,  lobis  acu- 
tis vel  obtusiusculis  snbaequalibus  4'  -i  ad  5  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  roseo- 
viridi,  lateribus   ni  tente- viridi,    inferne   rosco-vul   raargaritaceo-hyalino  ;    dorse   lateribusque  fasciis 


79 

transversis  Iatis  profunde  viridibus  13  ad  20  frequenter  duplicates  vel  irregularibus,  interdum  inferne 
in    fasciam    longitudinales    unitis;  pinnis   pectoralibus    roseis,  ceteris  viridescente-hyalinis,    dorsali 
radüs    frequenter   maculis    aliquot    viridibus,-   caudali  basi  macula  oblonga  transversa  profunde  vel 
nigricante-viridi;  iride  violascente  vel  coerulea  annulo  pupillari  aureo;  cirris  rostralibus  rubris,  inter- 
maxillaribus  viridescentibus. 
B.  3.  D.  3,9  vel  3/10.  P.  1/9  ad  1,11.  V.  1,7.  A.  3,5  vel  3  6.  C.  1017,8  ad  6/17  6  lat.  brev.  incl. 
Syn.  Naemaoheilus  fasciatus  IC  v.  Hass.,  Algera.  Konst-  en  Letterb.  1823  lip.  133,  Buil    Férussac 
1824  p.  376. 
Loche  à  bandes  Val.,  Poiss.  XVIII  p.  18. 
Cobitis  suborbitalis  Val.,  Poiss.,  ibid.  p.  19. 
Loche  à  sQusorUtah-es  Val.,  ib.  p.  19. 
Cobitis  chrysolaimos  K.  v.  H.,  Val.,  ibid.  p.  20  fig.  521. 
Loche  aux  barbes  d'or  Val.,  Poiss.  ibid.  20. 
Cobitis  Pjeifferi  Blkr,    Diagn.  Bescbr,  nieuw,  vischs.  Sumatra,  Tient,  V  ad  X,  Nat.  T.  Ned 

Ind.  IV  p.  29S. 
Djeler   Mal.,  Sund. 
Hab.  Java  (Batavia,  ïjampea,  Buitenzorg,  Garut,   Kuningan,  Ambarawa,  Malang,   Ngantan", 
Lesti),  in  fluviis, 
Sumatra  (Meninju,  Lahat),  in  fluviis  et  lacubus. 
Batu  vel  Nias?? 
Longitudo  plus  quam  100  speciminnm  45"'  ad  85". 

Aanm.  Zooals  ik  reeds  elders  heb  gezegd,  houd  ik  het  er  voor,  dat  Cobitis 
chrysolaimos  K.  v.  H.  dezelfde  soort  is  als  Cobitis  fasciata  Val.,  dat  de  afbeelding 
in  het  groote  vischwerk  van  Cobitis  chrysolaimos  stellig  betrekking  heeft  tot  Cobitis 
fasciata  CV.  en  geenszins  beantwoordt  aan  de  beschrijving  van  Cobitis  chrysolaimos, 
in  welke  gezegd  wordt  //  Ie  corps  et  les  nageoires  n'offrent  aucune  taches  ni 
stries",  terwijl  de  afbeelding  er  de  dwarsche  banden  en  de  rugvinvlekken  van 
Cobitis  fasciata  Val.  vertoont.  Ueze  beschrijving  is  waarschijnlijk  naar  een  verkleurd 
voorwerp  genomen.  Bij  meerdere,  reeds  lang  bewaarde,  voorwerpen  mijner  verza- 
meling zijn  band-  en  vlekteekening  insgelijks  geheel  verloren  gegaan. 

Bij  talrijke  voorwerpen  is  het  onderoogkuilsbeen  enkel  en  puilt  onder  het  00» 
met  een  stomp  uitsteeksel  buiten  de  huid  uit,  terwijl  bij  even  talrijke  andere  voor- 
werpen de  schakel  der  onderoogkuilsbeenderen  het  oog  van  onderen  geheel  omgeeft. 
Het  kenmerk,  in  deze  beenderen  gezocht,  is  ten  deze  alzoo  van  zeer  ondergeschikte 
waarde  te  achten. 

Cobitis  suborbitalis  Tal  van  Java  komt  mij  voor,  evenmin  soortelijk  van  Cobitis 
fasciata  te  verschillen  als  Cobitis  chrysolaimos  K.  v.  H.,  Val.  De  keten  onderoogkuils- 
beenderen is  bij  de  voorwerpen  nu  eens  volkomen  en  dan  weder  afgebroken,  zonder 
dat  daarin  een  soortelijk  kenmerk  te  vinden  is.  De  beschrevene  vlekken  van  Cobitis 
suborbitalis  Val.  beantwoorden  zeer  goed  aan  die  bij  vele  mijner  voorwerpen,  welke 
zich  in  een'  minder  eoeden  toestand  van  bewaring  bevinden.     Ook  Cobitis  Pfeifferi 


80 

welke  ik   vroeger   voor   eene   eigene    soort    hield,   breng   ik  thans  tot   Cobitis   fas- 
ciata  terug. 

Cobitis   fasciata  is  op  Java  de  meest  voorkomende  soort  van  Cobitiformes  en  be- 
woont zoowel  de  lagere  als  de  hoogere  gedeelten  der    stroomgebieden.     Te  Batavia 
et  zeldzaam,  doch  wordt  er  niet  in  genoegzaam  groote  hoeveelheden  gevan- 
gen om  tot  de  volksvoeding  eenigzins  te  kunnen  bijdragen. 

Cobitis  Jaklesi  Blkr ,  Diagnost.  Beschrijv.  Nieuw,  vischsoort.  Sumatra. 
Tient,  lad  4,  Nat.  Tijdsein-.  Ned.  Ind.  Ill  p.  604.  Jakles  Meer- 
slang. Atl.   Cypr.  Tab.  II  fig-.   9. 

Cobit.  corpore  elongato,  antice  cylindrico,  postice  compresso,  altitudine  3  ad  8' j  in  ejus  lon- 
gitudine; capite  obtusiusculo  convexo,  toto  alepidoto,  5'  2  ad  ü  :;  ;  in  longitudine  corporis;  altitu- 
dine et  latitudine  capitis  2  circiter  in  ejus  longitudine;  linea  rostro-frontali  convexa;  oculis  liberis, 
'r.  media  longitudine  capitis  circiter  vel  majore  parte  in  dimidio  capitis  anteriore  sitis,  lineae  fron- 
tuli  vulde  approxiraatis,  diametro  4  ;!  i  ad  5  in  longitudine  capitis,  plus  diametro  1  distantibus;  li- 
nea interoculari  convexiuscula;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis ,  posterioribus 
patulis,  anterioribus  brevitubulatis  ;  spina  suborbitali  nulla  conspicua;  rostro  obtuso  convexo,  oculo 
.5  duplo  longiore,  apioe  carnoso  ante  os  prominente;  maxilla superiore maxilla  inferiore longiore , 
non  hamata,  s.it  longe  ante  OCulum  desinente;  maxilla  inferiore  sat  lata,  coclilearilbrmi,  ante  labium 
rius  deflexum  prominente;  labiis  carnosis  simplicibus,  nou  lobatis;  cirris  C  curnosis;  cirris  rostra- 
libus  4  peripberia  apieis  rostri  insertis,  basi  non  uuitis,  externis  internis  paulo  longioribus  oculum 
attii  vel  superantibus  ;  cirris  supramaxillaribus  2  angulo  ossis  interrnaxillaris  insertis  oculum 

rantibus;  dentibus  pbaiyngealibus  uuiseriatis,  parvis,  conicis,  acutis,  vix  curvatis;  apertura 
brancliiali  subverticali  intra  basin  pectoralium  desinente;  operculo  posticc  angulato  angulo  rotuudato, 
rnarginc  inferiore  concaviusculo  ;  suboperculo  post  operculum  non  vel  vix  prominente;  squaniis  mi- 
-  oculo  nudo  bene  couspicuis  ;  linea  laterali  rectiuscula  per  media  latera  decurrente;  vesica  na- 
tatoria  minima,  in  cavitate  ossea  vertebrali  tota  inclusa,  parte  accessoria  abdominali  libera  nulla; 
\ù'.i\  radiis  anterioribus  pinnis  ventralibus  opposita,  acutiuscula,  non  vel  parum  emarginata, 

■  ■re   altiore,    aeque   longa  circiter  ac  alta,  dimidia  ejus  longitudine  circiter  ante   pinnam  ana 
des';.  ralilms    rotundatis  longitudine  caput  circiter  aequantibus,    vulgo  minus   dimi- 

earum  loi  pinnas  ventrales  desinentibus:  ventralibus  ante  medium  corporis  longitudi- 

.  rotundatis,  pectoralibus  «on  multo  brevioribus,  vulgo  multo  minus   earum  longitudine 
tibus;  anali  obtusiuscula  vel  acutiuscula,    convexa,  vel  vix  emarginata,  corpore 
vel  vix  bumiliore,  altiore  quam  basi  longa;  caudali  profunde  vel  semilunariter  emarginata,  lo- 
aeiitis    1  '  ■_  ad  :  inline  corporis;  colore  corpore  roseo-viridi  vel  fuscescente,  viridi-ius- 

profundiore  nebulato  vel  fasciis  11  vel  12  Iatis  transversis  fuscescentibus  ;  pinnis  viridescente-hy- 
caudali  radiis  viridi  profuudiore  variegatis;  caudali  basi  macula  oblonga  transversa 
vi  lascente-coerulea. 
e  1  3  12.  P.  1  10  vel  1,11.  V.  1  7.  A.  3  ó  vel  3  G.  C.  11  17  9  ad-9  17,7,  lat.  brev. incl. 
..     Lahat),    iu   fluviis. 
'im  5C'  ad  91  ' . 

Aaitm      Cobitis    .Taklesi  is   uiterst  na  verwant   aan  Cobitis  fasciata  Val.  en    komt 
a  Doeg  alle  punten  overeen.     Zelfs  de  hoogere  bruinachtig-roode  kleur , 


81 

aan  welke  ik  vroeger  het  voornaamste  verschil  van  Cobitis  Jaklesi  met  Cobitis  fas- 
ciata  toeschreef,  is  mij ,  na  de  ontvangst  van  beter  bewaarde  voorwerpen  van  Solok 
en  Lahat,  voorgekomen  meer  aan  minder  goede  bewaring  in  wijngeest  te  zijn  toe 
te  schrijven.  Bij  naauwkeurige  vergelijking  van  alle  mijne  voorwerpen  van  beide 
soorten,  ontwaar  ik  slechts,  als  standvastige  kenmerken,  verschillen  in  de  evenredig- 
heden der  hoogte  en  lengte  van  den  kop,  zijnde  de  bij  onderwerpelijke  soort  stand- 
vastig bij  voorwerpen  van  verschillende  leeftijden  betrekkelijk  langer  en  lager  dan  bij 
Cobitis  fasciata.  Ook  schijnt  het  geringe  aantal  dwarsche  ligchaamsbanden  een  soor- 
telijk kenmerk  op  te  leveren. 

Cobiticiithys  Blkr,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  XVI  p.  304. 

Corpus  elongatum  compressum ,  microlepidotum.  Caput  compressum 
alepidotum.  Rostrum  convexum.  Oculi  cute  eephalica  velati.  Cirri 
rostro-supramxillares  6  ad  9  (8)  ,  inframaxillares  4.  Spina  suborbitalis 
nulla.  Nares  anteriores  tubulatae.  Pinna  dorsalis  ventralibus  opposita. 
Pinna  caudalis  intégra  supra  et  infra  caudam  in  carinam  adiposam 
producta.  Dentés  pharvngeales  uniseriati  conici.  Vesica  natatoria  parva , 
tota  in  cavitate  ossea  vcrtebrali  inclusa. 

Aanm.  Het  geslacht  Cobiticiithys  omvat  alle  die  soorten  van  Cobtiformes,  welke, 
even  als  het  geslacht  Cobitis  zooals  het  door  mij  beperkt  is,  den  onderoogkuils- 
doorn  missen,  doch  daarvan  voornamelijk  verschillen  door  bedekte  oogen  en  talrijker 
voeklraden  Het  schijnt  dat  het  geslacht  in  Oost-Azië  en  den  Oost-aziatischen  Archi- 
pel te  huis  behoort,  zijnde  tot  nog  toe  slechts  soorten  er  van  bekend  geworden  van 
China,  Japan  en  Borneo. 

Die  soorten  zijn  talrijker  dan  vroeger  vermoed  werd.  De  lieer  Schlegel  gaf  de 
beschrijvingen  en  afbeeldingen  van  de  twee  hem  bekende  Japansche  soorten  (Cobitis 
rubripinnis  Schl.  en  Cobitis  maculata  Schl.).  De  heer  MacClelland  maakte  twee  soor- 
ten van  Cobiticiithys  van  China  bekend  ouder  de  namen  Cobitis  pectoralis  (Calc. 
Journ.  Nat.  Hist.  IV  p.  400  tab.  23  fig.  3)  en  Cobitis  bifurcata  (ib.  fig.  1).  Sir 
J.  Richardson  gaf  in  de  Zoölogie  der  reis  van  de  Sulphur  eene  beschrijving  en  af- 
beelding van  Cobitis  anguillicaudata  van  den  heer  Cantor ,  welke  evenzeer  eene  Co- 
biticiithys is,  terwijl  hij  nog  eene  andere  soort  naareene  afbeelding  beschreef  in  zijn 
Report  over  de  visschen  van  China ,  onder  den  naam  van  Cobitis  psammismus.  Co- 
bitis decemcirrosus  Basil,  van  noordelijk  China,  is  insgelijks  eene  Cobitichthvs,  en 
eindelijk  is  ook  mijne  vroegere  Cobitis  barbatuloides  van  Borneo  tot  Cobiticiithys 
terug  te  brengen.  Geen  dezer  soorten  is  beschreven  in  de  groote  Histoire  naturelle 
des  Poissons ,  welks  18e  deel,  waarin  de  Cobitiformes  behandeld  zijn,  trouwens  ook 

reeds  in  het  jaar  1846  het  licht  zag. 

il 


S2 

Volgens  den  tegenwoordigen  stand  onzer  kennis  zijn  ,  mijns  inziens,  de  elf  soorten 
van  Cobitichthys  aan  te  nemen,  welke  inde  lijst,  aan  hoofd  dezer  subfamilie,  zijn 
opgebragt. 

De  eenige  bekende  archipelagische  soort  laat  zich  onderkennen  aan  volgende 
karakters. 

A.  Corpus  altitudine  7  fere  in  ejus  longitudine.  Caput  5'  '.,  circiter  in  longitudine 
corporis.  Pinnae  pectorales  capite  vix  breviores,  ventrales  ante  medium  corpus  insertae. 

Cobiiicliilii/s  barbatuloides  Blkr. 


Cobitichthys  barbatuloides  Blkr,  Aleerslangachtige  Cobitichthys ,  Atl.  Cvpr. 
Tab.  II  fig.  1. 

Cobit.  corporc  elongato  compresso,  altitudine  7  fere  in  f  jus  longitudine,  latitudine  1  '  î  circiter 
in  ejus  altitudine;  capite  acuto,  toto  alepidoto,  5'  î  circiter  in  longitudine  corporis;  altitudine  capi- 
!  -  :,  in  ejus  longitudine;  oculis  velalis,  diametro  5  circiter  in  longitudine  capitis,  in  media  lon- 
gitudino  capitis  sitis,  lineae  frontuli  valde  approximates  j  rostro  acuto  convexo;  spina  suborbitali 
conspicua  nulla;  cirris  rostro-maxillaribus  6?  brevibus;  apertura  branchiali  subvcrtieali  ;  squamis 
enrpore  minimis  oculo  nudo  vix  conspicuis;  pinna  dorsali  radiis  anterioribus  pinnis  ventralibus  op- 
posita,  tota  vel  plus  tota  ejus  longitudine  ante  analem  desinente,  obtusa  rotundata,  corpore  paulo 
humiliore;  pinnis  pectoralibus  acutis  capite  vix  brevioribus,  longe  ante  ventrales  desinentibus;  pinnis 
ventralibus  paulo  ante  mediam  corporis  longitudinem  insertis  pectoralibus  brevioribus,  longeante  pin- 
nam  analem  desinentibus;  anali  obtusa  rotundata,  corpore  humiliore;  caudali  intégra,  margine 
posteriorc  convcxiuscula  5  in  longitudine  corporis;  corpore  fusco,  fusco  profundiorc  punctulato;  pinnis 
roseo-viridibus,  radiis  dense  vel  parce  fusco  punctulatis;  caudali  basi  supernc  macula  majore  nigra, 
annulo  rubescente  cincta. 

B.   3.   D.    2  7  vel   2/8.   P.    1  0    vel    1  7.   V.    1  0.   A.    2/5   vel   2  fi.   C.    15   et   lat.   brev. 

-     i.  Cobitis  barbaluloidi's  Blkr,   Vijfde  Bijdr.  ichth.  Borneo,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  II  p.  Î3Ô. 

Hab.    Borneo  (Sambas),  in  fluviis. 

Longitude  i  lis  unici  46". 

Aanm.  Wegens  den  gebrekkigen  toestand  van  bewaring,  waarin  mijn  eenig  voor- 
werp zich  bevindt,  heb  ik  slechts  weinig  wezenlijks  aan  mijne  vroegere,  hierboven 
aangehaalde,  beschrijving  dezer  soort  kunnen  toevoegen.  Het  aantal  voeldraden  kan 
ik  niet  met  zekerheid  bepalen,  maar  er  zijn  er  minstens  zes,  waarvan  twee  aan  de 
snuitspits  en  vier  aan  de  bovenkaak  zijn  ingeplant.  Moeijclijk  kan  ik  mij  verklaren, 
hoc  ik  in  mijne  bovenaangehaalde  beschrijving  heb  kunnen  spreken  van  de  aanwe- 
zigheid van  een'  onderoogkuilsdoorn.  Bij  het  losbereiden  van  de  onderoogkuilshuid 
moet  ik  den  onderoogkuilbeensrand  van  mijn  overigens  zeer  klein  en  slecht  be- 
waard voorwerp  voor  doornachtig  gehouden  hebben,  wat  een  nader  onderzoek  mij 
geleerd  heeft  onjuist  geweest  te  zijn.  De  soort  verdient  nog  nader  naar  goed  be- 
waarde voorwerpen  beschreven   te  worden. 


SUBFAMILIA    II    HOMALOPTERAEFORMES. 

Cyprinoidei  corpore  elongato  depresso ,  squamoso ,  ventre  late-,  plano, 
Caput  depressum  cute  glandulosa  ubique  tectum ,  inferne  latum  planum  , 
alepidotum,  rostro  ante  os  prominente,  ore  parvo  infero  transverso, 
centrali  (a  lateribus  capitis  remoto),  labiis  camosis,  maxilla' inferiore 
plana  ante  labium  inferius  prominente.  Dentés  pharyngeals  conici 
uniseriati.  Pseudobranchiae  nullae.  Apertura  branchialis  verticalis , 
angusta.  Pinnae  anacanthae ,  dorsalis  et  analis  pauciradiatae ,  pecto- 
rales et  ventrales  horizontales ,  subdisciformes ,  pectorales  radiis  am- 
terioribus    pluribus    simplicibus.     Vesica  natatoria  nulla. 

Aanm.  De  Homalopteraeformes  kenmerken  zich  scherp  in  de  groote  familie  der 
karperachtige  visschen  door  den  volkomen  horizontalen  stand  der  gepaarde  vinnen, 
door  de  talrijke  onverdeelde  borstvinstralen,  platte  breede  ondervlakte  van  kop  en 
buik,  kleine  onderstaande  dwarsche  niet  tot  aan  de  zij  vlakte  van  den  kop  reikende 
ruondopeniug,  vrije  niet  door  de  lippen  bedekte  kaakranden,  en  eenreijige  kegel- 
vormige keelgatstanden.  Zij  zijn  onder  de  Cyprinoïden,  wat  de  Glyptosterna 
zijn  onder  de  Siluroïden  en  wat  de  Platypteraeformes  zijn  onder  de  Gobioï- 
den.  Even  als  deze  zijn  zij  er  op  gebouwd  om  zich  in  de  ondiepe  snel  vlietende 
bergrivieren  met  steenachtigen  bodem  door  aanzuiging  of  vastklamping  tegen  den 
stroom  te  verzetten  en  het  is  ook  in  de  rivieren  van  het  gebergte,  dat  men  de 
soorten  van  Platyptera,  Glyptosternon  en  Homaloptera  bij  voorkeur  aantreft.  Met 
de  Platypteraeformes  hebben  de  Homalopteraeformes  tot  den  habitus  en  het  stelsel 
van  beschubbing  gemeen,  maar  tanden-,  kieuw- en  vinstelsel  wijzen  de  Platypte- 
reaformes  eene  van   de  onderwerpelijke  familie  verwijderde  plaats  aan. 

De  Homalopteraeformes  zijn  het  eerst  in  de  wetenschap  bekend  geworden  van 
Bengalen.  Buchanan,  in  zijn  werk  over  de  visschen  van  de  Ganges,  beschreef  er 
twee  soorten  van  onder  de  namen  Cyprinus  sucatio  en  Cyprinus  balitora.  Hij  her- 
kende echter  niet  de  natuurlijke  verwantschappen  dier  soorten  en  bragt  ze  onder 
zijn  subgenus  Garra,  hetwelk  hij  omschreef  als  te  bevatten  da  //Cyprini  absque 
ulla  ad  aliud  genns  aflinitate ,  corpore  parvo,  vix  compressiusculo ,  abscpie  maculis, 
vittis,  notave  colorum  alia  insigni",  cyprini,  tot  welke  ook  soorten  van  Crossocheüos 
en  Discognathichthvs  gebragt  zijn. 


84 

Eerst  de  heer  MacClelland  heeft  de  beide  Homalopteraeformes  van  Buchanan  onder 
een  eigen  geslacht  gebragt  en  onder  de  namen  Psilorhynchos  sucatio  en  Psilorhynchus 
variegatus  nader  beschreven  en  doen  afbeelden.  Hij  plaatst  teregt  Psilorhynchus 
naast  Homaloptera,  waardoor  hij  blijk  gaf  de  groote  verwantschap  van  beide  ge- 
slachten herkend  te  hebben,  wat  niet  het  geval  was  met  den  heer  Valenciennes, 
die  vermoedt  (Poiss.  XVI  p.  S45) ,  dat  de  beide  genoemde  Buchanansche  soorten 
belmoren  tot  de  groep   van  Leuciscus  phoxinus  Cuv.  of  het  geslacht  Phoiinus  Ag. 

In  hetzelfde  jaar  (1S22),  waarin  Buchanan's  Gangetic  Pishes  het  licht  zagen,  wer- 
den twee  javasche  soorten  van  Homalopteraeformes  aangeduid  door  Van  Hasselt , 
die  den  geslachtsnaam  Homaloptera  voor  ze  voorstelde. 

De  heer  Gn  |  ,  niet  bekend  met  de  ontdekking  van  Van  Hasselt,  en  onder  de  af- 
beeldingen ,  welke  gediend  hebben  tot  de  zamcnstelling  van  de  //  Illustrations  of 
Indian  Zoology"  twee  soorten  voorgesteld  vindende,  welke  tot  Van  Hasselt's  Homa- 
loptera belmoren,  bragt  ze  insgelijks  tot  een  eigen  geslacht,  hetwelk  hij  Balitora 
noemde,  welke  naam  door  den  heer  Valenciennes  aangenomen  is,  omdat  hij  in  de 
onjuiste  meeuing  verkeerde ,  dat  de  naam  Homaloptera  van  Van  Hasselt  niet  ge- 
drukt   was. 

In  het  jaar  1S33  gaf  de  heer  J.  Van  der  Hoeven,  in  zijn  uitmuntend  Handboek 
der  dierkunde,  eene  afbeelding  van  eene  nieuwe  soort  van  Homaloptera,  onder  den 
naam  van  Homaloptera  ocellata  V.  Hass.,  waaruit  is  op  te  maken,  dat  Van  Hasselt 
ook  die  soort  reeds  gekend  heeft.  De  heer  Van  der  Hoeven  heeft  overigens  zeer 
te  regt  den  door  Van  Hasselt  voorgestelden  geslachtsnaam  aangenomen. 

De  heer  MacClelland  gaf  de  afbeeldingen  van  Balitora  Brucei  en  Balitora  ma- 
culata  van  de  Illustrations  of  Indian  Zoology  in  zijne  Indian  Cvprinidac  terug,  on- 
der het  geleide  van  korte  beschrijvingen,  doch  nam  een' nieuwen  geslachtsnaam  voor 
ze  aan,  zoodal  zijn  genus  Platycara  en  Balitora  Gr." dezelfde  beteekenis  hebben 
als  Homaloptera  V.  Hass. 

Maar  de  heer  MacClelland  ontdekte  bovendien  nog  drie  nieuwe  soorten,  welke 
hij  tot  Platycara  bragt.  doch  een  van  welke,  Platycara  nasuta,  zooals  reeds  de  heer 
Valenciennes  vermoedde,  de  type  van  een  eigen  geslacht  daarstelt,  hetwelk  echter 
niet  tot   de  Homalopteraeformes  behoort. 

De  heer  Valenciennes  deed  later  nog  cenige  Ilomalopteren  van  Java  en  Cochin- 
china  kennen  en  ook  mijne  eigene  nasporingen  hebben  geleid  tot  de  kounis  van 
enkele  nieuwe  vormen. 

liet  komt  mij  voor,  dat  in  de  Homalopteraeformes  drie  geslachten  zijn  aan  te 
nemen,  welke  men  zou  kunnen   noemen   Homaloptera,  Platycara  en   Lissorhynchos. 

Homaloptera  heeft  zes  korte  vlcezige  voeldraden   en  geene  kinzuigplaat. 

Psilorhynchus  McCl.  heeft  habitus  en  snuit  van  Homaloptera,  doch  de  voeldra- 
den ontbreken  (volgens  getuigenis   von   Buchanan   zoowel  als  van  den  heer  MacClel- 

ld),    even  als  de  kinzuigplaat. 


S5 

Lissoi'hynclios,  een  geslacht  hetwelk  ik  grond  op  Platycara  lissorhynchos  McCl., 
heeft  eene  kinzuigplaat  en,  volgeus  de  afbeelding  van  den  heer  MacClelland,  vier 
voeldraden. 

De  tot  dusverre  bekende  soorten  van  Homalopteraeformes  zijn  niet  meer  dan  1G 
in  getal.  Zij  schijnen  eigen  te  zijn  aan  Zuid-Azië  en  den  Soenda-archipel.  Zij 
bewonen  vooral  de  bergachtige  streken  van  Java,  Sumatra  en  Bengalen,  en  ver- 
moedelijk ook  die  van  Siam  en  Cochin-China.  Enkele  soorten  verlaten  soms  de 
bergstreken ,  maar  zeker  niet  vrijwillig  en  slechts  medegevoerd  door  den  stroom. 
Van  twee  javasche  soorten  heb  ik  voorwerpen  gevonden  tot  in  de  rivieren  van  de 
hoofdplaats    Batavia. 

De  thans  van  de  subfamilie  bekende  soorten  zijn  de  hieronder  genoemde. 

Species  llomalopteraeformium  hucusque  cognitae. 

Homaloptera  ocellata  V.  Hass.,  V.  d.  Hoev.  =i   Homaioptera 

polylepis  Blkr Hab.  Java,  Sumatra. 

«             javanica  V.  Hass.  =:  Homaloptera  Zollingeri  Blkr.  v  Java,  Sumatra. 

//             fasciata  V.  Hass.  ö  Homaloptera  Wassinki  Blkr.     .  »  Java ,  Sumatra. 

//             salusur  Blkr n  Java,   Sumatra. 

«             ophiolepis  Blkr n  Java,  Sumatra 

//             gymnogaster  Blkr- u  Sumatra. 

a             erythrorhina  K.  v,  H.^  Balitora  erytlirorhina  Val.     .  u  Java. 

11             Valenciennesi  Blkr  =!  Balitora   ocellata  Val.        .     .  v  Java. 

'/             pavonina  Blkr.  =3  Balitora  pavonina  Val.       ...  »  Java 

//             lineolata  Blkr.  =3  Balitora  lineolata  Val //  Cochin-China 

»  Brucei    Blkr.  ;=:    Balitora    Brucei    Gr.  zi    Platycara 

Brucei   McCI ■>  Ben^ala? 

//  maculata  Blkr  =:  Balitora  maculata  Gr.  =:  Platycara 

maculata  Gr »  Butan. 

//             anisurus  Blkr  =:  Platycara  anisurus  McCl.    ...  v  Kasyah  mont. 
Psilorhyncluis    sucatio    McCl.  =1  Stolephorus   sukati  Buch.  =: 

Cyprinus  sucatio  Buch //  Bengala. 

'/             balitora  Blkr  ^  Cyprinus  balitora  Buch.  s  Stolepho- 
rus balitora  Buch.  ps  Psilorhyiichus  variegatus  McCl.  //  Béng.,  Assam. 
Lissorhynchus  McClellandi  Blkr  =3  Platycara  lissorhynchus  McCl.  >/  Kasyah  mont. 


De  geslachten  Lissorhynchos  en  Psilorhynchos  ken  ik  niet  naar  de  natuur,  en 
de  beschrijvingen  en  afbeeldingen  der  daartoe  behoorende  soorten  laten  veel  te 
wenschen  over. 


Psiloi'hynchus   moei    zeer  na  verwant  zijn  aan  Honialoptera   en   schijnt   daarvan 

.  te   verschillen  door  de  afwezigheid  van  voeldraden,   terwijl  misschien  ook  de 

meer  vertikale  plaatsing  der  oogen   eene  generische    waarde  heeft.     De    heide  soor- 

ten  zijn  echter }  wat    de  monddoden  en   het  tandenstelsel,  en  ook  wat  de  geaardheid 

tier  buikvlakte   betreft,    nog   geheel   te   onderzoeken  en  zelfs  ten  opzigte  der  afwe- 

jheid  van  de  bij  de  Ilomaloptcraeibrnies  steeds  zoo  korte  voeldraden,  schijnt  een 

onderzoek  nog  allezins   wcnschelijk   te    zijn.     Voor  zoover  het  geslacht   thans 

beken  l  is  zou  men  er  de  volgende  diagnose  aan  kunnen    geven. 

Psilorhynchus  McCl.,  Indian  Cyprinid.  Asiat.  Research.  XIX  p.  300. 

Corpus  elongatum  depressum.  Oculi  subverticaliter  sitae.  Cirri  nulli. 
Mentum  disco  suctorio  nullo.  Squamae  corpore  magnae.  Pinna  dorsalis 
ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens. 

Ook  het  geslacht  Lissorhynchus   heeft  nog  geheel  het  voorkomen  van  Honialoptera. 

Het  nadert  echter  reeds  meer  tot  de  Labeoninen  van  het  geslacht  Discognathus, 
■wegens  zijne  zuigschijf  aan  de  kin  en  vormt  blijkbaar  een'  overgang  Aan  de  Ilotua- 
lopteraeformes  tot  de  na  aan  elkander  verwante  geslachten  Platvcara,  Discognathus, 
Discognathichthys ,  Crossochcilos  en  Epalzeorhynchos.  Volgens  de  bestaande  gegevens 
laat  het  zich  kenmerken  als  volgt, 


'O 


LlSSORHYNCHOS    Blkr. 

Corpus  elongatum  depressum.  Oculi  subhorizontaliter  sitae.  Cirri.  4, 
rostrales  et  supramaxillares.  Mentum  disco  suctorio.  Squamae  corpore 
magnae.  Pinna  dorsalis  supra  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante 
pinnam  analem  desinens. 

Homaloptera  V.  Hasselt ,   Algemeene  Konst-en  Letterbode.  1823 
II  p.  133—  Balitora  Gray. — Saloesoeu. 

ipus  elongatum  depressum.  Cirri  G  carnosi,  rostrales  4,  supramaxil- 
lares   2.    Oculi    subhorizontaliter   sitae.    Rictus  subparallelogrammicus. 
Maxillae    margine  libcrae,    tenues,   inferior  plana  symphysi  tuberculo 
nullo.   Labium  superius  ante  maxillam  superiorem  pendulum.  Labium 
ferius  latum  ,  parum  rellexum .  integrum ,  cum  labio  superiore  unitum. 


87 


Sulcus  postlabialis  utroque  latere  unicus,  brevis,  obliquus.  Sulci  isthmo 
lato  distantes.  Mentum  disco  suctorio  nullo.  Pinna  dorsalis  ante  vel 
post  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnarn  analem  desinens. 
Vesica  natatoria  nulla.  Dentés  pharvnsreales  conici  acuti  uniseriati. 

Aanm.  Zooals  liierboven  reeds  werd  opgemerkt,  is  het  geslacht  Homaloptera  voor- 
gesteld door  Van  Hasselt  en  kortehjk  aangeduid  als  zich  hoofdzakkelijk  onder  de 
karperachtige  visschen  onderscheidende  door  de  volkomen  horizontale  plaatsing  der 
borst-  en  buikvinnen ,  eenc  definitie ,  welke  zich  thans  tot  de  geheele  subfamilie  laat 
uitstrekken.  De  door  Van  Hasselt  en  de  heeren  Gray  en  MacClelIand  benoemde 
soorten  zijn  evenzeer  hiervoren  reeds  kortelijk    vermeld. 

Het  lSe  deel  van  de  groote  Histoire  naturelle  des  Poissons,  waarinde  Homalo- 
pteren  behandeld  zijn,  verscheen  eerst  in  1846  en  alzoo  na  den  arbeid  der  genoemde 
zoölogen.  De  heer  Valenciennes  beschreef  daarin,  onder  den  door  den  heer  Grav 
voorgestelden  geslachtsnaam ,  behalve  Homaloptera  Brucei  en  Homaloptera  maculata , 
vier  soorten,  toen  nog  onbekend  in  de  wetenschap,  t.  w.  Homaloptera  erythorhina 
V.  Hass.,  Balitora  ocellata  Val.  (welke  niet  dezelfde  is  als  Homaloptera  ocellata 
V.  Hass.,  V.  d.  Iloev.) ,    Balitora  pavonina  Val.  en   Balitora  lineolata  Val. 

In  1S52  beschreef  ik  zelf,  in  een  artikel,  getiteld:  »  Over  eenige  nieuwe  soorten 
van  Homaloptera  V.  Hass.  van  Java  en  Sumatra"  en  opgenomen  in  het  vierde  deel 
van  het  Natuurkundig  Tijdschrift  voor  Nederlandsen  Indië,  zes  soorten  van  dit 
geslacht. 

Van  de  meeste  dier  soorten  heb  ik  sedert  nieuwe  en  beter  bewaarde  voorwerpen 
ontvangen,  naar  welke  ik  ze  aan  een  nieuw  onderzoek  heb  onderworpen.  Van  die 
zes  soorten  zijn  drie  mij  gebleken  terug  te  brengen  te  zijn  tot  reeds  door  Van 
Hasselt  benoemde.  Mijne  Homaloptera  polylepis  beschouw  ik  thans  als  niet  soortelijk 
te  verschillen  van  Van  Hasselt's  Homaloptera  ocellata.  Mijne  Homaloptera  Zollinger! 
is  met  vrij  groote  zekerheid  te  bepalen  dezelfde  soort  te  zijn,  als  Van  Hasselt's 
Homaloptera  javanica,  en  mijne  Homaloptera  Wassinki  dezelfde  als  Hoinalopter;* 
fasciata  V.  Hass.  Alhoewel  die  beide  soorten,  vóór  mij,  door  niemand  beschreven 
waren  heb  ik  gemeend,  uit  eerbied  voor  de  nagedachtenis  van  den  uitstekenden 
Van  Hasselt,  de  door  hem  aangenomene  namen  in  de  plaats  der  mijne  te  moe- 
ten stellen. 

De  drie  overige,  in  genoemde  verhandeling  beschrevene,  soorten,  t.  w.  Homalo- 
ptera ophiolepis,  Homaloptera  salusur  en  Homaloptera  gymmogaster,  schijnen  niet 
aan  Van  Hasselt  bekend  te  zijn  geweest  en  zijn  evenmin  te  brengen  tot  de  soorten, 
door  den  heer  Valenciennes  beschreven. 


88 

I  Je  lieden  soenclaschc  sourten  laten  zich  van  de  overige  soorten  en  van  elkander 

lerscheiden,  als   volgt. 

A  Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens. 

a  Squamae  45    ad   50  in  serie    longitudinal! ,  carinatae. 

Pinna  pectorales  ventrales  non  attingentes.  Anus  basi  ventraliutn  approxi- 
niatus.  Venter  ab  ano  usque  ad  basin    pectoralium  squaiuosus. 
§  Squainae   margine  libero  non  dentatae 

Jluiiut/optera  javanica  V.  llass. 
§  Squamae    margine  libero  dentatae. 

Lumaloptera  ophiolepis  13lkr. 
h  Squamae    G5    in     série    longitudinali,     carinatae,   margine    libero   dentatae 
(carina  marginem  superante). 

'   Venter   usque  ad  anum  alepidotus.    Maculae   dorso  fuscae  annulo  dilutiore 
cinctae. 

Homaloptera  pavonina  Blkr. 
c  Squamae  70  ad  SO  in  serie  longitudinali. 

■  Squamae  edentulae.  Venter  ante  pinnas  ventrales  alepidotus.  Anus  in  dimidio 
corporis  posteriore  situs. 
$  Pinnae  pectorales  pinnas  ventrales   non    attingentes. 

f  Squamae  margine  libero  undulatae.  Latitudo  capitis  1'  ad  1!   in  ejus 
longitudine. 

Homaloptera  occllata  V.  Ilass.,  V.    d    Hoev. 
f  Squamae  margine  libero    non  undulatae.     Latitudo    capitis    \\    ad 
1|  in  ejus  longitudine. 

homaloptera  salustir  Blkr. 
§  Pinnae  pectorales  ventrales  attingentes    Vitta  operculo-caudalis  nigra. 
homaloptera   Valcncicnneai  lilkr  :=:  Balitora  ocellata  Val. 
'   Squamae  margine  libero  dentatae,  SO  in  serie  longitudinali. 
Homaloptera  erythrorhina  V.  Ilass. 
[J  Pinna  dorsalis  post  initium  ventralium  incipiens.  Squamae  non  carinatae,  eden- 
tulae. 
ci  Venter  ante  pinnas  ventrales  alepidotus. 

<:  Squamae  45  p.  m.  in  serie  longitudinali.  Pinnae  pectorales  pinnas  ventra- 
les attingentes. 

Homaloptera  fasciata  V.  Ilass. 
'  Squamae  70  p.  m.  in  serie  longitudinali.  Pinnae  pectorales  pinnas   ventrales 
non  attingentes. 

Homaloptera  gymnogaster  Blkr. 


89 

Homaloplera  javanica  V.  Hass.,  Algem.  Konst- en  Letterbode.    1823 
II.  p.   133,  Javasche  Saloesoer.  Atl.   Cypr.  tab.  III.  fig.  5. 


Horaalopt.  corpore  elongato,  depresso,  cauda  tantum  compresso,  altitudine  S  ad  84/2  in  ejus 
longitudine,  aeque  lato  circiter  acalto;  capite  depresso,  convexo.,  linea  anteriore  subsemilunariter  ro- 
tundato,  6  ad  G  *jz  in  longitudine  corporis;  latitudine  capitis  l'j  ad  1  et  paulo,  altitudine  l4/* 
ad  l2/3  in  eju3  longitudine;  vertice,  rostro  genisque  glandulosis;  oculis  liberis,  maxima  parte  in  di- 
midio  capitis  posteriore  sitis,  diametro  i  '  i  ad  5  et  paulo  in  longitudine  capitis,  minus  diametris  2 
distantibus;  naribus  oeulo  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  magnis  oblongis  val- 
vula  claudendis,  anterioribus  posterioribus  multo  minoribus  in  basi  valvulae  narium  posteriorum 
perforatis;  rostro  convexo,  basi  paulo  latiore  quam  longo;  cirris  subaequilongis,  oculo  brevioribus, 
gracilibus;  maxilla  inferiore  plana  acie  ante  labium  inferius  deflexum  prominente;  operculo  postice 
rotundato  margine  inferiore  rectiusculo  vel  concaviusculo;  dentibus  pharyngealibus  uniseriatis  parvis 
conicis  acutis  paruni  curvatis  p.  m.  10;  ano  in  dimidio  corporis  anteriore  perforato,  basi  ventrali- 
um  multo  magis  quam  pinnae  anali  approximato;  linea  laterali  rectiuscula,  singulis  squaniis  tubulo 
simplice  notata,  basi  pinnae  caudalis  sursum  curvata;  ventre  squamoso  antice  inter  et  vix  post  ba- 
sin pectoralium  tantum  alepidoto;  squamis  margine  libero  glabris  non  dentatis  et,  ventralibus  post- 
analibusque  exceptis,  valdo  conspicue  unicarinatis;  squamis  latcribus  45  p.  m.  in  serie  longitudinali, 
5  in  serie  transversali  radium  dorsalem  lm  inter  et  lineam  lateralem,  13  p.  m.  in  serie  longitudinali 
verticem  inter  et  pinnam  dorsalem  ;  squamis  toto  ventre  usque  ad  anum  squarnisque  postaxillaribus 
squamis  cetero  corpore  conspicue  minoribus  ;  pinna  dorsali  paulo  ante  insertionem  pinnarum  ventralium 
iacipiente,  acuta,  non  emarginata,  corpore  sat  multo  altiore,  breviore  quam  alta ;  pinnis  peetoralibus 
et  ventralibus  antice  rotundatis  apice  angulatis,  peetoralibus  ventralibus  paulo  Iongioribus  ventrales 
noc,  ventralibus  analem  non  attingentibus :  anali  acuta  vel  obtusiuscula,  non  emarginata,  corpore 
non  vel  paulo  humiliore,  sat  multo  altiore  quam  basi  longa;  caudali  sat  profunde  emarginata,  lobis 
acutis,  inferiore  superiore  longiore,  43/4  ad  5  et  paulo  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne 
aurantiaco-olivaceo  vel  fusco-olivaceo,  inferno  aurantiaco-roseo;  glaudulis  capite  aurantiacis ;  fasciis 
corpore  trausversis  latis  diffusis  J'uscis  et  maculis  confluentibus  compositis  G  vel  7  approximatis;  iri- 
de  violascente-coerulea  margine  pupillari  aurea;  pinnis  aurantiaco-roseis  vel  rubris,  caudali  medio 
inferneque  maxima  parte  profunde  fusca  vel  nigra  superne  fasciis  2  vel  3  trausversis  fu'scis;  pinnis 
ceteris  fasciis  2  vel  3  dorsali  et  anali  longitudinalibus,  peetoralibus  ventralibusque  trausversis  fus- 
cis  non  semper  conspicuis. 

B.  3.  D.  2/8  vel  2,9.  P.  4/9/1  vel  4/10/1.  V.  2  S.  A,  2,5  vel  2,  G.  C.  0  17  5  vel  5/17/4,  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Homaloplera   Zollingeri   Blkr,    Over  eenige  nieuwe  soorten  van  Homaloptera.  Nat.  Tijdschr. 
N.  Ind.  IV.  p.  158. 
Salusur  Sundan. 

Hab.  Java  (Batavia,  Bandong),  in  fluviis. 
Sumatra  (Xaliat),  in  fluviis. 

Longitudo  7  speciminum  7S  '"  ad  99'". 


Aanm    Ik  beschreef  deze  soort  in  het  jaar  1S52  naar  drie  kleinere  voorwerpen  van 
Batavia  en  Bandong,  welke  tijdens  de  dikwerf  herhaalde  verplaatsing  van  mijn  ka- 

12 


90 

binet  in  verschillende  woningen  zijn  verloren  gegaan  (1)  Sedert  ontving  ik  eenige 
"rootere  voorwerpen  van  Lahat  (binnenlanden  van  Palembang) ,  naar  welke  ik  mijne 
vroegere  beschrijving  heb  kunnen  verbeteren  en   uitbreiden. 

Eene  nadere  studie  mijner  voorwerpen  en  der  vergelijking  daarvan  met  de  kopi- 
ën  der  afbeeldingen  van  twee  door  Van  Hasselt  op  Java  waargenomene  soorten, 
aan  welke  hij  de  namen  gaf  van  Jlomaloptera  javanica  en  Ilomaloptera  fasciata, 
heeft  mij  bepaald  tot  de  meening  gebragt,  dat  mijne  Ilomaloptera  Zollingeri  tot 
Van  Hasselts  Ilomaloptera  javanica  terug  te  brengen  is- 

De  soort  is  gemakkelijk  herkenbaar  aan  hare  ongeveer  45  wel  gekielde  maar  niet 
getande  schubben  op  eene  ovcrlangsche  rei.  Ten  opzigte  van  het  geringe  aantal 
schubben  is  zij  verwant  aan  Ilomaloptera  ophiolepis,  maar  zij  verschilt  daarvan  nog 
door  talrijke  kenmerken,  zijnde  bij  laatstgenoemde  soort  het  ligchaam  aanmerke- 
lijk slanker,  de  schubben  veel  sterker  gekield  en  aan  den  achterrand,  door  de 
verleno-in"-  der  kielen  met  één  tot  zeven  tandjes  gewapend,  de  buikschubben  aan- 
merkelijk kleiner  en  het  ligchaam  niet  met  dwarsche  banden  maar  met  grootere 
en  kleinere  ronde  vlekken  geteekend,  waarvan  eenige,  even  als  bij  Ilomaloptera 
ocellata  en  nog  andere  soorten,  op  de  middelliju  van  den  rug  voor  en  achter  de 
rugvin   zijn  geplaatst. 

Ilomaloptera  oplnolcpis  Blkr,  Over  eenige  nieuwe  soorten  van  Homa- 
loptera,  Nat.  T.  N.  Incl.  IV  p.  1G0.  Slangenschubbige  Saloesocr. 
Atl.  Cypr.  Tab.  Ill  fig.  ö. 

Ilomalopt.  corpore  elongato,  depresso,    canda  postice  tantnm  compresso,  altitndine  10?   ad  1  : 
ejus  lon^itudine,  paulo  latiore  quam  alto;  capite  depresso  convexo,  linea  anteriore  acute  rotundato, 
6  ad  7  in  lonjitndine  corporis;  latitudioe  capitis  IJ   ad  1  i ,  altitudine  2  tere  ad  2  et    paulo    in  ejus 
lon"-itudinc;  vertice,  rostro  genisque  glandulosis;  ocujis    libens,   antice   m   dimidio  capitis  postenore 


(1)  Bij  de  overige  moeijelijkheden,  welke  ik  ondervond  in  de  uitbreiding  en  bewaring  mijner  ver- 
zamelingen, bekleedden  die,  welke  voortvloeiden  uit  talrijke  verhuizingen,  niet  de  geringste  plaats.  Se- 
dert ik  mijne  verzamelingen  begon,  heb  ik  te  Batavia.  Samarang,  Soerabaja  en  Willem  I  niet  min- 
::i  10  verschillende  huizen  bewoond  (een  der  ongerieven  van  den  officiersstand,  aan  welken  op 
de  hoofdplaatsen  op  Java  gouvernementshuizen  ter  bewoning  worden  aangewezen).  Men  kan  nagaan, 
in  welke  mate  eene  19  malige  verplaatsing  van  mijn  kabinet,  waarbij  men  gedwongen  is  zijne  toe- 
vlucht lot  koelies  (inlandsche  lastdragers)  te  nemen,  aan  mijne  verzamelingen  heeft  moeten  schaden. 
Talrijke  stopflesschen  niet  naturaliën  zijn  op  die  wijze  verloren  gegaan,  daar  de  koelies,  bij  toeval 
iets  brekende,  de  voorkeur  geven  aan  het  spoorloos  doen  verdwijnen  van  het  gobrokene,  boven  het 
vertoonen  van  de  corpora  delicti.  Ook  door  diefstallen  van  mijne  inlandsche  bedienden  zijn  vele 
soorten  verloren  gegaan.  liet  was  hun  daarbij  natuurlijk  niet  te  doen  om  die  soorten,  welke  zij 
wegwierpen,  maar  om  de  stopflesschen,  voor  welke  zij  bij  Chinezen  steeds  gretige  opkoopers  vonden. 


91 

sitis,  diametro  4i  ad  b\  iu  loagitudiae  capitis,  minus  diametris  2  distantibus;  naribus  oculo  multo 
magis  quam  rostri  apioi  approximatis ,  posterioribus  magnis  oblongis  valvula  claudendis,  anterioribus 
posterioribus  multo  minoribus  iu  basi  valvulae  narium  posteriorum  perforatis;  rostro  convexo,  basi 
paulo  latiorequam  longo;  cirris  subaequilongis ,  oculo  non  vel  paulo  longioribus,  compressis  ,  basi  latis  ; 
maxilla  inferiore  plana  acie  .ante  labium  informs  deflexura  prominente;  operculo  postice  rotnndato, 
margine  inferiore  conyexiuse-ulo;  dentibus  pharyngealibus  uniseriatis  parcis  conicis  parum  curvatis;  ano 
in  dimidio  corporis  anteriore  perforate»  basi  ventralium  multo  magis  quam  pinnae  anali  approximato , 
linea  laterali  rectiuscuta  singulis  squamis  tubulo  simplice  notata,  basi  pinnae  caudalis  sursum 
curvata;  ventre  squamoso  antice  inter  pectorales  tantum  alepidoto;  squamis  dorso  lateribusque  valde 
conspicue  unicarinatis  nucha  ex  parte  pluricarinatis,  ventralibus  non  earinatis,  nuclialibus  et  lateralibus 
margine  libero  tri-ad  septemdeutatis,  ventralibus  non  dentatis,  ceteris  conspicue  uuidentatis;  squamis 
lateribus  45  ad  48  in  linea  laterali,  C  in  serie  trausversali  radium  dorsalem  lm  inter  et  lineam 
lateralem,  15  p.  m.  in  serie  longitudinali  verticem  inter  et  pinnam  dorsalem;  squamis  toto  ventre 
usq"ue  ad  anum  minimis,  dorso  lateribusque  antice  squamis  caudalibus  et  postanalibus  minoribus; 
pinna  dorsali  paulo  ante  insertionem  pinnarum  ventralium  incipiente,  acuta,  non  vel  vix  emarginata; 
corpore  multo  altiore,  paulo  breviore  quam  alta  ;  pinnis  pectoralibus  antice  et  postice  rotundatis  apice  an- 
gulatis  pinnas  ventrales  non  attingentibus;  ventralibus  antice  rotundatis,  apice  augulatis  pectoralibus  vix 
brevioribus,  analem  non  attingentibus;  anali  acuta,  non  vel  vix  emarginata,  corpore  non  vel  paulo  al- 
tiore, sat  multo  altiore  quam  basi  longa  ;  caudalï  profunde  emarginata  lobis  acutis  inferiore  superiore 
longiore  4-J-  ad  5  in  longitudine  corporis  s  colore  corpore  superne  aurantiaco-olivaceo,  inferne  aurantiaco- 
roseo;  glandulis  eapite  aurautiacis  ;  linea  dorsi  media  maculis  7  magnis  rotuudis  fuscis  quarum  4  post 
piunam  dorsalem;  lateribus  insuper  mafulis  magnis  fuscis  vulgo  rotundis  magnitudine  inaequalibus ; 
pinnis  aurantiaco-roseis  vel  rubris  fasciis  fuscis  ornatis,  pectoralibus  et  ventralibus  fasciis  vulyo  ;;, 
caudali  fasciis  vulgo  5  transversis,  dorsali  et  anali  fasciis  vulgo  3  longitudiualibus;  fasciis  caudalibus 
frequenter  confluentibus, 

B.  3.  D.  3/8  vel  3  0.  P.  5.9* ad  4,10  ad  4  11,1.  V.  2,S.  A.  2  5  vel  2/6,  C.  4/17/4,  lat.  brev.incl. 

Syn.  Salusur  Sund. 

Hab.  Java  (Parongkalong,   Bandong)  in  fluviis. 
Sumatra  (Lahat),  iu  fluviis. 

Longitudo  7  speciminum  83'"  ad  124'". 

Aanm.  Homaloptera  ophiolepis  is  de  slankste  der  mij  bekende  soorten  van  Homa- 
loptera.  Zij  is  overigens  gemakkelijk  herkenbaar  aan  hare  betrekkelijk  weinig  talrijke 
en  groote  sterk  gekielde  en  aan  den  vrijen  rand  getande  schubben.  De  schubben 
aan  de  ondervlakte  des  ligchaams  zijn  in  twee  sterk  afgescheidene  groepen  verdeeld. 
Die  welke  voor  den  anus  zijn  gelegen  en  den  buik  tot  nabij  den  grond  der  borst- 
vinnen geheel  bedekken,  zijn  zeer  klein,  ongekield  en  ongetand.  Vroeger  had  ik 
die  schubjes  zelfs  niet  eens  opgemerkt ,  doch  met  de  lens  laten  zij  zich  gemakkelijk 
waarnemen.  De  schubben  daarentegen,  welke  tusschen  den  nabij  den  grond  der 
buikvinnen  doorboorde  aarsopening  en  de  aarsvin  zijn  gelegen ,  doen  in  grootte  niet 
onder  voor  de  zijschubben  tusschen  buikvinnen   en  aarsvin  en  .zijn  evenzeer  gekield. 

Op  Java  leeft  deze  soort  in  het  stroomgebied  van  den  Tjitaroem.  Uit  andere 
rivieren  van  Java  heb  ik  haar  tot  nog  toe  niet  bekomen.  Van  Sumatra  bekwam 
ik  haar  slechts  uit  het  stroomgebied  van   den  Moessi  of  de  rivier  van  Palembang. 


92 

Homaloptera  pavonina  Blkr,   Over  cenige  soorten  van   Homalopteïa, 
Nut.  T.  Ned.  Ind.  IV  p.  158,  Paauwoogige  Saloesoer. 

Horaalopt.  corpora  gracilioro,  capitc  magis  aculo  et  graciliorc,  oculis  niajoribus,  pinna  anali  magis 
qaadrata,  caudali  magis  emarg'mata  et  lobo  ejas  inferiore  Iongiore  quam  in  Homaloptera  Valenciennesi  ; 
pinnis  pectoralibus  brevibus  trapezoideis ;  ventralibus  rotundatis;  ventre  usque  ad  anum  alepidoto; 
squamis  05  in  serie  Iongitudinali,  carinis  marginem  liberum  superantibus  subdentatis,  dorsalibus  et 
lateralibus  parvis,  crassiusculis ,  inbricatis ;  colore  corpora  supernc  nigricante;  dorso  ante  pinnam 
dorsalem  punctis  rotandis  nigris,  po?t  pinnam  dorsalem  maculis  5  magnis  rotundis  nigris  annulo  albo 
cinctis,  vitta  corpore  Iongitudinali  nulla;  pinnis  nigro  maculatis. 

D.  10.  T.  IS.  V.  'X  A.  G.  C.  L>l'. 

Syn.  Balitora  pavonina  V 'al.,  Poiss.  XVIII  p.  71. 
Balitore  pavonin  Val.,  ibid. 

Ilab.  Java  (Buitenzorg),  in  fluviis. 

Longitudo  4.  pollic.  paris. 

Aanm.  Homaloptera  pavonina  schijnt  verwant  te  zijn  aan  Homaloptera  ophiolepis 
Blkr,  doch  deze  laatste  kan  daartoe  niet  terug  Ie  brengen  zijn,  vermits  zij  slechts 
■15  tot  48  schubben  heeft  op  cene  overlangsche  rei  en  den  buik  van  den  anus  af 
tot  geheel  nabij  de  basis  der  borstvinnen  met,  hoezeer  kleine,  schubben  bedekt  heeft. 

Ik  ken  deze  soort  niet  naar  do  natuur  en  geef  de  bovenstaande  beschrijving  slechts 
vertaald  naar  die  van   den  heer  Valenciennes. 

Homaloptera   ocellata  V.    llass.,  J.    Van  der  ïloev.,    Ilandb.   Dierk. 
ed.  la  Tom.  II  p.  211  tab.   13  fig.   12.   Geoogde  Saloesoer.  Atl 
Cypr.  Tab.  Ill  fig.  4. 

llomalopt.     corp»ro  clongato,  dopresso,  Cauda  tantum  compresse,    altitudine  7  et  paulo  ad   - 
ejus  longitudinc,  paulo  latiore  quam  alto;  capile   depresso  convexo,  linea    anteriore   acutiusculc  vel 
emilunariter  rotundato,  C  et  paulo  ad  6'/2  in  longitudinc  corporis;  Iatitudine  capitis  l1/*  ad  l*/s , 
altitudine  12/3  ad  2  et  paulo  in  ejus  longitudinc;  vertice,rostrogeni  I      lulosis  ;  oculis  liberis,  antice 

in  dimidio  capitis  posteriore    sitis,  diametro  .*  is  2  circiter  di- 

stantibus;  naribus  oculo  magis  quam  rostri  apici  ;  posterioribus  magis  oblongis  valvula 

claudendi  is  posterioribus  multo  minoribus  i  vulae  nariura  postcriorum  perforatis  ; 

rostro  co.  quam  longo  ;  cirris  subaequilongis  oculo  non  longioribus ,  conico-compressis , 

basi   lati  I  i   inferiore  plana  acie  ante  labium  inferius  deflexum  prominente;  operculo  postice 

rotundato,  ma  ■  concavo;  dentibus  pharyngealibus  10  p.  m.  uniscriatis  conicis  acutis param 

curvatis , ■  mediis   lateralibus  longioribus;  ano   in  dimidio  corporis  posteriore  perforato,  pinnae  anali 
magis  quam  1  ralium  approximate;  linea  laterali  ïvetiuscula  singulis  squamis  tubulo  simplice 

notai,  i;   \  [ue  paulo  ante  pinnas  v.  alepidoto;  squamis  corpore  leviter  unicarinatis,  mar- 

70  ad  7Ó   in  linea   laterali,    S  vel  9  in  serie  transversal! 

'.em   lm   inter   et   lineam   lateralem,  22  vel  2:»  in  serie  Iongitudinali   verticem  intérêt 

pinnam  dorsalem;  squamis  regione  postaxillari,  lateribus  iuferne,  interveutralibus  regioneque  gastro- 


93 

anali  squamis  cetero  corpore  minoribus;  pinna  dor3ali  paulo  ante  insertionem  pinnarum  ventralium 
incipiente,  acuta,  leviter  emarginata,  corpore  altiore,  breviore  quam  alta;  pinnis  pectoralibus  antice  et 
postice  rotundatis  apice  angulatis,  pïnnas  ventrales  non  attjngentibus ;  ventralibus  antice  rotundatis  apice 
angulatis  pectoralibus  paulo  brevioribus,  analera  non  attingentibus  ;  anali  acuta  emarginata,  corpore 
non  vel  paulo  luimiliore,  multo  altiore  quam  basi  longa;  caudali  profunde  semilunariter  emarginata, 
lobis  acutis  inferiore  superioro  longiorë  4 '/3  ad  4'/-2in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne 
fuscescente-olivaceo,  inferne  olivascente-aurantiaco  ;  dorso  lateribusque  fusco  ncbulatis;  linea  dorsi 
media  raaculis  G  vel  7  magnis  rotundis  profunde  fuscis  aurantiaco  annulatis ,  posterioribus  2  cauda- 
libus;  pinnis  pulchre  roseis,  pectoralibus  et  ventralibus  vulgo  fasciis  2  transversis,  dorsali  et  anali 
vulgo  fascia  unica  longitudinali  fusco- violaceis;  caudali  dimidio  inferiore  maxima  parte,  dimidio  su- 
periore  minore  parte  violaceo-fusco  transversim  bifasciata;  irido  coerulescente  margine  pupillari  aurea. 

B.  3.  D.  3/8.  P.  7/8/1  ad  7/10/1.  V.  2/7.  A.  3/5    vel  3/6.  C.  6/17/5    vel  5/17/4  lat.   brev.  incl. 

Syn.  Homaloptera  polylepis  Blkr,  Over  eenige  soort,  van  Homalopt.  Nat.  Tijdscbr.  Ned.  Ind.  IV  p.  162. 
Salusur  Sundan. 

Hab.  Java  (Buitenzorg,  Tjipanas,  Bandong),  in  fluviis. 
Sumatra  (Lahat),  in  fluviis. 

Longitudo  26  speciminum  76'"  ad  132'. 

Aanm.  Sedert  ik  deze  soort  onder  den  naam  van  Homaloptera  polylepis  beschreef 
naar  twee  voorwerpen,  bij  welke  de  kleuren  veel  hadden  geleden,  ben  ik  in  het 
bezit  gekomen  van  nog  een  vierentwintigtal  deels  grootere  en  meest  alle  uitmuntend 
goed  bewaarde  voorwerpen ,  op  weinige  uitzonderingen  na  alle  gevangen  in  de  ri- 
vier Tjidani*  in  de  nabijheid  van  Buitenzorg.  Ik  heb  daardoor  mijne  vroegere 
beschrijving,  vooral  ten  opzigte  der  kleuren,  kunnen    verbeteren. 

Ik  houd  het  er  thans  voor,  dat  de  soort,  afgebeeld  door  de  heer  J.  Van  der  Hoeven 
inde  eerste  uitgave  van  zijn  Handboek  der  dierkunde,  dezelfde  is  als  mijne  Homa- 
loptera polylepis,  en  alhoewel  die  afbeelding  zeer  veel  te  wenschen  overlaat  en  de 
soort  door  den  heer  Van  der  Hoeven  niet  nader  beschreven  is,  heb  ik  den  naam 
van  //ocellata"  aangenomen,  omdat  hij  het  regt  van  prioriteit  heeft,  terwijl  Van  Hasselt 
er  zeker  mede  heeft  willen  wijzen  op  de  licht  geringde  rugvlekken,  welke  bij  deze 
soort  in  den  verschen  toestand  scherp  geteekend  zijn,  doch  door  bewaring  in  wijn- 
geest lichtelijk  verdwijnen. 

Balitora  ocellata  Val.  is  eene  van  de  bovenbeschrevene  verschillende  soort,  welke 
ik  niet  ken.  Volgens  den  heer  Valenciennes  zouden  er  de  borstvinnen  tot  aan  de 
buikvinnen  reiken,  wat  bij  geen  mijner  voorwerpen,  jonge  of  oude,  het  geval  is. 
Bij  geen  mijner  voorwerpen  ook  is  iets  te  bespeuren  van  de  zwarte  vlekjes  op 
den  kop  of  van  een'  zwarten  overlangschen  ligchaamsband ,  welke  bij  Balitora  ocellata 
Val.  gezegd  wordt  te  bestaan.  Daar  de  soortnaam  //ocellata"  reeds  aan  de  door 
den  heer  Van  der  Hoeven  afgebeelde  soort  is  gegeven ,  zal  die  van  Balitora  ocellata 
Val.  veranderd  behooren  te  worden ,  waarom  ik  voorstel  daaraan  den  naam  te  ver- 
binden van  den  beroemden  ichthyoloog,  die  haar  het  eerst  beschreef. 


94 

Ealitora  ocellata  Van  Hass.  is  de  in  de  bovenlanden  van  West- Java  ongetwijfeld 
liet  meest  voorkomende  soort,  doch  toch  is  ze  moeijelijk  door  de  inlanders  te  beko- 
men, vermits  zij  geen  artikel  van  voeding  uitmaakt  en  ik  de  inlanders  zelfs  niet 
door  de  aanbieding  van  betrekkelijk  aanzienlijke  belooningcn  bewegen  konde,  voor- 
werpen van  Saloesocr,  den  algemeenen  Soendaschen  naam  voor  de  soorten  van  llo- 
maloptera,  voor  mij  te  verzamelen.  Van  Sumatra  ontving  ik  tot  dus  verre  slechts 
een  enkel  voorwerp. 

Balitora  maculata  Gr.  en  Platycara  anisura  McCl.  schijnen  aan  Ilomaloptera  ocellata 
V.  Hass.  verwant  te  zijn. 

Ilomaloptera  salusur  Blkr,  Over  cernée  n.  soort.  v.  Homalopt.  Nut. 
T.  Ned.  Ind.  IV.  p.  161.  Uladsclaibbige  Saloesoer.  Atl.  Cypr. 
Tab.lII  fig.  2. 

Homalopt.  corpore  elongato,  depressiusculo ,  postice  compresso,  altitudine  S  ad  9  in  ejus  longitudiue, 
non  latiore  quam  altoj  capite  depresso  eonvexo,  linea   anteriore  acute  rotundato,  52/3  ad  6  in  lon- 

I  line  corporis;  latitudine  capitis  1  -  ;,  ad  1;! -,  altitudine  2  circiterin  ejus  longitudiue.  rostro,  ver- 
tice  glandulis    parura   conspicuisj    oculis  liberis,    antice  in  dimidio  capitis  posteriore  sitis, 

diametro  G  ad  7  in  longitudiue  capitis,  diametris  2  cireiter  distantibus;  naribus  oculo  multu  ma 
quam  rostri  apici  approxiraatis ,  posterioribus  magnis  oblongis  valvula  claudendis,  anterioribus  pos- 
nibus  multo  mmoribus  in  basi  valvulae  narium  posteriorum  perforatis;  rostro  convexo  basi  non 
vel  vix  latiore  quam  Iongo;  cirris  subaequilongis ,  oculo  non  vel  vix  longioribus,  basi  compressis  la- 
tiusculis;  maxilla  inferiore  plana  aeie  ante  labium  inferius  deflexum  prominente;  operculo  postice 
rotundato  margine  inferiore  concavo;  dentibus  pharyngealibus  10  p.  m.  uniseriatis  conieis  acatis 
parum  curvatis;  ano  in  dimidio  corporis  posteriore  perforato,  pinnae  anali  magis  quam  basi  ventra - 
liuin  approximate  ;   linea  Iaterali  rectiuscula  singulis  squami3  tubulo    simplice   notatas    ventre  us 

ventrales  alepidotoi  squamis  corpore  leviter  unicarinatis ,  margine  libero  anacanthis  in- 
ibus  70  p.  m.  in  linea  Iaterali,   ü   p.  m.  in   serie  transversali  radium  dorsalem  1'"  inter 
it    lineam    lateralem,    22  p.  m.  in  -  itudinali    verticem  intérêt  pinnam  dorsalem.-    squamis 

nuchalibus,  postaxillaribus  et  gastro-analibus  squamis  cetero  corpore  minoribus;  pinna  dorsali  paill- 
ante insertionem  pinnarum  ventralium  incipiente,  acuta,  leviter  emarginata,  corpore  altiore,  paulo 
breviore  quam  alta;  pinnis  pcctoralibus  antice  et  postice  rotundatis  apici  angulatis  pinnas  ventrales 
non  attingentibus;    ventralibus    antice    rotundatis,    apici   angulatis,    pcctoralibus   paulo  brevioribus, 

ilem  non  attingentibus.    anali  acuta  emarginata,    corpore  non  vel  paulo   humiliore,    altiore  quam 
basi  longa;  caudali  profunde  emarginata,  lobis  acutis,  inferiore superiore vulgo longiore 5 fere ad 5 
in  longitudiue  corporis'  colore  corpore  superne  f uscescen te-vel  aurantiaco-olivaceo,  inferne  dilute  roseo; 
dorso  fasciis  1  vel  5  latis  diffusis  fuseis  ;  iride  coerulescente  margine  pupillari  late  aurea  ;  pinnis  roseis, 
.!:,  pectoralibus  et  ventralibus  dimidio  anteriore,  caudali  lobo  inferiore  fere  totis  fuseis. 

11.  3.  D.  3  a  vel  3  0.  P.  5,  8  1  vel  5  9/1  ad  7  10  1.  V.  2  7.  A.  3  5  vel  3  G.  C.  6, 17  G  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Salusur  Sundan, 

Hab,  Java  (Batavia,   Tjampea,  Ngantang),  in  fluviis. 
Sumatra  (Laliatl,  in  fluviis. 

Longitudo  8  speciminum  55'"  ad  00'". 


95 

Aanm.  Homaloptera  salusur  verschilt  van  Iloinaloptera  occllata  Van  Hass.  slechts 
zeer  weinig.  Men  kan  haar  echter* onderkennen  aan  haren  smalleren  kop,  wiens 
breedte  l2/s  tot  l3/5  maal  gaat  in  zijne  lengte,  terwijl  die  breedte  bij  Homaloptera  ocel- 
lata  slechts  l'/i  tot  l1  5  maal  gaat  in  de  lengte  des  kops.  Bovendien  zijn  de  schub- 
ben bij  onderwerpelijke  soort  geheel  gaafrandig,  terwijl  het  ligchaam  er  slechts  dwarsche 
banden  heeft,  althans  bij  mijne  voorwerpen,  en  niet  de  scherp  geteekende  en  geel 
geringde  ronde  bruine  vlekken  op  den  rug -van  Homaloptera  ocellata.  Het  verschil 
in  de  breedte  van  den  kop  is  bij  voorwerpen  van  beide  soorten  zeer  in  het  oog 
vallend  en  drukt  zich  ook  uit  in  den  slankeren  snuit,  die  langer  schijnt  te  zijn, 
doordien  zijne  breedte  aan  de  basis  zijne  lengte  niet  of  naauwelijke  overtreft. 

Homaloptera  Valenciennesi  Blkr,   Valenciennesche  Saloesoer. 

Horaal.  corpore  breviore,  capite  breviore,  rostro  obtusiore,  oculis  minoribus  et  magïs  distan tibns,  pin- 
nis paribus  niagis  rotundatis,  anali  humiliore  et  magis  rotundata,  quam  in  Homaloptera  ery throrhina ; 
pinnis  peetoralibns  ellipticis  ventrales  attingentibus ;  caudali  emarginata;  squamïs  70  in  serie  longi- 
tudinalij  ventre  alepiJoto;  linea  laterali  valde  conspicua,  recta;  colore  corpore  rufescente,-  dorso  post 
pinnam  dorsalem  maculis  5  rotundis  nigris  et  ante  pinnarn  dorsalem  maculis  3  nigris  nebulaefor- 
mibuS;  vertice  nigro  punctatO;  vitta  operculo-caudali  nigra;  pinnis  nigro  maculatis  vel  vittatis;  p?c- 
toralibns  et  caudali  aurantiaco  tinctis. 

D.  9.  P.  17.  V.  9.  A.  G.  C.  23. 

Syn.     Balitora  ocellata    Val,    Pois3.  XVIII  p.  73.  Blkr  Over  eenige  soort,  van  Homalopt.  Nat.  T. 
N.    lnd.    IV    p.    157. 
Balitore  ocellê  Val.,  1.  c. 

Hab.  Java  (Buitenzorg) ,  in  flnviis. 

Longitudo  speeiminis  descripti  2  poll.  S  lin.  par. 

Aanm.  De  soort,  door  den  heer  Valenciennes  onder  den  naam  van  Balitora  ocellata 
beschreven,  is  niet  dezelfde,  welke  Van  Hasselt  onder  dien  naam  had  aangeduid. 
Zij  verschilt  daarvan  niet  alleen  door  den  overlangschen  ligchaamsband,  maar  ook 
doordien  er  de  borstvinnen  tot  aan  de  buikvinnen  reiken.  Aangezien  van  Homa- 
loptera ocellata  V.  Hass.  reeds  in  1S33  eene  afbeelding  is  openbaar  gemaakt  dooi- 
den hootdeeraar  J.  Van  der  Hoeven,  heb  ik  voor  de  hier  beschrevene  soort  den  naam 
van  den  heer  Valenciennes  gekozen,  die  haar  het  eerst  heeft  bekend  gemaakt  en 
van  wiens  beschrijving  het  bovenstaande  eene  verkorte   vertaling  is. 

Balitora  Erucei  komt  mij  voor  het  naaste  aan  Homaloptera  Valenciennesi  verwant 
te  zijn. 


90 

Homaloptera    erytkrorhina   V.  Hass.,  Blkr,   Over  eenig.  soort.  v.   Ho- 
malopt.  Nat.  Tijdschr.  Xed.  Ind.  nr  p.  157.  lloodncuzige  Saloesoer . 

I  i  depresso,  acque  latoacalto,  altitudine  C  in  ejus  longitudine;  rostro  acuto 
ice  rotuodato  ;  capite  plus  quant  6  in  longitudine  corporis;  oculis  diametro  C  circiter  in  longitu- 
dine capitis,  minus  diametris  3  distantibus;  naribus  oeulo  valde  approximatif;  cirris  G,  rostralibus 
ramaxillaribus  bn  <  ioribus;  dentibus  pharyngealibus  uniseriatis  p,  m,  .">;  pinnis  extensis  rhomboideo- 
rotuudatis,  radio  1°  ceteris  fortiore;  dorsali  emarginata;  pectoralibus  ventrales  aon  attingentibus  ; 
ventralibus  dorsali  oppositis;  anali  longitudine 2  in  ejus  altitudine;  caudali  profunde  emarginata  lobis 
:. cutis  aeq  inali,  carinatis,  carinis  îuarjnem  liberum  superantibu3 

unù  quasi  dentatis;  colore  corpora  rufescente;  membrana  oarium  rubra:  piunis  nigricante 

fasciatis  vel  subfasciatis. 

B.  3.  1).  10.  1'.  15.  V.  0.  A.  C.  C.  25. 
Syn,  Ealitora  erytkrorhina  Val.,  Poiss.  XVIII  p.  70  fig    524 
Balitore  à  museau  re  >uge  Vul.,  ibid. 
nviis. 
J,o:  poll.  9.  lin.   paris. 

Aanui.     De  bovenstaande  beschrijving  is  zamengetrokken  en  'vertaald  uit  de  aan- 
gehaalde beschrijving  der  soort  van  den  heer  Valenciennes.     Hij  voegt  er  nog  eenige 
anatomische  bijzonderheden  bij,  welke  ik  bij  alle  mijne   soorten  teruggevonden  heb. 
maag  is  er  een  grootc  dunvliezige  zak,  die  in  een  slechts  weinig  verlengd  darm- 
laal  overgaat.     De  lever  is  er  zeer  klein.     De  ovaria  daarentegen  zijn  zeer  groot, 
wat  ook  bij  de  in  mijn  bezit  zijnde  soorten  het  geval  is.     De  zwemblaas  ontbreekt 
alle  archipelagische  soorten  en  waarschijnlijk  ook  bij  de  zuid-aziatische. 
Alle  moeite,  welke  ik  tijdens  mijne  veelvuldige  togten  in  het  Buitcnzorgsche  ge- 
daan heb,  om  deze  soort  magtig  te  worden,  is  vruchteloos  geweest.     Zij  schijnt  het 
naaste  verwant  te  zijn  aan    Jiomaloptera    ocellata  V.  Hass.    (Homaloptera   polylepis 
Bik  e  de  in  de  omstreken    van    Buitenzorg    nog    de   het    meest    voorkomende 

.  doch  zij  kan  daartoe  niet  worden  teruggebragt. 

Homaloptera  fasciata    V.    Hass.,  Algem.    Konst  en  Letterb.   1823  II 
p.    130.      Gehande  Saloesoer.  Atl.   Cypr.   Tab.  III  fïg.  3. 

Homalopt.  corpore  elongato ,  depresso,  cauda  tantum  compresso,  altitudine  7',-j  ad  S  in  ejus  longi- 

; :io ,    latiore  quam  alto;    capite  depresso  convexo,    linea  anteriore  acutiu  cule  vel  subsemilunariter 

rotundato,    5  ad  5  Va  in  longitudine  corporis;    latitudine  capitis   1  et    paulo,   altitudine  2  fere  ad  2 

,    ia  ;  vi  nice,  rostro  genisque  glandulis  non  vel  parum  conspicuis;  oculis  liberis,   raa- 

i     litis  dimidio  posteriore  sitis,    diametro  -1-3  ad  6  tere  in  longitudine  capitis,    minus 

diametris  L'  distantibus  ;    naribus   oculo  multo  magis  quam  roatri    apici   approxiraatis ,   posterioribus 

ralvula  claudendis,  anterioribus  posterioribus  multo  minoribus,  in  basi  valvulae  na- 

!    posteriorum    perforatis  ■  rostro   couvexo    basi    sat    multo    latiore   quam  longo :    cirris  gracilibua 


97 

• 

isis  rostralibus  mediis  ceteris  brevioribus,  aupramaxillaribus  ceteris  paulo  longioribus  oculo  bre- 
vioribus;  niaxilla  inferiore  plana  acie  cum  labio  inferiore  unita;  operculo  postiee  rotuadato  margine 
inferiore  rectiusculo  vel  convexiusculo;  dentibus  pharyngealibus  uniseriatis  parvis  conicis  parum  cur- 
vatis  p.  m.  S'  ano  in  dimidio  corporis  posteriore  perforato,  pinnae  anali  raagis  quam  basi  ventralium 
approximate;  linea  laterali  rectiuscula,  singulis  squamis  tubulo  simplice  notuta,  basi  pinnae  eaudalis 
non  sursura  curvata;  ventre  ante  pinnas  ventrales  alepidoto;  squamis  non  carinatis,  margine  libero 
non  dentatis  integris,  lateribns  40  p.  m.  in  serie  longitudinal!,  5  in  serie  transversali  radium  dor- 
salern  lm  inter  et  lineara  lateralem,  21  vul  "2  in  serie  longitudinal!  vertieem  inter  et  pinnam  dor- 
salem  ;  squamis  interventralibus  et  corpore  anteriuri'ous  squamis  caudalibus  conspicue  minoribus; 
pinna  dorsali  tota  vel  tota  tere  post  basin  ventralium  sita,  acuta  vel  acutiuscula  ,  non  vel  parum  emar- 
i,  corpore  non  vel  paulo  tantum  altiorc,  breviore  quam  alta  pinnis;  pectoralibus.  et  ven- 
tralibus  oblique  obtuse  rfltundatis,  pectoralibus  ventralibus  majoribus  basin  ventralium  attingentibus, 
ventralibus  analem  non  attingentibus;  anali  acuta.,  non  emarginata,  corpore  bumiliore,  altiorequam 
basi  longa;  caudali  semilunariter  emarginata,  lobis  acutis  inferiore  supeiïore  longiore  42;3ad  58/3in 
longitndine  corporis;  colore  corpore  superne  aurantiaco-olivaceo,  iuferne  aurantiaco-roseo  vSI  mar- 
garitaceo-roseo;  iride  violascente-coerulea  margine  pupillari  aurea;  faseüs  corpore  fuscis  latis  trans- 
versis  diffusis  approximatis  5  vel  fi;  pinnis  aurantiaco-roseis  vel  rubris,  dorsali  et  anali  vittis  2  v. 
3  longitudinalibus,    pectoralibus,  ventralibus  caudalique  vittis  2  vel  ."  transversis  fuscis  diffusis. 

B.  3.  D.  2  7  vel  2  8.  P.  CIO  1  vel  C  9,  1.  Y.  2  7.  A.  2  ó.  C.  7  L7  Ü  vel  G  17  5,  lat.  brev.  inclus. 

Syn.    Homaloptera    Wassinhii  Blkr,  Over  eeuige  nieuwe  soort,  van    Homaloptera,    Nat.    Tijdschr. 
Ned.  Ind.  IV  p.  163. 
Salusur   Sundan. 

Habit.  Java  (Tjampea,   Buitenzorg,  Kediri),   in   fluviis. 
Sumatra  (Lahat),  in  fluviis. 

Longitudo  14  speciminum  40°    ad  57 

Aanrn.  Bij  slechts  twee  soorten  van  Homaloptera  mijner  verzameling  is  de  rug- 
vin achter  de  buikvinnen  ingeplant,  t.  w.  bij  Homaloptera  fasciata  en  Homaloptera 
gynuogaster.  Deze  beide  soorten  hebhen  nog  met  elkander  gemeen,  dat  de  buik 
er  tot  tusschen  de  buikvinnen  geheel  schubloos  is  en  dat  de  schubben  des  ligchaatus 
er  ongetand  zijn.  Overigens  verschillen  beide  nog  aanmerkelijk  van  elkander,  door 
de  grootte  der  schubben  en  der  borstvinnen ,  en  Homaloptera  fasciata  is  volkomen 
goed  herkenbaar  daaraan,  dat  zij  slechts  45  schubben  heeft  op  eene  overlangsche 
rei  en  dat  er  de  borstvinnen  tot  op  den  grond  der  buik  vinnen  reiken. 

Aangezien  mij  uit  eene  door  Van  Hasselt  nagelatene  teekening  gebleken  is,  dat  hij 
onderwerpelij ke  soort  heeft  gekend  en  dat  zij  dezelfde  is  als  die,  welke  hij  ter  boven 
aangehaalde  plaatse  onder  den  naam  van  Homaloptera  fasciata  aanduidde,  heb  ik  ge- 
meend, hoezeer  ook  de  soort  het  eerst  door  mij  beschreven  is,  den  door  Van  Hasselt 
voorgestelden  soortnaam  te  moeten  herstellen.  Ik  had  haar  vroeger  genoemd  naar 
den  heer  Dr.  G-  Wassink,  thans  chef  der  geneeskundige  dienst  in  Nederlandsch 
Indië,  door  wiens  welwillendheid  ik  in  het  bezit  werd  gesteld  van  de  eerste  voor- 
werpen, welke  ik  van  de  soort  waarnam. 

13 


• 

Bij  Platj'cara  lissorhychos  McCl.  schijnt  de  rugvin  ook  een  weinig  achter  de  buik- 
vinnen te:  beginnen  en  de  afbeelding  dier  soort  vertoont  slechts  36  schubben  op  eene 
overlangsche  rei.  Zij  verschilt  echter  van  Homaloptera  fasciata  door  een'  eigenaar- 
digen  zuigtoestel  aan  de  ondervlakte  van  den  kop  achter  de  mondopening,  waardoor 

zij  zelfs  tot  een  van  Homaloptera  verschillend  geslacht  te  brengen  is. 

Homaloptera  gymnogaster  Blkr,  Over  eenige  nieuwe  soort  van  Homa- 
loptera, Kat.  T.  N.  Ind.  IV  p.  103. — Kaalbuikige  Saloesoer. 
Atl.   Cypr.   Tab.   III  %.   G. 

Homalopt.  corpore  elong  ito  depresso,  eau  da  tantum  eompresso,  altitndine8'/2  circiter  in  ejus  I.-in^i in- 
cline, iatiore  quam  alto;  capite  depresso,  eonvexo,  linea  anteriore  obtusiuscule  rotundato,  G  circiter 
in  longitudine  corporis;  latitudine  capitis  l1  3  circiter,  altitudine  2  circiter  in  ejus  longitndine;  vertice, 
rOstro    .  ■       que  duli.-i    non  conspicuis;  oculis  liberis,  maxima  parte  in  capitis  dimidio  posteriore 

sitis,  diitm  tro  G  ad  G'/g  in  longitudine  capitis,  minus  diametris  2  distantibus;  naribus  oculo  multo 
is  quam  rostri  apici  approximates ,  posterioribus  magnis  oblongis  valvulaclaudcndis,  an-crioribus 
posterioribus  multo  minoribus,  in  basi  valvnlae  naritim  posteriorum  perfbratis  ;  rostro  convexo, 
sat  multo  latiore  quam  Iongo;  cims  gracilibus  Subaequalibus oculo  paulo  brevioribus;  maxilla infe- 

t'e  plana  aeie  cum  labio  inferiore  imita;  operculo  postice  rotundato  margine  inferiore  eoneavo; 
dentibus  pharyngealibus  uniseriatis  parvis  conicis  acutis  param  eurvatis  p.  m.  8;  ano  in  posteriore 
dimidio  corporis  perforato  pinnae  analivalde  approximate;  linea  lateral! rectiuscula,  singulis  squamis 
tubulo  simplice  notata ,  basi  pinnae  caudalis  non  sursum  cur  vat  a  ;  ventre  an  te  et  post  pinnas  ventrales 
1;  squamis  non  carinatis,  margine  libero  non  dentatis  integris,  lateribus  70  p.  m.  in  serie 
itiidiiiali,  5  vel  6  i  serie  tranversali  radium  dorsalem  1'»  inter  et  lineam  lateralem,  28?  p.  m. 
in  serie  longitudinal!  verticem  inter  et  pinnam  dorsalem;  squamis  nucljalibus  squamisque  lateraljbus 
anterioribus  squamis  caudalibus  conspicue  minoribus;  pinna  dorsali  to  ta  ejus  longitudine  paulo  post 

in  pinnarnm  ventralium  sita,  acuta,  parum  emarginata,  corpore  altiore,  breviore  quam  alfa;  pinnis 
pectoralibus  et  ventralibus  oblique  obtuse  rotundatis ,  longitudine  subaequalibus ,  pectoralibus  ventrales 
non,  ventralibus  analem  non  attingentibus;  anali  acuta,  non  vel  parum  emarginata,  corpora  non  humi- 
liore,  altiore  quam  basi  longa;  caudali  semilunariter  emarginata,  Lobjs  acutis  inferiore  superioro  vix 
longiore  5  circiter  in  longitudine  corporis;  colore  corpore superneaurantiaco-olivaceo, vel  fuscescente*- 
olivaceo,  iuferne aurantiaco-vel  margaritac  1;  iridevjolascente-coerulea,  margine pupillari aurea ; 

pinnis  nurantiaco-roseis  vel  roseis,  caudali  medio  diffuse  traDSversim  fusco  fasciata. 

lï.  0.  D.  2/7  vel  2  8.  P.  5  9  1  vel  5  10  1.  V.  ?  7.  A.  2  G.  C'.  6  17  G  vel  G  17  7,  lat.  brev.  incl. 

1!   .i    Sumatra  (Meninju),  in  lacu. 

Longilud  1  spi  cininis  un  ici  75". 

Aanni.  Doze  soort  heb  ik  tot  wo™  toe  slechts  van  Sumatra  «ntvangen  in  een  enkel 
voorwerp,  afkomstig  uit  het  meer  van  Meninjoe,  en  mij  geschonken  door  de  beroemde 
reizigster  wijlen  Ida  Pfeiffer.  De  soort  is  zeer  gemakkelijk  herkenbaar  aan  hare  ach- 
terwaartsche   inplanting  der  rugvin  en  talrijke  schubben  op  eene  overlangsche  rei. 


S  U  B  F  A  M  I  L  I  A    III     C  Y  P  R I  N  I  F  0  R  M  E  S. 
KARPERVORMIGEN. 


Cyprinoidei  corpore  oblongo  vel  elongato  compresso,  vulgo  squa- 
moso,  squamis  cycloideis.  Caput  plus  minusvc  compressum  alepido- 
turn.  Cirri  nunquam  plus  quam  4,  frequenter  nulli.  Rictus  latera  ca- 
pitis attingens  vel  subattingens.  Dentés  pharyngeals  varias  formas 
referentes,  uni- ad  tri-seriati.  Pseudobranchiae  pectiniformes  vel  glan- 
dulaeformes.  Apertura  branehialis  lata.  Pinnae  pectorales  et  ventra- 
les nunquam  disciformes,  pectorales  radio  superiore  tantum  simplice. 
Vesica  natatoria  bipartita. 

Aanrn.  De  Cyprinifovnies  zijn  de  karperachtige  visschen  bij  uitnemendheid. 
Wat  door  de  meeste  schrijvers  over  Cyprinoïden  geschreven  is,  heeft  uitsluitend  of 
nagenoeg  uitsluitend  betrekking  tot  deze  subfamilie,  en  zoo  hebben  ook  de  aan 
het  hoofd  van  dit  deel  gegevene  schetsen  van  den  ontwikkelingsgang  der  kennis  van 
de  Cyprinen  voornamelijk  betrekking  tot  de  Cypriniformes.  Zij  bevatten  dan  ook 
meer  dan  negen  en  een  half  honderd  bekende  soorten ,  terwijl  men  er  van  de 
beide  andere  subfamiliën  te  zamen  noor  geene  honderd  kent. 

Terwijl  de  Cobitiforaes  en  Homalopteraeformes  tot  twee  werelddeelen  van  het 
oostelijk  halfrond  zijn  beperkt,  ziet  men  de  Cypriniformes  zich  niet  alleen  ook  over 
geheel  Afrika  verbreiden,  maar  zij  bewonen  ook  bijkans  geheel  Noord-Amerika  en 
dat   zelfs  nog  in  zeer  talrijke  soorten. 

De  studie  van  de  geograpische  verbreiding  der  Cyprinoïden  levert  de  belangrijkste 
uitkomsten   op  ten  opzigte  van  de  Cypriniformes. 

In  nog  mindere  mate  dan  de  zoetwater-Siluren  hebben  de. Cyprinen,  in  het  alge- 
meen, de  grenzen  kunnen  overschrijden,  haar  door  de 'natuur  gesteld.  Er  zijn 
geene  soorten  onder  ze,  die  zich  vrijwillig  buiten  het  water  begeven  of  lang  buiten 
het  water  kunnen  leven.  Zij  zijn  er  ook  niet  op  gebouwd,  en  zoo  al  vele  Cobitifor- 
mes  zich  insgelijks,  hoezeer  met  minder  gemak  dan  de  Siluren ,  in  eene  bepaalde 
rigting  buiten  het  water  kunnen  bewegen ,  is  hun  ademhalingsstelsel  er  niet  op 
ingerigt,  oui  de  hoeveelheid  water  te  bevatten  en  te  behouden,  noodig  tot  eene 
eenigzins  gerekte  bevochtiging  der  kieuwen. 


100 

Desniettegenstaande  is  de  geograpische  verbreiding  van  sommige  soorten  zeer 
groot,  zelfs  van  de  zoodanige,  van  welke  gecne  kunstmatige  overplanting  te  vermoeden 
is,  en  noodzakelijk  moet  men  daarbij  denken  aan  eenc  gelijktijdige  schepping  dei- 
soorten  in  de  stroomgebieden  waarin  ze  thans  nog  leven.  Aan  dun  anderen  kant 
is  het  ook  voor  de  Cvpriniformes  waar,  dat  geene  enkele  soort  der  oude  wereld 
tevens  natuurlijk  voorkomt  in  de  nieuwe  wereld,  en  dat  in  beide  halfronden  de 
grenzen  der  verschillende  soorten  en  geslachten  soms  zeer  scherp  zijn  gesteld. 
Zelfs  de  geslachten  zijn,  bijkans  zonder  uitzondering,  in  de  beide  wereldhelften 
verschillend. 

Slechts  van  Acomus,  Lcuciscus,  Alburnus  en  Gobio  vindt  men  soorten  zoowel  in 
de  oude  als  in  de  nieuwe  wereld. 

leder  groot'  gewest  heeft  voorts  niet  alleen  zijne  hem  eigene  soorten  maar  ook 
nergens  anders  voorkomende  geslachten  aan  te  wijzen.  Zoo  vindt  men,  om  uit 
de  talrijke  voorbeelden,  welke  men  zich  uit  het  te  geven  algemeen  overzigt  der 
soorten  zelf  kan  kiezen,  eenige  weinige  meer  bepaald  aan  te  wijzen,  Epalzeórhyrfchos 
slechts  in  den  Indischen  Archipel,  Abrostomus  slechts  aan  de  Kaap  de  Goede  Hoop, 
Cyprinion  slechts  in  Perzië  en  Syrië,  Pseudogobio  slechts  in  Japan,  Aulopyge  slechts 
in  zuidoostelijk  Europa,  Elopichthys  slechts  in  China,  Esomus  slechts  in  Bengalen 
en  Hindustan,  enz. 

Eene  grondige  herziening  derhonderde  soorten  van  Cvpriniformes  en  der  geslachten  , 
uit  ze  gevormd,  is  noodzakkelijk  te  achten.  Het  is  cene  moeijclijke  taak,  welker 
volvoering  misschien  vooreerst  niet  mogelijk  is  door  het  verspreid  zijn  van  het  ma- 
teriaal in  de  verschillende  museen  van  Europa,  Amerika  en  Azië. 

Ik  heb  die  herziening  bewerkstelligd  voor  alle  soorten,  welke  ik  zelf  bezit,  doch 
vermits  in  deze  gewesten  geen  enkel  ander  ichthyologisch  kabinet  bestaat,  heb  ik 
haar  niet  verder  kunnen  uitstrekken. 

.  Intusschen  ben  ik  door  het  onderzoek  dier  soorten  geleid  tot  de  studie  van  het 
bestaande  litterarisch  materiaal  en  ik  hel)  daaruit  de  overtuiging  erlangd ,  dat ,  even- 
zeer als  de  archipelagische  Cyprinifornies  tot  talrijke  met  groote  juistheid  te  ken- 
merken genera  behooren ,  ook  zeer  vele  der  door  de  verschillende  ichthyologen  in  den 
nieuweren  tijd  opgestelde  buiten-archipelagische  genera,  inderdaad  als  natuurlijke 
geslachten  beschouwd  moeten  worden.  En  zoo  zijn,  zelfs  na  verwerping  van  talrijke 
minder  goed  gevestigde,  mijns  inziens  nog  meer  dan  100  genera  van  Cvprini- 
formes te  behouden. 

Zooals  boven  reeds  is  gezegd,  kunnen  die  talrijke  geslachten  in  twee  groote  groepen 
geplaatst  worden ,  in  die  der  Phalakrognathinen  en  die  der  Cheilognathinen.  De 
geslachten  der  Cheilognathinen  winnen  het  in  talrijkheid  verre  van  die  der  Phala- 
krognathinen  ,  even  als  zij   veel  rijker  zijn  aan  soorten. 


COHOES    I   PHALACROGNATHINI. 
NAAKTKAKIGEN. 


Cypriniformes  maxilla  inferiore  margine  libero  nuda,  labio  inferiore 
non  vestita,  vagina  vel  lamina  cornea  decidua  protecta. 

Nadat  de  heer  Agassiz  in  1S37  het  voorbeeld  gegeven  had,  het  geslacht  Chon- 
drostoma van  de  overige  Cyprinifornies  af  te  zonderen ,  op  grond  van  den  eigenaardigen 
bouw  der  monddeelen,  beproefde  men,  ook  talrijke  buiten- europesche  Cypriniformes 
naar   den  bouw  der  monddeelen ,  onder  verschillende  geslachten  te  brengen. 

Wel  had  reeds  Cuvier  in  1S17  het  geslacht  Labeo  opgesteld,  maar  zijne  kenmerking 
bepaalde  zich,  wat  de  vorming  der  monddeelen  betreft,  tot  de  opgave,  dat  de  lippen 
er  zijn.  vleezig  en  merkwaardig  dik,  aan  welke  diagnose  in  1S2S  nog  werd  toege- 
voegd, dat  de  lippen  er   dikwijls  gekarteld  zijn. 

De  beide  grootste  ichthyologen  van  den  nieuweren  tijd  hadden,  zonder  er  zich  van 
bewust  te  zijn,  in  Labeo  en  Chondrostoma  de  typen  gevonden,  niet,  zooals  zij  meen- 
den ,  van  twee  geslachten ,  maar  van  twee  groepen ,  talrijk  aan  geslachten ,  in  welke 
zich  weldra  meer  dan  200    soorten  zouden  komen  rangschikken. 

Kubl  en  Van  Hasselt  hadden  reeds  van  die  geslachten  opgemerkt ,  bij  hun  on- 
derzoek van  de  merkwaardige  Javasche  vormen  der  Phalakrognathinen.  Zij  reeds 
gevoelden  het  gewigt  van  de  vorming  der  monddeelen  bij  de  verdeeling  der  geslachten , 
doch  hun  vroegtijdige  dood  heeft  hen  belet,  hunne  zienswijze  ten  deze  nader  te  ont- 
wikkelen. Hunne  geslachten  Crossocheilos  ,  Lobocheilos ,  Diplocheilos  en  Labiobarbus 
zijn  niets  anders  als  typen,  verkregen  door  ontleding  der  grondtype  van  Cuvier's 
Labeo. 

De  heer  MacClelland  vestigde,  bij  de  opstelling  van  de  meerdere  zijner  geslachten, 
insgelijks  zijne  aandacht  op  den  bouw  der  monddeelen,  zonderde  bijzonderheden  in 
dien  bouw  echter  naauwkeurig  te  bepalen.  Zijne  genera  Cirrhinus  (met  Labeo  als 
subgenus),  Oreinus,  Gobio  en  Gonorhynchus  omvatten  uitsluitend  Phalakrognathinen; 
Cirrhinus,  Gobio  en  Gonorhynchus  (alle  van  eene  geheel  andere  beteekenis  dan  bij 
Cuvier)  alle  soorten  van  de  grondtype  Labeo,  Oreinus  soorten  van  de  grondtype 
Chondrostoma. 


102 

A.  Smith  vond  in   Abrostoinus  eenc  nieuwe  ondertj'pe  van  Labeo. 

Dan 'ila  en  Llohita,  evenzeer  aan  de.  grondtype  van  Labeo  ontleend  endoorden 
heer  Valenciennes  in  het  jaar  1812  opgesteld,  zijn  onderdeden  van  het  geslacht 
Labiobarbus,    zooals  het  door  Kuhl  en  Van  Hasselt  werd  begrepen. 

lleckel  stelde  in  1842  voor  zijne  genera  Cyprinion,  Scaphiodon,  Gymnostomus, 
Chondrochylus  en  Chondrorhynchus ,  alle  ondertypen  van  Chondrostoma  ;  alsmede 
gnathus  en  Discognathus ," welke  ondertypen  zijn  van  Labeo.  In  1817  voegde 
hij  daarbij  nog  de  geslachten  Dillonia,  Schizopyge  en  Aspidoparia,  welke  evenzeer 
aan  de  grondtype  van  Chondrostoma  zijn  ontleend,  terwijl  hij  zijne  genera  Chondro- 
chilus  en  Chondrorhynchus  tot  het  eigenlijke  geslacht  Chondrostoma  terug  bragt. 

Oak  in  Noord-Amerika  had  men  reeds  in  ISIS  eenc  type  ontdekt,  door  Rafinesque 
met  den  naam  Exoglossum  bestempeld,  welke  na  verwant  is  aan  de  grondtype 
van  Labeo.     Ook  het  geslacht  Pimephales  van  Rafinesque  schijnt  daaraan    verwant 

te  zijn. 

Talrijke  andere  noord-amerikaansche  typen,  in  het  laatste  tiental  jaren  opgesteld, 
schijnen  evenzeer,  wat  den  kaak- en  lipbouw  betreft,  tot  de  grondtype  van  Labeo 
te  behooren ,  zooals  llyborhynchus,  Hybognathus  en  Campostoma  van  den  heer 
Agassiz;  Lavinia,  Dionda,  Algoma,  Orthodon,  Algansea,  Siboma  en  Cliola  van 
den  heer  Girard;  Cochlognathus  van  de  hecren  Baird  en  Girard;  en  Mylocheilus 
en  Mylopharodon  van  den  heer  Ayres. 

\lle  deze  geslachten,  hoezeer  door  den  bouw  der  monddeelen  aan  Labeo  ver- 
want,  naderen  door  hun  tandenstelsel  meer  tot  de  grondtype  Chondrostoma  en  meer- 
dere hunner  zijn  zelfs  door  de  hoeren  Agassiz  en  Girard  opgebragt  als  Chondro- 
stominen, hoezeer  de  zin  dier  groep  niet  gelijk  is  aan  dien,  welke  in  dezen  arbeid 
daaraan  is  gehecht. 

lleckel  heeft  in  de  //  Nachtrag  zur  Charakteristik  und  Classification  der  Cyprineé'n- 
Gattungen"  de  genoemde  grondtypen  van  Labeo  en  Chondrostoma  zeer  goed  on- 
scheiden  ,  maar  hij   heeft  ze  geen'  naam  gegeven. 

Voor  wie  in  de  hier  opgesomde  genera  slechts  de  geslachten  Labeo  Cuv.  en  Chon- 
drostoma Ag.  zou  willen  erkennen,  zou  de  groep  A  van  Heckel's  Temnochilae  Labeo, 
de  groep  1!  der  Temnochilae  Chondrostoma  voorstellen. 

Ik  neem  die  groepen  als  natuurlijke  groepen  aan  en  noem  ze  naar  hare  grondt) [ten 
Labeoninen  en  Chondrostominen. 

Maar  bovendien  erken  ik  in  die  groepen  nog  meerdere  generische  typen  ,  deels 
aan  andere  ichthyologen  onbekend  gebleven,  deels  ook  door  hen  over  het  hoofd 
gezien.  Deze  typen  zijn,  voor  de  Labeoninen  de  geslachten  Epalzeorhynchos,  üis- 
cognathichthys.  Diplocheilichthys,  Schismatorhynchos,  Rohitichthys ,  Barbichthys, 
Morara,  Opistocheilos,  Tseudogobk»,  Scmiplotus;  —en  voor  de  Chondrostominen 
de  genera  Mrigala  en  Achcilognathus. 


Over  alle  deze  geslachten  wordt  hieronder  nader  gehandeld. 

Ik  moet  hier  nog  aanteekeuen  dat,  alhoewel  mijne  Phalakrognathinen  aan  Meckel's 
Temnochilae  beantwoorden,  Ileckel's  benaming  even  als  zijne  diagnose  daarvan 
»  maxilla  inferiorc  in  adem  cartilagineam  attenuata"  minder  juist  zijn,  aangezien 
de  onderkaak  bij  eenige  geslachten ,  zooals  Lobocheilos ,  in  stede  Van  met  een"  sche:  - 
pen  rand  te  eindigen ,  buitengemeen  dik  en   stomprandig  is. 


ST.IRPS    I.    LABEONINI. 
LIPKARPERS. 


Cypriniformes    phalacrognathini ,    labio   inferiore    vario    modo   con- 
structs, reflexo. 

Aanni.  De  Labeoninen  omvatten  alle  Phalakrognathinen,  bij  welke  eene  onderlip 
aanwezig  is,  welke,  verschillend  gebouwd,  echter  altijd  dit  kenmerkende  heeft,  dat  zij 
den  vrijen  rand  der  onderkaak  niet  bereikt  en  van  de  ondervlaktc  der  onderkaak 
teruggebogen  of  teruggeslagen  is. 

De  afdeeling  A  der  Tcmnocheilac  van  Ileckel  omvat  slechts  de  geslachten  met  diïe- 
reijige  plaveiselgewijzc  kcclgatstandcn  en  heeft  alzoo  eene  meer  beperkte  betcekenis 
dan  de  Labeonini,  tot  welke  hier  ook  alle  noord-amerikaansche  Phalakrognathinen 
gebragt  zijn,  welke  in  dentitie  alle  van  de  Labeoninen  der  oude  wereld,  Japan 
uitgezonderd,  verschillen. 

Men  kan  de  Labeoninen  'naar  het  tandcnstclsel  in  twee  groepen  splitsen.  Alle  ge- 
slachten der  oude  wereld,  met  uitzondering  slechts  van  Pscudogobio  van  Japan, 
hebben  u  dentés  aggregati  triseriati"  en  twee  tot  vier  voeldraden,  terwijl  bij  de  aitie- 
rikaansche  Labeoninen  de  plaveiselgewijzc  rangschikking  der  tanden  standvastig 
ontbreekt  en  de  tanden  zelve  in  slechts  eene  enkele  of  dubbele  rei  zijn  geplaatst 
(misschien  slechts  met  uitzondering  van  Mylopharodon  Ayr.  en  Mylocheilus  Ag. 
omtrent  welke  van  eene  afvallige  derde  rei  gesproken  wordt). 

Van  de  Labeoninen  der  oude  wereld  heb  ik  de  geslachten  Epalzeorhynchos ,  Cros- 
socheilos,  Diplocheilichthys,  Lobocheilos,  Schismatorhynchos,  Morulius,  Larbich- 
tliys  en  Morara  naar  de  natuur  kunnen  onderzoeken  en  ik  ben  daardoor  overtuigd 
geworden  van  het  hoog  gewigt  voor  de  generische  rangschikking  van  den  bouw 
der  lippen  en  kaken. 

e  herziening  der  overige  geslachten  van  de  Labeoninen,  naar  de  van  ze  bekend 
:vens,  heeft  mij  geleid  tot   het  beproeven  van   hunne  meer  juiste  be- 
paling en  liet  is  mij  daarbij   noodzakelijk  voorgekomen,  van  3ommige  dier  geslachten 
enkele  soorten  af  te  zonderen  en  ze  tot  eigene  generische  typen  te  brengen.     Hiertoe 
toren  de  geslachten  Ilohitichthys,  Opistocheilos,   Semiplotus  en  Pseudogobio. 


105 

Heeft  de  meer  naauwkeurige  kennis  van  zoovele  soorten  van  Labeoninen  toegelaten 
het  meer  bepaald  omschrijven  van  meerdere  generische  typen,  die  kennis  heeft  ook  haar 
licht  teruggekaatst  op  vele  soorten,  vooral  de  door  Buchanan  en  den  heer  MacClelland 
van  Bengalen  bekend  gemaakte,  welker  beschrijvingen  te  kort  of  welker  afbeel- 
dingen te  gebrekkig  zijn,  om  daarnaar  alleen  hare  generische  verwantschappen  te 
bepalen.  Ik  heb  getracht  die  soorten  tot  hare  juiste  geslachten  terug  te  brengen, 
en  hoezeer  vopr  vele  de  gegevens  daartoe  onvoldoende  waren ,  geloof  ik  aan  vele  an- 
dere Buchanansche  en  MacClellaudsche  soorten  hare  ware  betcekenis  te  hebben 
teruggegeven. 

De  Labeoninen  zijn  onder  de  Cypriniformes  het  naaste  verwant  aan  de  Ilomalo- 
pteraeformes  en  Cobitiformes.  Deze  subfamiliën  zouden,  wegens  bouw  van  de  onder- 
kaak  en  lippen,  tot  de  Labeoninen  behooren,  indien  kenmerken  van  eene  hoogere 
orde  ze  niet  in  groepen  van  hoogere  waarde  deden  plaatsen. 

De  geslachten,  welke  het  naast  in  verwantschap  staan  met  de  genoemde  subfa- 
miliën, zijn  Epalzeorhynchos ,  Crossochcilos,  Blatycara,  Discognathus  en  Discogna- 
thichthys. 

De  soorten  en  geslachten  der  Labeoninen  zijn  veel  talrijker  dan  die  der  Ckon- 
drostomiuen.     Zij   maken  ongeveer  75  pCt.  uit  van   alle  Pha]  .1. 

Betrekkelijk  het  talrijkste  zijn  zij  op  de  Soenda-eilanden,  van  waar  reeds  43 
soorten  bekend  zijn.  liet  vaste  land  van  Azië  voedt  meer  dan  70  bekende  species 
en  ook  Noord-Amciïka  heeft  nog  meer  dan  50  soorten  aan  te  wijzen.  In  Afrika 
evenwel  zijn  zij,  volgens  ons  tegenwoordig  weten,  veel  zeldzamer  en  slechts  13  in 
getal,  terwijl  zij  in  Europa  volstrektelijk  ontbreken. 

Eene  nadere  bepaling  der  geslachten  van  de  Labeoninen  der  oude  wereld  is, 
met  de  bestaande  gegevens,  weinig  moeijelijk. 

Voortreffelijke  kenmerken  vindt  men  in  den  bouw  van  den  achtersten  onverdeelden 
rugvinstraal,  in  zijne  beenachtigheid  of  niet  beenachtigheid,  in  zijn  getand  of  tan- 
deloos 'zijn. 

Andere  uitmuntende  kenmerken  zijn  gelegen  in  het  gekarteld  of  niet  gekarteld 
zijn  van  den  vrijen  rand  van  den  snuit;  in  de  snuitgroeven  cu  zijdelijke  snuit- 
aanhangsels;  in  het  al  of  niet  vereenigd  zijn  van  de  bovenlip  met  de  onderlip  en 
de  wijze  van  die  vereeniging;  in  de  gedaante  en  rigting  der  achterlipsgroeve  of 
groeven;  in  de  gedaanteen  de  geaardheid  der  kaken  zelve;  in  de  kin:;-  ';   in 

de  gedaante  der  lippen  en  haar  gefranjed  of  niet  gefranjed  zijn;  in  de  geaardheid 
der  aarsschubben  ,  enz.  De  voeldraden  en  de  bijzonderheden  van  het  tandenstelsel  ko- 
men bij  de  Labeonineu-geslachten  der  oude  wereld  slechts  in  de  tweede  plaats 
in   aanmerking. 

Moeijelijker,  althans  naar  de  bestaande  gegevens,  schijnt  de  juiste  bepalin"  der 
geslachten  van  Noord-Amerikaansche   Labeoniuen.     liet  is  ook  de  vraag,  of  zij  alle 

14 


îoe 

kunnen  behouden  blijven,,  en  indien  ik  ze  hieronder  alle  opvoer,  is  het  meer  omdat 
de  gegevens  ontbreken  om  over  hunne  waarde  beslissend  uitspraak  te  doen.  Naai- 
de bestaande  gegevens  te  oordeelen  zijn  vele  dier  geslachten  op  kenteckenen  gegrond, 
welker  generisrhe  waarde  zeer  aan  betwisting  bloot  staat,  doch  het  kan  zijn,  dat 
andore  meer  gewigtige  kenmerken  zijn  over  het  hoofd  gezien,  even  als  zulks  met 
vele  geslachten   van  Labeoninen  van  het  oostelijk  halfrond  het  geval   is   geweest. 

Van  de  voortreffelijke  natuuronderzoekers,  welke  die  geslachten  hebben  doen  ken- 
nen en  thans  nog  in  Noord-Amerika  leven,  mag  gewis  een  meer  uitvoerig  onderzoek 
van  de  talrijke  door  hen  ontdekte  soorten  te  genioet  worden  gezien. 

De  geslachten  der  Labeoninen  laten  zich  overzien  als  volgt. 

1  Denies  pharyngeals  triseriati.  Corpus  scpiamatum. 
a.  Pinna  dorsalis  anacantha. 

1.  Rostrum   margine    libero    crenatum.   Rictus   parallelogrammicus.  Cirri    2 
ad  4.  Squamae  magnae. 
au.  Labium  inferius  cum  labio  superiore  unitum. 

*  Rostrum  integrum  utroque  latere  processu  conico  mobili  munitum: 
Mentum  disco  suctorio  nullo. 

Epahcorhynchos  Blkr. 
*'  Rostrum  sulco  transverso  bipartitum,  lateribus  processu  nullo.  Men- 
tum disco  suctorio. 

Discognatlnis  Heck,  (ex  parte). 
bb.  Labium  inferius  cum  labio  superiore  non  unitum.  Rostrum  integrum 
processubus  nullis.  Mentum  disco  suctorio  nullo. 
Crossochellos  V.   Hass.    Blkr. 
1.  Rostrum  margine   libero  non  crenatum. 

aa.  Mentum    disco   suctorio.     Rostrum  integrum.     Labium   inferius  cum 
labio  superiore  unitum.  Squamae    magnae. 
Biscognatliichtltys  Blkr. 
bb.  Labium  inferius  lobum  vario  modo  circumscriptum  sed  non  discum 
suctorium  efficiens.     Squamae  magnae. 

*  Rostrum  sulco  profundo  longitudinali  bipartitum. 

Platycara  McCl. 
Rostrum   sulco   longitudinali  nullo.  Maxilla  inferior  incrassata  car- 
noso-cartilaginea. 

§  Labium  inferius  cum  labio  superiore  non  unitum.    Rostrum  sul- 
co transverso  bipartitum.     Cirri  4. 

Sc/iis matorliynchos  Blkr. 
Labium   inferius  cum  labio   superiore  unitum,  continuum.  Cirri 
2   ad  4. 


107 

û    Labium  superius  cum  labii   inferions   margine  anteriore  con- 
tinuum. 

*  Rostrum   utroque  latere  lobo  munitum.     Os  suborbitale  an- 
terius  sat  lon^e  ante  orbitam  situm. 
Labeo  Cuv.,   Blkr. 
;ss  Rostrum  non  lobatum, 

f  Rostrum    sulco   transvero    bipartitum.     Labium    inferius 
crenulatum. 

Tijlognatlms  Ileck. 
f  Rostrum   integrum.    Labium    inferius    non     crenulatum , 
Os  suborbitale  anterius  orbitae  approximatum. 
Diplocheilicldhys  Blkr. 
ô'  Labium  superius  facie   labii  inferioris    superiore  intra  raargi- 
nem  insertum. 

Lobocheilos  V.  Hass.,  Blkr. 
cc  Labium   inferius  simpliciter    reflexum,    nee    lobatum    nee   disciferum. 
Squamae  magnae  vel  médiocres. 

:'  Labia  fimbriata  vel  crenulato-papillata.   Cirri  4  ad  2. 
§  Labia  superius  et  inferius  fimbriata.  Rictus  ore  aperto  ovalis. 
û  Sulci  postlabiales   2   longitudinales    istlimo    lato  distantes.  Os 
suborbitale  anterius  orbitae  approximatum. 
Boàita  Val. 
ô'  Sulcus   postlabialis  unie  us  transversus  semilunaris.  Os  subor- 
bitale anterius  sat  longo   ante  orbitam  situm. 

Morulius  Bucli.,  Blkr.  :=!    Chrysopkekadion  Blkr. 
V  Labium   inferius  tantum  fimbriatum.  Os  suborbitale  anterius  sat 
longe  ante  orbitam  situm. 

Rohitichtligs  Blkr. 
§   Labium  superius  tantum  papillatum.  Rictus  ore  aperto  subparallelo- 
grammicus.  Maxilla  inferior  margine  libero  tenui. 
Danc/ila  Val. 
*'  Labia  nee  fimbriata  nee  papillata. 
§  Labium   superius    crassum,    carnosum.  Cirri  4.  Squamae  parvae. 
Rictus  parallelogrammicus. 

Abrostomus  Smith. 
§'  Labium   superius  valde  gracile,  membranaceum,    ante  maxillain 
superiorem  pendulum.     Squamae  magnae. 

ô  Rictus  angulatus.   Os  suborbitale  anterius  formam  pedis  equini 
subsimüans.   Cirri  4. 


ÎOS 


Barbicldlnjs  Blkr. 
*'  Rictus  semilunaris.  Os  suborbitale  anterius  pentagonum.  Cirri 
nulli. 

Mor  ar  a  Blkr.. 
b.  Pinna  dorsalis  radio  simplice  postico  ossco. 

1.  Spina  dorsalis  edentula.    Squamae    niagnae,  anales  ceteris    non    majores. 

Pinna  dorsalis  multiradiata.  Cirri  nulli. 
Semiplolus  Blkr. 

2.  Spina   dorsalis  postice  serrata.  Squamae  parvae,  anales  ceteris   mul  to  ma- 
jores. Pinna  dorsalis  pauciradiata.  Cirri  4. 

-  •  •  Opistocheilos  Blkr. 

11.  Dentés  pharyngeales   biseriati  vcl  uniseriati. 
a.  Spina  dorsalis  ossea  Dentés  pharyngeals  cultriformes  4/4.  Cirri  nulli,  Squamae 


ruairnae. 


1.  Maxillae  cochleariform.es  margine  libero  acutae. 

Coclilog nal hits  Baird  Gir. 

2.  Maxilla  non  cochleariformes. 

Pimepàales  Raf. 
b.  Spina  dorsalis   nulla. 

1.  Cirri  2  supramaxillares. 

ao.  Dentés  pharyngeales  graciles  acuti  uniseriati  5,5.  Labium  inferius  re- 
flexum  trilobatum.  Regio  thoraco-gularis  alcpidota.  Anus  pinnis  ven- 
tralibus  approximatus. 

Pseudogobio  Blkr. 
bb.  Dentés  pharyngeales  molares,  persistentes  biseriati  2.5  5.2.  Rictus  sub- 
terminalis.,  horizontalis. 

JUyïocJieilos  Ag. 

2.  Cirri  nulli. 

aa.  Dentés  pharyngeales  molares,  persistentes  biseriati  2.5  5.2  vel  2  '1  4.2. 
Rictus  magnus. 

Jlfy/op/iarodon  Ayr. 
bb.  Dentés  pharyngeales  cultriformes. 

*  Labium  inferius  bilobum.  Dentés  biseriati  1.4/4.1. 

l'xorjlossum  B.af. 

*  Labium  inferius  non  lobatum. 
§  Dentés  pharyngeales  biseriati. 

ù  Pinna  dorsalis  post  ventrales   incipiens.  Rictus   curvatus.   Dentés 
1.1  4.1,  facie  masticatoria  elongata  gracili.   Squamae   médiocres. 
Camposioma  Ag. 


109 

ô'  Pinna  dorsali3  supra  vel  ante  ventrales  incipiens.  Rictus  parvus 
terminalis.  Dentés  1.4/5.2  facie  raasticatoria  nulla.  Squamae 
magnae. 

Siboma   Gir. 
§'   Dentés  pharyngeals  uniseriati. 

ô  Os  inferum.  Squamae  magnae  vel  médiocres. 

f  Pinna  dorsalis  supra  vel  vix  ante  pinnam  analem  desinens.  Rictus 
ore  clauso  transversus.  Dentés  uniseriati  5/5.  Maxilla  inferior 
acie  truncata. 

Lavinia  Gir.  :=!    Acrocheihis  A  g. 
f'  Pinna  dorsalis  ante  analem  desinens.   Dentés  4/4. 

ô  Dentés  non  uncinati.  Maxilla  inferior  acie  rotuudata.  Pinna  dor- 
salis supra  pren traies  incipiens. 
Dionda  Gir. 
ô'  Dentés  facie  masticatoria  sublineari.    Rictus  parvus.  Pinna  dor- 
salis   ante    pinnas   ventrales   incipiens.    Caput    subtruncatum. 
Corpus  elongatum  ? 

Algoma  Gir. 
ô"  Dentés  facie   masticatoria  lineari.   Rictus    parvus  liorizontalis. 
Pinna  dorsalis  supra   pinnas  ventrales  incipiens.   Maxilla  in- 
ferior  acie    late    rotundata.    Rostrum   gibbosum    truncatum. 
Corpus  oblongum. 

Hyborhynchus  Ag. 
o    Os  terminale.    Pinna  dorsalis    supra   vel   ante  pinnas  ventrales  in- 
cipiens. Dentés  4/4  vel  5  5. 
f  Dentés    vix    vel    non    uncinati    4/4    facie    masticatoria  lineari. 
Maxilla  inferior  symphysi  tuberculo  munita.  Squamae  magnae. 
Corpus   elongatum  compressum. 
Hyhocjnatlius  Ag. 
f'  Dentés  lanceolati,    subrecti.  5/5.    Maxilla   inferior   symphysi  tu- 
berculo munita.  Squamae  parvae.  Cornus   subfusiformc. 
Ortîiodon   Gir. 
f"  Dentés  raptatorii  uncinati    4/4,  facie   masticatoria  nulla.   Rictus 
amplus.    Rostrum   rotundatum.   Squamae  magnae.  Corpus  elon- 
gatum compressum. 

Cliola  Gir. 
Y'  Dcntcs    4/4  vel  5/5.  Rictus   mediocris  obliquus.   Rostrum    acu- 
tiusculum.    Squamae   magnae  vel  médiocres.    Corpus  oblongum 
compressum. 

Algansea  Gir. 


Species  Laleomiwrum  haciisque  cognitae. 

Habit. 
Epalzeorhynchos  kallopterus    Blkr  =:   Barbas  kalopterus  Blkr.  Sumatra,  Borneo. 

Discognathus  crenulatus  Ileck Persia. 

//  fusiformis  Ileck.         India. 

*  obtusus  Ilcok Syria. 

/'  rufus  Heck Syria. 

?  bimaculatus   Ileck.  —    Gonorhynchus  biiuaculatns 

McCl Bengala. 

?  caudatus  Heek.  z=x  Gonorliynchus  caudatus  -\IcCl. 
Crossocbeilos  (Crossocbcilos)  oblongus  V.  Hass.  a    Labeo  ob- 

longus  Val Java,  Sumatra 

//  (  //  )  latius   Blkr  —    Cyprinus   latius   Bach,  a    Gono- 
rh melius  macrosomus  McCl.  =:  Cirrhina  latius  Val. 
=  Rohita  macrosomus  Heek    ......     %    .  Bengala. 

it?)  gobioides  Blkr  =:  Cyprinus  'mosario  Buch.?  — 
Gonorhynchus  gobioides  IMcCl.  s  Rohita  gobioi- 
des Heek.  s  Cyprin  heriliva  Val Bengala. 

/'  (  //  )  gohama  Blkr  a  Cyprinus  gohama  Buch.  a  Cy- 
prinus dyangra  Buch.  —  Gonorhynchus  gohama 
McCl.  s  Gonorhynchus  brevis  McCl.  :=i   Cirrhina 

gohama  Val.  a  Rohita  brevis  Ilcck Bengala, 

h  (Crossocheilichthys)  cobititis  Blkr  a   Lobocheilos  cobi- 

tis   Blkr Java,  Sumatra. 

"  (  '  )  Langei  Blkr.  Sumatra. 

(  11  )  diplocheilos  Blkr  a    Barbus  diplocheilos  Heek  a 

Tylognathus   barbatulus    Heek Cashmir. 

a   (  //  )  nanus  Blkr  a    Tylognathus  nanus  Heck.     .     .  Syria. 
/  r  (</?  )  porcellus  Blkr  a  Tylognathus  porcellus  Heck.    .  India. 
(  11  )  hirticeps  Blkr  a  Gobio  hirtieeps  Rüpp ,  a  ?  Dis- 
cognathus hirticeps  Heck,  a  Dangila  ?  hirticeps 

Val Abyssinia. 

(  »  )  quadrimaculatus  Blkr  =5  Gobio  quadrimaculatus 
Rüpp.  =  ?  Discognathus  quadrimaculatus  Heek. 
-  Dangila'-  quadrimaculata  Val Abyssinia. 


Ill 


Discognathichthys  variabilis    Blkr  a  Discognathus    variabilis 

Heck Syria. 

a     brachypterus    Blkr  =:    Gonorhynchus    brachypterus 

]\IcCl.  =3  ?  Discognathus    brachypterus   Heck,     .     .  India. 
n     petrophilus  Blkr=^  Gonorhynchus  petrophilus  McCl. 

—  ?  Discognathus  petrophilus  Heck Bengala. 

//     rupeculus    Blkr  =!    Gonorhynchus    rupeculus   McCl. 

a  ?  Discognathus  rupeculus  Heck Bengala. 

//     lamta    Blkr  =:    Cyprinus    lamta    Buch.    =:    Cypri- 

nus  godivava  Buch.  =3    Gonorhvnchus  lamta  McCl. 


—    Barbus  lamta  Val.  a    Tvlognathus  lamta  Heck.  Bengala. 
Platycara  nasuta    McCl  a  Balitora  nasuta  Val Kasyah. 

*  Schismatorhynchos  heterorhynchos  Blkr  ;=i  Lobocheilos  hetcro- 

rhynchos  Blkr  =:    Schismatorhynchos   lobocheiloides 

Blkr , Sumatra. 

//  ricnorhynchos  Blkr  :=!  Gobio  ricnorhynchos  McCl. 
£  Labeo  ricnorhynchos  Heck,  a  Cyprin  ricnorhyn- 
que  Val ;     .     .     .  Bengala,  Assam. 

n  gotyla  Blkr  ^  Cypri&us  gotyla  Gr.  :=;  Gonorhyn- 
chus gotyla  McCl  a  Barbus  gotyla  Val.  s  Disco- 
gnathus cotyla  Heck Bengala. 

//  falcatus  Blkr  a  Cyprinus  (Bangana)  falcata  Gr. 
a  Gobio  malacostomus  McCl.  =s  Labeo  malacostomus 
Val.  a  Isocephalus  falcatus  Heck.—  Lobocheilos? 
falcatus   Blkr India. 

*  Labeo  (Diplocheilos)    erythropterus    Blkr  —  Diplocheilos  ery-    ' 

thropterus  V.  Hass.  :=:  Labeo  erythropterus  Val.  .     .  Java. 

//(//)  lucas  Blkr  =:  Lobocheilos  lucaa  Blkr Java. 

//(//)  rohitoides  Blkr=:  Lobocheilos  rohitoides  Blkr.     .     .  Java. 

a  (  n  )  boga  Blkr  ;=;  Cyprinus  boga  Buch.  =5  Gobio  bo- 
ga  McCl.  =3  Cyprinus  arhiza  Buch.=:  Cyprinus  pan- 
gusia  Buch.  —  Gobio  pangusia  McCl.  (As.  Res. 
XIX  tab.  42  f.  1)  7X  Isocephalns  boga  Heck.  =:  Gym- 
nostomus  arhiza  Heck.  =3  Leuciscus  pangusia  Val. 
^  Leuciscus  arhiza  Val Bengala. 

'/  (  a?)  pangusia  Blkr  =:  Cyprinus  pangusia  Buch.  var. 
=3  Gobio  pangusia  McCl.  (As.  Res.  XIX  tab.  42 
fig.    1 ,  b.) Bengala. 

//  (  //  ?  )  (?)  isurus  Blkr  =:  Gobio  isurus  McCl.  =:  Leuciscus 


112 

isurus   Val.      '.....:::::..  Assam. 
Labeo    (Diplocheilos?)   dero  McCI.  a  Cirrhina    dero  Val.  33 

Isocephalus  dero  llcck Ben"-ala 

//  (//?)  pausio  Blkr  s  Cyprinus  pausio  Bueh.  a  Cirrhinus 

pausio  McCI.  —  Isocephalus  pausio  lleck.  .     .     .  Bengala. 
/'   (  //  ?  )  breviceps  Blkr  —    Cirrhina  breviceps  Val.  S3  Isoce- 
phalus breviceps  Heek Java. 

//  (Labeo)   niloticus    Val.  =3   Cyprinus    niloticus  Forsk.   = 

Labeo  coubi  Rüpp Nilus. 

//(//)  Forskalii    Rüpp.,  an  et  Val?  =  Cyprinus  niloticus 

var.  b.  Forsk :     .     .     .     .  Nilus. 

'   (  "  )  vulgaris  Heek.  =3  Cyprinus  niloticus  Géoffr.  =3  Chon- 

drostoina  dembensis  Val.  (nee  Rüpp.) Nilus. 

//(//)  horie  Heek. Nilus. 

//(//)  sela  Val.  =3  Labeo   sellii  Heek Nilus, 

f  ?(//?)  rufescens  Heek.  =3  Cyprinus  rufescens   Hass.     .     .  Palaestina. 
u?(i/  )  rostratus  Heek.  a    Cyprinus  rostratus  Tiles.     .     .  India. 
(  11?)  angra    Blkr  sa    Cyprinus    angra  Buch.  a  Cyprinus 
I'         na)   Hamiltonii   Gr.  s  Gobio  angra  McCh 
=:  Isocephalus  Hamiltonii  Heek.  £3    Gobio  ancra 

Eengala. 

*?(  //  )  curniuca  Blkr  33  Cyprinus  curmuca  Buch.  0  Go' 

curmuca  McCI.  33  Isocephalus  curmuca  Heek.  .     .  Hindustan. 
n?  lu?)  dyocheilos  McCI.  =3  Catostomus?  dvocheilos  McCI. 

C  ;  prin  goréa  Val.  =3  Tylognathus  dyochylos  Heck.  Assam. 
altivelis    Pet.    (nomen  tantum  mihi  cognitum).    .     .     .  Africa  (Mossamb  ) 
congoro   Pet.    (     //  h         u  h         )..'.„(      u         ) 

a      cylii  .'et.  (     //  h         11  11  .     .        v      {       »         ) 

Tyloj  omus    Heek.  =3  Varicorhinus  diplosfoinus 

=3  Tvlognathus  Valenciennesii  lleck.  =3  Labeo 

diplostomus  Val.        ; Cashmir. 

«  ..hol  Heek.  33  Leuciscus  saiulkhol.  Syk.  .     .  Deccan. 

»       ??  chitulHeck.  —  Leuciscus  chitul  Syk Deccan. 

Dij'  s  pleurotaenia   Blkr  =3    Lob  3  pleurotae- 

nia  Blkr Sumatra- 

Lobo~heilos  (Lobocheilos)   falcifer  V.  Hass.  =3    Labeo   falcifer 
V.    Hass.  33  Labeo  falcifer   Val.  33    Tylognathus 

, Java,  Sum;. 

»  (  '/  ;  Java. 


113 


Lobocbeilos  (Lobocheilos)  Sclnvanefeldii   Blkr.     .'.'.'.. 

■//?(  //?)  Hasseltii  Blkr^  Barbus  Hasseltii  Blkr.      .     . 

ii  (Gobionicbtbys)  lipocbeilos  Blkr  :=3  Chondrostoma  lipo- 

cbcilos  Val.  s    Cbondrostoma  lipocbeilos  Val.  s=! 

Tylognathus    lipocbeilos    Heek.    =;    Gobio  javani- 

cus  Blkr  ;=i    Lobocheilos    (Gobionichthys)   javani- 

cus  Blkr 

11  (  n  )  niicrocephalus  Blkr  =3  Gobio  rnicroceplialus  Blkr. 

11?  (  //?)  bispidus  Blkr  =s  Labeo  bispidus  Val.     .     .     . 

Rohita  (Robita)  melanopleura  Blkr.        ........ 

//  )  borneënsis  Blkr 

//  )  Kuhli    Blkr 

11  )  Hasseltii  Val.  =:  Robita  leiorhynchus  Blkr  ;=s  Ro- 
bita Artedii  Blkr 

//  )  rnicrocepbalus  Val.  : 

//  )  brachynotopterus  Blkr 

//  )  Schlegelii  Blkr 

//  )  Waandersi  Blkr 

//  )  Kappenii  Blkr 

a  )  kahajanensis  Blkr 

11  )  vittata  Val.  —    Robita  erythrura  Val.  a  Robita 

erytbrurus  Blkr 

11  )  triporos  Blkr 

11  )  enneaporos  Blkr 

//  )  oligolepis  Blkr 

v  )  nandina    Val.   =:    Cyprinus    nandina    Bucb.   =: 
Labio    filaiuentosus    Swus.  =;    Cirrbinus    nandina 

McCl 

*  )  macronotus  Blkr—   Cirrbinus  macronotus  McCl. 

11  )  Dussuniieri  Val 

11  )  Duvaucelii  Val 

11  )  fimbriata  Val.  —   Cyprinus   bmbriatus    BI.? 
//  )  gonius  Val.  =:  Cyprinus  gonius  Bucb.  =2  Barbus 
gonius  Cuv.  ■=.    Cirrbinus  gonius  McCl.     .     .     . 
»  )  rostellatus  Val  —  Robita  rostellata  Heek.     .     .     . 
11  )  chagunio    Val.  =;    Cyprinus  chagunio    Bucb.  =: 

Robita  changurio  Heek 

11  )  lineata  Val 

u  )  Lescbenaulti  Val 


Java,   Sumatra. 
Java. 


// 

* 

II 

H 

II 

* 

II 

* 

II 

■H': 

II 

* 

II 

ik 

II 

* 

II 

Java. 

Java. 

Java. 

Sumatra,  Borneo,  Siaui. 

Borneo,  Siain. 

Sumatra. 

Java,  Sumatra ,  Borneo. 

Java. 

Sumatra. 

Sumatra,  Borneo,  Siain.' 

Banka. 

Borneo. 

Borneo. 


Java,  Sumatra,  Borneo. 
Sumatra,  Borneo. 
Sumatra. 
Banka. 


Bengala , 


Pegu. 

Bengala,  Assam. 
Hindostan. 
Bengala? 
Hindostan. 


Bengala. 


Pegu. 

Bengala. 
Pegu. 
Hindostan  ? 


10 


114 

Rohita  (Roliita)  cursis  Val.  s  Cyprinus  cursis   Buch.  s  Cy- 
prinus  cursa  Buch.  s  Cyprinus  curchius  Buch.  = 
Labeo  cursis  McCl.  =5  Labeo  curchius  McCl.  jüj  La- 
beo  cursa  Val.  s  Roliita  kursis  Heek Ben<*ala. 

(      f  )  tincoidcs  Val ? 

//(//)  Rouxii  Val Hindustan. 

*   (Rohitodcs)  ccphalus  Blkr  :=!  Labeo  ceplialus  Val.    .     .    .  Pegu. 
'/  (  //  )  Valenciennesi  Blkr  =3  Labeo  Uussumieri  Val.     .     .  Bengala. 
'/('/)  Reynaudi  Blkr  :=:  Labeo  Reynauldi  Val.      .     .     .  Pegu. 
//('/)  microlepidota  Blkr  :=:  Labeo  microlepidotus  Val.     .  Pegu. 
"(//)  bengalcnsis  Blkr  :=:  Labeo  fimbriatus  Val.     .     .     .  Bengala. 
Morulius  roliita  Blkr  —    Cyprinus    roliita    Buch.  ~    Barbus 
roliita   Cuv.  z=    Rohita   Buchanani   Val.  —    Rohita 

roliita  Heek.  =  Cirrhiuus  roliita   McCl Bengala. 

chalybeatus  Blkr  ;=!  Roliita  chalybcata  Val.    .     .     -.  Bcngala,  Pegu. 
a         Belangeri    Blkr  =3    Rohita    Belangen  Val.  =3    Cir- 

rhina  inicropogon  Val Bengala. 

calbosu   Blkr  =:    Cyprinus    calbosu   Buch.  ~    Bar- 
bus calbasu  Cuv.  —    Roliita  calbasu  Val.  =:  R.ohita 

kalbosu  Val Bengala. 

//         velatus  Blkr  =:    Labeo  vclatus  Val.  (Règn.  an.  ed. 

3*   Poiss.  tab.  93    fig.  3) India? 

/'         Reynaudi    Blkr—  Roliita   Reynauldi  Val.  s  Roliita 

Reynoldi  lleck Pegu. 

*-  morula  Blkr  —  Cyprinus  morula  Buch.  =3  Barbus 
morula  Cuv.  ==    Cirrhiuus  morula  McCl.  =3    Rohita 

moralius  Val  =2  Cyprinus  morala  Cr Bengala. 

v         pausius  Blkr  s  Cyprinus  pausius  Buch Bengala. 

»  joalius  Blkr  —  Cyprinus  joalius  Buch.  =3  Cirrhi- 
uus joalius  AlcCl.  =  Roliita  jaolius  Val Eengala. 

musiha  Blkr  —    Cyprinus  musiha  Buch.  =    Bohita 

muscha    Heek Bengala. 

i/  chrysophekadion  Blkr  =3  Cbrysophekadion  polyporos 
Blkr  =3  Bohita  chrysophekadion  Blkr  =:  Rohita 
polyporos  Blkr  zz    Rohita  koilogencion  Blkr  zz   Ro- 

3  Blkr •     •     .  Java,  Sumatra,  Siam. 

Bol.  (is  Blkr  zz  Labeo    senegalensis  Val.     .  Senegal. 

Dan  is  Val.  —  Labeobarbus  leptocheilus  Iv  v.  11. 

=:   Dangila  leptocheila   Val.  =3   Dangila  Cuvieri  Val.  = 


115 

Cyrene  Cuvieri   Heck.  .....:;..:..  Java,  Sumatra ,  Borneo. 

Dangila  cyanopareja  Blkr  :=!   Cyrene  cyauopareja  Heck.     .     .  Philipp. 

*  h     fasciata  Blkr. Sumatra,  Borneo. 

6       y     Kuhlii  Val.  :=:  Cyrene  Kuhlii  Heck .  Java. 

//     festiva  Blkr—  Cyrene  festiva  Heck Borneo. 

*  a     ocellata  Blkr  !=j    Cyrene  ocellata  Heck.  —    Dangila  rni- 

crolepis  Blkr .  Sumatra,  Borneo. 

*  u     spilurus    Blkr.- Borneo. 

*  h     sumatrana  Blkr Sumatra. 

a     lipocheila  Val.  =:  Cyrene  lipocheilos  Heck Java. 

/'     Lcscbenaultii  Vul.—  Cyrene  Leschenaultii   Heck.      .     .  Hindustan. 
//     philippinia  Blkr  =3  Cyrene  philippinia  Heck.        .     .     .  Philipp. 

Abrostomus   capensis  Smith. Prom.  Bon.  Spei. 

//     umbratus    Smith Prom.  Bon.  Spei. 

*  Barbichthys   laevis  Blkr^j   Barbus  nutlicephalus  V.  Ilass.  — 

Barbus  laevis  Val.  ;=!    Barbus    gobioides    Blkr  =5    Bar- 
bus    taeniopterus   Blkr .     .     ,     .  Java,  Sumatra,  Borneo. 

*  Morara  morar  Blkr  •=;  Cyprinus    morar   Buch.  —    Pachysto- 

mus  morar    Heck,  ö  Labeo  morur    Val.  ;=3    Leuciscus 

morar  Blkr Bençala. 

//  ?  margarodes    Blkr  ;=:    Cyprinus  jaya    Buch.  ?   =:  Leu- 
ciscus mai'o-arodes  McCl.  =3    Pachvstomus    margarodes 

Heck ; .     :     .  Bengala. 

Scmiplotus    MacClellandi  Blkr  ■=.  Cyprinus  semiplotus   McCl.  Bengala. 
Opistocheilos  plagiostomus  Blkr  =;    Schizothorax  plagiostomus 
Heck.  :=:  Schizopyge  plagiostomus  Heck,  s  Oremus 
plagiostomus  McCl.        ..........  Afghanistan,  Cashmir. 

u        sinuatus  Blkr  zz    Schizothorax   sinuatus    Heck.  — 

Schizopyge  sinuatus  Heck Cashmir. 

y     ?  nobilis    Blkr^  Racoma    nobilis  McCl.  •     .     .  Afghanistan. 

y  ??  proprius  Blkr—  Schizothorax  proprius  McCl.  .  Afghanistan 

Cochlognathus  ornatus  Baird  Gir Amcr.  Sept.  (Texas). 

Pimephales  promelas  Raf.  Ag Amer.  Sept.  (Ohio,  Missuia).) 

//     fasciatus  Gir. Amcr.   Sept  (Yellowstone  il) 

//     maculosus  Gir Amcr.   Sept.   (Arkansas). 

Pseudogobio  esocinus  Blkr—  Gobio  csocinus   T.  Schl.  .     .     .  Japonia. 
Mylocheilus   caurinus    Gr.  :=!   Cyprinus   (Leuciscus)    caurinus. 

Richds .  Arner.  Sept.  (Ast,  Columbfl.) 

y     lateralis  Ag.  Pick Aru.S.  (Colb.  fl  Or.  Puget.  S.) 


116 

Mylocheilus  fraterculus  Gr.      .;:::;::;::.  Amer.  Sept.  (California). 
Mylopharodon  conoceplialus  Gr.  ^  Gila  conocephala  13.  Gia.    .  Amer.  Sept.  (California). 

//     robustus   Ayr Amer.  Sept.  (California). 

Exoglossum  maxillingua  Ag.  =:  Cyprinus  maxillingua  Les-  =: 
Exoglossura  Lesurianum  Raf.,  Val.  :=:  Exoglossum  Le- 
sueurianum  Ilcck.  =:  Catostomus  maxillingua   De  Kay.  Amer.  Sept  (Prov.  unit.  occ). 

//  mirabile  Gir. Amer.  Sept.  (Arkansas). 

Campostoma  formulosum  Gir Amer.  Sepl.  (Texas). 

11  anomalum  A™,  zz  Rutilus  anomalus  Raf.  —  Ru- 
tilus  melanurus  Raf.  =:  ?  Chondrostoma  pullum  Ag. 
—  Exoglossum  dubiuiu  Kirtl.  ^  Leuciscus  pro- 
lixus  Stor.  0  Exoglossum  spinicephalum  Val.  ~ 
Chondrostoma  prolix  urn  Ag.  ~  Campostoma  dubium 
Ag-        .     .      ................  Amer.Sept^Tencss.jOIiio.Jow.  etc.] 

11     nasutum  Gr •  Amer.  Sept.   (Californ.). 

/'     ornatum  Gr Amer.  Sept.  (Chihuahua  fl). 

Siboma  crassicauda  Gr-  =i  Lavinia  crassicauda  B.    Gir-    (gen. 

an  huj.  loc-  ?)  .     : Amer.  Sept.  (Californ-). 

//     atraria  Gir Amer.  Sept 

Lavinia  alutacea   Gir.  =3  Acrocheilus  alutaceus  Ag.  Pick.     .     .  Amer.  Sept- (Columb.  fl- etc.) 
//     cxilicauda  li    Gir-  :=i  Lavinia    compressa    Ayr.   .     .     .  Amer.  Sept.  (Californ.). 

11     gibbosa  Ayr Amer.  Sept.  (Californ). 

//     harengus  Gir.    . Amer.  Sept-  (Californ-). 

Dionda    episcopa  Gr- Amer.  Sept.  (Rio  Pecos). 

//     serena   Gir.        Amer.  Sept-  (Texas). 

texensis  Gir Amer.  Sept.  (Texas). 

11     papalis  Gir. Amer.  Sept-  (Rio  Pecos). 

n     argentosa  Gir.       .:...• Amer.  Sept-  (Rio  Gr.  del  Xt  ). 

//     chrysitis   Gir.    .     . Amer.  Sept.  (Rio  Pecos). 

//     nielanops  Gir. Amer.  Sept.  (Coahiula). 

//     Couchi  Gir.  ...-••.-: Amer.  Sept.  (Rio  San  Juan). 

//     plumbea  Gir. Amer.  Sept.  (Canadian   11). 

h     spadicca  Gir Amer.  Sept.  (Arkansas). 

Algoma    amaia  Gir Amer.  Sept- (Rio Gr.  del.  'St.), 

v     fluviatilis   Gir Amer.  Sept.  (California). 

Hyborhynchus    notatus    Ag.    —    Minnilus    notatus     Raf.  =: 

Pimephalcs  elongatus  Laird Amer.  Sept  (Prv.  unit  or.  md.j 

a         confertus  Gir Amer.  Sept.  (Rio  Pecos) 

//         puniceua  Gir •    .  Amer.  Sept-  (Canadian  fl.). 


117 

Hyborhynchus  perspicuus  Gir.      ....:..::.  Amer  Sept-  (Arkansas). 

h         tenelhis  Gir Amer  Sept  (Choctaw  Agency). 

Hybognathus  nitidus  Gir.—  Leuciscus  nitidus  De  Kay.     .  Amer  Sept.  (Lac-Champlain). 

n         argyritis  Gir ; Amer  Sept.  (Milkriver). 

Evansi  Gir. Amer  Sept.  (Nebraska). 

nuchalis  Ag Amer  Sept.  (Illinois,  J.  Miss.) 

placitus  Gir :     .  Amer  Sept.   (Arkansas). 

regius  Gir Amer  Sept.  (Potomak 

n  ?     chrysopterus    Blkr  ö  Leuciscus    chrysopterus  .     . 

De  Kay .  Amer  Sept.  (N.  York). 

Orthodon  microlepidotus  Gir^  Gila  microlepidota    Ayr     .  Amer  Sept.  (Californ). 

Cliola  velox    Gir Amer.  Sept.   (Texas.) 

//      vigilax    Gir.  s    Leuciscus   vigilax   B.    Gir.  :=:    Cera- 

tichthys  vigilax  B.  Gir Amer.  Sept.    (Arkansas). 

n     vivax  Gir Amer  Sept  (Texas). 

Algansea  tincella    Gir.  =3  Leuciscus  tincella  Val.       .     .     .  Amer  Sept.  (Californ.). 

a     bicolor  Gir Amer  Sept.  (Lac.  Klamath). 

//     formosa  Gir.  ArnerSept  (Mercede,  Mohv.fi.) 

//     obesa  Gir Amer  Sept,  (Humboldt  fi.) 


Epalzeorhynciios  Blkr,  Nalez.  Vischfaun.  van  Sumatra ,  Nat.  Tijcl- 
schr.  Ned.  Ind.  IX  (1855)  p.  270.  Snuithoornkarper. 

Corpus  elongatum  subfusiformi-compressum,  squamis  magnis  vesti- 
tura.  Maxillae  nudae.  Cirri  4 ,  rostrales  et  supramaxillares.  Rostrum 
carnosum ,  integrum ,  longe  ante  os  prominens ,  cute  descendente  an- 
te labium  superius  pendula  inferne  crenulata,  antice  utroque  latere 
processu  conieo  cartilagineo.  Labium  superius  auto  maxillam  superi- 
orem  pendulum,  nee  papillatum  nee  crenulatum.  Rictus  parallelo- 
grammicus  aciebus  maxillarum  antice  truncatis.  Maxilla  inferior  svm- 
phvsi  postice  tuberculo  munita.  Labium  inferius  latum  carnosum  re- 
flexum  integrum,  cum  labio  superiore  unitum.  Sulcus  postlabialis 
utroque  latere  unicus  marginem  oris  versus  directus,  labii  marginem 
liberum  non  attingens,  cute  menti  lata  (isthmo)  a  sulco  postlabiaîi  la- 


118 

teris  oppositi  soparatus.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens 
et  longe  ante  pinnam  analem  deslnens,  radio  simplice  postico  toto 
cartilagineo.  Pinnae  pectorales  subhorizontaliter  insertae.  Dentés 
pharyngeals  masticatorii  aggregati  2.4.5/5.4.2.  facie  masticatoria  obli- 
que truncati. 

Aanui.  Hot  gcslaclit  Epalzeorhynchos  is  onder  alle  Cyprinoïden  gemakkelijk  her- 
kenbaar aan  het  kegelvormige  kraakbeenige  bewegelijke  uitsteeksel,  hetwelk  zich  aan 
beide  zijden  voor  aan  den  snuit  bevindt.  Dit  uitsteeksel  ligt  in  eene  groef  onder 
het  voorste  gedeelte  van  het  voorste  onderoogkuilsbeen  en  laat  zich  bijkans  in  een' 
regteii  hoek  horizontaal  van  don  snuit  af  bewegen,  als  wanneer  de  snuit  een  ge- 
hoornd voorkomen  bekomt. 

liet  geslacht  is  overigens  verwant  aan  de  geslachten  Crossocheilos  Blkr,  Disco- 
gnathus  Heek.  en  Discognathichthys  Blkr,  in  algemeenen  ligchaamsbouw ,  dunne 
kaken,  parallelogramvormige  geheel  onderstaande  bekspleet,  enz-,  doch  het  is  van 
die  alle  nog,  afgescheiden  van  de  snuituitsteeksels,  gemakkelijk  te  onderkennen, — 
van  Discognathus  en  Discognathichthys  door  de  afwezigheid  der  kinzuigplaat,  en  van 
Crossocheilos  door  de  enkelvoudige  achterlipsgroeve  en  het  vercenigd  zijn  van  de 
bovenlip  met  de  onderlip. 

Ik  beschreef  het  geslacht  Epalzeorhynchos  voor  het  eerst  in  het  jaar  1S55,  doch 
ik  heb  hierboven  zijne  karakters  naauwkeuriger  vastgesteld.  De  nadere  studie  der 
monddeelen  heeft  mij  sedert  nog  geloeid,  dat  ook  hierin  zeer  stellige  kenmerken  ge- 
leden zijn,  welke  het  geslacht  van  Crossocheilos  doen  verschillen,  kenmerken  van 
hoogere  waarde  dan  die,  gelegen  in  de  voeldraden. 

Tot  Epalzeorhynchos  is  tot  dus  verre  slechts  te  brengen  cene  enkele  soort,  welker 
ontdekking  dagteekent  van   1S50. 

J'palzrorlnjndios  hallopterus  Blkr.  Index  descript.  specier.  pisc.,  Nat. 
T.  Ned.  Ind.  XIV  p.  4TV.  —  Fraaioinnige  Snuithoornkarper.  Atl. 
Cypr.  Tab.  IV  fig.  5. 

Epalzeorh.  corpore  elongato  compresse»,  altitudine  5l/2  ad  C'  2  in  ejus  longitudine,  latitudinc  l1,  :  ad 
hi  ejus  al  capite  acuto  convexo  5  et  paulo  ad  C'.'j  fere  in  longitudine  corporis  cum, -let 

paulo  ad  b  in    longitudine  1  absque   pinna  caudali,   altitudine  1  '■'  :,  ad   l3/-l  1   latitudine  l-'iad 

1     . ':.    .  ie;    0CUÜ3  .  iperis,    diana  tro  3   ad  in   1      ;itudine  capitis,  diaraeti  1   1 

cireïter  in  capitis  pai  te  postocularï,  di  :       al   l'/adistantibus,  membrana  palpebrali  iridis  mag- 

nate isirculari;  linea  rostro-dorsali   ubique  convesa;   liuca  interoculari 


119 

convesa;  naribus  orbitae  magîs  quam  rostrî  apîcî  approximates,  posterioribuspatulis  val vula  clauden- 
dis,  anterioribus  margine  vix  elevato  subtubulatis ;  rostro  carnoso,  juvenilibna  oculo  non  vel  vix, 
aetate  provectis  oculo  multo  longiore,  convexo,  conico,  longe  ante  os  prominente,  poris  numerosis 
parum  oonspicuis  obsito,  apicera  versus  utroque  latere  processu  conico  crasso  rigido  ocnlo  duplo  vel 
plus  duplo  breviore  apice  postrorsum  spectante  munito,  parte  jus  inferiore  trigono  plano,  postrorsum 
declivi,  antice  poroso,  velo  praemaxillari  labium  superius  occultante,  margine  libero  parura  curvato 
papillis  quadratiusculis  uniseriatis  leviter  crenulatis,  confertis,  aetate  provectïoribus  vaille  conspicuis 
obsito;  osse  suborbitali  antoriore  irregulariter  trigono,  paulo  vel  non  longiore  quam  alto,  apice 
rotundato  antrorsum  spectante,  margine  posteriore  basali  subverticali  emarginato  vel  angulato;  osse 
suborbitali  2°  oblongo-tetragono,  duplo  vel  minus  duplo  longiore  quam  alto,  antice  quam  postice 
altiore,  oculi  diametro  triplo  circiter  humiliore;  osse  suborbitali  3°  osse  suborbitali  4"' mul  to  latiore, 
oculi  diametro  triplo  vel  plus  triplo  graciliore;  cirris  carnosis  longitudine  subaequalibus  oculo  paulo 
brevioribus  ad  vix  longioribus  ,  rostralibus  snpramaxillaribus  crassioribus  apicem  rostri  versus  sub 
basi  processus  rostralis  lateralis  insertis;  rictu  infero,  oreaperto  parallelogrammico ,  ore  clauso  fissuram 
transvorsam  parum  antrorsum  curvatam  capitis  latitud'iûe  valde  multo  breviorem  efficiente;  labio  su- 
periore  gracili  ante  maxillam  superiorem  pendulo,  margine  nee  eren ulato  nee  papillato;  maxilla  su- 
periore  acie  cartilaginea  parum  curvata,  deorsuru  raediocriter  protractili  ;  maxilla  inferiore  sympliygi 
postice  tuberculo  conico  parum  conspicuo,  ante  symphysin  late  cartilaginea  acie  truncata  vel  leviter 
curvata;  labio  inferiore  reflexo,  integro,  cum  labio  superiore  unito,  sulco  inferne  utroque  latere  unico 
suporficiali,  marginem  oris  versus  dïrecto,  oculo  non  vel  vix  breviore,  marginem  labii  liberum  non 
attingente  et  istbmo  valdo  lato  a  sulco  lateris  oppositi  separato;  operculo  latitudine  lVa  circiter 
in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  paulo  graciliore,  margine  inferiore  rectiusculo  vel  convexiusculo  ; 
apertura  branchialï  sub  praeoperculi  margiae  posteriore  desinente,-  dentibus  pharyngealibus  mastica- 
toriis  aggregatis  2.  4.5/5.4.2.  facie  masticatoria  oblique  truncata  marginibus  clevata  non  Iobata, 
dentibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis  ;  osse  scapulari  trigono  acute  rotundato  ;  linea  dorsali  convexa 
linea  ventrali  convexiuscula  multo  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventra- 
les planiusculo  non  carinato  ; _  squamis  verticalibus,  lateribus  antice  quam  cetero  corpnre  paulo  ma- 
joribus,  dimidio  libero  et  vulgo  etiam  dimidio  basali  longitudinal  iter  vel  subradiatim  striatis,  35 
vel  30  in  linea  Iaterali,  15  in  serie  transversali  (ventralibus  infimis  inclusis)  quarum  ö'/a  (0)  supra 
lineam  lateralem,  11  p.  m.  in  serie  longitudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibus  in- 
fimis longitudinaliter  quinquo-seriatis,  postrorsum  magnitudine  sensim  accrescentibus,  serie  media  iis 
seriebus  lateralibus  vix  majoribus;  linea  Iaterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  vent] 
vix  vel  non  magis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squamis  tubulo  simplice  mediam  squa- 
mam  non  vel  vix  attingente  notata,-  pinna  dorsali  sat  longe  ante  pinnas  ventrales  incipiente  el  I  age 
ante  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  emarginata,  corpora  non  ad  paulo  altiore  et  sat 
multo  altiore  quam  basi  longa  ;  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  longitudine  subaequalibus,  •■  - 
vel  acutiusculis,  53/i  ad  G3/.i  in  longitudine  corporis,  pectoralibus  ventrales  non,  \  ntralibus  ai 
non   attingentibus;   anali  basi  vagina    squamosa  liumillima  ïnclusa,  acuta,  ,  non 

multo    humiliore  sed   duplo  circiter   breviore,    duplo  vel    plus   ■  ioro    quam   basi   longa, 

simplice  tertio  gracili  cartilagineo  ;  pinna  caudali  basi  squamosa,  profunde  Incisa  lobis  acutis 
inferiore  vulgo  paulo  longiore  -J'  3  ad  4'  ,  in  longitudine  corporis;  corpore  superne  fasciis  ■■ 

libus  contignis  notato,  superiore  rostro-caudali  fusco-violai  superne 

pite  interdum  deficiënte,  media  aureo-rubra  gracili  supraocnl  i-caudali  basin  caudalis  superiorem  attin- 
gente, inferiore  rostro-caudali  latiore  fuseo-violacea  capite  interdum  deficiënte  fere  tota  supra  V . 
lateralem  di   urrente  mediam  basin  caudalis  intrante  et  i  ■  ente  nevitta 


120 

gracili  aurantiaea  limbata;  Iateribus  infra  lineam  lateraleru  roseis;  ventre  roseo  dilntiore  vel  niarga- 
ritaceo;  capite  speciminibus  fasciis  capite  deficientibus  superne  violascente-olivaceo,  lateribus  et  in- 
ferne  roseo  vel  argenteo  ;  hide  flava  vel  rosea;  pinnis  pulehre  roseis  velrubris,  dorsali  et  anali  fascia 
latissima  obliqua  nigricante-violacea,  dorsali  frequenter  insuper  et  basi  nigricante-violacea;  ventralibus 
macula  maxima  to  tam  pinnam  fer     I        tte,  frequenter  diffusa,  nigricante-violacea. 

B.  3.  D.  4  3  vel  1  9.  P.  111  vel  1  1 5.  V.  2  S.  A.  3  5  vel  3  C.  C.  8/17/8  vel  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Barbus  Jcalopteriis  Blkr,  Bijdr,  kenn.  iclitb.  faun.  Borneo.,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  I  p.  13. 

Izeorhynchos  kalopterus  Blkr,  Nalez,  viscbfaun.    Sumatra,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  IX  p.  270. 

Hab.  Sumatra  (Palembang,  Labat),  in  fluviis. 

Borneo  (Bandjermasin,  Kahajan,  Pontianak),  in  fluviis. 

Longitudo  13  speciminum  63'"   ad  1G0'". 

Aanm.  Tiet  eerste  voorwerp  dezer  soort,  hetwelk  in  mijn  bezit  kwam,  ontving  ik 
van  Bandjermasin,  in  zuidoostelijk  Borneo.  Sedert  ontving  ik  meerdere  grootere 
en  betere  bewaarde  voorwerpen  van  dezelfde  plaats,  alsmede  van  Kabajan,  insge- 
lijks in  zuidoostelijk  Borneo  en  van  Pontianak,  in  westelijk  Borneo,  uit  de  rivier 
Kapoeas.  Ook  oostelijk  Sumatra  leverde  mij  eenige  exemplaren,  gevangen  in  het 
gebied  van  den  Moessi,  bij  Lahat  en  Palembang.  Ik  vermoed,  dat  de  soort  niet 
veel  grooter  wordt  dan  mijne  grootste  voorwerpen. 

Discognatiius  Heek.,  Fiscli.  Syriens  p.  37,182.  —  Kinschijfkarper. 

Corpus  subelongatum  compressum,  squamis  magnis  vestitnm.  Maxil- 
lae nudae.  Cirri  4,  rostrales  et  supramaxillares.  Rostrum  carnosum 
sulco  transverso  bipartitum,  ante  os  prominens,  cute  descendente  ante 
maxillam  superiorem  pendula  inferno  crenulata.  Maxilla  superior  ear- 
nea.  Maxilla  interior  plica  menti  disciformi  medio  callosa.  Pinna  dorsalis 
ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens, 
radio  simplice  postico  toto  cartilagineo.  Pinnae  pectorales  subhorizon- 
taliter  insertae.  Dentés  pharyngeales  mastieatorii  agereffati  2.  4.  o  5.4.  2. 

Aanm.  Ik  vat  liet  geslacht  Discognatiius  eenigzins  anders  op  dan  Ilcckel  en 
ng  daartoe  slechts  de  soorten  met  dwars  gegroefden  snuit,  getcpelden  vrijen 
snuithuidrand  en  vier  voeldraden.  Zoodanig  beperkt ,  omvat  het  geslacht  slechts  vier 
der  door  Ilcckel  beschrevene  soorten  t.  w.  zijne  Discognatiius  rufus,  Discognatiius 
obtnsus,  Discognatiius  crenulatus  en  Discognatiius  fusiformis.  —  De  overige  10  soorten, 
door  Ileckel  tot  Discognatiius  gebragt.  hoewel  grootcndcels  onder  het  geleide  van 
een  vra  ;en,  zijn  slechts  gedeeltelijk  onder  hetzelve  te  ra  zij 


121 

zijn  meest  alle  nog  te  weinig  bekend  om  zulks  met  zekerheid  te  bepalen.  Go- 
oorhynchus  biuiaculatus  McCl.  en  Gonorhynchus  caudatus  McCl.  schijnen  bepaal- 
delijk er  toe  te  behooren,  alhoewel  de  laatste  gezegd  wordt  geene  cirri  te  bezitten , 
wat  evenwel  nog  bevestiging  verdient.  Vijf  andere  soorten  ,  hieronder  nader  aan- 
geduid, behooren  tot  een  afzonderlijk  geslacht,  hetwelk  ik,  wegens  zijne  groote 
verwantschap  met  Discognathus  ,  Discognathichthys  heb  genoemd. 

De  overige  soorten,  door  Heckel  onder  zijn  geslacht  Discognathus  gerangschikt, 
zijn  Cyprin  us  cotyla  Gr.,  Gobio  quadrimaculatus  Rüpp-,  Gobio  hirticeps  Rüpp.  en 
Platycara  nasuta  McCl. 

Wat  betreft  Cyprinus  cotyla,  deze  is  eene  Schismatorhynchos,  welk  geslacht  wel 
den  dwars  gespleten  snuit  met  Discognathus  gemeen  heeft,  doch  in  de  vorming 
der  mond-  en  kindeelen  hoogelijk  van  Discognathus  verschilt. 

Moeijelijk  is  het,  aan  te  wijzen  tot  welk  geslacht  de  beide  Gobio-soorten  van 
den  heer  Rüppell  behooren.  Van  eene  zuigschijf  aan  de  kin  is  in  hare  beschrijving 
geen  sprake  en  de  snuit  is  er  niet  dwars  gespleten.  Gobio  hirticeps  zou  zelfs 
wegens  hare  getepelde  lippen  tot  Rohita  te  brengen  zijn,  doch  overigens  laten  be- 
schrijving en  afbeelding  niets  naders  opmaken  betreffende  de  bewerktuiging  der  mond- 
dcelen.  Ik  beschouw  beide  soorten  voorloopig  als  te  behooren  tot  het  geslacht  Crosso- 
cheilos,  aan  hetwelk  zij    ook  in  habitus  het  meest  beantwoorden. 

Platycara  nasuta  eindelijk  behoort  tot  een  eigen  geslacht,  gemakkelijk  herken- 
baar aan  zijnen  overlangs  in   tweeün   verdeelden  snuit. 

Crossocheilos  Van  Hass.,  Algemeene  Konst- en  Letterbode  1823  II 
p.  182;  Blkr,  Nieuw.  Tiental!,  beschrijv.  vischs.  v.  Sumatra,  Nat. 
Tijdschr.  Ned.  Ind.  V  (1853)  p.  525.     Djedjet. 

Corpus  elongatum  subfusiformi-compressum ,  squamis  magnis  vesti- 
tum.  Maxillae  nudae.  Cirri  4  vel  2 ,  rostrales  et  supramaxillares ,  vel 
rostrales  tantum.  Rostrum  carnosum,  longe  ante  os  prominens,  lateri- 
bus  non  lobatum ,  cute  descendente  ante  labium  superius  pendula 
inferne  crenulata.  Labium  superius  ante  maxillam  superiorem  pendu- 
lum nee  crenulatum  nee  papillatum.  Rictus  parallelogrammicus ,  acie- 
bus  maxillarum  antice  truncatis.  Maxilla  inferior  symphysi  postice 
tuberculo  munita.  Labium  inferius  latum  carnosum  reflexum ,  non  cum 
labio  superiore  unitum.  Sulci  postlabiales  utroque  latere  2  marginem 
oris  versus  directi ,  frenulo  carneo  intermedio  gracili  antice  labio  la- 
terali  accessorio  gracili  cum  labio  superiore  unito,  sulci  interni  isthmo 

16 


122 

latissimo  separati ,  in  incisuram  labium  inter  et  maxillam  transientes. 
Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  analem 
desinens,  radio  simplice  postico  toto  cartilagineo.  Pinnae  pectorales 
subhorizontaliter  insertae.  Dentés  pharyngeals  masticatorii  aggregati 
2.4.5/5.4.2  facie  masticatoria  oblique  truncati. 
Subg.  G'ossocheilickthys  Blkr.  Cirri  4 ,  rostralcs  et  supramaxillares. 
»        Crosschcilos  Blkr.   Cirri  2 ,    rostrales  tantum. 

Aanm.  Van  Hasselt  stelde  het  eerst  dit  geslacht  voor,  doch  zijne  omschrijving  er 
van  is  zeer  onbepaald,  zoodat  mendie  op  zeer  verschillende  genera  met  onderstaande 
parallelogram  vorm  ige  mondopening  zou  kunnen  toepassen.  Met  zekerheid  echter  kan 
bepaald  worden,  dat  hij  het  opstelde  naar  cene  javaschc  soort,  welke  hij  Crossochei- 
lus  oblongus  noemde  en  welke  sedert  onder  dien  naam  en  onder  den  naam  van  La- 
beo  oblongus,  door  den  heer  Valenciennes  aan  haar  gegeven,  nader  is  bekend  ge- 
worden. Van  Hasselt  had  overigens  ook  geen  juist  denkbeeld,  van  de  verwantschap 
van   het  geslacht ,   vermits  hij   het  verwant  noemde   aan  Leuciscus. 

De  heer  Valenciennes  heeft  het  geslacht  van  Van  Hasselt  niet  aangenomen  en 
de  Van  Hasseltsche  soort  in  het  geslacht  Labeo  ingelijfd.  Zooals  echter  het  geslacht 
Labeo  door  den  heer  Valenciennes  is  omschreven,  omvat  het  eene  groep  van  zeer 
verschillende  soorten ,  welke  zeer  zeker  tot  verschillende  natuurlijke  geslachten  bchooren. 

Ilcckel  beschreef  in  1S3S  eene  nieuwe  soort  van  het  geslacht  in  zijne  Fische 
aus  Caschmir,  onder  den  naam  van  Barbas  diplochilus,  een  naam,  dien  hij  later 
in  Tylognathus  diplochilus  en  T\lognathus  barbatulus  veranderde.  Die  soort  be- 
hoort blijkbaar  tot  Crossocheilos,  en  wel  tot  de  soorten  er  van  met  snuitdraden  en 
bovenkaaksdraden ,  welke   laatste  bij  Crossocheilos  oblongus  ontbreken. 

De  geslachtsnaam  'tylognathus  is  van  1S42  en  dus  lang  na  dien  van  Van  Has- 
selt voorgesteld,  doch  hij  kan  behouden  blijven  voor  de  soort,  welke  door  Heckel 
eerst  Varicorhinus  diplostomus  en  later  Tylognathus  Valencienuesü  is  genoemd  en 
tot  een    van    Crossocheilos  wezenlijk  verschillend  geslacht  behoort. 

Sedert  zijn  van  Crossocheilos  nog  andere  soorten  met  4  voeldraden  bekend  ge- 
worden. Ilcckel  beschreef  er  een  uit  Syrië  onder  den  naam  van  Tylognathus  na- 
nus en  zelf  ontdekte  ik  er  nog  twee  andere,  de  eene  van  Java  en  Sumatra,  welke 
ik  vroeger  onder  den  naam  van  Lobochcilos  cobitis  heb  beschreven ,  en  de  andere 
van   Sumatra,    welker  beschrijving    hier  voorliet  eerst  wordt  openbaar  gemaakt. 

Het  gesdneht  Crossocheilos  is  zeer  na  verwant  aan  Epalzeorhynchos.  Het  mist 
echter  de  kegelvormige  snuituitsteeksels  en  voorts  is  er  de  onderlipkwab  (of  kin- 
kwab) geheel  vrij  en  niet  met  de  bovenlip  vcreenigd  zooals  bij  Epalzeorhynchos. 
Aan    elke   zijde    ziet    men    achter    de    onderkaak  parallèle  groeven,  welke  door  een 


12 


g 


vleezig  toompje  van  elkander  zijn  gescheiden,  welk  toompje  zich  niet  met  de  on- 
derlip maar  met  de  bovenlip  vereenigt. 

De  soorten  van  Crossocheilos  breng  ik  tot  twee  ondergeslachten,  welke  ik  Cros- 
socheilos  een  Crossocheilichthys  noem.  Tot  het  eerste  dier  ondergeslachten  zijn  te 
rekenen  de  soorten,  welke  slechts  snuit- en  geene  bovenkaaksdraden  bezitten,  terwijl 
bij  die  van  het  laatste  zoowel  bovenkaaks-  als  snuitdraden  aanwezig  zijn.  Boven- 
dien heeft  mijne  soort  van  Crossocheilos  de  bovenlip  met  eene  rei  kleine  lepeltjes 
bezet,  terwijl  de  bovenlip  bij  mijne  soorten  van  Crossocheilicthys  geheel  gaafrandig  is. 

Van  het  subgenus  Crossocheilos  is  met  zekerheid  nog  geene  andere  dan  de  Ja- 
vasche  soort  bekend  geworden,  doch  ik  beschouw  als  daartoe  te  belmoren  Cyprinus 
Iatius  Buch.  en  Cyprinus  gohama  Bach,  van  Bengalen ,  terwijl  ook  Gonorhynchus 
gobioides  McCl.  misschien  nog  tot  hetzelfde  subgenus  of  een  subgenus  zonder  voel- 
draden  van  hetzelfde  geslacht  te  brengen  is. 

Van  het  subgenus  Crossoeheilichtln s  daarentegen  kent  men  thans  de  bovengenoemde 
4  soorten,  terwijl  misschien  daartoe  tevens  nog  te  rekenen  zijn  Tylognathus  por- 
cellus  Heek.  van  //India",  welke  soort  mij  slechts  bij  naam  bekend  is,  en  Gobio 
(jiiadrimaculatus  Riipp.   en  Cobio   hirticeps  Rüpp. 

De  soorten  mijner  verzameling  laten    zich  naar  volgend  schema   herkennen. 

A  Cirri  rostrales  tantum.  Labium  superins  crenulatum. 

Crossocheilos  {Crossocheilos)  oblvivjus  V.  Hass. 

B  Cirri   rostrales  et  supramaxillares.  Labium  superius  non  crenulatum. 

f  Oculi  diametro  3  ad'3J  in  longitudine  capitis.   Squamae  33  ad  35  in  serie  longi- 
tudinali. 

§  Caput  altitudine  1-jr  ad  1  \  in  ejus  longitudine-  Cirri  rostrales  oculi  diametro 
multo  breviores.  Fascia  cephalo-caudalis  lata  argentca  vittula  gracili  coeru- 
lescente  percursa. 

Crossocheilos    (Crossocheilichlkys)  cobilis  Blkr. 

§'  Caput  altitudine  1-t  in  ejus  longitudine-  Cirri  rostrales  ocuii  diametro 
paulo  breviores-  Fascia  operculo-caudalis  lata   fusra. 

Crossocheilos  [C rossocheiUchtlnjs)    Langei  Blkr. 


124 

Crossoche'dos  (Crossocheilos)  oblongus  V.  Hass.,  Algemeene  Konst-  en 
Letterbode  1823  II  p.  132;Blkr,  Nieuwe  Tientall.  diagn.  beschr. 
vischs.  v.  Sumatra,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  V  p.  525.  Langwerpige 
Djedjet.    Atl.  Cypr.  Tab.  IV  fig.  3. 

Crossochcil.  (Crosscheil.)  corpora  elongato  compresso,  altitudine  7  fere  ad  5Vsin  ejus  longitudine, 
Iatitudine  V,\  ad  l'/ain  ejus  altitudine;  capitc  acutoconvexo,  6  ad  7  et  paulo  in  longitudine  corpo- 
ris cum,  4:l,.iad  52/5  circiter  iu  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  et  Iatitudine 
1'  J  ad  1- ;.  in  ejus  longitudine;  oculis  superis,  diametro  3  ad  4  iu  longitudine  capitis,  diametro  lad 
1-:,  iu  capitis  parte  postoculari,  diametro  l';tad  2  distantibus,  membran  a  palpebral!  iridis  magnam 
partem  tegente,  apertura  subcirculari;  linea  ros tro- dorsal!  ubique  convexa;  linea  interoculari  con- 
vexa;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis ,  posterioribus  patuli3  valvula  clau- 
dendis,  anterioribus  subtubulatis;  rostro  carnoso,  junioribus  oculo  non  vel  vix,  aetate  provectis 
oculo  multo  longiore,  convexo,  conico,  longe  ante  os  prominente,  poris  numerosis  parum  conspicuis 
obsito,  lateribus  non  lobuto,  parte  ejus  inferiore  trigono  piano  subhorizon  tali,  poroso,  velo  praema- 
xillari  labium  superius  occultante  margine  libero  parum  curvato  papillis  quadratis  confertis  uni- 
seriatis,  aetate  provectioribus  valde  conspicuis,  obsito;  osse  suborbitali  anteriore  trigono,  longio- 
re quam  alto,  apice  rotundato  an  tr  or  su  m  speetante,  margine  posteriore  basali  subverticali  emar- 
ginato  vel  angulato;  osse  suborbitali  2°  oblongo-tetragono,  duplo  ad  multo  minus  duplo  longiore 
quam  alto,  oculi  diametro  plus  duplo  ad  minus  duplo  humiliore;  osse  suborbitali  3°  osse  subor- 
bitali 4°  multoties  latiore,  oculi  diametro  plus  duplo  ad  minus  duplo  graciliore;  cirris  carnosis 
apicem  rostri  versus  sub  apice  ossis  suborbitalis  anterioris  insertis  oculo  brevioribus;  rictu  infero 
ore  aperto  parallelogrammico,  ore  clauso  fissuram  transversam  parum  antrorsum  curvatam  capitis 
Iatitudine  valde  multo  breviorem  efficiente;  labio  superiora  gracili  ante  maxillam  superiorem  pendulo, 
margine  papillis  conicis  acutiusculis  brevibus  uniseriatis  leviter  crenulato;  maxilla  superiore  acie 
cartilaginea  parum  curvata,  deorsum  mediocriter  protractili,  maxilla  inferiore  symphysi  postice  tuberculo 
conico  subbamata,  ante  sympbysin  late  cartilaginea  acie  truncata  vel  leviter  curvata  ;  labio  inferiore 
reflexo  integro,  non  cum  labio  superiore  unito,  sulcis  utroque  latere  infralabialibus  longitudinalibus 
2  marginem  oris  versus  directis,  frenulo  cameo  gracili  oculi  diametro  breviore  separatis  frenulo  an- 
tice  cum  labio  superiore  continuo,  sulco  externo  sulco  interno  vix  latiore  et  vix  profundiore;  oper- 
culo  Iatitudine  l'iad  1'  ;;  in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  paulo  graciliore  ad  paulo  latiore,  margine 
inferiore  rectiusculo  ad  convexiusculo  ;  apertura  branchial!  sub  praeoperculi  margine  posteriore  desi- 
nente;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  aggregatîs  2.4.5-/5.42,  apicem  versus  compressiusculis. 
facie  masticatoria  valde  oblique  truncatis  marginibus  elevatis  apice  plus  niinusve  lobatis,  ils  serie 
anteriore  antice  dimidio  apicali  sulco  lato  longitudinal!  percursis:  osse  scapulari  trigono  acute  rotun- 
dato ;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexiuscula  vel  rectiuscula  multo  altioie  ;  ventre  ante  pinnas 
ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  obtusissime  carinato;  squamis  verticalibus,  lateribus  antice 
quam  cetero  corpora  paulo  majoribus,  dimidio  libero  et  vulgo  etiara  dimidio  basali  longitudinaliter 
vel  subradiatira  striatis,  33  vel  31  in  linea  lateral!,  12  iu  serie  transversal!  (ventralibus  infimis  in- 
clusis)  quarum  472(5)  supra  lineam  lateralem,  8  vel  9  in  serie  longitudinali  occiput  inter  et  pinnam 
dorsalem  ,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  tri-  ad  quinque-seriatis,  postrorsum  magnitudine  sensini 
accrescentibus ,  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  majoribus;  linea  lateral! rectiuscula,  antice  tantum 
declivi,  basi  ventralium  sat  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squamis  tubulo 
cimplice  mediam   squamam  attingente  vel  non  attingente  notata;  pinna  dorsali  sat  longeante  pinnas 


125 

ventrales  incipiente  et  longe  ante  pinnam  analem  desînente  bas!  alepidota,  acuta,  emarginata,  corpore 
paulo  ad  vix  altiore  et  sat  malto  altîore  quam  basi  longa;  pinnis  pectoralibus  acutis  vel  acutiusculis 
ventralibus  paulo  longioribus  5  et  paulo  ad  6'Ain  longitudine  corporis,  ventrales  non  attingentibus; 
ventralibus  acutis  vel  acutiusculis  analem  non  attingentibus;  anali  basi  vagina  squamosa   bumillima 
inclusa,  acuta,  emarginata,  dorsali  non  multo  lnimiliore  sed  duplo  fere  breviore,  duplo  circiter  altiore 
quam  basi  longa,   radio  simplice  tertio  gracili  cartilngineo;  caudali  basi  squamosa,  profunde  emar- 
ginata,   lobis  acutis  subaequalibus    superiore   vulgo  inferiore  paulo  longiore  4  ad  4  2/s  in  longitudine 
corporis;  colore  corpore  superne  olivaceo  vel  coerulescente-viridi,  inferne  argenteo  vel  margaritaceo; 
iride    flavescente  vel  rosea;  fascia  lata  cepbalo-caudali  violaceo-fusca  plus  miuusve  conspicua;  pinnis 
roseo-hyalinis. 
B.  3.  D.  4/8  vel  4/9.  P.  1/14  vel  1/15.  V.  2/S.  A.  3/5  vel  3/G.  C.  6/17/6  vel  7/17/7  lat.  brev.  incl. 
Syn.  Labeo  oblongus  Val.,  Poiss.  XVI  p.  273. 
Labc'on  oblong  Val,  ibid. 
Lulcas  Mai.  Bat,   Djedjet  Sundan. 
Hab.  Java  (Batavia,  Buitenzorg,  Tjampea,  Lebak,  Tjiandjur,  Parongkalong,  Surabaja,  Ngantang), 
in  fluviis. 
Sumatra  (Palembang,  Lahat-Enim,  Padang),  in  fluviis. 
Longitudo  19  speciminum  62"'  ad  160". 

Aanm.  De  Djedjet  is  op  Java  niet  zeldzaam  in  de  hoogere  gedeelten  der  stroom- 
gebieden, doch  wordt  te  Batavia  zelden  gevangen  en  dan  altijd  nog  in  jeugdige 
voorwerpen,  tijdens  hooge  rivierstanden ,  als  wanneer  de  kleinere  visclijes,  door  den 
sterkeren  stroom ,  soms  uit  hunne  woonplaatsen  in  de  hoogere  gedeelten  der  rivie- 
ren worden  weggevoerd. 

Crossocheilos  (Crossocheilichthys)  colitis  Blkr.   Meerslangachtige  Djedjet, 
Atl.  Cypr.  Tab.  IV  fig.  2. 

Crossocb.  (Crossocbeilichth.)  corpore  elongato  compresso,  altitudine  5  ad  6  in  ejus  longitudine,  la- 
titudine  l2/3  ad  l'/ü  in  ejus  altitudine;  capiteacuto,  convexo,  5'/2  ad  53/i  circiter  in  longitu line  corporis 
cum,  41/*  circiter  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  IV3  ad  l2/s,  latitudine  13/4 
ad  l2/5  in  ejus  longitudine;  oculis  superis,  diametro  3  ad  3  et  paulo  in  longitudine  capitis,  diametro 
1  circiter  in  capitis  parte  postoculari,  diametro  l'/iad  l'/3  distantibus,  membrana  palpebrali  iridis 
magnam  partem  togente  apertura  subcirculari  ;  linea  rostro-dorsali  ubique  con  vexa;  linea  interoculari 
convexa;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  patulis  valvula  clauden- 
dis,  anterioribus  margine  elevato  subtubulatis  ;  rostro  caruoso,  juvenilibus  oculo  non  longiore,  aetate 
provectioribus  oeulo  paulo  longiore  ,  convexo,  conico,  longe  ante  os  prominente,  poris  numerosis  parum 
conspicuis  obsito,  Iateribus  non  lobato,  parte  ejus  inferiore  trigono  plano  subborizontali,  poroso, 
velo  praemaxillari  labium  superius  occultante  margine  libero  parum  curvato  papillis  conicis  brevibus 
confertis  uniseriatis  valde  conspicuis  obsito;  osse  suborbitali  anteriore  irregulariter  trigono  ,  longiore 
quam  alto,  apice  rotundato  antrorsum  spectante,  margine  posteriore  basali  snbverticali  cmargiuato 
vel  angulato;  osse  suborbitali  2°  elongato-tetragono ,  plus  duplo  longiore  quam  alto,  antice  quam 
postice  multo  altiore,  oculi  diametro  triplo  ad  quadruplo  humiliore;  osse  suborbitali  3°  osse  sub- 
orbitali 4°latiore,  oculi  diametro  multoties  humiliore;  cirris  rostralibus  cirris  supramaxillaribus  Ion* 


126 

"ioribus  et  crassioribus  ,  oculi  diametro  multo  brevioribus;  rictu  infero,  ore  aperto  parallelogrammico, 
oreclauso  fissuram  transversam  parum  antrorsum  curvatam  capitis  Iatitudine  multo  breviorem  efficien- 
te; labio  superiore  gracili,  ante  maxillam  superiorem  \  <  iidulo  margine  integro,  nee  papillato  nee  crenu- 
latoi  maxilla  superiore  acie  cartilaginea  parum  curvata,  mediocriter  deorsum  protractili;  maxilla  inferiore 
symphysi  postice  tuberculo  conico  brevi,  ante  symphysin  lute  cartilaginea  acie  truncata  vel  leviter 
curvata;  labio  inferiore  lato ,  reflexo,  carnoso,  subvilloso,  integro,  non  cum  labio  superiore  unito , 
sulcis  utroque  latere  infralabialibus  loiigitudinalibus  2  marginem  oris  versus  directis,  i'renulo  carneo 
gracili  oculi  diametro  breviore  separatis,  frenulo  antice  cum  labio  superiore  continuo,  sulco  externo 
sulco  interno  Iongiore;  operculo  Iatitudine  1' 3  ad  l'/i  in  ejii3  altitudine,  oculi  diametro  paulo  ad 
vix  graciliore,  margine  inferiore  convexiusculo  vel  rectiusculo;  apertura  branchial i  sub  operculo  de- 
sinente;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  aggregatis  2. 1.5  5.1.2.  apicem  versus  compressis , 
facie  masticatoria  oblique  truncata  marginibus  elevatis  non  lobata,  dentibus  serie  antcriore  antice 
non  sulcatis;  osse  scapulari  trigono  acute  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexius- 
cula  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  planiusculo,  non  carinato; 
squamis  subverticalibus,  Iateribus  antice  quam  cetero  corpore  paulo  majoribus^  diraidio  libero  et  di- 
midio  basali  longitudinaliter  striatis,  C3  \A  .'il  in  Linea  laterali,  12  in  serie  tranversali  (absque  ven- 
tialibus  infimis)  quarum  4'/â  (5)  supra  liueam  Iateralem,  8  vel  'J  in  serie  longitudinali  occiput  in- 
ter  et  piuuam  dorsalem,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  tri- ad  quinque-seriatis  postrorsum  maj  - 
nitudine  sensim  accrescentibus,  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  paulo  majoribusi  linea  laterali 
rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  ventralium  magis  quam  lineae  dorsali  approximate,  singulis 
squamis  tubulo  simplice  mediam  squamam  vulgo  superante  notata;  pinna  dorsali  sat  longe  ante  pin- 
nas ventrales  incipiente  et  longe  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  emarginata, 
corpore  non  vel  vix  altiore,  sat  multo  altiore  quam  basi  longa ;  pinnis  peetoralibus  acutis  ventralibus 
acuti3  paulo  longioribus  53/4  ad  C  et  paulo  in  longituJine  corporis  ventrales  non  attingentibus;  ven- 
tralibus analem  non  attingentibus;  anali  basi  vagina  squamosa  humillima  inclusa,  acuta,  emarginata, 
dorsali  sat  multo  humiliore  et  duplo  circitcr  breviore,  duplo  circiter  altiore  quam  basi  longa,  radio 
simplice  tertio  gracili  toto  carlilagineo ;  caudali  basi  squamosa  profunde  incisa  lobis  acutis  subae- 
qualibua  4  circitcr  in  Iongitudine  corporis;  colore  corpore  superne  viridi,  inferne  margaritaceo ;  ros- 
tro  cirrisque  olivaceis  vel  dilute  viridibus;  iride  rosea  vel  flava;  fascia  ceplialo-caudali  lata  argx-n- 
tea,  frequenter  tota  ejus  Iongitudine  vittula  gracili  fuscescente  vel  coerulesoente  percursa;  pinnis 
roseo-  vel  fiavescente-hyalinis ,  caudali  media  basi  macula  nigra. 

l;.  3.  I).    !  3  vel    I  9.  P.   1  11  vël  1  15.  V.  2/8.  A.  3/5  vel  3/6.  C.  6/17/6  vel  7  17/7  lat.  brev.  inel. 

Syn.  Lobocheilos  colitis  Blkr,    Nieuwe   Tientall.   diagn.  beschrijv.  nieuwe   Vischs.  Sumatra,    Nat 
T.  Ned.  Ind.  V  p.  523. 
Lukas  Mal.  vM. 

Ilab.  Java  (Batavia,  Surabaja),  in  fluvÜ3. 
Sumatra  (Padang),  in  fluviis. 

.0  70   sji    iminum  ,'rï"  ad  C7'". 

Aanm.  Nadat  ik  dn  onderwerpelijke  soort  te  regt  als  eene  nieuwe  soort  beschre- 
.  had,  doch  te onregt  onder  het  geslachl    '.       iheilos,  vermeldde  ik  haar  in  mijne 

Lumeratio  pisciuin  javanensium  (Nat.  T.  Ned.  Ind.  XV'  p.  427),  door  ik  weet 
1  welke  vergissing,  als  synonien  van  Crossocheilos  oblongus ,  van  welke  zij  intus- 
alve  door  de  aangegevene  kenmerken,   .  in  tie   voeldraden  en  den 

enlipbouw,  verschilt  door  mind  .'ten  rug,  enz. 


127 

Crossocheilos     (Crossocheilichthys)   Langci   Blkr.    Lange' s  Djedjet.   A  tl. 
Cypr.  Tab.  IV  fig.   1. 

Ci'ossoch.  (Crossocheilichth.)  corporc  eïongato  corapresso,  altitudine  6  circiter  in  ejus  longitudine, 
Iatitudinc  lVa circiter  in  ejus  altitudine  ;  capite  acuto  convexo,  52/3  ad  53/i  in  longitudine  corporis  cum, 
42/5  circiter  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  llfe  circiter,  latitudine  l3/5  circiter 
in  eju3  longitudine;  oculis  superis ,  diametro  31/4  circiter  in  longitudine  capitis,  diametro  1  et  paulo  in 
capitis  parte  postoculari,  diametro  l'/3  circiter  distantibus,  membrana  palpebral!  iridis  magnam  partem 
tegente  apertura  subcirculari;  linea  rostro-dorsali  ubique  con  vexa;  linea  interocular!  convexa;  naribus 
orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribua 
marginè  elevato  subtubulatis ;  rostro  carnoso,  ocnlo  paulo  longiore,  convexo,  couico,  longe  ante  os 
prominente,  poris  nuraerosis  parum  conspicuis  ob.ïito,  lateribus  non  lobato,  parte  ejus  inferiore  tri- 
gono  plano  subhorizontali  poroso,  velo  praemaxillari  labium  superîus  occultante  naargine  libero 
parum  curvato  papillis  conicis  brevibus  confertis  nniseriatis  valde  conspicuis  obsito;  osse  subor- 
bital! anteriore  irregulariter  trigono,  longiore  quam  alto,apicc  rotundato  antrorsum  spectante,  mar- 
ginè posteriore  basali  subverticali  emarginato  vel  angulato;  osse  suborbital!  2°  eïongato- tetragono 
duplo  vel  plus  duplo  longiore  quam  alto,  antice  quam  postice  multo  altiore,  oculi  diametro  triplo 
circiter  humiliore;  osse  suborbital!  3*  osse  suborbital!  4°  latiore  oculi  diametro  quadruplo  circiter 
humiliore;  cïrris  rostralibus  cirris  supramaxillaribus  longioribus  et  crassioribus  oculi  diametro  paulo 
brevioribus;  rictu  iufero,  ore  aperto  parallelogrammico,  ore  clauso  fissuram  transversaal  parum  an- 
trorsum curvatam  capitis  latitudine  valde  multo  breviorem  efficiente;  labio  superiore  gracili,  ante 
maxillam  superiorem  pondulo  margine  integro,  nee  papillato  nee  crenulato;  maxilla  superiore  acie 
cartilaginea  parum  curvata,  mediocriter  deorsum  protractili;  maxilla  inferiore  symphysi  posiice  tuber- 
culo  conico  brevi,  ante  symphysin  late  cartilaginea  acie  truncata  vel  leviter  curvata  ;  labio  inferiore  lato 
reflexo,  carnoso,  subvilloso,  integro,  non  cum  labio  superiore  unito,  sulcis  utroque  latere  infrala- 
bialibus  longitudinalibus  2  marginem  oris  versus  directis  frenulo  carnco  gracili  oculi  diametro  multo 
breviore  separatis,  frenulo  antice  cum  labio  superiore  continuo,  sulco  externo  suleo  interno  longiore; 
operculo  latitudine  l'/-2  circiter  in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  vix  graciliore,  margine  inferiore 
convexiusculo  vel  rectiusculo;  apertura  brancbiali  sub  operculo  desinente;  dentibus  pharyngealibus 
masticatorüs  aggregatis  2.4.5/5.4.2  apicem  versus  compressas,  facie  masticatoria  oblique  truncatis 
raarginibus  elevatis  non  lobata,  dentibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis;  osse  scapulari  trigono  acute 
rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexiuscula  multo  altiore;  ventre  ante  pïnuas 
ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  planiusculo,  non  carinato;  squamis  sub  vertical  ibus,  lateribus 
antice  quam  cetero  corpore  paulo  majoribus,  dimidio  libero  et  dimidio  basali  longitudinaliter 
gtiiatis,  34  vel  35  in  linea  lateral!,  12  in  serie  transversali  (vcntralibu3  infimis  inclusis)  quarum 
4'/2  (5)  supra  lineam  lateralera,  10  vel  9  in  serie  longitudinal!  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem, 
ventralibus  infimis    longitudinaliter   tri- ad   quinque-seriatis  postrorsum  magnitud  ■  im  accres- 

centibus,  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  paulo  majoribus;  linea  lateral!  rectiu  lia,  antice 
tantum  declivi,  basi  pinnarum  ventralium  magis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squamis 
tubulo  simplice  mediara  squamam  attingente  vcl  subattingente  notata;  pinna  dorsali  sat  longe  ante 
pinnas  ventrales    incipiente  et  longe  ante  pinnam    analem    desinente,  basi   a  i  ,    acuta;   emar- 

ginata,  corpore  paulo  altiore,  sat  multo  altiore  quam  basi  longa  ;  pînnîs  pectoraîibus  ibus  acutis, 

longitudine  subaequalibus  674  circiter  in  longitudine  corporis,  pectoraîibus  ventrales  non ,  ventralibus 
analem  non  attingentibusj  anali  basi  vagina  squamosa  liumillima  inclusa,  acuta,  emarginata,  dor- 
sali sat  multo  humiliore  et  duplo  fere  breviore,  duplo  circiter  altiore  quam  basi  longa,    radio 


123 

plice  tertio  gracili  toto  cartilagineo  ;  caudali  basi  squamosa,  profunde  ir^isa,  lobis  acutis,  superi- 
ora  inferiors  vix  Iongiore  4J/s  circiter  in  longitudine  corporis;  colore  corpoi e  superne  olivaceo,  inf'erne 
argenteo  vel  margaritaceo ;  rostro  superne  cirrisque  rostralibus  olivaceo-violascentibus;  iride  flava 
vel  rosea  superne  fusca;  fascia  lata  plus  minusve  diffusa  fusca  cephalo-caudali,  operculo  incipiente 
et  basi  pinnae  caudalis  in  maculam  magnam  nigram  transiente;  anum  inter  et  pinnam  aualem  ma- 
cula rotunda  nigricaute-fusca;  pinnis  roseo-hyalinis. 

B.  3.  D.  4/8  vel  4  9.  P.   1  11  vel  1   15.  V.  2  8.  A.  3/5  vel  3  C.  C.  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Hub.  Sumatra  (Palembang),  in  fluviis. 

Longitudo    speciminis  unici  81". 

Aantn.  Ik  draag  deze  soort  op  aan  mijnen  ambtgenoot  den  Leer  E.  A.  Lange, 
dirigerend  officier  van  gezondheid  en  inspekteur  der  hospitalen,  aan  wien  ik  hare 
toezending  verpligt  ben. 

Zij  verschilt  van  Crossocheilichthys  cobitis  voornamelijk  door  slanker  ligchaatn  en 
kop,  door  haren  violettcn  snuit  en  snuitdraden,  welke  laatste  tevens  aanmerkelijk 
meer  ontwikkeld  zijn,  en  voorts  door  den  breeden  zwarten  kopstaartband,  welke 
reeds  op  het  operkel  begint  en  in  eene  groote  zwarte  vlek  op  de  grondhelft  der 
staartvin  eindigt. 


o 


DlSCOGNATHICHTHYS    Blkr.    ZüIGKINKAPvPER. 

Corpus  subelongatum  compressum,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
riudae.  Cirri  4  vel  2,  rostrales  et  supramaxillares ,  vel  supramaxilla- 
res  tantum,  vel  nulli.  Rostrum  carnosum  integrum  sulco  transverso 
nullo,  ante  os  prominens,  cute  descendente  ante  maxillam  superio- 
rem  pendula ,  inferno  nee  crenulata  nee  papillata.  Maxilla  superior 
carnea,  inferior  plica  menti  disciformi  medio  callosa.  Pinna  dorsalis 
ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens, 
radio  simplice  postico  toto  cartilagineo.  Pinnae  pectorales  subhorizontali- 
ter  insertae.     Dentés    pharyngeales    masticatorii   aggregati  2.4.5/5.4.2. 

Aanm.  De  type  van  dit  geslacht  vormt  Discognathus  variabilis  Heck,  van  Syrië, 
welke  soort  generisch  van  de  overige  goed  bekende  van  Discognathus  verschilt, 
door  huren  niet  dwars  gegroefden  snuit  en  ongctcpelden  vrijen  snuithuidrand.  Er 
schijnen  soorten  te  zijn  met  2  voeldraden  en  zonder  voeldraden,  doch,  uit- 
gezonderd de  door  Heckel  beschrevene  soort,  zijn  de  andere  nog  slechts  zeer  opper- 
vlakkig bekend.  Gonorhynchus  brachypterus  McCl.  en  Gonorhynchus  lainta  McCl. 
zijn  met  meer  zekerheid  hiertoe  te  brengen,  terwijl  ook  Gonorhynchus  rupe- 
culus  McCl  en  Gonorhynchus  pctrophilus  McCl.  tot  hetzelfde  geslacht  schijnen  te 
belmoren. 


129 

Platycaea  McCL,  Ind.  Cyprinid.  in  Asiat.  Research.  XIX  p.  299, 
427  —  Platvinkakper. 

Corpus  elongatum  subfusiforme ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxil- 
lae nudae.  Cirri  nulli?.  Rostrum  carnosum  sulco  lato  profundo  longi- 
tudinaliter  bipartitum ,  ante  os  prominens ,  cute  descendente  ante  ma- 
xillam  superiorem  pendula.  Maxilla  inferior  £>lica  menti  disciformi. 
Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnain 
analem  desinens,  radio  simplice  postico  toto  cartilagineo.  Pinnae  pec- 
torales horizontaliter  insertae.     Dentés  pliaryngeales? 

Aanm.  De  heer  MacClelland  heeft  den  geslachtsnaam  Platycara  voorgesteld 
om  dien  van  Balitora  Gr.  te  vervangen,  welke  laatste  naam  reeds  overbodig  was, 
doordien  Van  Hasselt  reeds  in  1322  dien  van  Homaloptera  voor  hetzelfde  geslacht 
had  aangenomen.  Vermits  evenwel  de  heer  MacClelland  onder  zijne  soorten  van 
Platycara  een  beschreven  en  afgebeeld  heeft,  welke  zeer  zeker  niet  tot  Homalo- 
ptera behoort  en  te  brengen  is  tot  een  aan  Disiognathus  verwant  afzonderlijk  ge- 
slacht, stel  ik  voor,  den  naam  Platycara  voor  dit  geslacht  te  behouden.  Uit  ge- 
slacht, natuurlijk  geheel  anders  omschreven,  dan  door  den  heer  MacClelland  is 
gedaan,  heeft  met  de  geslachten  Discognathus  en  Discognathichthys  de  schijf  vor- 
mige  kinzuigplaat  gemeen,  doch  onderscheidt  er  zich  van  door  den  overhangs 
gespleten  snuit  en  waarschijnlijk  door  nog  andere  bijzonderheden  in  de  organi- 
satie der  monddeelen,  welke  overigens  door  den  heer  MacClelland  niet  nader  be- 
schreven en  slechts  zeer  onduidelijk  afgebeeld  zijn.  Platycara  nasuta  McCl.  is  tot 
nog  toe  de  eenige  soort,  welke  tot  dit  geslacht  te  brengen  is. 

Schismatorhynchos  Blkv ,  Nalez.  vischfaun.  Sumatra,  Nat.  Tijdschr. 
Ned.  Ind.  X  p.  269.  Dubbelsnuitkakpek. 

Corpus  oblongum  vel  subelongatum  compressum,  squamis  magnis  ves- 
titum. Maxillae  nudae.  Cirri  4,  supramaxillares  et  rostrales.  Rostrum 
carnosum ,  superne  incisura  transversa  bipartitum ,  ante  os  prominens , 
infra  apicem  truncatum ,  lateribus  non  lobatum ,  cute  descendente  ante 
labium  superius  pendula.  Labium  superius  ante  maxillam  superiorem 
pendulum,  integrum,  nee  papillatum  nee  cirratum.  Maxilla  superior 
margine  cartilagineo  formam  ferri  equini  referens  ;  maxilla  inferior  tu- 

17 


130 

mida,  cartilagineo-earnosa ,  margine  anteriore  truncata ,  postice  profunde 
emarginata  unde  maxilla  postice  in  cavitate  oris  bicornis.  Labium  in- 
ferius  latum,  carnosum,  reflexum,  integrum,  cum  labio  superiore  non 
unitum.  Sulci  postlabiales  utroque  latere  2  profundi ,  longitudinaliter 
marginem  oris  versus  directi ,  frenulo  carneo  intermedio  gracili  antice 
labio  laterali  accessorio  gracili  cum  labio  superiore  unito;  sulci  inter- 
ni  isthmo  latissimo  separati  in  incisuram  labium  inter  et  maxillam 
transientes.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe 
ante  pinnam  analcm  desinens ,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Pin- 
nae pectorales  horizontaliter  insertae.  Dentés  pharyngeals  mastica- 
torii  aggregati  2.4.5.  5.4.2  facie  masticatoria  oblique  truncata  non  tu- 
berculata. 

Aanm.  Schismatorhynchos  is  een  zeer  natuurlijk  en  uiterst  scherp  gekenmerkt  ge- 
slacht, hetwelk  ik  in  1S55  het  eerst  voorstelde  en  grondde  op  eene  soort  van 
Sumatra,  welke  ik  reeds  in  1S53  beschreef  onder  den  naam  van  Lobocheilos  hete- 
rorhynchos.  Het  heeft  met  Discognathus  en  Tylognathus  (namelijk  zooals  ik  deze 
beide  Heckelsche  geslachten  opvat)  den  dwars  verdeelden  snuit  gemeen,  doch  is 
er  gemakkelijk  van  te  onderscheiden,  wegens  deu  geheel  afwijken  den  bouw  der 
monddeelen. 

Ik  ken  slechts  de  genoemde  soort  naar  de  natuur.  Het  komt  mij  echter  voor,  dat 
Zuid- Azië  meerdere  andere  soorten  voedt  en  dat  Cyprinus  gotyla  Gray,  Cyprinus 
(Bangana)  falcata  Gr.  en  Gobio  ricnorhynchos  McCl.  drie  andere  soorten  van  het- 
zelfde geslacht  voorstellen.  De  monddeelen  dier  soorten  zijn  echter  zoo  onvoldoende 
beschreven  en  afgebeeld,  dat  eene  studie  naar  de  natuur  volstrekt  vereischt  wordt 
om  ten  deze  tot  zekerheid  te  geraken.  In  allen  gevalle  laat  zich  de  sumatrasche 
soort  gemakkelijk   van  de  zuidaziatische   onderkennen  als   volgt. 

I  Squamae  33  vel  34  in  serie  longitudinal!,  51  (G)  supra  lincam  lateralem.  D. 
4/8  vel  4/9.  Fascia  cephalo-caudalis  fusca. 

Schismatorhynchos   hcierorhymhos  Blkr. 


131 

Schismator  hyncho  s  heterorhynchos  Blkr,  Nalez.  visctifauna  v.  Sumatra, 
Nat.  Tijdsclir.  Ned.  Ind.  IX  p.  269.  Sumatrasche  Dubbelsnuitkarper. 
Atl.   Cypr.  Tab.  IV  fig.  4. 

Scliismatorh.  corpore  subelongato  corapresso,  altitudine  5' -2  ad  42, 3  in  ejus  longitudine,  latitudine 
2  fere  ad  2  et  paulo  iu  ejus  altitudine;  capite  convexo  antice  oblique  postrorsum  truncato,  ö3/*  ad 
GVïin  longltudine  corporis  cura,  4J/3  ad  5  fere  In  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitu- 
dine l'/4ad  l'/Gi  latitndine  l3/5  ad  l3/4  in  ejus  longitudine;  oculis  superis  diametro  3' /2  ad  5' 2  ia 
longitudine  capitis,  diametro  l'^ad  I-/3  in  capitis  parte  postoculari,  diaraetris  l'jad  2 '/2  distanti- 
bus,  membrana  palpebrali  iridis  magnam  partem  tegente  apertura  subcireulari;  linea  rostro-dorsali 
fronte  et  vertice  convexiuscula,  nucha  et  dorso  valde  convexa;  linea  interoculari  convexa;  nari- 
bus  orbitae  multo  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis, 
anterioribus  subtubulatis;  rostro  valdo  carnoso,  oculi  diametro  multo  ad  duplo  longiore,  subrectan- 
gulatim  curvato ,  dimidio  suprnangulari  poris  numerosis  magnis  valde  conspicuis  et  incisura  trans- 
versa fossam  magnam  profuudam  ubique  porosam  efficiente  bipartito  parte  superiore  incisuris  3  su- 
perfieialibus  longitudinalibus  iteruui  quadripartita,  dimidio  infra-angulari  poris  conspicuis  nullis  pos- 
trorsum descendente  antice  planum  trigonum  apice  sursura  spectantem  efficiente  margine  inferioro  sub- 
semilunari  submeinbranaceo  integro  nee  papillato  nee  cirrato  ante  labium  superius  pendulo  lateribus 
non  lobato;  osse  suborbitali  anteriore  trigono,  longiore  quam  alto,  apice  rotundato  antrorsum  spectante, 
margine  posteriore  basali  subverticali  emarginato;  osse  suborbitali  2°  bexagouo,  aeque  alto  circiter 
ac  longo  ,  oculi  diametro  paulo  ad  non  altiore;  osse  suborbitali  3°  osse  suborbitali  4°  multoties  latiore 
oculi  diametro  nou  vel  vix  humiliore;  cirris  carnosis,  snpramaxillaribus  rostralibus  plus  duplo  lon- 
gioribu3  oculo  multo  longioribus  ore  clauso  in  sulco  infralabiali  externo  occultis,  rostralibus  antice 
in  sulco  os  suborbitale  ln>  inter  et  velum  rostrale  insertis;  rictu  subantico  latitudine  capitis  latitu- 
tudinem  fere  aequante,  subsemilunari,  introitu  autem  cavitatis  oris  interno  angusto  et  (ore  aperto) 
subcordiformi;  labio  superiore  gracili  integro  vix  ante  maxillam  superiorem  pendulo;  maxilla  superiore 
acie  cartilaginea  subsemilunari,  deorsum  valde  protractili;  maxilla  inferiors  symphysi  postice  pro- 
funde  emargiuata,  bicorni  apicibus  cornuum  acutiusculis,  ante  symphysin  late  cartilagineo-carnosa 
acie  truncata;  labio  iuferiore  reflexo,  integro,  non  cum  labio  superiore  unito,  suleis  utroque  latere 
2  longitudinalibus  marginem  oris  versus  directis,  frenulo  carneo  gracili  ocnli  diametro  longiore 
separatis  frenulo  antice  ope  labii  accessorii  gracilis  cum  labio  superiore  continuo,  sulco  externo 
sulco  interno  multo  latiore  et  profundiore  ;  operculo  duplo  circiter  altiore  quam  lato,  oculi  diametro  non 
vel  vix  graciliore,  margine  inferiore  rectiusculo  vel  concaviusculo  ;  apertura  brancbiali  sub  praeoperculi 
margine  posteriore  desinente,-  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  aggregatis  2.4.5/5.4.2.  dimidio 
apicali  compressiusculis  facie  masticatoria  valde  oblique  truncata  margiuibus  parum  elevatis  non 
lobatis,  dentibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis  ;  osse  scapulari  trigono  acutiuscule  rotundato  ; 
linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexiuscula  multo  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano, 
post  pinnas  ventralc3  obtusissime  carinato  ;  squamis  subverticalibus ,  lateribus  quam  cetero  corpore 
(ventre  excepto)  non  vel  vix  majoribus,  dimidio  libero  et  dimidio  basali  Iongitudinaliter  striatis,  33 
vel  34  in  linea  laterali,  14  in  serie  transversali  (ventralibus  infimis  inclusis)  quarum  bl/s  (6)  supra 
lineam  lateralem,  11  vel  12  in  serie  longïtudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibus  in- 
fimis Iongitudinaliter  quinque-seriatis  postrorsum  magnitudine  sensira  accrescentibus  serie  media  iis 
seiiebus  lateralibus  non  majoribus,-  linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  pinnarum 
ventralium  non  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squamis  tubulo  simplieerne- 


132 

diam  squamam  nou  vel  vix  attingente  notata;  pinna  dorsal!  sat  longe  ante  pinnas  ventrales  incipieute 
et  lon^e  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  postice  vagina  squamosa  humillima  inclusa,  acuta, 
valde  emarginata,  corpore  altiore  et  niulto  altiore  quam  basi  longa;  pinnis  pcctoralibus  et  ventrali- 
bus  acutis,  pectoralibus  ventralibus  non  vel  paulo  tantum  longioribus  5-  3  ad  6  et  paulo  in  Iongitu- 
dine  corporis,  ventrales  non  attingentibus;  ventralibus  analem  non  vel  vix  attingentibus  ;  anali  basi 
vagina  squamosa  humillima  inclusa,  acuta,  mediocr iter  emarginata,  dorsali  multo  humiliore  et  duplo 
circiter  breviore,  plus  duplo  altiore  quam  basi  longa,  radio  simplice  tertio  gracili  eartilagineo  ;  cau- 
dali  basi  squamosa,  profuude  iucisa  lobis  acutis,  superioro  inferiors  longiore  vel  non  longiore  :>' 
ad  4' 4  circiter  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  violascente-olivaceo  vel  profuude  oli- 
vaceo,  inferne  dilutiore  vel  margaritaceo  ;  iride  rosea  margine  pupillari  aurea;  fascia  lata  dilTusa  ce- 
phalo-caudali  nigricante-violacea;  piunis  radiis  roseis  vel  rubris,  membrana  roseo-hyalinis  vel  viola- 
scente-lryalinis. 

B.  3.  D.  4  8  vel  4  9.  P.  1  IC.  V.  2  S.  A.  3  5  vel  3  6.  C.  G  17  G  vel  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Lobocheilos  heterorhynckoa  Blkr,   Nieuwe  Tientall.  diagnost.  besclir.  nieuwe  vischs.  Sumatra, 
Nat.  Tijdschr.  Ned.  Ind.  V  p.  521. 
Schismatorhjnchos  lobochelloides  Blkr,  Ind.  descr.  spec.  pisc.  Nat.  T.  Ned.  Ind.  XIV  p.  476. 

Ilab.  Sumatra  (Solok,  Laliat),  in  fluviis. 

Longitudo  7  speciminum  87'"  ad  232'  . 

Aanm.  Cyprinus  (Bangana)  falcata  Gr.,  afgebeeld  in  de  Illustrations  of  Indian 
Zoology,  schijnt  van  de  onderwerpelijke  soort  te  verschillen ,  door  talrijke  schubben 
zoowel  in  eene  overlangsche  als  in  eene  dwarsche  rei,  door  twee  stralen  meer  in 
de  rugvin,  afwezigheid  van  den  overlangschen  ligchaamsband,  enz. 

Ook  Cyprinus  gotyla  Gr.  van  de  Illustrations  of  Indian  Zoology  schijnt  zich ,  naar 
de  afbeelding  te  oordeclen,  van  Schisniatorhynchos  heterorhynchos  te  onderscheiden 
door  aanmerkelijk  minder  schubben  op  eene  dwarsche  rei  (slechts  Zl  of  4  boven 
de  zijlijn),  weinig  of  niet  uitgerande  vinnen,  stomp  afgeronde  borstvinnen  ,  lage  9- of 
10-  stralige  (4  9  vel  4/10)  rugvin,  afwezigheid  van  overlangschen  ligchaamsband,  enz. 

Gobio  ricnorhynchus  ]\IcCl.  eindelijk,  de  derde  zuid-aziatische  soort  van  Schis- 
matorhvnchos,  heeft  in  habitus  veel  van  de  sumatrasche ,.  doch  volgens  den  heer 
MacClelland  43  schubben  op  eene  overlangsche  rei,  11  verdeelde  rugvinstralen  en 
mist  den  overlangschen  ligchaamsband,  enz. 

Tot  nog  toe  heb  ik  onderwerpelijke  soort 'slechts  uit  de  binnenlanden  van  Su- 
matra ontvangen. 

Labeo  Cuv.,  Règn.  anim.  1817.  I  p.  194;  Blkr,  Descr.  pisc.  Ja  van. 
nov.  in  Nat.  Tijdschr.  Ned.  Ind.  XIII  p.  360  (diagnosis  reformata). 
LlPKAEPER ,    ArENGAN. 

Corpus  oblongum  compressum,  squamis  magnis  vestitum.  Maxil- 
lae  nudae.     Cirri  4  vel  2,  rostrales  et  supramaxillares,  vel  suprama- 


133 

xillares  tantum.  Rostrum  carnosum ,  ante  os  prominens ,  cute  clescen- 
clente  ante  maxillam  superiorem  pendula  utroque  rostri  latere  lobata. 
Os  suborbitale  anterius  sat  longe  ante  orbitam  situm.  Labium  supe- 
rius  ante  maxillam  superiorem  pendulum,  integrum,  nee  papillatum 
nee  cirratum,  cum  margine  labii  inferioris  libero  continuum.  Maxilla 
superior  acie  cartilaginea  formam  ferri  equini  referens ,  inferior  tumida 
cartilagineo-carnosa ,  margine  anteriore  truncata,  sjmiphysi  postice 
valde  emarginata,  tuberculo  nullo.  Labium  inferius  latum  carnosum 
reflexum  integrum  vel  plus  minusve  crenulatum.  Sulcus  postlabialis 
utroque  latere  simplex  fossam  magnam  profundam  efficiens ,  obliquus , 
marginem  oris  versus  directus,  labii  marginem  liberum  non  attingens, 
istlnno  sat  lato  a  sulco  lateris  oppositi  scparatus.  Pinna  dorsalis  ante 
pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens  radio 
simplice  postico  toto  cartilagineo.  Pinnae  pectorales  subhorizontaliter 
insertae.  Dentés  pharyngeales  masticatorii  aggregati  2.4.5  5.4.2  facie 
masticatoria  oblique  truncati. 

Subgen.  Diplocheilos  Blkr.  Cirri  4',  rostrales  et  supramaxillares. 
//        Labeo  Cuv.   Cirri  2 ,  supramaxillares  tantum. 

Aanin.  Het  geslacht  Labeo,  zoo  als  liet  door  Cuvier  is  ingevoerd  en  gegrond 
op  C-  niloticus  Góoffr.  en  C.  fimbriates  Bl.  is  sedert  zijne  opstelling  opgelost  in 
talrijke  geslachten,  zoodat  het  thans  te  beperken  is  tot  die  soorten,  welke  vol- 
gens den  tegemvoordigen  stand  der  wetenschap  generisch  aan  Labeo  nilotic  . 
beantwoorden.  Ik  begrijp  er  onder  alle  de  Labeoninen  met  dikke  kraakbee:;- 
achtig-vleezige  onderkaak,  gaven  doch  aan  beide  zijden  in  eenc  vleezige  kwab 
overgaanden  snuitrand,  enkele  schuins-overlangsche  achterlipsgroeve,  welke  door 
eene  rneer  of  min  breede  kinhuid  van  de  groeve  der  tegenovergestelde  zijde  is 
gescheiden,  met  de  bovenlip  vereenigde  onderlip  en  onmerkbaar  (zonder  tusschen- 
liggende  groeve)  in  de  onderlip  overgaande  kinhuid. 

Aldus  omschreven,  omvat  het  geslacht  Labeo  nog  vrij  talrijke  soorten,  welke  alle 
behooreu  tot  Noord- Afrika ,  Zuid- Azië  en  de  Soenda- eilanden,  doch  meerdere  soor- 
ten, door  Heckel  en  den  heer  Valenciennes  tot  Labeo  gebragt,  vallen  buiten  zijne 
grenzen.  Beide  uitstekende  ichthyologen  hebben  ten  deze  nog  te  veel  waarde  ge- 
hecht aan  het  aantal  voeldraden  en  onvoorwaardelijk  de  verwante  soorten  met  4 
voeldraden  buiten  gesloten ,  terwijl  tot  andere  geslachten  behoorende  soorten  met 
slechts  2  voeldraden,  onverschillig  of  zij  op  den  snuit  of  op  de  bovenkaak  zijn  in- 
geplant, door  hen  in  het  geslacht  Labeo  zijn  opgenomen. 


134 

Zuj  zijn  Labeo  cephalus  Val.  en  Labeo  Dussumieri  Val.,  in  mijn  oog,  soorten  van 
Rohita,  bij  welke  slechts  bovenkaaksdraden  aanwezig  zijn,  even  als  Labeo  Reynaul- 
di  Val.,  Labeo  microlepidotus  Val.  en  Labeo  fimbriatus  Val.  —  Voorts  is  Labeo  oblon- 
gus  Val.,  zoo  als  reeds  biervoren  is  aangetoond,  eene  Crossocheilos  met  slechts  2 
snuitdraden,  terwijl  Labeo  erythroptcrus  Val.  wel  eene  echte  Labeo  is,  maar  tevens 
zeer  zeker  4  voeldraden  heeft  en  niet  slechts  2  bovenkaaksdraden ,  zooals  de  heer 
Valenciennes  aangeeft.  Voorts  behoort,  mijns  inziens,  Labeo  senegalensis  Val.  tot 
een  eigen,  aan  Rohita  na  verwant,  geslacht  gebragt  te  worden,  hetwelk  ik  voor- 
gesteld heb  Rohitickthys  te  noemen,  even  als  Labeo  falcifer  Val.  en  waarschijnlijk 
ook  Labeo  hispidus  Val.  behooren  tot  Lobocheilos, —  Labeo  diplostomus  Val.  tot  Tv- 
lognathus,  en  Labeo  malacostomus  Val.  tot  Schismatorhynchos,  terwijl  ook  Labeo 
cursa  Val.  en  Labeo  curchius  Val.  veeleer  tot  Rohita  dan  tot  Labeo  schijnen  te 
brengen  te  zijn. 

Ileckel  heeft  nog,  hoezeer  onder  geleide  vaneen  vraagteeken,  eenige  soorten  aan 
het  geslacht  Labeo  toegevoegd,  t.  w.  Cyprinus  rostratus  Tiles,  en  Cyprin  us  rufes- 
cens  Hasselq.  welker  beschrijvingen  hier  te  lande  niet  zijn  te  raadplegen  en  waar- 
omtrent ik  alzoo  niet  zelf  kan  oordeelen,  en  voorts  nocr  Gobio  ricnorhvnchus  McCL 
welke  soort  echter  behoort  tot  mijn  geslacht  Schismatorhynchos.  Chondrostoma  dern- 
beusis  Val.  (nee  Rüpp.)  zou  volgens  Heckel  insgelijks  eene  Labeo  zijn ,  en  niet 
van   zijne   Labeo  vulgaris   verschillen. 

)0  zijn  van  de  21  door  Heckel  en  den  heer  Valenciennes  opgesomde  soorten 
van  Labeo,  hoogstens  9  tot  dat  geslacht  te  brengen,  zooals  ik  het  natuurlijk  meen 
omschreven  te  hebben. 

Daarentegen  ken  ik  meerdere  soorten  van  het  geslacht,  welke  niet  alleen  boven- 
kaaksdraden, maar  ook  snuitdraden  bezitten.  Deze  draden  zijn  echter  gewoonlijk 
zoo  weinig  ontwikkeld,  dat  zij  der  waarneming  ligtelijk  ontglippen,  en  zulks  doet 
mij  vermoeden ,  dat  eene  nadere  meer  naauwgezette  waarneming,  ook  voeldraden  zal 
doen  vinden  bij  die  soorten,  aan  welke  ze  tot  nog  toe  niet  zijn  toegekend.  Te  meer 
.en  ik  zulks  te  mogen  vooronderstellen,  omdat  geene  der  soorten  van  de  aan  La- 
)  verwante  geslachten,  welke  door  Heckel  en  den  heer  Valenciennes  vermeld  wor- 
den volstrekt  geene  cirri  te  bezitten,  door  die  uitstekende  ichthyologcn  naar  de  na- 
tuur zijn  onderzocht. 

m  als  bij  andere  geslachten  der  Cyprinoïden  is  geschied,  splits  ik  de  soorten 
van  Labeo   in    twee  groepen  of  omk, -geslachten,  naar   mate    ze  alleen    bovenkaaks- 
)wel  sii  ii    als    bovenkaaksdraden    bezitten.    De    laatste    breng 

CHUS  Diplocheilos ,  de  eerste  tot  het   subgenus  Labeo. 

heilos  heb  ik  overgenomen   van  Van   Hasselt,    die  hem  als   ge- 

toepassen    op    de    soort,  sedert  nader  in  de  wetenschap  Lekend 

;:  van  Labeo  erythroptcrus  en  welke  inderdaad  eene  Labeo 


Alle  soorten  mijner  verzameling  behooren  tot  het  subgenus  Diplocheilos.  Een 
dier  soorten  is  dezelfde ,  welke  ik  in  mijne  Nalezingen  op  de  ichth\ologie  van 
Bengalen  beschreven  heb  onder  den  door  den  heer  MacClclIancl  aan  haar  se^even 
naam  van  Gobio  boga,  doch  welke  een  nader  onderzoek  mij  geleerd  heeft  eene 
echte  Labeo  te  zijn.  Mijne  drie  overige  soorten  zijn  alle  gevangen  in  de  rivieren 
van  West-Java.  Twee  daarvan  beschreef  ik  vroeger  onder  de  namen  Lobocheilos 
hicas  en  Lobocheilos  rohitoides  ,  terwijl  de'  derde  soort  dezelfde  is  als  die,  welke 
Van  Hasselt  reeds  bestempelde  met  den  naam  van  Diplocheilos  erythropterus. 

De  drie  archipelagische  soorten  laten  zich  van  elkander  en  van  de  overige  beken- 
de soorten  onderscheiden  naar  volgend  schema. 

I  Cirri   rostrales   et  supramaxillares.   (Subgen.  Diplocheilos). 
A    Squamae  1\  supra  lineam  lateralem,  42  vel  43  in  serie  longitudinale 
f  Cirri  oculo  duplo  vel  plus  duplo  breviores  subaequales.    Operculum  latitudine 
2|  ad  2f  in  ejus  altitudine. 

Labeo    [Diplocheilos)  erythropterus   Val. 
ff   Cirri   oculo  non  multo  breviores,  anteriores  longiores.  Operculum  latitudine 
lf  ad  2  fere  in  ejus   altitudine. 

Labeo  (Diplocheilos)  lucas   Blkr. 
B.  Squamae  5'/.2  supra  lineam  lateralem,  35  p.  m.  in  serie  longitudinali. 
f  Cirri  rostrales  oculo  non  vel  vix  breviores.  Operculum  latitudine  2  in  ejus 
altitudine. 

Labeo  {Diplocheilos)  rohitoides  Blkr. 


Labeo  (Diplocheilos)  erythropterus  Blkr,   Roodvinnige   Arengan.  Atl. 
Cypr.  Tab.  V. 

Labeo  (Diplocheilos)  corpore  oblongo  rel  subelongato  compresso,  altitudine  5  fere  ad  4  et  paulo 
in  ejus  longitudine,  latitudine  12,3  ad  2  in  ejus  altitudine;  capite  acutiusculo  5'-,3ad  6  in  lon<ntu- 
dine  corporis  cum,  4  et  paulo  ad  4'  s  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  l'/i  ad 
l'a,  latitudine  V/3  ad  l'/2  in  ejus  longitudine;  oculis  superis,  diametro  3' 3  ad  4  in  longitudine 
capitis,  diametro  1  ad  1  et  paulo  in  capitis  parte  postoculari,  diametro  l3  5  ad  21  3  distantibus, 
membrana  palpebrali  iridis  partem  externam  tegente,  apertura  subcirculari  ;  linea  rostro-dorsali  fronte 
et  vertice  declivi  convexiuscula  vel  rectiuscula,  nucha  dorsoque  valde  convexa;  linea  interoculari 
convexa;  naribus  orbitae  multo  magis  quam  rostri  apici  approximates ,  posterioribus  patulis  valvula 
claudendis ,  anterioribus  margine  elevato  subtubulatis;  rostro  valde  carnoso,  oculi  diametro  juniori- 
bus  et  aetate  provectis  multo  ad  duplo  circiter  longiore,  antice  truncato,  inferne  in  velum  membraaa- 
ceum  ante  03  pendulum  desinente,  antice,  lateribus  superneque  usque  post  nares  poris  numerosis  valde 
conspicuis  obsito,  velo  utroque  latere  in  lobum  oblongum  rotundatum  producto,  margiûe  inferiore 
integro  ;   osse   suborbitali  anteriore  ante  nares  longe  ante  oculum  sito,  longiore  quam  alto,  margine 


13G 

riore  maxime  convexo  semicircular! ,  marginibua  superioribus  concavis  in  angulum   acutiusculuni 
sursura    spectantem  unitis;  osse  suborbital!  2°  clongato  tetragono  duplo  vel  plus  duplo  longiore  quam 
alto,  antice  quam  po3tice  altiore,  oculi  diametro  plus  duplo  sed  minus  triplo  bumiliore,  osse    sub- 
orbital! 3°   osse    suborbital!    4°    latiore    oculi   diametro  plus    quadruple-  ad  triplo    graciliore;  cirris 
eracillimis   parum   conspicuis,   oculo  duplo   vel  plus  duplo  brevioribus,  supramaxillaribus  rostralibus 
non  vel  vix  longïoribus,  rostralibus  antice  in  sulco  os  suborbitale  lm  inter  et  velum  rostrale  insertis  ; 
victu  infero,  latitudine  capitis  latitudinem  subaequante,  ore  clausoformam  ferri  equini  referente;  in- 
troitu    autem    cavitatis    oris    interno  angusto  et   (ore  aperto)    oblongo-rotundato  vel    subcordiformi ; 
labio  superiore  gracili  integro  ante  maxillam  superiorem  pendulo;  maxilla  superiore  acie  cartilaginea 
formam    ferri    equini    subreferenl    ,    d    n*sum  val  Je   protractili;    maxilla    iuferiore    symphysi    postice 
late  emarginata,  ante  symphysin  late  cartilagineo-carnosa  plana  acie  truncata;  labio  iuferiore  reflexo, 
carnoso,  margine  libero  cum  labio  superiore  continuo  papillis  brevissimis  uniseriatis  obsito,  facie  su- 
periore transversim    uudulatim  rugoso,    facie  iuferiore  Iaevij  sulco  infralabiali  utroque  latere  fossam 
magnam  angulatam   profundam  efficiente,    oblique    lineam  menti  mediam  versus  directo    sed    isthmo 
oculi    diametro     sat    multo    graciliore   a    sulco    lateris    oppositi    separator    operculo    latitudine 
ad  2:!  .i  in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  sat  multo  ad  paulo  graciliore,  margine  iuferiore   convexo; 
apertura  brancbiali  sub  praeoperculi  parle  posterioredesinente;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis 
aggregatis    2.4.5/5.4.2,   apicem   versus    compressiusculis ,    singulis    facie    masticatoria    oblique  trun- 
catis,  marginibus  parum  et  regulariter  elevatis,    non   lobatis ,  dentibus   anterioribus  antice  non  sul- 
eatis;    osse   scapulari  trigono  acute  vel   acutiuscule  rotundato;    linea  dorsali  convexa    linea  ventrali 
convexiuscula  multo  altiore;   ventre  ante  pinnas    ventrales  plano,    post  pinnas  ventrales  obtusissime 
carinato  ;    squamis  subverticalibus ,    lateribus  antice  quam   cetera   corpore  majoribus,   suprascapula- 
ribus    autem    omnium  maximis  ;    squamis    dimidio   libero  et   vulgo    etiam    dimidio  basali  longitudi- 
naliter  subradiatim  striatis,    12  vel  43  in  linea  laterali,  18  in  serie  transversali    (ventralibus  infimis 
isïs)  quarum  7',-j(S)  supra  lineam lateralem ,'  IC  p.m.  in  serie  longitudinali  occiput  inter  etpin- 
nam    dorsalem,  ventralibus   infimis   longitudinaliter  5-  ad  7-seriatis  postrorsum   magnitudine  sensim 
accrescentibus  serie   media  Ü3    serïebus   lateralibus  non  majoribus  j   linea   laterali  rectiuscula,   antice 
tantum  deelivi ,  basi    ventralium  sat  multo  magis  quam  liueae   dorsali   approximata,  singulis  squa- 
mis tubulo  simplice  mediam   squamam    non    attingente    notata;  pinna    dorsali  sat  longe  ante  pinnas 
vint  rales    incipiente   et    longe  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  emarginata,  sat 
mult  o    altiore  quam  longa,  altitudine  1  et  paulo  ad  1'  i  in  altitudine    corporis]    pinnis    pectofalibus 
et    ventralibus   aeutis,    longitudine    subaequalibus,    53/4  ad   ö1  ;;  in  longitudine  corporis,  pectoralibus 
ventrales  non  vel  vix,  ventralibus  analem  non  attingentibus ;  anali  basi  vagina  squamosa  humillima 
inclusa,  acuta,  mediocriter  ad  vix  emarginata,  dorsali    paulo  bumiliore  ad  paulo   altiore  sed   duplo 
circiter  breviore,    plus  duplo  ad   triplo  altiore  quam  basi  longa,  radio  simplice    tertio  gracili  carti- 
Iagineo;    caudali  basi  squamosa,  profunde  incisa,    lobis    aeutis,  superiore   iuferiore  longiore   33  I  ad 
in    longitudine    corporis;    colore  corpore    superne  lateribusque    violascente-olivaceo,    inferne    fla- 
vescente-olivaceo   vel    margaritaceo  ;  iride    fia  va,  margine    pupillari    aurea,    superne    fuscaj    squamis 
dorso  lateribusque  singulis,  junioribus  praesertim,  macula  oblonga  vel  rotunda  aurea;    pinuis    radiis 
aurantiaco-roseis,  membrana  coerulescente-byalinis ,  plus   minusve  violaceo-nigricante  arenatis. 
B.  3.  D.  4/11  vel   1  12.  P.  1/15.  V.  4/8.  A.  8/5  vel  3  6.  C.  7  17  7  vel  6/17  6  lat.  brev.  incl. 
Syn.  Diplocheilus  erythropterus  V.  Ilas3.,  Algcm.  Konst-  en  Letterbode  1823  II  p.  133. 

Labeo  erythropterus  Val.,  Poiss.  XVI  p.  271;  Heck., Fisch.  Syr.  p.  34, 180;  Blkr,  Descr.  pisc 

Javan.   nov.  Nat.  T.    Ned.  Ind.  XIII  p.  360. 
Labéon  à  nageoires    ronges  Val,  Poiss.  XVI  p.  271. 
Ar  eng  an  Sund. 


137 


Ilab.  Java  (Lebak,  Parongkalong) ,  in  fluviis. 
Longitudo  2  speciminum  150'"  et  275'". 


Aanm.  Hoezeer  reeds  door  Van  Hasselt  in  1S22  ontdekt,  is  de  Arengan  eerst 
nader  in  de  wetenschap  bekend  geworden  in  1812  door  den  heer  Valenciennes, 
naar  een  opgezet  voorwerp  van  het  Leidsche  Museum  van  twee  voeten  lengte  en 
naar  eene  onder  de  oogen  van  Kuhl  en  Van  Hasselt  vervaardigde  afbeelding.  Die 
beschrijving  beantwoordt  vrij  wel  aan  mijne  beide  kleinere  voorwerpen,  doch  de 
snuitdraden  zijn  door  den  heer  Valenciennes  niet  opgemerkt,  terwijl  ook  in  de  for- 
mule der  vinstralen,  de  kortere  en  verdeelde  stralen  niet  in  rekening  zijn  gebragt. 
De  goudkleurige  schubvlekken  bestaan  slechts  bij  de'  jongere  voorwerpen  en  ver- 
dwijnen allengskens  bij    toenemenden    leeftijd. 

Ik  ken  deze  soort  tot  nog  toe  slechts  van  West-Java.  Het  kleinste  voorwerp 
ontving  ik  van  Lebak,  in  de  residentie  Bantam,  en  is  in  het  13°  deel  van  het  Na- 
tuurkundig Tijdschrift  voor  Nederlandsen  Indië  beschreven.  Sedert  werd  mijne 
verzameling  verrijkt  met  een  uitmuntend  goed  bewaard  voorwerp  van  275'"  lengte, 
hetwelk  ik  te  Parangkalong,  tijdens  eene  vischpartij  op  de  rivier  Tjitaroem ,  magtig 
werd.  Ik  zag  bij  die  gelegenheid  talrijke  grootere  voorwerpen  van  dezelfde  soort, 
welke  ik  echter  niet  in  de  gelegenheid  was  te  bewaren.  De  soort  schijnt  slechts 
de  hoofere  gedeelten  van  de  grootere  rivieren   van  West-Java  te  bewonen. 

Labeo  (Diplocheilos)  lucas  Blkr.  Kleinbehhige  Arengan.  Atl.  Cypr.  Tab. 
-.     VIII  fiç.  4. 

Labeo  (Diploclieil.)  corpore  subelongato  compresso,  altitudine  4Va  ad  5  in  ejus  longitudine,  latitndine 
2  ad  l1,  i  in  ejus  altitudine;  capita  acutiusculo  i3.U  ad  5  in  Iongitudino  corporis  cum  ,  S';,  \  ad  i  inlongitu- 
diae  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  1'  i  ad  1'  3,  latitudine  1:'  i  ad  l'/ain  ejus  longitudine; 
oculis  superis,  diametro  3  ad  3'/2În  longitudine  capitis,  diametro  1  ad  1  et  paulo  in  capitis  parte 
postoculari,  diametro  V/3  ad  1"  /3  distantibus,  membrana  palpebral!  iridis  marginem  externum  te- 
gente  apertura  subcirculari;  linea  rostro-dorsali  fronte  et  vertico  declivi  rectiusuula  velconvexiuscula, 
nucba  dorsoque  valde  convexa,-  linea  interoculari  convexa;  naribus  orbitao  raulto  magis  quam  ros- 
tri  apici  approxiniatis ,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  margine  elevato  subtu- 
bulatis;  rostro  valde  cavnoso,  oculi  dia  metro  juvenilibus  Don,  aetato  provectioribus  non  multo  longiore, 
convexo,  antice  rotundato  nee  truncato,  inferno  in  velum  membranaceum  ante  os  pendulum  desinen- 
te,  antice,  superne  lateribusque  poris  numerosïs  conspicuis  obsito,  vclo  utroque  latere  in  Iobum 
oblongum  rotundatum  pro lucto,  margine  inferiors  integro;  osse  suborbitale  anteriore  toto  vel  toto  fere 
ante  nares  sat  1  ito,  longiore  quam  alto,  margine  inforiore  maxime  convexo  semicir- 

culari,    marginibus   super!  concavis   in  angulum  acutiusculum  sursum   spectantem  unitis;  osse 

suborbital!  2°  elongato-tetragono,  triplo  vel  plus  triplo  longiore  quam  alto,  antice  quam  postice  al- 
tiore,   oculi  diametro   triplo  'us    triplo  humiliore;   osse  suborbital!  3'  osse   suborbitali  i"  paulo 

',  oculi  diametro  multoties  humiliore;  cirris  gracilibus,  supramaxillaribus  rostralibus  longioribus 
oculi   diametro   non   multo  brevioribus    antice   in  sulco    os    suborbitalc  lm    inter  et    velum  rostrale 


133 

insertis  ;  ricin  infero,  latitudine  capitis  latitudine  valde  multo  breviore,  ore  clausoformam  feniequi- 
ni  referente,  introitu  cavitatis  oris  interno  angusto  et  (ore  aperto)  oblongo  rotundato  vel  subcordi- 
formî;  labeo  euperiore  carnoso  integro  ante  maxillam  superiorem  pendulo;  maxilla  superiore  aeie 
cartilagiuea  formam  ferri  equini  subreferente,  deorsum  valde  protraetili;  maxilla  inferiore  sympbvsi 
p  i- 1 ice  late  emarginata,  ante  sympbysin  late  cartilagineo-carnosa  plana  acic  truncata:  labio  inferiore 
reflexo,  carnoso,  margine  libero  cura  labio  superiore  continuo  papillis  brevissimis  obsito,  facie  superiore 
transversim  undulatim  rugoso,  facie  inferiore  laevi;  sulco  infralabiali  utroque  latere  fossam  magnam 
i  lat  am  profundam  efficiente,  oblique  lineam  menti  mediam  versus  directo,  scd  istbmo  oculi  dia- 
ro  duplo  graciliore  a  suleo  lateris  oppositi  separato  ;  opercnlo  latitudine  1:;  i  ad  2  fere  in  ejus 
altitudine,  oculi  diametro  paulo  graciliore,  margine  inferiore  rectiusculo  vel  convexiusculo  ;  apertu- 
ra  branchiali  sub  operculo  desinente;  dentibus  pbaryngealibus  roasticatoriis  aggregatis  2.4.5/5.4.2. 
apici  is  compressis,  facie  maSticatoria  oblique  truncata  margine  partira  elevata  vis  vel  non  lo- 

..  dentibus  anterioribus  antice  non  sulcatis;  osse  scapulari  trigono  acutiuscule  rotundato;  linea 
dorsali  convexa  linea  ventrali  con  vexa  muho  altiore;  ventre  anto  piunas  ventrales  plano,  post  pin- 
nas  ventrales  val. le  obtuse  carinato;  squamis  subverticalibus ,  lateribus  antice  quam  cetero  cor  pore 
raajoribus,  suprasoapularibus  circurajacentibus  non  majoribus;  squamis  dimidio  libero  et  vulgo  etiam 
dim;  i  longitudinaliter  sed  parum  conspicue  striatis,  41  vel  42  in  linea  laterali,  IS  in  serie 

verticali  (ventralibus  infimis  inclusis)  quarum  7'/2  18)  supra  lineam  lateralem,  1G  p.  m,  in  serie  lon- 
gitudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  5- ad  7- seriatis 
postrorsum  magnitudine  sensim  accrescentibus ,  serie  media  iis  seriebus  latcralibus  non  majoribus; 
linea  laterali  rectiuseula,  antice  tantum  declivi,  basi ventralium  non  multo  roagis  quam  lineae  dorsa- 
li approximata,  singulis  squamis  tubulo  simplice  mediam  squama'm  attingente  vel  subattingente  notata  : 
pinna  dorsali  sat  longe  ante  pinnas  ventrales  incipiente  et  longe  ante  pinnam  analem  desinente,  basi 
alepidota,  acuta,  emarginata,  non  multo  altiore  quam  longa,  corpore  non  multo  ad  non  bumiliore; 
pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis,  longitudine  subaequalibus ,  G'.sad  6'/jin  (ongitudine cor- 
poris, pectoralibus  ventrales  non,  ventralibus  analem  non  attingentibuss  anali  basi  vagina  squamosa 
humillima  inclusa,  acuta,  dorsali  paulo  bumiliore  sed  duplo  circiter  breviore,  duplo  cireiter  altiore 
quam  basi  longa,  radio  simplice  tertio  gracili  cartilagineo;  caudali  basi  squamosa,  profunda  incisa, 
lobis  acutis  subaequalibus  4  fere  ad  4  et  paulo  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  di- 
lute viridi,  interne  argenteo;  iridc  flava  vel  argentea;  cauda  macula  rotunda  diffusa  nigricaute  in 
laterali  basi  pinnae  caudalis  approximata;  pinnis  roseis  ad  roseo-byalinis. 

B.  3.  D.  1  10  ad    1  12.  P.  1/14  ad  1  15.  V.  2  S.  A.  3  5  vel  3  6.  C.  7  17  7  vel  8  17  S  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Lobocheilos  lucas  Blkr,  Descript.  spec.  pise.  Javan.  nov.  diagn.,  Nat.  T.  Ned.  lnd.  XIII  p.  362. 
Lucas,  Wadon-gunung  Mai  Batav. 

Ilab.  Java  (Batavia),  in  fluviis. 

Longitudo  23  speciminum  58"    ad  93". 

Aanm.  Eon  nader  en  naauwkeuriger  onderzoek  mijner  goed  bewaarde  voorwerpen 
dezer  soort,  heeft  ze  mij  doen  terugbrengen  tot  het  ondergeslacht  Diplocheilos ,  waar- 
van het  alle  kenmerken  bezit  De  formule  de  schubben  en  vinstralen  beantwoordt 
zelfs  geheel  aan  die  van  Labeo  (Diplocheilos)  erythropterus ,  doch  zij  is  bepaald  eene 
verschillende  soort,  welke  van  de  genoemde  te  onderkennen  is  aan  hare  verschillende 
„kleurfeekening ,  betrekkelijk  veel  breeder  operkel,  uitpuilenden  snuit  .  smallere  bek- 
re  voeldraden .  kortere  borst- en  buikvinnen,  enz. 


139 

Labeo  (Diplocheilos)  rohitoides  Blkr.  Rohita-achtige  Arengan.  Atl.  Cyprin. 
Tab.  VIII  fig.  3. 

Lab.  (Diplocheil.)  corpore  elongato  compresso,  altitudine  5  circiter  in  ejus  longitudine,  latitudine  2 
eirciter  in  ejus  altitudine;  capite  acutiusculo  5'/2  circiter  in  longitudine  corporis  cura,  4  circiter  in 
longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  l1/*  circiter,  latitudine  1  '  o  circiter  in  ejus  longi- 
tudine; oculis  superis,  diametro  3  et  paulo  in  longitudine  capitis,  diametro  1  et  paulo  in  capitis  parte 
postoculari,  diametro  l'a  1ère  distantibus,  membrana  palpebrali  iridis  marginem  externum  tegente 
apertura  subcirculari ;  linea  rostro-dorsali  fronteet  vertice  declivi  convexiuscula,  nucha  et  dorso  con- 
vexa; linea  interoculari  convexa;  naribus  orbitae  multo  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  pos- 
terioribus  patulis  valvula  clau dendis,  auterioribus  margine  elevato  subtubulatis;  rostro  valde  carnoso, 
oculi  diametro  non  longiore,  convexo,  antice  rotundato  nectruncato,  inferne  in  velum  membranaceum 
ante  os  pendulum  desinente,  antice,  superne  lateribusque  poris  numerosis  partira  conspicuis  o' 
velo  margine  inferiore  integro  ;  osse  suborbitali  anteriore  toto  fere  ante  nares  non  longe  ante  oeu- 
lum  sito,  longiore  quam  alto,  margine  inferiore  maxime  convexo  semicircular! ,  margine  superiore 
rectiusculo;  osse  suborbitali  2°  elongato-tetragono,  plus  duplo  longiore  quam  alto,  antice  quam  postice 
non  multo  altiore,  oculi  diametro  multoties  humiliore;  osse  suborbitali  3°  osse  suborbitali  4°  vix 
latiore  oculi  diametro  multoties  liumiliore;  cirris  sat  carnosis,  Supramaxillaribus  rostralibus  multo 
longioribus,  oculi  diametro  non  vel  vix  brevioribus,  rostralibus  sub  apice  ossis  suborbitalis  antcri- 
oris  insertis;  rictu  infero,  latitudine  capitis  latitudine  valde  multo  breviore,  ore  clauso  ibrmam  ferri 
equini  referente,  introitu  cavitatis  oris  interno  angusto  et  (ore  aperto)  oblongo  rotundato  vel  sub- 
cordiformi;  labio  superiore  carnoso  integro  ante  maxillam  superiorem  pendulo;  maxilla  superiore 
acie  cartilaginea  formam  ferri  equini  subreferente,  deorsum  valde  protractili;  maxilla  inferiore  sy  m  - 
physi  postice  late  emarginata,  ante  symphysiu  late  cartilagineo-carnosa  plana  acie  truncata;  labio 
inferiore  reflexo,  carnoso,  margine  libero  cum  labio  superiore  continuo;  snlco  infralabiali  utroque 
latere  fossam  magnam  angulatam  profundatn  efficiente  oblique  lineam  menti  mediam  versus  directo 
sed  istbmo  oculi  diametro  duplo  circiter  graciliore  a  sulco  lateris  oppositi  separato  ;  operculo  lati- 
tudine 2  in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  vix  graciliore,  margins  inferiore  convexiusculo;  aper- 
tura brancliiali  sub  praeoperculi  margine  posteriore  desinente;  dentibus  pharyngealibus  mastica- 
toriis  aggregatis  2.4.5  5.4.2,  apicem  versus  compressis,  facie  masticatoria  oblique  truncata  mar- 
gine parum  elevato  vix  vel  non  lobata,  dentibus  auterioribus  antice  non  sulcatis  ;  osse  sc'apulari 
trigono,  obtusiuscule  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  altiore;  ventre  and: 
pinnas  ventrales  plano;  squamis  subverticalibus ,  lateribus  antics  quam  cetero  corpore  majoribus, 
diniidio  libero  et  vulgo  etiam  diinidio  basali  longitudinaliter  scd  parum  conspicue  striatis,  35  p.m. 
in  linea  laterali,  13  p.  m.  in  serie  verticali  (ventralibus  ïnfimis  inclusis]  (6)  supra  line- 

am lateralem ,-  linea  laterali  rectiuscula,   antice   tantum   declivi,   ba;i   ventralium    non   multo   magis 
quam  lineac  dorsali  approximata,  singulis  squamis'   tubulo  simplice  mcdiara  'ugentc  vel 

subatlingente  notata;  pinna  dorsali  sal   longe  ante  pinnas  ventrales  inci  >  ante   pinnam 

analem  desinente,  baii  alepidota,  acuta,  emarginata,  corpore  non  vel  vix  al  u  turn  al- 

tiore quam  basi  longa,-  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis,  1  lalibus  62/3  cir- 

citer iu   longitudine    corporis,    pectoralibus    ventrales    non,    \  attingentibus ; 

anali  basi  vagina  squamosa  humillima  iciita,  ero  ,  dorsali  1  nliore  seJ 

duplo  breviore,  plus  duplo  altiore  quam  basi  longa,  radi  1  cartilagineo ;   cau- 

dali basi  squamosa,  ,  ;     ;  ad  4  in 

longitudine  cor]  viridi ,  -caudali  di 

icente-violacea  ;  pinni    •  ■ 


140 

B.  S.  D    !  11  vel  4  12.  T.  1  11  vd  1  15.  V.  2  8.  A,  S/5  vel 3/6.  C.  6/17/6  vol  7  17  7  lat  brev.  incl. 
S  ra.  Lobocheilos  rohitoides  Blkr,  Descript.  specier.  pisc.  javan.  nov.,  Nat.T.  Ned. Ind.  XIII  p.  3C3. 

rs  Mal.  liât.  . 

Hab.  Java  (Batavia),  in  flaviïs. 
Longitudo  speciminis  unici  Cö'". 

Aanm.  Volgens  mijne  bepaling  van  liet  geslacht  Labeo  behoort  onderwerpclijke 
soort  tot  dit  geslacht  en  niet  tot  Lobocheilos,  onder  hetwelk  ik  het  vroeger  be- 
schreef. Zij  is  gemakkelijk  van  Lnbeo  (Diplotheilos)  erythropterus  en  Labeo  (Di- 
plocheilos)  lucas  te  onderkennen  aan  de  formule  harer  schubben,  hebbende  zij  eenige 
schubben  minder,  zoowel  op  cene  overlangsche  als  op  cene  dwarsche  rei,  en  2 
schub  reij  en  minder  tusschen  de  zijlijn  en  ruglijn.  Overigens  heeft  zij  ook  de 
vocldradcn,  vooral  de  bovcnkaaksvoeldraden  aanmerkelijk  langer  en  is  zij  ook 
herkenbaar  aan  den  overlangschen  ligchaamsband. 

Mijn  cenig  voorwerp  bevindt  zich  in  niet  tegoeden  toestand  van  bewaring,  voor- 
al  wat  den  buik  en  de  buikschubben  betreft. 

Cirrhina   hreviceps  Val.,    Toiss.  XVI    p.  224  an  Labeo  (Diplocheilos) 
sp?  vel  Dij)lochcilichtIii/s  ? 

Descriptio  Valencicnnesiana  sequens: 

:  i  hauteur  fait  Ie  quart  de  la  longueur  totale,  qui  contient  sept  foia  la  tête.  L'oeil  est  assez 
»  srand  ;  il  mésure  le  tiers  de  la  longueur  de  la  tête.  Les  deux  barbillons  maxillaires  sont  à,  l'ex- 
»  tréinitu  d'un  museau  court;  la  bouche  est  peu  fendue;  la  dorsale  est  haute  de  l'avant  et  son  bord 
»  coupe1  en  faux;  l'anale  a  lès  premiers  rayons  plus  longs;  le  lobe  supérieur  de  la  caudale  se  pro- 
longe aussi  en  pointe;  la  pectorale  est  petite,  mais  la  ventrale  est  large.  D.  13.  A.  7.  C.  19.  P. 
ii  13.  V.  0.  Les  écailles  sont  a  i  I   fermes:  j'en  compte  quarante  rangées  au  moins   dans 

nia  longueur  du  côté:  il}'  en  a  une  longue  dans   l'aisselle  de  la  ventrale.   La  couleur  est   verdàtre 
»  sur  le  dos  et  argentée  sur  le  ventre.  L'individu  desséche1  que  j'ai  décrit,  est  long  de  sept  pouces 
i- et  trois  lignes;  il  vient  de  la  rivière  de  Bantam, 
n.  Laleobarbus  breviceps  K.  v.  II.  sec,  Val. 

Annni.  Ik  twijfel  zeer  aan  het  bestaan  van  vertegenwoordigers  van  liet  geslacht 
Cirrhina  in  den  ïndischen  archipel,  en  alzoo  ook  daaraan,  dat  de  door  den  heer 
Valenciennes  beschrevene  soort  tot  dit  geslacht  zou  behooren.  Soorten  van  Mrigala, 
welke  bij  den  heer  Valenciennes  als  Cirrhinen  voorkomen,  zijn  mij  evenmin  van  de 
Socnda-cilandcn  bekend.  Ik  vermoed  daarom ,  dat  Cirrhina  breviceps  Val.  tcrugge- 
bragt  zal  moeten  worden  tot  het  subgenus  Diplocheilos  van  Labeo  of  tot  het  geslacht 
Diplocheilichthys  en  dat  de  bij  deze  geslachten  dikwerf  zeer  kleine  en  in  de  diepte 
Ie  bovenkaaksdraden  (lipdraden  Val.)  der  waarneming  bij    het  gedroogde   be- 


141 

schreven  e  voorwerp  ontglipt  zijn.  In  allen  gevalle  bezit  ik  die  soort  niet,  kun- 
nende ik  de  van  haar  beschrevene  kenmerken  in  hun  geheel  bij  geene  mijner  soorten 
terugvinden.  Eene  nadere  en  meer  uitvoerige  beschrijving  der  soort,  dan  de  door 
den  heer  Valenciennes  geleverde,  is  zeer  wenschelijk  te  achten. 

Tylognathus  Heek.,  Fiscli.  Syr.  p.  37, 181. — Eeltkaakkabpee. 

Corpus  subelongatum  compressum ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxil- 
lae nudae.  Cirri  2 ,  supramaxillares.  Rostrum  carnosum ,  superne  sulco 
transverso  bipartitum,  ante  os  prominens,  cute  descendente  ante  la- 
bium superius  pendula.  Labium  superius  integrum  nee  papillatum , 
nee  cirratum ,  cum  labio  inferiore  continuum.  Maxilla  superior  acïe  se- 
milunari.  Maxilla  inferior  valde  incrassata  ,  cartilagineo-carnosa.  Labium 
inferius  non  lobatum,  gracile,  param  reflexum,  crenulatum.  Sulcus 
postlabialis  utroque  latere  simplex  longitudinaliter  marginem  oris  ver- 
sus directus ,  istlimo  latissimo  a  sulco  lateris  oppositi  •  separatus. 
Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam 
analem  desinens ,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Dentés  pharynge- 
ales  masticatorii  aggregati  2.  4.  5.  5.  4.  2.  facie  masticatoria  oblique 
truncati. 

Aanm.  Het  geslacht  Tylognathus,  zooals  het  hier  is  gekenmerkt,  is  niet  meer  het- 
zelfde, als  het  geslacht  Tylognathus,  zooals  het  door  Heckel  is  omschreven.  Die  om- 
schrijving is  overigens  onvoldoende  en  zou  ook  andere  zeer  verschillende  geslachten 
van  Labeoninen  omvatten.  Zooals  het  boven  is  begrensd,  is  het  gegrond  op  de 
soort,  welke  door  Heckel  eerst  onder  den  naam  van  Varicorhinus  diplostomus  is 
beschreven  en  afgebeeld  en  later  onder  de  namen  van  Tylognathus  diplostomus  en 
Tylognathus  Valencieimesii  vermeld.  Deze  soort  is  een  der  weinige  soorten,  n 
Heckel  naar  cle  natuur  kende  en  tot  Tvlooiiathus  bragt.  De  andere  behooren  tot 
andere  genera. 

Heckel  bragt  niet  minder  dan  twaalf  soorten  tot    zijn  geslacht  Tylognathus. 

Zijne  Tylognathus  barbatulus  is  echter  eene  Crossocheilos,  even  als  zijne  Tylo- 
gnathus nanus  en  misschien  ook  zijne  Tylognathus  porcellus,  welke  laatstgenoemde 
soort  ik  echter  niet  nader  kan  beoordeelen,  omdat  ik  niet  kan  raadplegen  //  Hügel's 
Reise",  in  welke  zij  beschreven  schijnt  te  zijn. 

1-Jeckel's  Tylognathus  lam  ta  (Cyprin  us  lamta  Buch.)  is  eene  Discognnthichfhys,  en 


142 

zijne  ïylognathus  falcifer  en  Tylognathus  lipochcüos  zijn  soorten  van  Lobocheilos, 
terwijl  zijne  Tylognathus  diocheilus  mij  voorkomt  eerder  eene    Labeo  te  zijn. 

Voorts  is  Meckel's  Tylognathus  Duvaucellii  (Choiulrostoma  Duvaucelii  Val.),  naai- 
de beschrijving  van  den  heer  Valenciennes  te  oordeelen,  in  geen  geval  eene  Tvlo- 
gnathus  maar  veeleereene  Gymnostomus  ?,  tot  welk  geslacht  ook  Tylognathus  scmi- 
larvatus  Heek,  indien  zij  althans,  zooals  ik  vermoed,  dezelfde  soort  is  als  Chondrostoma 
semivelatum  Val.,   schijnt  te  behooren. 

De  twee  overige  soorten,  bragt  llcckel  slechts  onder  geleide  van  een  vraagtee- 
ken  tot  zijn  geslacht  Tylognathus.  Zij  zijn  Leuciscus  sandkhol  Syk.  en  Leuciscus 
chitul  Syk.,  soorten,  volgens  de  oppervlakkige  beschrijvingen  van  den  heer  Sykes  niet 
in  een  bepaald  geslacht  te  plaatsen  en  welke  men  daarom  voorloopig  even  goed 
onder  geleide  van  yraagteeken  onder  Tylognathus  kan  laten  als  ze  onder  een  ander 
geslacht  brengen.  Uit  wat  de  heer  Sykes  er  van  zegt,  schijnt  men  te  mogen  op- 
maken, dat  zij  in  allen  gevalle  tot  de  Labeoninen   behooren. 

DlPLOCIIEILICIITIIYS    Blkl\       DUBBELLIPKARPER. 

• 

Corpus    oblongo-elongatum    compressum ,  squamis  magnis  vestitum. 
Maxillae  nudae.  Cirri  4,  rostrales  apice  rostri  inserti  et  supramaxillares. 
Rostrum    camosam    integrum,  ante    os  prominens,    cute  descendente 
ante  labium  superius  pendula,  lateribus  non  lobatum.  Labium    supe- 
rius  ante  maxillam  superiorem  pendulum,  integrum,  nee    papillatum, 
nee  cirratum,  cum  labii  inferioris  margine  libero  continuum.    Maxilla 
superior    acie  cartilaginea    formam    ferri    equini  subreferens,    inferior 
tumida  cartilagineo-carnosa  ,  margine  anteriore  truncata ,  symphysi  pos- 
ticc  nee  emarginata  nee  tuberculata.  Labium  inferius  latum  carnosum 
lexum,  crenulatum,  non  lobatum.  Sulcus  postlabialis  ntroque  latere 
ïplcx,  fossam   magnam  profundam  cflicicns,  rectus,  marginem  oris 
versus  directus,  labii  marginem  liberum  non  attingens,    istluno  valde 
lato  a  sulco  lateris  oppositi  separatus.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ven- 
trales  incipiens  et  longe  ante  analem  desinens,  radio  simplice  postico 
i  cartilagineo.    Pinnae  pectorales  subliorizontaliter  insertae.    Dentés 
ngeales   masticatorii   ag<  i    2.  4.  5.  5.  4.  2.    facie    masticatoria 

ue  truncata  marginibus  tuberculata. 

geslacht  üiplocheilichthys  staat  in   verwantschap  tusschcu    Labeo  en 


143 

Roliita.  Van  Rohita  verschilt  het  door  zijne  gladrandige  ongetepelde  of  ongefranjede 
lippen  en  van  Labeo  door  de  afwezigheid  van  zijdelijke  snuithuidkwabben.  Bij  allo 
mij  naar  de  natuur  bekende  soorten  van  Labeo  (Diplocheilos)  ligt  het  voorste  onder- 
oogkuilsbeen  verder  vóór  het  oog,  van  den  oogkasrand  verwijderd,  terwijl  het  min 
of  meer  de  gedaante  heeft  van  de  helft  eener  ronde  schijf  met  naar  beneden  ge- 
keerden  bollen  rand.  Ook  zijn  de  snuitdraden  bij  Diplocheilos  ingeplant  hoog  aan 
den   snuit,  aan  den  vooronderrand  van  het  voorste  onderoogkuilsbeen. 

Bij  Diplocheilichthjs  daarentegen  is  het  voorste  onderoogkuilsbeen  gebouwd  als 
bij  Rohita,  dat  is,  schuins  langwerpig  vier-  of  vijfhoekig  en  tegen  den  oogkasrand 
aanliggende,  terwijl  er  de  snuitdraden  meer  nabij  den  snuitrand  en  meer  v< 
waarts  zijn  ingeplant.  De  verwantschap  is  alzoo  grooter  met  Rohita  dan  met 
Labeo,  ofschoon  de  bouw  der  rugvin  het  weder  meer  tot  Labeo  doet  naderen  dan 
tot  Rohita, 

Ik  ken  tot  dus  verre  slechts  eene  enkele  soort  van  dit  geslacht,  dezelfde,  welke 
ik  reeds  in  1S55  onder  den  naam   van  Lobocheilos  pleurotaenia  beschreven  heb. 

Diplocheïlichthys  pleurotaenia  Blkr.   Gehande  Dubbellipkarper.  Atl.  Cvpr. 
Tab.  IX  fig.   1. 

o 

Diploclieiliclith.  cm-pore  subelongato  compresso,  altitudine  5  fere  ad  5  et  paulo  in  ejus  longitud 
latitudine  l3/*ad  2  in  ejus  altitudine;  capite  acutiuseulo  5  fere  ad  G  in  longitudine  corporis  cum, 
33/5ad  4' 4  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  l'iad  l!/3 ,  latitudine  13A  ad 
1- .5  in  ejus  longitudine;  oculis  superis,  diametro  ,°.  tere  ad  33/iin  longitudine  capitis,  diametro  1  ad 
1  et  paulo  in  capitis  parte  postoculari,  diametro  1'  \  ad  l3/s  distantibus,  membrana  palpebral!  iridis 
marginem  externum  tegente,  apertura  subcirculari;  linea  rostro-dorsali  declivi  convexiuscula,  nucha 
dorsoque  valde  convexa;  linea  interoculari  convexa;  naribus  orbitae  mul  to  m  agis  quam  rostri  apici  appro- 
ximatis,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  margine  elevato  subtubulatis ;  rostro  valde 
carnoso,  oculi  diametro  juvenilibus  non  longioreaetate  provectis  multo  longiore,  convexo,  antice  trunca- 
tiusculo,  inferne  in  velum  membranaceura  ante  labium  superius  pendulum  desinente,  antice  poris  nume- 
ï-osis  conspicuis  obsito,  velo  lateribus  non  lobato,  margine  ini'eriore  integro;  osse  suborbital!  anteriore 
irregulariter  oblique  trigono,  vix  vel  non  longiore  quam  alto,  apice  acutiuseulo  antrorsum  spectante, 
margine  anteriore  rectiusculo,  margine  posteriore  oblique  postrorsum  adscendente  valde  curvato 
superne  orbitae  contiguo;  osse  suborbitali  2°  elongato-tetragono,  plus  duplo  longiore  quam  alto, 
antice  quam  postice  multo  altiore,  oculi  diametro  quadruplo  ad  triplo  cireiter  humiliore;  osse  sub- 
orbitali 3°  osse  suborbitali  4°  latiore,  oculi  diametro  plus  quintuplo  ad  plus  quadruplo  humiliore; 
cirris  gracilibus  basi  membrunaceis  supramaxülaribus  rostralibus  apice  rostri  insertis  multo  lonn-ioribus 
oculo  paulo  ad  non  brevioribus;  rictu  infero ,  latitudine  capitis  latitudine  sat  multo  breviore,  oreclauso 
medio  paulo  antrorsum  lateribus  valde  postrorsum  curvato,  introitu  cavitatis  oris  interno  lato;  labio 
superiore  carnoso  integro  ante  maxillam  superiorem  pendulo;  maxilla  superiore  acie  cartilao-inea  for- 
mam  ferri  equini  subreferente,  deorsum  valde  protractili  ;  maxilla  inferiore  symphysi  postice  nee 
emarginata  nee  luberculata,  ante  symphysin  late  eartilagineo-carnosa  plana  acie  truncata  ;  labio  mferiore 
rtflexo,  carnoso,  margine  libero  cum  labio  superiore  continuo  .  papillis  brevissimis  uniseriatis  obsito,  an- 


144 

tico  qunm  postlce  non  latiore;  suleo  infralabiali  utroque  latere  siraplice  longitudinaliter  directo,  ocuii 
diamei  i'e  utroqu  ssam  profundam  efficiente,  isthmo  oculi  diametro  non  multo  ad  non 

graciliore  a  sulco  lateris  O]  itoj  operculo  duplo  ad  plus  duplo  altiore  quara  luto,  oculi  diametro 

liore,  margins  inferiore  i  do  vel  convexiusculo  ;  apertura  branchiali sub  praeoperculi  mar- 

ginc    posteriore  tibus    pharyngealibus    masticatoriis    aggregatis    2.4.5./5.4.2.    apicem 

masticatoria  oblique  truncata  marginibus  elevatisplus  minusve  uni-vel 
ntibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis;  osse  scapulari  trigono  acute  rotundato;  linea  dor- 
sali    convexa  li  i'ali  convexiuscula  multo  altiore;    ventre  ante  pinnas    ventrales    plano,  post 

i  non  vel  obtusissime  carinato;   squamis  subverticalibus,   Iateribus  antice 
is,  dimidio  libero  et  dimidio  basali  lo  diter  subradiatini  striatis, 

laterali,  13  i  rersali  (ventralibus  infirais  ïnclusis)  quarum  51  2  (6)  supra  line- 

am  Ia  1   vel  12  ia  seri  itudinali  occiput  inter  et  pinnam  doraalem ,  ventralibus  iufimis 

longitudinaliter   tri-  ad    i  :i  postrorsum  magnitudi  :  im  accrescen tibus,   serie  media 

laterali  recliuscula,  antice  tantum  dèclivi,  basi  ven- 

tralium  sat  nm'    i  '    quam  lineae  dorsali  approximate,  singulis  squamis  tubulo  simplice  mediara 

:  vel  vix  al  '  ta;  pinna  dorsali    sat  longe   ante    pinnas    ventrales    incipiente 

ite,  basi  alcpidota,  acuta,  emarginata,  corpore non  vel  vix  altiore, 

lis  peetoralibus  et  ventralibus  acutis ,  longitudine  subaequalibus ,  6 

oralibus  non  vel  vix,   ventralibus  analem  no:i 

i  squamosa  humillima  inclusa,  acuta,  parum  advaldeemar- 

Qulto  ad  :  ;lii)i'e  sed  plus  duplo  breviore,  duplo  ad  triplo   altiore  quam 

lio  simplice  postico  gracili  toto  cartilagineo  ;  caudali  basi  squamosa,  profunde  incisa, 

acutis    superiors   inferiore    paulo  ad  non    Iongiore,  3'/2ad  •  ritudine  corporis,-  colore 

■    oliva    ■  ate-viridi,   inferne   argenteo;  iride    fia  i    vel    rosea;    fascia    cephalo- 

caudali  fusco-violacea  diffusa,  aetate  provectioribus  conspicua;  juvenilibus  fascia  non  conspicua  sed 

cauda  macula  rotundiuscula  violaceo-fusca  in  linea  laterali  basi  caudalis  approximata;  squamis  dorso 

ta  to  pro  v(  lis  basi  macula  oblonga  transversa  violascente;  pinnis  radiia 

!•  vel  violascente-hyalinis. 

B.  3.   1).  4/10  vel    1  11.  P.  1  1 1  vel  1  15.  V.  2  8.  A.  3,  5  vel  S  G.  C.  7  17  7  vel  6  17  6  lat.  brev.  iucl. 

Uos  pleurotaenia  Blkr,  Nalez,  vischf.  Sumatra,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  IX  p.  2G7. 

imatra  il.  lis. 

ad  21G'". 

:i:u.     In  uiterlijk  voorkomen  heeft  deze  soort  vrij  veel  van  Labeo  (üiploclieilos) 
cobiL  vhcilos  (Lobocheilos)  Schwanefckli  Blkr,  doch  de  vorming  harer. 

1-  en  snuitdeclen  wijst  hare  plaats  aan  in  een    afzonderlijk  geslaeht.     Tot   nog 
is  do  soort  slechts  van  oostelijk  Sumatra  bekend. 

Hass.,  Algern.  Konst-  en  Letterbode  1823  II  p.  130; 
Ind.   V  p.  520.     Lcn-AT. 

n  vel    subelongatum   compressum,  squamis  rangnis 
i.     Ma  Qndae.     Cirri  4 'vel  2,  rostrales  et   supvamaxilla- 


145 

res  vel  supramaxillares  tantum.  Rostrum  carnosum  integrum ,  ante 
os  prominens,  infra  apicem  truncatum,  cute  descendente  ante  labi- 
um superius  pendula.  Labium  superius  ante  maxillam  superiorem 
pendulum,  integrum,  nee  papillatum  nee  cirratum,  utroque  latere 
maxillam  inferiorem  inter  et  labium  inferius  descenclens  et  labii  infé- 
rions facie  superiore  postice  affixum.  Maxilla  superior  acie  cartilagi- 
nea  semilunari.    Maxilla  inferior  tumida  cartilaoineo-carnosa ,  marline 

O  'O 

anteriore  truncata,  symphysi  postice  nee  emarginata  nee  tuberculata. 
Labium  inferius  latum ,  carnosum ,  reflexum ,  integrum ,  utroque  latere 
lobatum.  Sulcus  postlabialis  utroque  latere  simplex,  longitudinaliter 
marginem  oris  versus  directus,  antice  bifurcatus,  ramo  externo  in  sul- 
cum  supramaxillarem  transiente ,  ramo  interno  insertione  labii  su- 
perioris  desinente,  isthmo  latissimo  a  sulco  lateris  oppositi  separatus. 
Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinna  m 
analem  desinens,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Pinnae  pecto- 
rales subliorizontaliter  insertae.  Dentés  pharyngeales  masticatorii 
aggregati  2.  4.  5/5.4.2.  facie  masticatoria  oblique  truncati. 

Subg.  Lohocheilos  Blkr.  Cirri  4,  rostrales  et   supramaxillares. 
«        Gobioniddhys  Blkr.  Cirri  2,  supramaxillares  tantum. 

Aanrn.  Van  Hasselt,  de  op  Java  het  meest  voorkomende  soort  van  dit  geslacht 
waarnemende  en  de  verschillen  ontwarende  tnsschen  de  monddeelen  bij  deze  soort 
en  die  van  zijne  Crossocheilos  oblongus  en  Diplocheilos  erythropterus,  kwam  te 
regt  op  het  denkbeeld,  haar  tot  een  eigen  geslacht  te  brengen,  hetwelk  hij  voor- 
stelde Lobocheilos  te  noemen,  een  naam,  geheel  passende  wegens  de  zijdelijke  kwab- 
vormige   uitbreiding  van   de  onderlip. 

Toen  ik  mijne  vroegere,  boven  aangehaalde,  diagnose  van  Lobocheilos  gaf,  ken- 
de ik  het  geslacht  minder  goed  dan  thans,  en  ik  heb  sedert  ook  ontwaard,  dat  in 
de  aanmerking,  onder  die  diagnose  geplaatst,  de  beteekenis,  welke  Van  Hasselt  aan 
dit  geslacht  hechtte,  niet  juist  door  mij  is  opgevat,  eene  misvatting,  welke  mij  eerst 
duidelijk  is  geworden  sedert  ik  naast  het  Bulletin  van  De  Férussac  ook  heb  kun- 
nen raadplegen  de  Algemeene  Konst- en  Letterbode  van  het  jaar  1S23,  in  welke  een 
uittreksel  is  opgenomen  uit  een'  brief  van  Van  Hasselt ,  over  de  Javasche  Cvprinoï- 
den  handelende. 

Intusschen  is  het  geslacht  Lobocheilos  door  Van  Hasselt  niet  nader  bepaald ,  zeg- 
gende hij  er  slechts  van:  u  dat  het  door  eenen  geheel  afwijkenden  mondvorm  te  zeer 

19 


146 

onderscheiden  is,  om  het  met  eenig  ander  geslacht  te  vereenigen";  en  men  zou  zelfs 
geheel  in  liet  onzekere  verkeeren,  welk  geslacht  door  Van  Hasselt  bedoeld  werd, 
zoo  hij  op  de  aangehaalde  woorden  niet  had  laten  volgen  //in  onze  teekening  draagt 
hij  den  naam  falcifer",  welke  teekening  sedert  gebleken  is  tot  Labeo  falcit'er  Val. 
betrekking  te  hebben, 

De  heer  Valenciennes  namelijk  heeft  Lobocheilos  falcifer  V.  Ilass-  tot  zijn  geslacht 
Labeo  gebragt,  even  als  eenige  andere  geheel  van  Labeo  verschillende  soorten. 
Met  betrekking  tot  Lobocheilos  falcifer  werd  de  heer  Valenciennes  daartoe  geleid,  door- 
dien hij  slechts  de  twee  bovenkaaksdraden  waarnam  en  de  snuitdraden  niet.  Het  be- 
vreemdt mij  echter,  dat  de  heer  Valenciennes  een  paar  jaren  later,  in  het  17«  deel 
van  het  groote  vischwerk,  eene  andere  na  verwante  soort  van  Lobocheilos  als  eene 
Chondrostoma  heeft  opgebragt.  Deze  soort,  uit  de  afbeelding  vanden  heer  Valen- 
ciennes zeer  goed  als  eene  Lobocheilos  te  herkennen ,  komt  mij  thans  voor  niet  te  ver- 
schillen van  de  soort,  welke  ik  in  mijne  Enumeratio  piscium  als  Lobocheilos  (Gobi- 
onichthys)  javanicus  heb  aangehaald  en  welke  in  vroeger  jaren ,  toen  ik  er  slechts 
zeer  jeugdige  voorwerpen  van  kende,  door  mij  ten  onregte  als  eene  Gobio  werd 
beschreven.  Gelijk  bij  Lobocheilos  falcifer  de  snuitdraden  door  den  heer  Valenciennes 
niet  werden  opgemerkt,  ontglipten  zijner  waarneming  bij  zijne  Chondrostoma  li- 
pocheilos  ook  de  bovenkaaksdraden. 

Ileckcl,  de  Javasche  soorten  van  het  geslacht  niet  naar  de  natuur  kennende, 
bragt  Loborhcilos  fahifcr  eerst,  op  het  voetspoor  van  den  heer  Valenciennes,  onder 
Labeo,  doch  later  onder  Tylognathus,  waartoe  hij  ook  Chondrostoma  lipocheilos 
Val.  rekende  te  behooren.  Zij  behooren  echter  evenmin  tot  Tylognathus  als  tot  Labeo, 
onverschillig  of  men  het  geslacht  Tylognathus  grondt,  zoo  als  ik  voorstel,  op  Va- 
ricorhinus  diplostomus  Heek.  (Tylognathus  Valenciennesii  Heek.)  of  wel  op  Tylogna- 
thus barbatulus  Heek.,  welke  eene  Crossocheilos  is. 

Het  geslacht    J  ilos    is   zeer  gemakklijk   aan  den  bouw  der  monddeelen  te 

herkennen.  De  onderlip  vormt  aan  beide  zijden  eene  afgeronde  kwab,  welks  rand 
cihter  niet  met  de  bovenlip  vereenigd  is.  De  bovenlip  evenwel  zet  zich  beneden- 
waarts  voort  en  daalt  tusschen  de  onderkaak  en  de  onderlip,  om  zich,  niet  aan 
den  rand  dier  lij),  maar  aan  de  bovenvlakte,  meer  achterwaarts,  in  te  planten.  Hij  dit 
kenmerk  komt  dó  dikke  kraakbeenig-vlcczige  onderkaak,  welker  breede  bovenvlakte 
noch  uitgerand  noch  geknobbeld  is,  de  enkele  slechts  naar  voren  twecdeelige  ach- 
terlipsgroeve,-  de  gaafrandige  lippen,  de  gaafrandige  en  niet  gekwabte  snuithuid,  enz. 

Java  en  Sumatra  voeden  meerdere  soorten  van  Lobocheilos.  Met  zekerheid  kan 
ik  spreken  van  5  soorten,  welke  in  mijn  bezit  zijn,  doch  ik  vermoed  dat  ook  nog 
Labeo  hispidus  Val  en  Barbus  Hasseltii  Elkr  ('naar  eene  teekening  beschreven) 
tot  hetzelfde  geslacht  te   brengen   zijn. 

Van  de  buiten- archipelagische  soorten  van  Cyprinoïden  is  er  nog  geene  ter  mijner 
kennis  gekomen,  welke  tot  Lobocheilos  te  brengen  zou  zijn. 


147 

Van  de  5  soorten  mijner  verzameling  behooren  er  drie,  wegens  de  aanwezig- 
heid van  snuitdraden,  tot  het  subgenus  Lobocheilos  en  de  twee  andere  tot  het  sub- 
genus Gobionichthys. —  Indien  Labeo  hispidus  Val.  insgelijks  eene  Lobocheilos  is 
en  slechts  bovenkaaksdraden  bezit ,  is  zij  tot  Gobionichthys  te  brengen,  terwijl  mij- 
ne vroegere  Barbus  Hasseltii,  indien  zij  niet  tot  een  ander  geslacht  moet  gebragt 
worden ,  wat  niet  met  zekerheid  is  uit  te  maken ,  eene  vierde  soort  van  het  subge- 
nus Lobocheilos  voorstelt. 

De  bedoelde  soorten,  althans  die  mijner  verzameling,  hebben  groote  overeenkomst 
met  elkander,  zoowel  in  habitus  als  in  de  bijzonderheden  van  schubben  en  vin- 
bouw. Zij  laten  zich  echter  naar  volgend  schema  voldoende  van  elkander  onder- 
kennen. 

I.  Cirri  4,  rostrales  et  supramaxillares  (Subg.  Lobocheilos). 

A.  Squamae  33  ad  35  in  linea  laterali.  D.  4/8  vel  4/9.  Rostrum  valdeprominens. 
f  Squamae  h)£  vel  G  supra  lineam  lateralem. 

ô  Corpus  altitudine  6  ad  5  in  ejus  longitudine.  Caput  altitudine  1|  ad   H 
in  ejus   longitudine.   Fascia  cephalo-caudalis  navcscens. 

Loboclicilos  (Lobocheilos)  Schwanefcldi  Blkr. 

û'  Corpus  altitudine  5  et   paulo  ad   4^  in  ejus  longitudine.  Caput  altitudine 
\\  ad  vix  plus  quam  1  in  ejus  longitudine.  Fascia  cephalo-caudalis  nulla. 
Loboclteilos   (Lobocheilos)  falcifer  Van  Hass. 
f'  Squamae  4|  vel  5  supra  lineam  lateralem. 

ô  Corpus  altitudine  5  et  paulo  ad4|  in  ejus  longitudine.  Caput  altitudine 
1-|  ad  l-[  in   ejus  longitudine.  Fascia  cephalo-caudalis  nulla. 

Lohoclieüos  (Lobocheilos)  lehat   Blkr. 

B.  Squamae  40  p.  m.  in  linea  laterali.  D.  4/9  vel  4/10?  Rostrum  vix  prominens. 
f  Squamae  41-  vel  5   supra  lineam  lateralem. 

Loboclteilos?    (Lobocheilos?)   Hasseltii  Blkr. 

II.  Cirri  2,  supramaxillares  tantum.  (Subg.  Gohionichilr-  . 

A.  Squamae  34    ad  30    in    linea   laterali,    5?7  vel  G    supra    laterale  m.  P.    1 
vel  1/15. 

f  Corpus  altitudine  5i  ad  5  in  ejus  longitudine.  Rostrum  valde  proninens. 
Operculum  latitudine  2   ad  2  et  paulo  in  ejus  altitudine. 

Lobocheilos  (Gobionichthys)   lipocheilos   Blkr. 
f'  Corpus   altitudine  4|  in  ejus   altitudine.   Rostrum  vix    prominens.  Oper- 
culum latitudine  II  in  ejus  altitudine. 

Loboclteilos  (Gobionichthys)   microcephalus  Blkr. 


14S 


B.  P.  17.  D.  11  (sec.  Valenc.)  Squamae? 

f  Corpus  altitudine  5  in  ejus  longitudine.  Caput  5  in  longitudine  corporis. 

Lobocheilos?  (Gobionichthys?)  ftisjridus  Blkr. 


Lobocheilos  (Lobocheilos)  falcifer  Van  Ilass. ,  Algem.  Konst-  en  Let- 
terbode 1S23  II  p.  133:  Blkr,  Nieuwe  ïientall.  diagnost,  be- 
schrijv.  nieuwe  vischs.  v.  Sumatra,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  V  p  522. 
Zeisvinnige  Lehat.  Atl.  Cypr.  Tab.  VI. 

Lobocheil.  (Loboch,)  corpore  subelongato  compresso,  altitudine  5  et  paulo  atl  4  3  in  ejus  longitudine,  Ia- 
2    .in  ejus  altitudine;  capiteconvexo  antice  truncatiusculo,  G  ad  7  in  longitudine  corporis 
in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  1'  ;  ad  vix  plus  quam   1, 
latitudine  l'  ;  ad  l-sin  eju  idine;   oculis  superis,    diametro  3  ad  4'  j  in  longitudine    capitis, 

diametro  1  ad  1- .;  in  capitis  parte  postoculari ,  diametro  1-;,  ad  2lJa  fere  dïstantibus ,  membraua  pal- 
pebrali  iridis  magnam  partem  tegente,  apertura  subcirculari ;  linea  rostro-dorsalï  fronte  et  vertice 
declivi  rectiuscula  vel  con  vexiuscula ,  nucha  dorsoque  valde  con  vexa;,  linea  interoculari  convexa;  pa- 
ribus orbitae  multo  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis, 
anterioribus  margine  elevato  subtubulatis ;  rostro  valde  carnoso,  juvenilibus  oculo  non  aetateprove- 
oculo  mul:  longiore,  convexo,  antice  truncato  vel  truncatiusculo,  lateribus  non  lobato  sed  sul- 
co  paruni  obliquo  superüciali  ad  sat  profhndo  frequenter  cum  sulco  lateris  oppositi  unito  percur 
supra  et  infra  sulcum  poris  numerosis  conspicuis  obsito,  infra  apicem  facie  trigona  plus  minusve 
postrorsum  desceudente  ibique  v  ilunare  laeve  labium  superius  occultantcra  efficiente  velo  mar- 

gine libero  integro,nec  papillato  nee  cirrato,  lateribus  non  lobato;  osso  suborbital  anteriore  oblongo 
subtrigouo  vel  quadratiusculo ,  longiore  quam  alto,  apicc  rotundato  vel  plus  minusve  truncato  an- 
trorsum  spectante,  mai  eriore  subverticali  plus  minusve  ernarginato  vel  curvato;  osse  suborbi- 

tal! 2'  clongato- vel  oblongo-tetragono,  plus  triplo  ad  duplo  longiore  quam  alto,  antice  quam  postice 
non  multo  altiore,  oculi  diametro  quadruple  ad  duplo  humiliore;  osse  suborbitali  S^  osse  suborbitali 
4°  latiore  oculi  diametro  plus  triplo  ad  duplo  humiliore;  cirris  gracilibus  basi  membranaceis,  suprama- 
xillaribus  rostralibus  longioribus,  oculo  vulgo  paulo  brevioribus  ,  rostralibus  antice  in  sulco  rostral i 
ante  os  suborbtitale  1'»  insertis;  rictu  subinfero,  latitudine  capitis  latitudine  sat  multo  breviore,  ore 
clauso  medio  parum  antrorsum  curvato  lateribus  valde  postrorsum  curvato;  oreaperto  subsemilunari, 
itu  cavitatis  oris  interno  luto;  labio  superiore  carnoso,  iutegro,  ante  maxillam  superiorem  pen- 
,  usque  infra  maxillam  inferiorem  desceudente  et  facie  labü  superiore  sat  longe  post  ejus  margi- 
anteriorem  affixo ;  maxilla  superiore  acie  cartilaginea  subsemilunari,  deorsum  valde  protractili. 
maxilla  inferiore  symphysi  nee  emarginata  nee  tuberculaia,  ante  sympbysin  late  cartilagineo-carnosa 
valde  crassa,  tumida,  acie  truncata;  labio  inferiore  carnoso,  lato,  retlexo,  margine  anteriore  villosius- 
culo,  antice  quam  postice  latiore,  utroque  latere  in  Iobum  rotundatum  producto;  sulco  infralabiali  mar- 
ginem  oris  versus  directo,  oculo  breviore,  isthmo  valde  lato  a  sulco  lateris  oppositi  separato, 
antice  bifurcato  ramulo  interno  labium  inferius  inter  et  faciem  labü  inferioris  superiorem  decurn 
te,    ramulo   externo  in  sulcum  supramaxillarem  tri  operculo   latitudine  1- 3  ad  2' 4  in  ejus 

altitudine,  oculo  paulo  graciliore  ad  paulo  latiore.  margine  inferiore  rectiusculo  vel  convexiusculo  ; 
apertura  brauchiali  sub  praeoperculi    margin?  re    descente;   dentibus  pharyugealibus  masti- 


149 

catoriis  aggregatis  2.4.5  5,4.2. ,  apieeni  versus  compressiusculis,  facie  niasticatoria  oblique  truncata 
niarginibus  non  vel  vix  elevata  non  lobata,  dentibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis;  osse  sca- 
pulari  trïgono  acuto  vel  aeutiusculo  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  multo  al- 
tiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  planiusculo  non  carinato;  squamis 
subverticalibus,  lateribus  medio  et  antice  quam  cetero  corpore  majoribus ,  dimidio  libero  et  vulgo  etiam 
diniidio  basali  longitudinaliter  vel  subradiatim  striatis ,  34  vel  35  in  linea  lateral!,  13  in  serie  trans- 
versal! (ventralibus  infimis  inclusis)  quarurn  5l/2  (6)  supra  linea  lateralem,  11  vel  12  in  serie  longi- 
tudinal! occiput  inter  et  pinnam  dorsalera,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  tri-  ad  quinque-scri- 
atis,  postrorsum  magnitudine  sensim  accrescentibus  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  vix  rnaj  . 
linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  ventraliura  multo  magis  quam  liueae  dorsali 
approximata,  singulis  squamis  tubulo  simplicemediam  squamam  non  vel  vix  attiugentem  notata;  pin- 
na dorsali  sat  longe  ante  pinnas  ventrales  incipiente  et  longe  ante  pinnam  analem  desinente,  basi 
alepidota,  âcuta,  valde  emargiuata,  corpore  vix  ad  multo  altiore,  multo  minus  duplo  ad  triplo  al- 
tiore  quam  louga,  radio  simplice  postico  et-  radio  iisso  1"  aetate  proveetis  valde  productis;  j 
pectoralibus  et  ventralibus  acutis  longitudine  subaequalibus  G  ad  5  fere  in  longitudine  corporis,  pec- 
toralibus  ventrales,  ventralibus  analem  attingentibus  vel  non  attingeutibus;  anali  basi  vagina  squa- 
mosa bumillima  inclusa,  acuta,  mediocriter  ad  valde  emai'ginata,  dorsali  multo  ad  duplo  ferehumi- 
liore  et  duplo  fere  ad  duplo  breviore,  duplo  ad  triplo  altiore  quam  basi  louga,  radio  simplice 
gracili  toto  cartilagineo;  caudali  basi  squamosa,  profunde  incisa  Iobis  acutis,  superiore  iuferiore  i 
longiore,  4  ad  32/s  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  junioribus  superne  olivaceo  interne  mar- 
garitaceo  vel  argenteo,  aetate  proveetis  superne  violascente-olivaceo,  inferne  griseo  vel  olivaceo- 
margaritaceo;  juvenilibus  frequenter  corpore  postice  vestigio  vittaolongitudinalis  fuscescentis  in  linea 
laterali;  iride  aureo-olivacea  vel  aureo-fusca  margine  pupillari  aurea;  pinnis  radiis  roseis,  membrana 
roseo-liyalinis  vel  roseo-violasceiitibus  vel  olivascente-violaceis. 
B.  3.  D.  4/8  vel  4/9.  P.  1  14  vel  1/15.  V.  2,8.  A.  3/5  vel  3/6,  C.  6/17/6  vel  7/17/7  lat.  brev.  iacl. 
Syn.  Labeo  falcifer  Val.,  Poiss.  XVI  p.  274. 

Labe'on  falcifer  Val. ,  ibid. 

Lehat,  31illanj,  Mal.  Bat.,  Sund.,  Udjah  Sund. 
Ilab.    Java  (Batavia,  Iîankasbetong ,  Lebak,  Tjampea,  Euitenzorg,  Sadjira,  Sading,  Tjiandjur. 
Parongkalong ,  Kuningan,  Ngantang),  in  iluviis. 

Sumatra  (Meninju),  in  lacubus. 
Longitudo  27  speciminum  95'"   ad  335'". 

Aanm.  Lobocheilos  falcifer  is  door  Van  Hasselt  ter  boven  aangehaalde  plaatse  slechts 
benoemd,  maar  niet  beschreven,  doch  eene  afbeelding  der  soort,  door  Van  Hasselt 
nagelaten,  heeft  mij  de  zekerheid  gegeven,  dat  mijne  voorwerpen  tot  dezelfde  species 
behooren. 

De  heer  Valenciennes  heeft  de  soort  het  eerst  beschreven ,  doch  als  eene  Labeo. 
Zijne  beschrijving  laat  in  meerdere  opzigten  te  wenschen  over.  Alle  mijne  voor- 
werpen bezitten  4  voeldraden  en  niet  slechts  twee  bovenkaaksdraden ,  zooals  de 
heer  Valenciennes  van  zijne  Labeo  falcifer  opgeeft.  De  snuitdraden  zijn  echter  zeer 
dun  en  bij  gedroogde  en  kleine  exemplaren  zeker  moeijclijk  waarneembaar. 

Lobocheilos  falcifer  komt  in  de  hoogere  gedeelten  van  het  gebied  der  grootere  rivie- 
ren van  West-Java  in  genoegzame  hoeveelheid  voor,  om  onderde  voedingsmiddelen 


150 

der  inlandsche  bevolking  te  worden  gerangschikt.  Honderden  voorwerpen,  van  één 
tot  meer  dan  twee  voelen  lengte,  zag  ik  vangen  bij  Parongkalong in  de  Tjitaroem, 

,jns  ecne  vischpartij  daar  aangerigt.  Ook  in  het  westelijke  gedeelte  der  re- 
sidentie  Buitenzorg  heb  ik  den  Lehat  in  groote  hoeveelheden  ter  markt  zien  brengen. 

Te  Batavia  is  de  soort  zeldzaam  en  wordt  slechts  gevangen  bij  hoogen  stand  der 
rivieren,  alswanneer  de  jongere  voorwerpen  door  den  sterken  stroom  soms  uit  de 
bovenlanden  worden  afgevoerd. 

Lobochelhs  (Lohoclicilos)  Schwanefeldi  Blkr,  Nieuwe  tientall.  diagn. 
beschr.  nieuwe  vischs.  Sumatra,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  V  p.  523. — 
SchwamfekV s  Lehat.  Atl.  Cypr.  Tab.  IX  fig.  3. 

Lobocheil.  (Lobocli.)  corporc  elongato  compresso,  altitudine  6  fere  ad  5  in  ejus  longitudine,  latitu- 
dinc  2  ad  l3  i  in  (jus  altitudine;  capite  convexe,  antico  truncatinsculo ,  6  et  paulo  ad  6V2  in  longi- 
tudine corporis  cum,  4'/2  fere  ad  .">  lire  in  loogitudine corporis  absque  pinna caudalî ,  altitudine  1-  , 
ad   l3/7 ,  latitudine  1':;    fere  ad  l1  3  in  ejus  longitudine;  oculis  superis,  diametro  3  et  paulo  ad  3 
lon"itudine   capitis,    diametro    1    et   paulo  ad  l'/i  in  capitis  parte  postoculari,  diametro  V  .,  ad 
distantibus;  membran*  palpebral;  iridis  sat  magnam  partem  tegente,  apertura  subcirculari ;  li- 
rostro-dorsali    fronte    et   vertice  declivi  rectiuscula    vel   convexiuscula,    nucha   dorsoque  valde 
convexa;   linea  interoculari   convexa;  naribus  orbitae  multo  magis  quam  rostri  apici  approximatis, 
posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  margine  elevato  subtubulatïs  ;  rostro  valde  car- 
noso,  juvenilibus  oculo  nou,  aetate  proveetïs  oculo  multo  longiore,  convexo,  antice  truncato  vel  trun- 
catiusculo,  lateribus  non  Iobato  sed  sulco  parum  obliquo  superficiali  ad  sat  profundo  interdum  cum 
sulco  lateris  oppositi  unito  >,  supra  et  infra  sulcum  poris  numèrosis  conspicuis  obsito,  infra 

apicern  facie   trigona  plus   minusve    postrorsum   descendente   ibique  velum   semilunare   lacvc  labium 
'    ■   occultantem   efficiente,    velo  margine  libero  integro,  nee    papillato,    ncc  cïrrato,  lateribus 

re  oblongo  subtrigono  vel    quadratiusculo ,  longiore  quam  altp, 
plus  minusve  truncato  antrorsum  spectante.  margine  posteriore  subverticali  plus  minus- 
ve   emar  inato   vel  curvato;  o<  e  bitali  2°  elongato-tetragono ,  plus  duplo  longiore  quam  alto, 
antics  quam   postice   multo   ad   paulo   altiore,   oculi   diametro   plus   duplo  ad  triplo  humiliore;  osse 
suborbi;  ili  ;                         ùtali  -1°  latiore  oculi  diametro  plus  quadruplo  ad  triplo  humiliore;    cirris 
<n*acilibns,  basi  membranac                maxillaribus  rostralibus  multo  longioribus  oculo  multo  ad  pat 
vioribus,  rostralibus  antice  in  sulco  rostrali  ante  apicern  vel  sub  apice  ossis  suborbitalis  auterioris 
'-.    rictu   subinfero,    !                  capitis   latitudine  sat   multo  breviore,  ore  clauso  medio  parum 
antrorsum  curvato,  lal  rorsum  curvato,  ore  aperto  subsemilunari,   introitu  cavitatis 
I    l    :    labio  superiore  carnoso,    integro,    ante  maxillam  supcriorem  peudulo,   usque  in- 
fra            lam  inferiore                         i  et  facie  labii   inferioris  superiore  sat  longe  post  ejus  marginem 
maxilla   su              acie  cartilaginea  subsemilunari,  deorsum  valdo  protactili;  ma- 
i  nee  tuberculata,  ante  symphysin  late   cartilagineo-carnosa , 
labio i   feriore carnoso,  lato,  reflexo,  margine ânteriore villosiua- 
ou!  [ue  latere  in  lobum  rotundatum  producto;  sulco  infralabiali 
directo,  oculi  diametro  non  rnulto   breviore,  isthmo  valde  la  o  lateris 
op]                                                         ramulo  iateruo  labium   inferius  inter  et    faciem  labii    inferioris 


151 

snperioreni  decurrente,  r.amulo  extemo  in  sulcum  supramaxillarem  transiente;  operculo  latitudine  2 
circiter  in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  paulo  graoiliore,  margine  inferiore  convexiuseulo  vel  rectiusculo  ; 
apertura  branchial!  sub  praeoperculi  margine  posleriore  desinente  ;  dentibus  pharyngealibus  masti- 
catoriis  aggregatia  2.4.5/5  4.2.  apicem  versus  eompressiusculis ,  facie  masticatoria  oblique  truncata 
marginibus  parum  elevatis  non  lobata,  dentibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis  ;  osso  scapulari 
trigono  acute  rotundato  ;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  mul  to  altiore  ;  ventre  ante 
pinnas  ventrales  plano,  postpinnas  ventrales  rotundato  non  carinato  ;  squamis subverticalibus ,  lateri- 
bus  medio  et  antice  quam  cetero  corpore  majoribus,  dimidio  basali  longitudinaliter  subradiatim 
striatis,  01  in  linea  laterali,  13  in  serie  transversali  (ventralibus  infimïs  inclusis)  quarum  S'/a  (6)  supra 
liueam  lateralem,  11  vel  12  in  serie  Iongitadinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibu 
mis  longitudinaliter  tri-  ad  quinque-seriatis,  postrorsum  magnitudine  sensim  accrescentibus,  serie  media 
iis  seriebus  Iateralibus  non  vel  vix  majoribus;  linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basï 
ventralium  sat  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squamis  tubulo  simplice 
mediam  squamam  non  vel  vix  attingente  notata  ;  pinna  dorsali  sat  longe  ante  pinnas  ventrales  inci- 
piente  et  longe  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  valde  emarginata,  corpore 
non  ad  vix  altiore,  multo  minus  duplo  altiore  quam  basi  longa,  radüs  productis  nullis;  pinnis 
pectoralibus  tt  ventralibus  Iongitudine  subaequalibus ,  5'/2  ad  6'/2  in  longitudine  corporis,  pectora- 
libus  ventrales  non  vel  vix,  ventralibus  analem  non  vel  vix  attingentibus  ;  anali  basi  vagina  squamosa 
humillima  inclusa,  acuta,  mediocriter  ad  valde  emarginata,  dorsali  sat  multo  liumiliore  et 
ad  duplo  fere  breviore,  duplo  ad  non  multo  plus  duplo  altiore  quam  basi  longa,  radio  simplice 
postico  gracili  toto  cartilagineo;  caudali  basi  squamosa,  profunda  incisa,  lobisacutis,  superiore  infe- 
riore vulgo  longiore  S"/3  ad  4  fere  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  olivaceo,  inferne 
argentco  vel  margaritaceo;  irïde  rosea  vel  flava  margine  pupillari  aurea;  cauda  vestigio  fasciae  lon- 
gitudinalis  violascente-fusca  diffusa  in  linea  laterali;  fascia  insuper  longitudinal!  diffusa  flavieante 
corpore  antice  supra  lineam  lateralem,  non  semper  conspicua;  pinnis  radiis  roseis,  membrana  roseo- 
vel  violascente-liyalinis. 

B.  3.  D.  4/8  vel  4/9.  P.  1/14  vel  1/15.  V.  2/8.  A.  3/5  vel  3/6.  C.  C/17/C  vel  7/17/7  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Lahat,  Millang  Sund. 

Hub.  Java  (Lebak,  Parongkalong) ,  in  fluviis. 
Sumatra  (Solok,  Lahat),  iu  iluviis. 

Longitudo  15  speciminum  82"'  ad  212"'. 

Aanm.  Lobocheilos  Schwancfekli  is  zoo  na  verwant  aan  Lobocheilos  falcifer,  dat 
ik,  zelfs  na  eene  nadere  studie  van  beide  soorten,  geaarzeld  heb,  haar  onder  een 
eigen'  soortnaam  te  laten.  Alle  mijne  voorwerpen  belmoren  waarschijnlijk  tot  den 
nog  jeugdigen  leeftijdsrtoestand  en  daar  de  vinnen  ,  vooral  de  voorste  rugvin-  en 
aarsvinstralen ,  zich  bij  Lobocheilos  falcifer  eerst  in  verder  gevorderde  leeftijdstoe- 
standen aanmerkelijk  ontwikkelen  en  aan  de  betrekkelijke  vinnen  eene  min  of  meer 
sikkelvormige  gedaante  geven,  mag  men  vermoeden,  dat  ook  bij  de  oudere  voorwerpen 
van  onderwerpelij ke  soort  die  vinnen  andere  hoogte-e venredigheden  erlangen.  Bij 
de  vergelijking  der  soorten  heb  ik  mij  enkel  bepaald  tot  voorwerpen  van  gelijke, 
grootte.  Wat  dan  het  meeste  in  het  oog  valt  en  het  soortelijk  verschil  voornamelijk 
bepaalt ,  is,  dat  bij  Lobocheilos  falcifer  het  ligchaam  minder  slank  is  en  de  kop 
stomper  en  aanmerkelijk  hooger  dan   bij  Lobocheilos  Schwanefeldi.     Misschien  ligt 


152 

ook  een  soortelijk  kenmerk  in  den  flaauw  gelen  overlangschen  band  boven  de  zijlijn 

op  de  voorste  helft  des  ligchaains,  welke  bij  de  meeste  mijner  voorwerpen,  niette- 

istaande  langdurige  bewaring  in  wijngeest,  nog  vrij   goed  waarneembaar  is. 

Lolocheilos    (Êobocheilos)  lehat    Blkr  —  Soendasche  Lehat.    Atl.  Cypr. 
Tab.  VIII  fig. 'S. 

il.  (Loboch.)corporcsubelongatocompresso,  altitudine  5  et  paulo  ad  4*  :>  in  ejus  longitudine, 
udine  2  (ere  in  ejus  altitudine;  capite  convexo,  antice  truncatiusculo,  6  fere  ad  Gin  longitudine 
is  cum,  4  et  paulo  ad  -1-  ;:  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  l1  sadl'  t, 
e  1:' :,  ad  l'/uin  ejus   longitudine;  oculis  superis,   diametro  3  et  paulo  ad  SVsin  longitudine 
diametro    1  et   paulo  ad  l'Ain  capitis   parte  postoculari,  diamctto    1' 3  ad  1-  5  distantibus, 
rana  palpebrali  iridis  partem  sat  niagnain  tegente,  apertura  subcirculari ;  linea  rostro-dorsali 
\   rtice  declivi  convexa  vel  convexiuscula,  nucha  dorsoque  con  vexa;  linea  interoculari  con- 
vexa:   naribus    orbitae   multo  magis  quam  rostri  apici  approximatis,    posterioribus  patulis  valvula 
'>,  antcrioribus  margine  elevato  subtubulatis ;  rostro  valde  carnoso ,  oculo  non  ad  non  multo 
■e,  convexo,  antice  truncato  vel  truncatiusculo,  lateribus  non  lobato  sed  sulco  param  obliqua 
erficiali  non  cum  sulco  lateris  oppositi  unito    percurso,    superuc  et  inferne  poris   numerosis  con- 
iuis  obsito,  infra   apicem  facie  trigona  convcxa  plus  minusve  postrorsum  descendente  ibique  ve- 
scmilunare    laeve  labium    superius   occultantem    efficiente,    velo    margine   libero   nee    papillato 
cirrato   lateribus   non   lobato;    osse  suborbital!    anteriore    irregulariter    trigono,    longiore  quam 
■ice  rotundato  vel  plus  minusve  truncato  antrorsum  spectante,    margine  posteriore  subverti- 
plus    minusve    emarginato  vel   curvato;    osse  suborbitali   2"   elongato-  vel   oblongo-tetragono, 
duplo    ad  duplo    longiore  quam    alto,  antice  quam  postice    multo  altiore,  oculi  diametro  vix 
î   duplo  liumiliore;  osse  suborbitali  3°  osse  suborbitali  1°  latiore,  oculi  diametro  plus  duplo  ad 
irciter  humiliore;  cirris  gracilibus,  basi  membranaceis,  supramaxillaribus  rostralibus    multo 
ribus,  oculo  sat  multo  brevioribus,  rostralibus  antiçe   in  sulco  rostrali  sub  apice  ossis  subor- 
eriori     insertis;    rictu   subinfero,   latitudine   capitis   latitudine   sat   multo    breviore,    ore 
ïedio  param  antrorsum  curvato  lateribus  valde  postrorsum  curvato,  ore  aperto  subsemilunari, 
'uu    cavitatis    oris    interno   lato:    labio   superiore    carnoso,    integro,    ante  maxillam  superiorem 
.  infra  maxillam  inferiorem  descendente  et  facie  labii  inferioris  superiore  sat  longe  post  ejus 
em   anteriorem  affixo;  maxilla   superiore  acie  cartilaginea  subsemilunari,  deorsum  valde  pro- 
tractile   maxilla   inferiore  symphysi   nee   emarginata,  nee    tuberculata,  symphysi  late  cartilagineo- 
valde  crassa,  tumida,  antice  truncata;  labio  inferiore  carnoso,  lato,  reflexo,  lateribus  non 
=cd  obtuse  rotundato,  antice  quam  postice  latiore,  margine  antft-iore  villosiusculo  vel  Ieviter 
to;  sulco  infralabiali  marginem  oris  versus  directe,  oculo  non  multo  breviore,    isthmo  lato  a 
teris    oppositi    separate,    antice   bifurcato   labium    superius    inter  ct   facieni  labii   inferioris 
desinente,  frenulo  carneo  a  sulco  supramaxillari  separate;  operculo  latitudine  2  circiter 
iltitudine,  oculi  diametro  graciliore,  margine  inferiore  rectiusculo  vel  concaviusculo;  apertura 
li  sub   pracoperculi  margine  posteriore  desinente;  dentibus  pbaryngealibus  masticatoriis  ag- 
2. 4.  5./5.  4.  2 ,    apicem    versus    compressiusculis,    facie    masticatoria  oblique    truncata  mar- 
■    1  vix  clevatis  non  lobata,  dentibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis;  osse  scapulari 
rotundato;    linea  dorsali  convexa    linea  vcntrali    convexa  multo    altiore;  ventre  ante 
ales  piano,  post  pinnas    ventrales    rotundato,    non   carinato  ;  squamis   subvcrticalibus, 


153 

iateribus  medio  et  autice  quam  cetero  corpore  majoribus,  dimiJio  libero  et  dimidio  basali  Iongitu- 
dinaliter  vel  subradiatira  striatis,  S3  vel  34.  ia  linea  laterali,  12  in  serie  transversali  (ventralibus  in- 
finiis  inclusis)  qnarum  4', -2  (5)  supra  lineam  lateralera,  9  in  serie  longitudinali  occiput  inter  et  pinnain 
dorsalem,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  tri-ad  quinque-seriatis  postrorsura  magnitudine  sensim 
accrescentibus  serie  media  iis  aeriebus  lateralibus  non  vel  vix  majoribus;  linea  laterali  rectiuscula, 
antice  tantum  declivî,  basi  ventralium  sat  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approxiniata,  singulis  squa- 
mis  tubulo  simplice  mediam  squamam  attingente  vel  subattingente  notala;  pinna  dorsali  sat  longe 
antepinnas  ventrales  incipiente  et  longeante  pinnain  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  emar- 
ginata,  corpore  vix  ad  non  humiliore,  minus  duplo  altiore  quam  b:i si  longa;  pinnis  p'ectnralibus  et 
ventralibus  acutis,  longitudine  subaeq"ualibus ,  5 75  ad  6  et  paulo  in  longitudine  corpoi'is,  pectoralibus 
ventrales  non,  ventralibus  analem  non  vel  vix  attingentibus ;  anali  basi  vagina  squamosa  liumillima 
i nelusa,  acuta,  emarginata ,  dorsali  sat  multo  ad  multo  minus  duplo  humiliore  et  duplo  fere  breviore, 
plus  duplo  altiore  quam  basi  longa,  radio  simplice  tertio  gracili  toto  cartilagineo  ;  caudali  basi  squa- 
mosa profunde  incisa,  lobis  acutis,  superiore  inferiore  longiore  3'  2  ad  4  in  longitudine  corporis:  co- 
lore corpore  superne  olivâceo,  inferne  argenteo;  squamis  dorso  lateribusque  singulis  basi  vitta  trans- 
versa violacea;  iiide  fiava  vel  rosea:  pinnis  radiis  roseis,  membrana  roseo-liyaliuis. 

B  3.  D.  4  S  vel  1  9.  1'.  1  15.  Y.  2  8.  A.  3  5  vel  3  G.  C.  0  17  G  vel  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Syu.  Lobocheilas  leliat  Iilkr,  Enumer.  specier.  pisc.  javau.  Nat.  T.  Ned.  Iud.  XV  p.  423  (nec  Syn  , 
Lc'uil ,  Millang  Sundan. 

îlab.  Java  [Parongkalong) ,  in  fluviis. 

Longitudo  2  speeiminum   105      et  121    . 

Ik  vermoed ,  dat  mijne  voorwerpen  belmoren  tot  een'  nog  jeugdigen  leeftijdstoestand. 
De  soort  zelve  verschilt  voornamelijk  van  Lobocheilos  falcifer  door  één  overlangsche 
schubrei  minder  boven  de  zijlijn,  onverdeelde  onderlipsgroef,  welke  door  een  toompje 
van  de  bovenkaaksgroef  is  gescheiden,  meer  afgeronden  aan  de  ondervlakte  bollen 
en  minder  afgeplatten  en  minder  hoekigen  snuit,  enz.  \n  habitus  verioonen  ove- 
rigens voorwerpen  van  gelijke  grootte  van  beide  soorten  zeer  groote  overeenkomst. 
De  minder  talrijke  schubreijen  boven  de  zijlijn  en  de  daardoor  grootere  schubben, 
vallen  echter,  bij  oplettende  waarneming,  zeer  in    het  oog. 

Lobocheilcsf  (Lobocheilos  f)  Hasselüi  Blkr.  Atl.  Cypr.  Tab.  VIII  fïg.  1. 

Lobocl)  :  corpore  oblongo  com  presso,  altitudine  3/j  circiter  in  ejus  longitudine;  capite  acutiusculo 
o  circiter  in  longitudine  corporis  cum,  4  (ere  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali  ;  altitudine 
capitis  1'  i  circiter  in  ejus  longitudine;  ocalis  diametro  3'/2  circiter  in  longitudine  capitis,  diametro 
Il  3  in  capitis  parte  postoculari ;  rostro  convexo,  oculo  longiore,  non  ante  os  prominente;  linea 
:  istro-dorsali  supra  octilos  concaviuscula,  nucha  convexaj  maxilla  superiore  ante  ociilum  desim 
cirris  supramaxillaribus  cirris  rostralibus  longioribus  oculo  non  vel  vix  brevioribus ;  labiis  carnosis  f 
rato  ventre  vix  convexiore;  squamis  40  p.  in.  in  linea  laterali,  10  p.  m.  in  serie  trans- 
versal! absque  ventralibus  infimis  quarum  41/2  (5)  supra  lineam  lateralem,  11  vel  12  in  serie  longitu- 
dinali iccipul  inter  et  pinnam  dorsalem;  pinna  dorsali  paulo  ante  basin  pinnnrum  ventralium  in- 
cipiente, acuta,  emarginata,  altitudine  1-,;;  circiter  in  altitudine  corporis,  non  vel  vix  altiore  quani 
basi    longa,  radio   simplice  po3tico   gracUlimo  g'abro  capite  breviore;  pinnis  pectoralibus  et  rentra- 

2 


154 

lilitis  :  line  subai  G1  ;_.  ad  7  in  longitudine  corporis,  pectoralibus  ventrales  non ,' 

i     annlem  non  atlingentibus;  anali  acuta,   emarginata,  dorsali  vis  vel  non  humiliore,  plus 
■  quam  basi  loi  ja,  radio  simplice  tertio  gracili  cartilagineo;  caudali  Ijasi  tantum  squa- 
i,  profunde  incisa,  lobis  acutis   li  -i  circiter  in  longitudine  corporis;  coloribus  .  .  .  .? 
]).  :;  9  vel  i  9.  P.   1  15.  V.  1  8  vel  2,  3.  A.  2  5  vel  3  5.  C.  5  17  5.  vel  C  17  6.  lat.  brev.  incl. 
Syn.  Barbus  H  Blkr,  Descript.  specier.  pise.  Javan.  nov.,  Nat.  Tijdschr.  Ned.  Ind.  XIII  p.  355. 

Java  (Sading-wetan),  in  flu  vus. 
gitudo  Ggurae  descriptae  120    . 

Àanm.  Ik  stelde  deze  soort  op  naar  eene  schetsteekening,  nagelaten  door  Kulden 
Van  Hasselt,  zijnde  het  mij  tot  nog  toe  niet  gelukt  voorwerpen  daarvan  te  be- 
komen. Ik  bragt  haar  vroeger  onder  het  geslacht  Barbus,  doch  ik  ben  thans 
niet    vreemd    aan    het    denkbeeld,    dat    zij    veeleer  tot  het  geslacht   Lobocheilos    te 

jen  is.     De  afbeelding  schijnt  overigens  niet    de   naauwkeurigheid  te  bezil 
«•elke         .   gewoonlijk  in  de  door   Van    Hasselt  nagelatene  afbeeldingen  aantreft. 


/.  15  (Gobionichthys)  lipocheilos    Blkr,    Tioeedradige  Lehat.  All. 

Cvpr.  Tah.   VII. 

uelo  compresso,  altitudine  5V3  ad  5  in  ejus  longitudine,  lutii 

2      rei     ejus  altii  culo,  antice  rotundato  non  truncal  1,  5  et  paulo  acL,7' .j 

in  1  rporis  cum,   1   ad   .">';;  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,    altitudini 

:iter,  latitudim  I       in  1  jus  longitudine;  oculis  superis ,  diametro  .';  el  paulo  ad  4  et  pa 

in  l  ipitis,  diametro  1  el   paulo  ad  1,3  in  capitis  parte  postoculari,  diametro   1 

ibus,  rana   palpebral!  iridis  magnam  partem  tegente  apertura  subcirculari ; 

ivi   rectiu  cula  vel  convexiuscula,  nucha  dorsoque  valde  convexa; 
lir.r  ibus  orbitaemulto  magis  quara  rostri  apiciapproximatis,  posteri   ribus 

,  ;i    terioribua    margins   elevato  subtubulatis;  rostro  valde   carno:  1, 
tis  inulto  longiore,  convexo,  conico,  :  ilo,   non   I 

non  bliquo  rostri  npieem  nou  atl  lercurso,  apice  et  supra  et  i 

,   1  i-    nun         is  1  apicem  facie  bi    vi  subtrigona  plus   minusve  post 

i   i        .      '.  1  ilu  tai     la  !ve  Labium  superius  occultantem  efficient  1,    \ 

gine    li  nee    papilli  :  >,    nee    cirral  1,   laturibus    nun    lobato;    osse   suborbital!    anl 

qnadratiusculo,  multo  longiore  quant  alto,   apice  rotundato  vel  plus  minns- 
truncato   antro  posteriori    oblique    postrorsum    ad  te  convexo 

'     elongat        I  10,  plus  duplo  longiore  quara  alto,  onticc  quan 

01  ,    oculi  o  plu     duplo  ad  quadruplo  fere  humiliore;  osse  suborbital!  3 

latiore,  ocnli  diametro  triplo  ad  sextuplo  humiliore;  cirris  rostralibus    nullis,    supra- 
. ,  1  ' ■  :  ■  i- ,   oeul      multo    ad    paulo    brevioribus;    rictu    su 

ipitis  latitu    i  ui  o    in    i  ire.ore  clauso  medio  parum  antrorsum  curvato  lateri 

emiltinari,   introitti  cavitatis  mis   interno  lato;  lab 
maxillam    snperiorem   pendulo,  usque  infra  maxi!' 

post  ejus  marginem  anteriorem  nffixo;  maxilla  superiors 
valde  protractili;  roaxilla  inferiore  symphysi  nee  emarginata, 


-I  "  " 

nee  tuberculata,  ante  symphysin  late  cartilaginco-carnosa,  valdecrassa,  tumkla,  acie  truncata;  labia 
inferiore  carnoso,  lato,  reilexo,  margine  anteriore  villosiusculo ,  antice  quara  postice  latiore,  utroquo 
latere  in  Iobum  rotundatum  producto  ;  sulco  infralabiali  marginem  oris  versus  directo,  oculo  breviore, 
isthmo  valde  lato  a  sulco  lateiis  oppositi  separato,  antice  bifurcato  ramulo  interno  labium  superius 
inter  et  faciem  labii  inferioris  superiorem  deenrrente,  ramulo  externo  in  sulcum  supramaxillarem 
transiente;  operculo  latitndine  2  ad  2  et  paulo  ill  ejus  altitudine,  oculi  diametro  non  vel  vix  graci- 
liore,  margine  inferiore  rectiusculo  vel  concaviusculo  ;  apertura  brancliiali  sub  praeoperculi  margina 
posteriore  desiuente;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  aggregatis  2. 1.5. /5. 1.2,  apicem  versus 
compressiusculis ,  facie  masticatoria  oblique  truncata  marginibus  non  vel  parum  elevatis  non  lobata, 
dentibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis;  osse  scapulari  trigono  acute  rotundato;  linea  dorsali 
convexa  linea  ventrali  convoxa  multo  altioro;  ventre  ante  pinnas  ventrales  piano ,  post  pinnas  ventrales 
planiusculo  non  carinato;  squarnis  subverticalibus,  lateribus  medio  et  antice  quam  cetcro  corpora 
rnajoribus,  dimidio  libero  et  dimidio  basali  longitudinaliter  vel  subradiatim  striatis,  35  vel  3G  i:i 
linea  laterali,  13  in  serie  transversal!  (ventralibus  infimis  inclusis)  quarum  572(6)  supra  lineam  la- 
teralem,  12  vel  13  in  serie  longitudinali  occiput  intérêt  pinnam  dorsalem,  ventralibus  infimis  longi- 
tudinaliter tri-  ad  quinque-seriatis,  postrorsum  magnitudine  sensim  accrescentibus ,  serie  media  iis 
seriebus  lateralibus  vix  rnajoribus;  linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  ventralium 
sat  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squarnis  tubulo  simplice  mediam  squamam 
non  attingente  notata;  pinna  dorsali  ante  pinnas  ventrales  inoipiente  et  longe  ante  pinnam  analem 
desinente,  basi  alepidota,  acuta,  valde  emargiuata,  corpore  humiliore  ad  vix  altiore,  multo  minu3 
duplo  altiore  quam  longa;  peetoralibus  et  ventralibus  acutis  Iongitudiue  subaequalibus  6 '/3  ad  G  i.i 
longitudine  corporis,  peetoralibus  ventrales  non,  ventralibus  analem  non  attingentibus  ;  anali  basi  va- 
gina squamosa  bumillima  inclusa,  acuta,  mediocriter  ad  valde  emargiuata,  dorsali  multo  humiliore 
et  duplo  ad  duplo  fere  breviore,  duplo  ad  plus  duplo  latiore  quam  basi  longa,  radio  simplice  tertio 
gracili  toto  cartilagineo;  caudali  basi  squamosa,  profonde  incisa,  Iobis  acutis,  inferiore  longiore  1 
ad  3-/3  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  snperne  olivaceo,  inferne  argenteo  vel  margaritac 
iride  flava  vel  rosea;  pinuis  radiis  roseis,  membrana  roseo-vel  violascente-hyalinis. 

B.  3.  D.  4  8  vel  4  9.  P.  1/14  vel  1  15.  V.  2  8.  A.  3,  5  vel  3  6.  C.  6  17,  G  vel  7  17,  7  lat.  brev.  incl, 
Syn.  Ghondrostoma  lipocheilos  Val.,  Poiss.  XVII  p.  298  tab.  513. 

Chondrostome  à  lèvre  épaisse  Val.,   ib. 

Tijlognathus  lipocheilos  Heek.,   Fiscb.  Syr.  p,   181,    188. 

Gobio  javanicus  Blkr,  Descr.  spec.  pisc.  Javan.  nov.,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  XII  p    358. 

Lobocheilos  (Gobioakhlhys)  javanicus  Blkr,  Enum.  piscium.   Arch.  Ind.  p.  11*1. 

Wadong  gunung  Mal.  Bat.,  Lehat ,  Millang  Sund. 
Ilab.  Java  (Batavia),  in  flnviis. 
Longitudo  plus  quam  200  speciminum  41'"  ad  2C5'". 

Aanrn.  Ik  meen  titans  in  de  onderwerpelijke  teruggevonden  te  hebben  de  soort  . 
door  den  heer  Valenciennes  onder  den  naam  van  Ghondrostoma  lipocheilos  beschre- 
ven en  afgebeeld.  Dat  die  soort  geene  Chondrostoma  kon  zijn,  werd  door  Meckel 
reeds  opgemerkt  in  zijne  Fische  Syriens.  Inderdaad,  Lobocheilos  (Gobionichthvs) 
lipocheilus  heeft  volkomen  dezelfde  lip  vorming  als  Lobocheilos  falcifer  en  Loboche- 
los  Schwanefeldi ,  doch  het  naauwkeurigste  onderzoek  laat  er  slechts  bovenkaaks- 
draden  en  çeene  snuitdraden    ontwaren.     Reeds  daardoor  is  zij    van   de    beid.? 


156 

noemde  te  onderkennen,  doch  zij  verschilt  bovendien  van  die  beide  soorten  nog 
door  haren  afgeronden  en  niet  afgeknottcn  snuit. 

Zij  is  overigens  nader  verwant  aan  Lobocheilos  Schwanefeldi  dan  aan  Lobocheilos 
falcifer,  welke  ligchaam,  kop  en  rugvin  betrekkelijk  aanmerkelijk  hooger  heeft, 
maar  laat  zich,  behalve  door  de  bovengenoemde  kenmerken,  nog  van  Lobocheilos 
Schwanefeldi  onderkennen  door  afwezigheid  der  overlangsche  bandteckening.  hoo- 
geren  kop,  min  of  meer  hollen  ondersten    operkelrand,  enz. 

Ik  beschreef  deze   soort   vroeger   als  eeno   soort    van   Gobio,   naar    zeer  jeugdige 

werpen,  van  welke  het  grootste  .niet  langer  was  dan  72  millimeters.  Sedert 
r  oplettend  geworden  op  de  groote  verscheidenheid  in  en  het  diagnostische  gewigt 
van  den  bouw  der  mond  leelen ,  heb  ik  herkend ,  dat  die  bouw  volkomen  beantwoordt 
aan  dien  bij  de  verwante  soorten  van  Lobocheilos,  terwijl  eene  naauwkeurige  verge- 
lijking met  sedert  ontvangene  grootere  voorwerpen  dienaangaande  geen'  twijfel 
heeft  overgelaten. 

Ik  teeken  hier  nog  aan,  dat  in  de  beschrijving  van  den  heer  Valenciennes  opge- 
geven is,  dat  de  soort  slechts  26  schubben  op  eene  overlangsche  rui  heeft.  Dit  zal 
wel  eene  schrijf- of  drukfout,  zijn,  vermits  de  afbeelding  ongeveer  37  schubben  op 
eene  overlangsche  rei  aangeeft,  wat  met  de  natuur  overeenkomt.  Daarentegen  geeft 
de  afbeelding  het  tandenstelsel  der  soort    zeer  onjuist  terug,  terwijl   het  in  de  be- 

rijving  juist  geschetst  is.  De  vorm  der  monddeelen  is  op  de  afbeelding  vol- 
l;t   onvoldoende  teruggegeven. 

Lobocheilos  (Gobionichlhjs)    microcephalus   Blkr',    Eleinkoppige  Lehat. 
A  tl.   Cypr.  Tal».   VIII  fig.  2. 

Lol  subolnngato  compresso,  altitudine  43/4Ïnejua  longitudine,  latitudine  2  iu 

1  ie;  capite  convexiusculo,  antioe  rotundato  non   truncal  i,   5      in  longitudine  i  ura , 

il  rin   longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudinel1  i  oirciter,  latitudine   l2/3  circitev 
in  ejus  li  ne;  oculis  superis,  diametro  ■'!  et  paulo  in  longitudine   capitis,  diametro  1  et  pa 

in  capitis  parte  postoculari,  diametro   1  '  :;  circuler  distantibus,  membrana  palpebral!  iridis  marginem 
i  apertura  subcirculari  ;  linea  rostro-dorsali  fronte  et  vertice  declivi  convexiuscula, 
nucha  do  .  aide  convexa;  linea  interoculari  convexa;  naribus  orbitae  multomagis  quam  rostri 

riroatis,  po  us  patulis  valvula  claudendis ,  anterioribus  margine   elevato  subtubu- 

lati  valde  carnoso,  oculo  vix  breviore,  convexo,  nontruacato,  lateribus  non  lobato ,  utroque 

io  sulco  obliqno  parum  conspicuo  brevi,  antiee  poris  numerosis  conspicuis  obsito,    infra 
icie  trigona  nulla,    velo  brevi  labium    superius    occultante    margine  libero  inl     ro,    ncc    papillate 
nee  cirrato ,  lateribus  non  lobato  ;  osse  suborbitali  anteriore  oblongo-trigono ,    paulo    longiore   quam 
i,  apice rotnndato  antrorsum  spectante,  margine posteriore  subverticali  parum  curvato;  osseorbi- 
telrngono,  plus  duplo  longiore  quam  alto,  antice  quam  postice  paulo  aliiore,  o 
diametro  plus  Irijilo    liumiliore;  osse  suborbitali  .'J0  osse  suborbital]    l*  pi  re.  oculi  diametro 

multoties    liumiliore;    cirris    rostrnlibus  nullis,    supramaxillaribus    gracilibus  oculi    diametro   minus 


157 

duplo  brevioribus;  rlctu  subinfero,  Iatitudine  capitis  latitiuline  vaille  multo  breviore,  ore  clauso  me- 
dio parum  antrorsum  curvato,  lateribus  valde  postrorsura  cnrvato ,  ore  aperto  subsemilunari,  in- 
troitu  cavitatis  oris  interno  lato;  labio  superiore  carnoso,  integro,  anto  maxillam  superiorem  pen- 
dulo,  usque  mira  maxillam  inferiorem  deseendentc  et  facie  labii  infurioris  superiore  sat  longe  post 
ejus  marginem  liberum  nfïïxo;  maxilla  superiore  acie  cartilaginea  subsemilunari,  deorsum  valde  pro- 
tractili;  maxilla  inferiore  sympliysi  nec  emarginata,  nee  tuberculata,  ante  symphysin  late  cartila- 
gineo-carnosa,  valde  crassa,  acie  truncata,  lata;  labio  inferiore  carnoso,  reflexo,  margine  anteriore  villosi- 
usculo,  antice  quam  postice  latiore,  utroque latere  in  lobum  obtuse  rotundatum  productoj  sulco  in- 
i'ralabiali  marginem  oris  versus  directo,  oculo  breviore,  isthmo  valde  lato  a  sulco  lateris  oppositi  se- 
parato,  antice  bifurcato  j'amulo  interno  labium  suporius  inter  et  faciem  labii  inferioris  superiorem 
decurrente,  ramulo  externo  in  sulcum  supramaxillarem  transientc;  operculo  Iatitudine  l2/3  in  ejus  al  - 
titudine,  oculi  diametro  non  graciliore,  margine  inferiore  rectiuseulo  vel  convexiusculo  ;  apertura 
branchiali  sub  praeoperculi  margine  posteriore  desinente;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  a.°- 
gregatis  2.4.5/5.4.2.  apieem  versus  compressiusculis ,  facie  masticatoria  oblique  truncata  mar<*i- 
nibus  non  vel  parum  elevatis  non  lobata,  dentibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis;  osse  scapu- 
lari  trigono  acute  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  multo  altiore;  ventre  ante 
pinnas  ventrales  piano,  post  pinnas  ventrales  planiusculo  non  carinato;  squamis  subverticalilnis  la- 
teribus antice  iis  cetero  corpore  majoribus,  diraidio  libero  et  dimidio  basait  longitudinaliter  subradiatim 
striatis,  34  vel  35  in  linea  laterali,  13  in  serie  transversali  (ventralibus  infimis  inclusisj  quarum  ."> 
supra  linearn  lateralera,  12  in  serie  longitudinal!  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem  ;  linea  !■ 
rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  ventralium  non  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approxîmata, 
singulis  squamis  tubulo  simplice  medîam  squamam  attingente  vel  superante  notata;  pinna  dorsali 
ante  pinnas  ventrales  incipiente  et  longe  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  vix 
emarginata,  corpore  vix  bumiliore,  valde  multo  minus  duplo  altiore  quam  longa;  pinnis  pectoralibus 
et  ventralibus  acutis,  longitudine  subaequalibus,  6'/2  circiter  in  longitudino  corporis , -pectoralibus 
ventrales  non,  ventralibus  analem  non  atlingentibus;  anali  basi  vagina  squamosa  humillima  inclusa, 
acuta,  vix  emarginata,  dorsali  sat  multo  humiliore  sed  duplo  circiter  breviore,  duplo  circiter  alti- 
ore quam  basi  longa,  radio  simplice  tertio  gracili  eartilagineo ;  caudali  basi  squamosa,  profunde 
incisa,  lobis  acutis,  subaequalibus,  4'  i  circiter  in  longitudine  corporis;  colore  corpere  superne  viridi, 
inferne  argenteo,-  iride  flava  vel  rosea;  pinnis  roseis  vel  roseo-liyalinis. 

B,  :).  D.  4/3  vel  4/9.  P.   1  1  1,  V.  2/8.  A.  3  5  vel  3  G.  C.  6  17  6  vel  7  17.7  lat.  brev.  incl. 

Svn.  Gobio  microcephalus  Blkr,  Deser.  spec.  pisc.  Javan.  nov,  Xat.  T.  Ned.  Ind.  XIII  p.  357. 
Wildon  gunung  Mal.   liât. 

Iïab.  Java  (Batavia),   in  fluviîs, 

Longitudo  speciminis  unici  71'". 

AaniH,  Onderwerpelijke  soort  is  evenmin  eene  Gobio  als  Lohocheilos  javanicus 
en  behoort  tot  hetzelfde  geslacht  als  deze.  Evenzoo  bezit  zij  slechts  de  bovenkaaks- 
en  niet  de  snuitvoeldraden.  Zij  verschilt  echter  door  kleineren  kop  en  hooger  lig- 
chaam  (bij  voorwerpen  van  beide  soorten  van  gelijke  grootte),  door  niet  naar  de 
mondopening   teruggebogene  snnitvlakte,  bettekkelijk  breeder   operkel ,  enz. 

Mijn  voorwerp  behoort  hoogstwaarschijnlijk  tot  den  nog  zeer  jeugdigen  leeft  ij  Is- 
toestand,  zoodat  liet  voor  eene  betere  kennis  der  soort  noodis:  is,  dat  ook  grootere 
voorwerpen  worden  onderzocht. 


ï  ;  ■ 

Lobocheiîos?  (Gobionic'hthys?)  hispidus  Bik  r. 

I'  icriptio   Valeneiennesiana  sequens. 

1      Labi        i  tableaux  précédens  (Labeo erythropterus  K.  v.  IL,  Labeo  fimbriatus  Val.) 

[ui  a  deux  très-courts  barbillons  à  l'angle  do  la  bouche.     La  haul  sur  est  du  cinquième  de  la 

ir  totale;  la  tête  égale  cette  hauteur.    Le  museau,  obtus,  est  hérissé  de  tubercules  poÎB tus  ; 

r  la  caudale  esl  bien  fourchue;  la  dorsale  est  haute  et  pointue:  son  premier  rayon  est  assez  rigide 
»et  détaché;  l'anale  est  étroite;  les  ventrales  sont  longues.  D.  11.  A.  6.  C.  19.  P.  17.  V.  9.  Sur 
run  dessin  fait  à  Java,  je  vois  que  le  dos  esl  bleu,  et  qu'une  bandelette  de  cette  couleur  se  dessine 
'•par  le  milieu  de  le  queue  et  va  s'évanouir  à  la  hauteur  de  la  pectorale.  Ecs  flancs  sont  argentés  , 
"teints  de  rose,  qui  se  change  en  jaunâtre  sur  le  ventre;  les  nageoires  sont  jaunes.  Le  poisson, 
«long  d'un  pied,  vient  de  Buitenzorg,  Lesjeunes  naturalistes  à  qui  nous  le  devons,  avaient  l'i 
»de  distinguer  celui-ci  comme  genre,  et  de  le  nommer  Lobocheiîos". 
.    Lobocheiîos  sp.  Van  Hass.,  sec.  Valenc. 

eo  hispidus  Val.,  Poiss.  XVI  p.  272;  Blkr,  Enumerat.  pise.  Arch.  India 
Labéon  hérissé  Val.,  ibid. 
• 

Aanin.  De  hier  overgenomene  beschrijving  van  den  Leer  Valenciennes  laat  vol- 
strekt niet  toe  te  beslissen  of  de  soort  eene  Labeo  is  of  niet.  Ik  plaats  haar 
onder  Lobocheiîos,  voornamelijk  omdat  Van  Hasselt  zelf  haar  daartoe  heeft  gebragt. 
Indien  zij  inderdaad  slechts  bovenkaaksdraden  en  geene  snuitdraden  heeft,  zou  daar- 
uit volgen,   dat  zij   tevens  behoort  tot  het  ondergeslacht  Gobionichthys. 

Wat  betreft  de  puntige  snuitknobbeltjes ,  deze  geven  niets  kenmerkends  aan  de 
hand.  Bij  zeer  vele  Labeoninen  met  zigtbare  snuitporiën  heb  ik  die  aangetroffen. 
Zij  zijn  eenvoudig  eene  kalkachtige  afscheiding  dier  poriën  en  daardoor  zeer  af- 
vallig. Zij  staan  in  dezelfde  verhouding  tot  de  snuitporiën  als  de  hoarnachtige 
kaakscheeden,  welke  bij  de  Phalakrognathinen  algemeen  zijn,  de  kaak  los  bedekken 
en  meestal  zoo  afvallig  zijn,  dat  eene  ligte  drukking  of  trekking  ze  van  de  kaak 
doet  verwijderen. 

Rohita  Val.,  Poiss.  XVI  p.  184,  Heek.  Fisch.  Syr.  p.  35  Nachtr. 
p.    180.  —  Rohita. 

Corpus  oblongum  compressun  amis  magnis  vel  mediocribus  ves- 

titum.  Maxilla  nudae,  non  tumidae.  Cirri  4  vel  2,  rostrales  etsupra- 
maxillares,  vel  supramaxillares  tantum.  Rostrum  earnosum,  inte- 
grum, paulo  vel  vix  ante  os  prominens,  lateribus  non  iobatum,  mar- 
gine  libero  nee  papillatum  nee  fimbriatum.  Os  suborbitale  anterius  or- 
bitïie  approximatum.  Labium  superius  ante  maxillam  superiorem  p< 
dulum,   fimbriatum,  cum  labio   inferiore  continuum.  Rictus  ore  aperto 


159 

plus  minusve  ovalis.  Maxilla  superior  acic  tcnui  semilunar!.  Maxilla 
inferior  acie  tcnui  truncata  vel  rotundata,  symphysi  tuberculo  nullo. 
Labium  inferius  reflexum,  papillatum  vel  fimbriatum,  non  lobatum. 
Sulcus  postlabialis  utroque  latere  simplex  longitudinaliter  marginem 
oris  versus  directus,  isthmo  lato  a  sulco  lateris  oppositi  separatus. 
Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  ante  vel  supra  pin- 
nam  analem  desincns,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Dentés  pha- 
ryngeals mastieatorii  aggregati  2.4.5  5.4.2.  facie  masticatoria  oblique 
truncati. 
Subg.  Rohita  Blkr,  Cirri  4 ,  rostrales  et  supramaxillares. 
a     Rohitodes  Blkr,  Cirri  2,  supramaxillares  tantum. 

Aan  in.  liet  geslacht  Rohita  omvat  alle  echte  Labeoninen  met  gave  niet  gekwabte 
snuitkuid,  tesen  de  oogkas  liçsrènd  voorste  onderooçkuilsbeen ,  niet  verdikte  en 
aan  de  symphysis  niet  geknopte  onderkaak,  gefranjede  met  elkander  zamenvloeij en- 
delippen en  enkele,  niet  met  die  der  tegenovergestelde  zijde  vereenigde,  achterlips- 
groeve.  Op  deze  wijze  bepaald  is  het  voldoende  te  onderkennen,  eensdeels  van  de 
verwante  geslachten  Labeo,  Roliitichthys ,  Diplo -heilichthys  en  Morulius,  en  anderen- 
deels  van  de  insgelijks   verwante  geslachten  Abrostomns,  Dangila  en  Barbichthys. 

De  heer  Valenciennes,  het  geslacht  Rohita  opstellende,  beperkte  het  tot  de  soor- 
ten met  4  voeldraden,  terwijl  hij  meerdere  soorten,  bij  welke  slechts  bovenkaaks- 
draden  en  geene  snuitdraden  aanwezig  zijn,  bragt  tot  het  geslacht  Labeo,  zooals 
zijne  Labeo  cephalus,  Labeo  Dussumicri,  Labeo  Reynauldi,  Labeo  microlepidotns 
en   Labeo   fimbriatus. 

lleekcl  beperkte  het  geslacht  Rohita  niet  tot  de  soorten  met  4  voeldraden,  maar 
nam  ook  soorten  aan  met  2  en  zelfs  soorten  zonder  voeldraden.  Heckel  heeft  echter 
liet  geslacht  niet  naar  de  natuur  gekend  en  daardoor  is  het  verklaarbaar,  dat  de 
beide  definities,  welke  hij  van  Rohita  heeft  gegeven,  in  meerdere  opzigten  onvol- 
doende en    zelfs  onnaauwkeurig  zijn. 

Zoo  wordt  in  zijne  eerste  diagnose  gesproken  van  //  Dentés  aggregati  3.3.6/G.3.3" 
wat  onjuist  is  ;  —  voorts  van  u  os  inferum",  wat  insgelijks  voor  ecnige  soorten 
onjuist  is, — en  eindelijk  van  //maxilla  superior  carnea,  margine  fimbriata ,  sub 
rostro  crasso  poroso  occulta"  wat  ecue  geheel  verkeerde  voorstelling  is,  omdat 
de  dunne  kraakbeenige  bovenkaak  gefranjed  is  maar  wel  de  vrij  voor  haar  afhan- 
gende .bovenlip  ,  terwijl  bovendien  bij  meerdere  soorten  de  snuit  zonder  zigtbare 
poriën  is.  Deze  laatste  onjuiste  voorstelling  is  in  zijne  latere  diagnose  van  ' 
jaar   IS  17  herhaald. 


160  . 

Hit  geslacht  Rohita  is  rij  le  aan  soorten,  doch  zij  belmoren  alle  tot  Zuid-Aziéen 
den  Indischen  Archipel.  De  heer  Valenciennes  gaf  dan  naam  van  eene  der  ben- 
gaalsche  soorten  (Cyprinus  rohita  Buch.)  aan  het  geslacht,  doch  zijne  typische  soort 
is  zijne  Rohita  nandina,  of  Buchanan's  Cyprinus  namlina,  welke  inderdaad  eene 
echte  Rohita  is,  terwijl  Cyprinus  rohita  Bach,  behoort  tot  het  geslacht  Morulius, 
ns  hare    ver    voor   het  oog  liggende   voorste  onderoogkuilsbeendercn. 

Het  ware  dus  eigenaardiger  geweest  den  geslachtsnaam  Nandina  te  geven  aan 
alle  die  soorten ,  welke  echte  Rohiten  zijn  en  dien  van  Rohita  te  behouden  voor  Cy- 
prinus rohita  Buck,  en  de  daaraan  verwante  soorten.  Ten  einde  echter  verwarring 
in  de  beteekenis  te  voorkomen,  heb  ik  den  naam  van  Rohita  behouden  voor  de 
soort,  op   welk   de   heer  Valenciennes   dien   bij  voorkeur  toepaste. 

Meerdere  zuid-aziatische  soorten,  door  den  heer  Valenciennes  tot  Rohita  gebragt, 
zijn,  na  de  splitsing  van  het  geslacht,  niet  meer  daartoe  te  brengen,  maar  tot  het 
geslacht  Morulius.  Ik  kan  niet  voor  alle  soorten  met  zekerheid  aangeven ,  tot 
welk  der  beide  genera  zij  te  brengen  zijn,  vermits  de  bestaande  beschrijvingen  en 
afbeeldingen  ten  opzigte  der  generische  kenmerken  meestal  niet  voldoen.  De  vier 
bengaalsche  soorten  mijner  verzameling  evenwel  (Rohita  Buchanani  Val,  Rohita 
Belangeri  Val. ,  Rohita  calbosu  Val.  en  Rohita  chalybeata  Val.)  zijn  tot  Morulius 
te  brengen,  doch  zij  zijn  niet  de  eenige,  zooals  ik,  over  Morulius  handelende,  na- 
der zal  aanduiden.  Overigens  zijn,  om  bovengemelde  redenen,  in  de  lijst  der  La- 
bconinen  nog  meerdere  soorten  tot  Rohita  gebragt,  welke  een  nader  onderzoek  mis- 
schien zal  lecren  soorten  van    Morulius  te    zijn. 

De  soorten  van  den  Indischen  Archipel,  tot  dus  verre  tot  Rohita  gebragt,  be- 
hooren op  slechts  eene  enkele  uitzondering ,  inderdaad  daartoe,  zijnde  slechts  mijne 
vroegere  Rohita  chrysophekadion   tot  Morulius  te   brengen. 

Deze  soorten  zijn,  na  aftrekking  van  laatstgenoemde,  nog  14  in  getal  en  alle  be- 
hoorende  tot  het  subgenus  Rohita,  wegens  hare  1  voeldraden.  \  oor  een  goed 
deel  zijn  7ij  gemakkelijk  van  de  overige  bekende  soorten  te  onderscheiden,  doch 
sommige  soorten  zijn  zoo  na  aan  elkander  verwant,  dat  eene  naauvvkeurige  studie 
noodig  is  om  de  soortelijke  verschillen  met  zekerheid  te  bepalen.  Ik  meen  daarin 
geslaagd  te  zijn,   in  volgend   schema. 


].  Cirri  4,  rostrales  et  supramaxillares     Subgen.  Rohila). 
A.  Squamae  45  ad  53  in  linea  laterali.  Cirri   bene  evoluti  ocu!o  non  breviores. 
1).  4  17  ad  4,  19. 
f  Squamae  10  vel  11    supra    lineam   lateralcm.  Oculi  subposteri.     1'.   1   1G  vel 
i   17.   Macula  postaxillaris  magna  öblonga   transversa  nigra     Rostrum  antice 
poris  conspicuis  nullis. 

Holdla  {Rohila)  melanopleura  Blkr. 


161 

f  Squamae  S  supra  lineam  Iateralem.  Oculi  superi.  P.  1/14.  Macula  caudalis 
rotundata  nigra.  Rostrum  antice  corporis  conspicuis  5  in  seriem  transversa  m 
dispositis. 

Bohita  (Rohita)  borneënsis  Blkr. 

B.  Squamae  32  ad  37  in  linea  laterali.   Cirri  bene  evoluti. 
j  Rostrum  antice   poris  conspicuis   nullis. 

ô  Squamae  7  (6]-)  supra  lineam  Iateralem.  Os  suborbitale  anterius  irregulariter 
tetragonum. 
o  Oculi  superi. 

-ô  Fascia  cephalo- caudalis  fusca.  D.  4/12  vel  4/13.  P.  1/14.  Squamae  35 
vel  30  in  linea  laterali.   Cauda  radium  dorsalem  posticum  inter  et  basin 
caudalis  41  circiter   in  longitudine  corporis. 
Bohita  (Rohita)   Waandersi  Blkr. 

•O'  Fascia  cephalo-caudalis  nulla  sed  macula  magna  nigra  caudam  amplec- 
tens.  D.  4/15  vel  4,16.  Squamae  32  ad  34  in  linea  laterali.  Cauda  ra- 
dium dorsalem  posticum  inter  et  basin  caudalis  7|  circiter  in  longi- 
tudine corporis. 

Bohita  (Rohita)  Kappenii  Blkr. 

o   Oculi  posteri. 

-B  Latera  vittis  vel  fasciis  nullis.  D.  4/13  ad  4/15.  Squamae  34  ad  36 
in  linea  laterali.  Cauda  radium  dorsalem  posticum  inter  et  basin  cau- 
lis  5]-  circiter  in  longitudine  corporis. 

Bohita  (Ro/ii/a)  Schlcgeli  Blkr. 

ô   Squamae  G  (5-J-)  supra  lineam  Iateralem.   Oculi   superi. 

o  Latera  postice  vittis  pluribus  Iongitudinalibus  fuscis,  antice  guttis  aureis 
vel  nitente-viridibus.  D.  4/14  ad  4/18.  Squamae  34  ad  37  in  linea  la- 
terali. Os  suborbitale  anterius  irregulariter  tetragonum 

Roliila  (Rohita)    Ilasseltii  Val. 
o  Latera  fascia  cephalo-caudali  unica  nigra.   Squamae  34  vel  35   in   linea 
laterali.  P.  1/14.  Os  suborbitale  anterius  semilnnare. 
-&  D.  4/12  vel  4/13.  Caput  altitudine  1\  in  ejus  longitudine.   Squamae 
14  in  serie  transversali. 

Bohita  (Rohita)  microccphaïus  Val. 

-©.'  D.  4  10  vel  4/11.  Caput  altitudine  1-j  in  ejus  longitudine.  Squamae 
13  in  serie  transversali. 

Rohita  (Rohita)  br  ach j/ not  opter  us  Blkr. 

21 


162 

Squamae  5  (4J)  supra  lineam  lateralem. 

i  Cauda  macula  rotunda    nigra.    I).  4  14  vel   -1  !j.   Squamae  33    in 
linea  lateralis 

Ttohita  (Bohila)  £  kr. 

f    Rostrum    antice  poris   conspicuis.   Oculi  superi.    Squamae  G    (ô1,)    supra 
neam  lateralem. 

ù  Rostrum  antice    poris  2  distantibus     D.    1  lf>    vel    I  1G.  Squamae   85  in 
linea  laterali.  Regio  suprascapularis  macula  coerulca. 

Jlohila  (Rohita)  kahajanensis  Blkr. 

u   Rostrum  antice  poris  conspicuis  3,  medio   Iateralibus  majore.    Squam 
3-2  ad  34  in  linea  laterali.    1).  4  10  ad  4  14. 
o  Pinna  dorsali  antice  macula  nigra  nulla.  Squamae  14  in  serie  transversale 
Operculum    latitudinc    2    ad  ~  et  paulo  in  ejus    altitudiiie. 

Bohita  {Rohita)   villain  Val. 

g    Pinna  dorsalis  antice  macula  magna  nigra.  Squamae  13  in  serie  trans- 
versal!. Operculum  latitudinc   H  ad   1^  in  ejus  altitudinc. 

Bohila  {Rohita)   triporos  Blkr. 

j    Rostrum  poris  S  in    circulum   dispositis  et  insuper    poro    ccntrali  poris 
ceteris  majore. 

o  Fascia  cephalo-caudalis  nigricans.    D.  4/12  vel  4  13.  Operculum  Iatitu- 
dine  2|  in  ejus  altitudinc. 

llohila  (Rohita)  enneaporos  Blkr. 
C  Squamae   2S  ad    30  in  linea    laterali.   Cirri  bene  evoluti.   Oculi  superi. 
t  Rostrum   antice  poris  conspicuis  numerosis,  ccntralibus  majoribus  nullis. 

ô  Squamae  ü  (41,)  supra  lineam   lateralem.   D.  4/12  vel   •!   13.  Cauda  ma- 
cula nigra. 

Jlohila  {Rohita)  oliffolepis  Blkr. 

Wat  het  subgenus  Rohitodes  betreft,  ik  breng  daartoe  ecnige  soorten  van  Zuid-Azië, 
welke  de  kenmerken   van  Rohita  Val.     bezitten ,  doch  gcenc  snnitdraden,  om  welke 

len   alleen    de  heer  Valenciennes  ze  onder  het  geslacht  Labeo  schijnt  te  hebben 
gebragt.     Ten  opzigtc   dezer  soorten  moet  ik  echter  aanteekenen ,  dat  het  mogelijk 

,  dat  ze  tot  Morulius  bchooren ,  wat  niet  uit  te  maken   is,  dan  nadat    de  bo 
en   ligging  der  onderoogkuilsbeendercn    dier  soorten   zullen  zijn   ond<  In  de 

beschrijvingen  van    den  heer  Valenciennes  is  niets  daaromtrent  ined 

aige  afbeelding,  welke  ik  van  die  soorten  ken  (Labeo  cephalus  Val.  tab     I 
welke  overigens  ten  opzigte  der    monddeelen  nog  zeer    inkorrekt  is,  heldert    zn 
evenmin  op. 


1G3 

Roldta  (Rohita)  melanopleura  Blkr,  Zesde  Bij  dr.  ichth.  fauna  Borneo , 
Nat.  T.  Ned.  Ind.  III  p.  430.  —  Zwartvleldige  Rohita.  Atl.  Cypr. 
Tab.  XIII. 

Koliit.  (Koh.)  corporc  oblongo  compresso,  altitudine  33/5  ad  3',  i  in  ejus  longitudine,  latitudîne  21  i  ad 
21  j  in  ejus  altitudine;  capite  acutiusculo  non  convexo,  ore  clauso  antice  inferne  oblique  truncato,  4'  3  ad 
longitudine  corporis  cura,  3  et  paulo  ad  4  fere  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali  ; 
altitudine  capitis  1  et  paulo,  latitudîne  1'  -2  circiter  in  ejus  longitudine;  oeulis  subposteris  diametro 
,'i  ad  4  et  paulo  in  longitudine  capitis,  diametro  1  et  paulo  ad  l Va  in  capitis  parte  postoculari, 
diametro  l1  3  ad  2  et  paulo  distantibus,  membrana  palpebrali  iridis  marginem  externum  tantum  tegente, 
apertura  subcircularij  linea  rostro-dorsali  capite  declivi  convexa  vel  rectiuscula ,  nucha  et  dorso  valde 
convexa  ;  linea  interoculari  convexa;  naribus  orbitae  magis  quarn  rostri  apici  approximatis,  posterioribus 
patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  tubulatis;  poris  parvis  utroque  latere  nares  intérêt  angulum 
opcrculi  superiorem  longitudinaliter  uniseriatis  conspicuis;  rostro  convexo,  plano,  nou  vel  vix  ante  os 
prominente,  juvenilibus  oculo  breviore,  aetate  provectis  oculo  multo  longiore,  ubiquelaevi,  poris  majo- 
ribus  vel  minoribus  conspicuis  nullis  ;  osso  suborbitali  anteriore  oblongo-tetragono ,  duplo  circiter  longiore 
quam  alto ,  angulis  rotundato  ;  ossibus  suborbitalibus  ceteris  humillimis,  oculi  diametro  multoties  gracilio- 
ribus  ;  poris  suborbitalibus  parvis  conspicuis  longitudinaliter  uniseriatis  ;  cirris  carnosis ,  rostralibus  oculo 
non  ad  multo  longioribus  supraraaxillaribus  vulgo  brevioribus;  maxilla  superiore  acie  cartilaginea  for- 
mant ferri  equini  referente,  sympliysi  non  emarginata,  deorsum  valde  protractili ;  labio  superiore  valde 
earuoso  ante  maxillam  pendulo,  margine  libero  papillis  cirril'ormibus  liumerosis  pluriseriatis  brevibus  ; 
maxilla  inferiore  plana  subcochleariformi ;  labio  inferiore  valde  carno  0,  1  :■>,  margine  libero  papillis 
cirriformibus  brevibus  pluriseriatis ,  sulcis  inferne  antice  isthmo  lafo  distantibus;  mento  propter 
Ham  inferiorcm  valde  adscendentem  oblique  truncato;  operculo  latitudîne  2  circiter  in  ejus  al- 
titudine, margine  inferiore  rectiusculo  ;  apertura  brancliîali  vertical! ,  sub  suboperculo  desinente;  den ti bus 
phaiyngealibus  masticatoriis  aggrcgatis  2.  4.  5 '5.  4.  2  vel  3.  3.  5, 5.  3.  3.  ex  parte  facie  masticatoria 
margine  elevato  unilobatis,  dentibus  serie  anteriore  antice  dimidio  apicali  sulco  longitudinal!  percursis ; 
<,3.-e  scapulari  brevi  obtuse  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  multo  altiore. 
ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  valde  obtuse  carinato;  squamis  subverti- 
calibus,  mediis  lateribus  iis  cetero  corpoi'e  majoribus,  dimidio  libero  et  dimidio  basali  longitudinaliter 
Bubradiatim  striatis,  45  ad  53  in  linea  laterali,  £0  vel  21  in  serie  transversal!  (absque  ventralibus  in- 
quarum  10  vel  11  supra  lineam  lateralem ,  17  ad  21  in  serie  longitudinal]  occiput  inter  et 
pinnam  dorsalem,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  5-seriatis  postrorsum  magnitudinc  sensim  ac- 
ntibus,  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  non  minoribus;  linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum 
declivi,  basi  ventralium  non  vel  paulo  tantum  magis  quam  lineae  dorsali  approximate ,  singulis 
squamis  tubulo  simplice  mediam  squamara  nou  vel  vix  attingente  notata  ;  pinna  dorsali  ante  pinnas 
ventrales  incipiente  et  supra  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  emarginata,  longiore 
alta,  longitudine  4  fare  ad  32/5  in  longitudine  corporis,  altitudine  l1  \  ad  Ji  ;,  in  altitudine  cor- 
poris: pinnis  pectoralibus  et  acuti  lulo  ad  G  et  paulo  in 
adine  cor;1'  |  -  nou  a  l  vix,  vei  itibus; 
anali  basi  \                               liun                      .                                                                rsali  paulo  liumi 

ldali  basi  squamosa, 
itudine  co; 
cl 


164 

maculis    dilutioribus    variegatiSj  hide    flava    vel  rosea;  cirris  carneis  rel   olivascentc-fuseis,-  regione 

scapulari  macula  oblonga  transversa  magna  nigra;  squamis  dorso  lateiibusque  singulis  basi  quam 

dimidio  libero    profundioribu3 ;    pinnis  roseis  vel  violascentibus,  frequenter  densissime  fusco  arenatis. 

B.  3.  D.  1  17  vel  1  18  vel  4  19.  P.  1  1G  vel  1  17.  V.  2  8.  A.  8  5  vel  3  G.  C.  5  17  5  vel  C  17  G  lat.  brev.  incl. 

Hab.  Su  Palembang),  in  fluviis. 

15o:  ndjermasin,  Kalmjan,  Pontianak),  in  fluviis: 

Longitudo  18  speciminum  7ü"'  ad  32u'  '. 

Aanra.  Ik  ontdekte  deze  soort  in  het  jaar  1S52  en  beschreef  haar  toen  naar  een 
drietal  voorwerpen  van  Sumatra  en  Borneo.  Sedert  is  mijn  kabinet  met  nog  tal- 
rijke voorwerpen  van  dezelfde  eilanden  verrijkt  geworden.  Uit  een  mij  ter  inz  i 
afgestaan  schetsboek  van  Siamsche  visschen,  vervaardigd  door  den  Graaf  Francis  De 
Castelnau,  ontwaar  ik,  dat  de  soort  ook  in  Siam  wordt  aangetroffen,  waar  zij  in 
de  Meiuam,  bij  de  hoofdplaats  Bankok,  leeft.  Itohita  mclanoplcura  is  gemakkelijk  her- 
kenbaar aan  de  formule  harer  schubben  en  vinstralen,  aan  hare  achter  de  bekspleet 
staande  oogen ,  lange  voeldraden,  gladden  snuit  en  zwarte  achterokselvlek.  Het 
aantal  schubben  op  cene  overla-ngsche  rei  is  er  nan  grootere  verschillen  onderhevig 
dan  bij  de  overige  mij  bekende  soorten  van  Rohita.  Bij  geen  mijner  IS  onder- 
zochte voorwerpen  is  het  evenwel  minder  dan  45  of  meer  dan  53,  terwijl  het 
aantal  overlangsche  schubreij en  boven  de  zijlijn  er  slechts  verschilt  tusschen   10  of  11. 

Bij  de  jonge  voorwerpen  is  de  kleur  des  Iigchaams  gelijkvormige!'  dan  bij  de  ou- 
dere,   bij  welke    de  zijden  onregelmatig    met  lichtere  geelachtige    vlekjes  geteekend 

Rohita  (Rokita)  borneè'nsis  Blkr,  Act.  Soc.  Scient.  Ind.  Neërl.  I,  Tiende 
Bijdrage  ichthyol.  fauna  van  Borneo  p.  17.  —  Bonicoschc  Rohita. 
A  tl.   Cypr.  Tab.  VIII  fig.  5. 

Rohita  (Roh.)  corpore  oblongo  compresso ,  altitudine  4  ferein  ejuslongiludine,  Iatitudine  2  circiter  in 
ejus  allitudinej  capite  acutiusculo,  ore  clauso  antice  inferno  raediocriter  oblique  truncato,  5  fere  in 
longitudine  coi  im,  iirciterin  Iongitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  IV*  cir- 

citer, Iatitudine  1*4  circitei  in  ejus  1  mgitudine;  oculis  superis,  diametro  3  circiter  in  longitudine  capitis, 
metro  1  et  paulo  in  capitis  parte  postoculari ,  diametro  1'  ?,  circiter  distantibus ,  membrana  palpebral! 
iridis  marginem  externum  tantum  tegente,  apertura  subcirculari  ;  linea  rostro-dorsali  fronteet  vertice 
!  a,nucliaeti  onvexa;  linea  interoculari  convexiuscula:  naribus  orbitaemagis 

quam  ros  tri  apicï  appi  ribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribusbrevitubulatis; 

pori  lit  roque  laten  i  iresinteret  angulum  operculi  superiorem  longitudinaliter  uniseriatis  con- 

spicuis; rostro  carnoso,  planiusculo,  convexo,  vix  and  os  prominente,  oculo  paulo breviore,  apiceporis 
."»  conspicuis  in  seriem  transversam  curvatam  dispositis  poro  medio  ceteris  conspicue  majore,  porisex- 
ternis  2  ceteris  multo  minoribus;  poris  suborbitalibus  parvis  pluribus  paru  m  conspicuis  longitudi- 
naliter uni  eriatis;  ossi  suborbitali  anteriore  oblongo-tttragono,  angulis  rotundat o,  minus  duplo  longi- 
■  quam  alto;  ossilus  suborbitalibus  ceteris  liumillimis  eculi   diametro  multoties  gracilioribus:  cir- 


165 

ris  carnosis  graoîlescentibus  supramaxillarîbua  rostralibus  non  mulfo  longioribus  oculo   vix  vel  non 
longioribus;    maxilla    superiore    acie    cartilaginea  formam  ferri  equ:ii  subrcferente  symphysï  leviter 
eraarginata,  deorsum  valde  protraotili;  labio  superiore  vaille  carnoso,  ante  maxillam  pendule,  mar- 
gino    libero    papillis    couicis    obtusiusculis  brevibus  numerosis   pluriseriatts,-  maxilla  inferiore   plana 
subcocbleariformi ;  labio  inferiore  vakle  carnoso,  reflexo,  margine  libero  papillis  conicis  brevibus  pluri- 
seriatis  numerosis  in  serie    externa    aeutis    subcirriformibus,    sulcis    inferne    an  lice  istlimo    lato  di- 
stantibus;  mento  propter  maxillam  inl'eriorem  adscendenteru  mediocriter    oblique    truncato  ;  operculo 
latitudine  1'  i  circiter  in  ejus  altitudine,  margine   inferiore    rectiusculo  vel  convexiuseulo;    apertura 
branchiali  sub  operculi  parte  anteriore  desinente  ;   dentibus  pbaryngealibus    masücatoriis    aggregatie 
2.  1.5  5.1.2.    singulis  facie    masticatoria  oblique  truncatis  vol  oblique   convexÎ3,  marginibus    eléva- 
tis.  serie  anteriore  praesertim  inaequaliter  bilobis   iis  serie  anteriore    antice  dimidio  apicali  latesul- 
catis;  osse  scapulari  trigono  acutiuscule  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  al- 
tiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  valde  obtuse  carinato  ;  squamis  sub- 
verticalibus,   mediis  lateribus  cetero  corpore  vix  majoribus ,  dimidio  libero  et    dimidio    basali    striis 
longitudinalibus  vix  conspicuis  vel  nullis,  4G  p.  m.  in  serie  longitudinal:,  17  vel  18  in  serie  trans- 
versal] quartim  8  supra  lineam  lalcralem,    11  vel  15  in  serie  longitudinali  occiput  inter  et  pinaam 
dorsalera,  ventralibus  infimïs  Iongitudinaliter  triseriatis  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  non  majo- 
ribus ;   linea  laterali  rectiuseula ,  antice  tantum  declivi ,  basi  ventraliura    vix  vel    non    magis    quam 
lincae  dorsali  approximata,  singulis  squamis  tubulo   simplice  mediam  squamam  attingente  vel  supe- 
rante notata  ;   pinna  dorsali  ante  pinnas  ventrales  incipiente  et  supra  initiura  pinnae  analis  desinente, 
basi  alepidota,  acuta,  eraarginata,  valde  multo  longiore  quam  alta,  longitudine  3'/2circiterin  lon»i- 
tudine  corporis,  altitudine   i-     ad  1'  i  in  altitudine  corporis:  pinnis  pectoralibus  ventralibusque  aeu- 
tis, longitudine  subaequalibus ,   G  circiter  in   longitudine  corporis,   pectoralibus    ventrales    non,    ven- 
tralibus analera  non  attingentibus  ;  anali  basi  vagina  squamosa  lnimillima  inclusa,  acuta,  non  emar- 
ginata,  dorsali  non  multo  bumiliore  sed  plus  triplo  breviore,    radio    simplice  tertio    gracili    cartila- 
g-ineo;    pinna    caudali    basi    squamosa,  profunde  incisa,  Iobis  aciiiiusculis,  superiore  inferiore  paulo 
longiore,   5  et  paulo  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  coerulescente-viridi ,  inferne  ar- 
genteo;  inde  flavescente  vel  rosea;  dorso  Iateribusque  singulis  seriebus  squamarum  vitta  longitudinali 
fuscesente-violacea;  cauda  macula  rotundiuscula  coerulesoente-violacea  in  linea  laterali  basi  pinnae  cau- 
dalis  approximata;  pinnis  roseis  dorsali  et  anali  praesertim  fusco  arenatis. 

B.  ?,.  D.  •)  17  vel   1  18.  T.  1  11.  V.  2  S.  A.  S/5  vel  3,6.  C.  6/17/6  vel  7/17/7  lat.  brev.  incl. 

Ilab.  Borneo   (Pontianak),  in  fluviis. 

Longitudo  speciminis  unici  £0'". 

AaiiüJ.  Eennader  onderzoek  dezer  soort  heeft  mij  doen  ontwaren ,  dat  zij  behoort 
tot  de  groep  van  het  geslacht  met  groote  zigtbare  snuitporiën ,  welke  poriën  ik  bij 
mijne  vroegere  beschrijving,  hoezeer  genomen  naar  hetzelfde  voorwerp,  niet  had 
opgemerkt.  Reeds  hierdoor  verschilt  zij  van  Rohita  melanopleura  Blkr,  aan  welke 
zij  verwant  is  door  de  getallen  der  schubben  op  eene  overlangsche  rei  en  door  de 
getallen  der  vinstralen,  —  maar  zij  is  bovendien  nog  door  meerdere  andere  ken- 
merken van  Rohita  melanopleura  te  onderkennen  aan  de  aanwezigheid  van  slechts 
8  overlangsche  schubrcijen  boven  de  zijlijn,  de  geheel  bovenstaande  oogen,  de  af- 
wezigheid cener  zwarte  achterokselvlek  en  de  aanwezigheid  daarentegen  van  cene 
zwarte  ronde  vlek  in  de  zijlijn  aan  den  grond  der  staartvin,  kortere  voeldraden,  enz. 


[k    kende    d  vroeger    slechts    van   Pontianak,     van    waar  ik   mijn  < 

voorwerp  heb  ontva  li    het    bovei  3    schetsboek    van    den    graaf 

De  Castelnau  leert  mij,  dat   zij  ook  in  Siam ,   bij    Bangkok,   Ie 

iita  (Rohita)  Waandersi  Blkr,  Nieuwe  Bijdr.  ichth.  kerm.  v.  Ban- 
ka,  Nat.  ï.  Ned.  Ind.  p.  733. — -  Waandersche  Rohila.  Atl.  Cypr. 
Tab.   IX  fig.    2. 

1;  i]  il      R         corp        obl  '  -     .  altitudine  4  circiter  in  ejus  Iongitudine,  Iatitudine  2  et 

paul  en  obtusiusculo,    eon  vexiusculo ,    ore    clan  o    antice    in  feme     paru  ni 

ique  truncato,  !  iter  in  longitudiue  corporis  cum ,  42/5  circiter  in  Iongitudine  corporis  absque 

i    caudali,    altitudine    4'/C    circiter,  Iatitudine  l2/5    circiter  in  ejus  Iongitudine;  oeulis  sup 

Iongitudine  capitis,   diametro   l'j   ad   1".,    ù  toculari ,  dia- 

membrana    ,  di  iridis  mar  tern  u  m  tantum  tegen  te,  apert  ura 

subcirculari ;    I  i  capite  declivi   rectiuscula  vel    convexiuscula,  nucha  et  dor    i  c 

:a;  linea  interoculari  i;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis ,  posteriori! 

ulis  valvula  claude  brevi-tubulatis  ;  poris  parvis  nan     intei  'culi 

idinaliter  uniseriatis  paru  m  conspicuis;  rostro  carnoso,  plani 

prominente,  poris  majoribus  vel  minoribus  conspicuis  uullis;  osse  suborbitali 
.    i-irregulariter    tetragono,    posticc  quam  at  ire,  minus  dupl 

ah<  suborbitalibus  ceteris  humilibus,  oculi  diametro  quadruplo  a<l  multoties  gracilioril 

poris  suborbitalibus  conspicuis  nullis;  cirris  carnosis  gracilescentibus ,  supramnxillaribus    ro 
mul  to  longioribus  oculi  dial  i    u  vel  vix  longioribus;  maxilla  su  peri  i  cartilaginea  formain 

.  equini  subi'eferento,  symphysi  Jevitcr  emargiuata,  deorsum  valdeprotractili;  labio  superiore  v 
.ante  maxillam  pendulo,  margine  interno  oblique  transversim  sulcoso,  margine  libero  pa;      i 
obtusis  pluriseriatis ;  maxilla  inferiors  plana,  margine  anteriore  truncata ;  labio  i 
rgine  iuterno  oblique  transver  e  libero   papillis  co 

obtusis  brevi  sulcis  inferne  antice  isthmo  lato  distantibuS;  mento  propter  maxi] 

lentem  parum  oblique  truncato;  operculo  Iatitudine  2  t  jus  altitudine,  oculi 

diametro  -iliore,  margine  inferiore rectiusculo  ;  apertura  brancliiali  sub  operculi  parte  po 

riore  desiuente  ;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  a  2.4.5/5.4.2,  singulis  facie  masticatoria 

oblique  truncata  margiuibus  elevatis  parum  conspicuis  non  lobata,  dentibus  anterioribus  antice 
sulcatis;  osse  scapular;   I  acute  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea    venti  die  al 

is  ventrale-,  plan    .  posl    pinnas  ventrales    obtusissime  carinato  ;  squamis  subverti- 
calibus,  mediis  lateribus  quam  cetero  corpora  bus,  dimidio  libero  et  vulgo  etiam  dimidio  ba- 

liatim  striai  i    I     '  in  linea  laterali,  rsali  quar 

supra    li'..  -   12  p.  m.  in  s    ie  Ion  fttudinali    occiput  inter  et    pi 

majoribus      1  laterali  rectiuscula ,  antice  tantum  d 

i,    singulis  squamis  tubulo  si 
ita;  pinna  dorsali  ante  pinna     \ 

.   vix   erna  non  muil 

! 


167 

V  îirclter  in  Iongitudine  corporis ,  analera  non  altingeniibus;  anali  basi  vagina  squamosa  Iiuraillima 
iiiclusa,  acuta,  non  emarglnata,  dorsali  sat  multo  humiliore  et  triplo  circiter  breviore,  radio  simplice 
tertio  gracili  cartilagineo ;  caudali  basi  squamosa,  profunde  incisa,  lobis  acutis  4 '/3  circiterîn  Iongi- 
tudine corporis  ;  colore  corpora  superne  viridi,  inferne  argenteo;  iride  fi  a  va  vel  rosea;  fascia  cephalo- 
caudali  nigricante-violacea  corpore  antice  quam  cauda  graciliore,  maxime  conspicua,  postice  usque  ad 
apices  radiorum  pinnae  caudalis  mediorum  producta;  pinnis  pulchre  roseis  vel  rubris. 

1!.  :;  1).    1  12  vel   1,13.  P.   1  H.  V".  2  S.  A.  3  à  vel  3  G..  C.  5  17  .">  vel  G  17  G  lat.  brev.  incl. 

Ilab.  Banka  (Toboali),  in  fluviis. 

Longitudo  speciruinis  unie!  198"'. 

Aanm.  Rohita  Waandersi,  dus  genoemd  ter  eere  vanden  heer  II.  L.  Van  Bloe- 
men Waanders,  aan  wien  hare  kennis  is  te  danken,  behoort  tot  de  soorten  met 
overlangschen  bruinen  of  zwartachtigen  ligchaamsband,  waartoe  ook  behooren  Rohita 
a  Val.,  Rohita  enneaporos  Blkr,  Rohita  microcephalus  Val.  en  Rohita  brachv- 
notopterus  Blkr,  alle  soorten  van  de  Soenda-eilamlen.  Zij  laat  zich  echter  met 
geenc  dier  soorten  verwisselen.  Van  Rohita  enneaporos  en  Rohita  vittata  is  zij  reeds 
daaraan  te  onderkennen  dat  de  snuit  geheel  glad  is  en  geene  zigtbare  poriën  bezit. 
Van  alle  vier  genoemde  onderscheidt  zij  zich  echter  door  ecne  overlangschc  rei 
schubben  méér  boven  de  zijlijn,  zijnde  die  reijen  ten  getale  van  7  (G!)  aanwezig, 
terwijl  er  bij  de  andere  soorten  slechts  G  (oj.)  worden  aangetroffen.  Dit  kenmerk 
heeft  Rohita  Waandersi,  wat  de  soorten  mijner  verzameling  betreft,  slechts  gemeen 
met  Rohita  Kappend  Blkr,  eene  soort  welke  overigens  den  overlangschen  ligchaams- 
band mist  maar  daarentegen  opmerkelijk  is  door  cene  zeer  groote  zwarte  vlek,  welke 
den  staart  in  vertikale   rigting  irehccl  omgeeft. 

Overigens  is  Rohita  Waandersi  het  naaste  verwant  aan  Rohita  microcephalus 
Val.,  zoowel  in  habitus  als  vinbouw.  Afgescheiden  van  het  verschil  tusschen  beide  , 
gelegen  in  de  formule  der  schubben,  ontwaar  ik  norr  een  ander,  çreleo-en  in  de  o-e- 
daante  van  het  voorste  onderoogkuilsbeen  ,  hetwelk  bij  Rohita  Waandersi  onregelmatig 
vierhoekig  is,  terwijl  het  bij  Rohita  microcephalus  eene  halvemaanvormige gedaante 
heeft.  Ook  is  het  opcrkcl  bij  Rohita  microcephalus  betrekkelijk  smaller,  zijn  de 
keelgatstanden  niet  gekwabt  en  die  der  voorste  rei  niet  gegleufd,  enz. 

De  soort  is  tot  1109-  toe  slechts  van  Banka  bekend. 

Rohita  (Rohita)  Kappenü  Blkr,  Act.  Soc.   Scient.  Incl.  Neerl.  II  Tie 
Bijdr.   ichthyol.  fauna  van  Borneo  p.   19. —  Van  K 
Atl.   Cypr.  Tab.  XII  fig.   1. 

R  i'nit.  |  Roh.)  corporWblongo  compresso,  altitudine  3'  _>  circiter  in  ejus  Iongitudine,  Iatitudine  21, 2  cïi 
in  ejus  altitudine;  capite  :  ulo,  ore  clauso  antice  inferne  parum  oblique  truncati 

gitudiue  corporis  cum,  4'  \  circiter  in  Iongitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  vix  plus 
qiiam   1,  Iatitudine  l'/îad   I3  5  in  ejus  Iongitudine;  oculis  subsup  ris,  diametro  S   lircjtor  in  1 
dine  capitis,  diametro  1  in  capitis  parte  postoculari ,  diametro  l'  distantibns,  membra 


168 

brali  iridis  marginem  externum  tantum  tegen  te,  apertura  subcirculari  ;  linea  rostro-dorsali  fronte  et  vcr- 
tice  declivi  rectiuscula,  nucha  et  dorso  valde  con  vexa;  linea  ïnterocnlari  con  vexa;  naribus  orbitac  ma«id 
quamrostri  apici  approximates,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  brevitubulatis  ; 
ttroque  latere  naresi  ter  et  angulum  operculi  superiorem  longitudinaliter  uniseriatis  parurn 
conspicuis  i'ostro  carno  i  planiusculo,  convexo,  vix  ante  os  prominente,  oculo  non  vel  vix  breviore, 
ubique  lae\  i.  poris  minoribus  vel  majoribus  conspicuis  nullis;  osse  suborbitali  anteriore  oblou^o-tetran-ono 
angulis  rotundato,  minus  duplo  longiore  quam  alto;  ossibus  suborbitalibus  ceteris  humilibus oculi diametro 
multoties  graciiioribus  ;  poris  suborbitalibus  conspicuis  nullis;  cirris  carnosis,  supramaxillaribus  rostra- 
libus  mul  to  longioribu  oculi  diai  itro  paulo  brevioribus  ;  maxilla  superiore  acie  cartilaginea  form  am 
ferri  equini  subreferente,  symphysi  nou  emarginata,  deorsura  valde  protractili ;  labio  superiore  valde 
carnoso,  ante  maxillam  pendulo,ma  in ■-■'.'<'•  ro  papillis  conicis  acutis  brevibus  numerosis  pluriseriatis  ; 
maxilla  inferiore  plana,  subcochleariformi;  labio  inferiore  valde  carnoso,  reflexo,  margine libero  pa- 
pillis  conicis  aculis  brevibus  numerosis  pluriseriatis,  sulcis  inferne  aotice  isthmo  lato  distantibus  ; 
mento  propter  aaxillam  inferiorem  adscendentem  leviter  obüque  truncato  ;  operculo  latitudine  2  circiter 
it',  ejus  altitudine,  margine  inferiore  onca viusculo ;  apertura  branchiali  sub  operculi  parte  anteriore 
desinente;  dentibus  pliaiyngealibus  masticatoriis  aggregatis  2.4.5/5.4.2,  singulis  facie  masticatoria 
oblique  truncata  vel  oblique  convex»,  marginibus  elevatis  serie  anteriore  praesertim  inaequaliter  bi- 
lolis ,  dentibus  sei  ie  anteriore  antice  dimidio  apicali  late  sulcatis  ;  osse  scapulari  trigono  acute  rotundato  ; 
linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  multo  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post 
pinnas  ventrales  valde  obtuse  carinato;  squamis  subverticalibus ,  mediis  laterlbus  quam  cetero  cor- 
pore  majoribus,  dimidio  libero  longitudïnaliter  subradiatim,  dimidio  basali  longitudïnaliter  paru  ra 
striatis,  32  ad  31  in  In  a  laterali,  11'  j(ló)  in  serie  transversal!  quarum  C',j(7)  supra  lineam  la- 
teralem,  10  vel  11  in  serie  loDgitudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibus  infimis  lon- 
gitudinaliter  triseriatis,  serl  in  ia  ii  seriebus  lateralibus  non  vel  vix  majoribus;  linea  laterali  rec- 
tiuscula, antice  tantum  declivi,  basi  ventralium  non  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approximata 
ilis  squamis  tubulo  simplice  mediam  squamam  attingente  vel  superante  notata;  pinna  dorsali 
pinnas  ventrales  incipiente  et  supra  initium  pinnae  analis  desinente,  basi  alepidota,  acuta, 
emarginata,  multo  longiore  quam  alta,  longitudine  33/s  circiter  in  longitudine  corporis,  altitudine 
li;3  circiter  in  altitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  ventralibusque  acutis  longitudine  subaequali- 
bus  G  fere  in  longitudine  c  itis,  pectoralibus  ventrales  non,  ventralibus  analem  non  attingentibus; 
1  basi  vagina  squamosa  bumillima  inclusa,  acuta  non  vel  vix  emarginata,  dorsali  non  multo 
humiliore  sed  triplo  circiter  breviore,  radio  simplice  tertio  gracili  cartilagineo;  caudali  basi  squamosa , 
funde  iin-isa.  !i. iiis  acutis,  superiore  inferiore  paulo  longiore  ">:  :.  circiter  in  longitudine  corporis; 
colore  corpore  sup  rne  viridi,  inferne  argenteo;  iride  flava  vel  rosea;  squamis  dorso  lateribusque 
singulis  basi  stria  vel  vittula  semilunari  transversa  violascente;  squamis  lateribus  antice  pluribus 
guttula  nitentc-viii  li  ;  cauda  vittis  longitudinalibus  nullis  sed  macula  maxima  nigra  totani  caudara 
subamplectente  ba-i  pinnae  caudalis  approximata  et  late  aurantiaco  limbata;  pinnis  dorsali  et  anali 
roscis  fusco  plus  minusve  arenatis;  dorsali  radicibus  singulorum  radiorum  macula  parva  nigrican- 
te-violacea  ;  pi   ais  ventralibus,  pectoralibus  caudalique  flavescentibus,  aurantiacis  vel  roseis. 

B.  3.  D.  4/10  vel   1/16.  V.  1/13.  V.  2/8.  A.  3,0  vel  3  0.  C.  6/17/6  vel  7/17.7  lat.  bvev,  incl. 

lla'o.  Borneo  (Pontianak),  in  fluviis. 

Longitudo  speciminis  unici  120". 

Aanm.  Oiulerwerpelijke  Rohita  staat  in   verwantschap    tussclien   Rohita  Ilasscllii 
Val.  en  Rohita  Schlegeli  Blkr.    Va»  Rohita  Ilasseltii  verschilt  zij  door  ecu  rei  schub- 


169 

hen  meer  boven  de  zijlijn,  kortere  voeldraden,  hooger  meer  gedrongen  ligebaam  (voor- 
namelijk veroorzaakt  door  korteren  staart,  welke,  van  den  laatsten  rugvinstraal  tot 
aan  de  basis  der  staartvin  gerekend,?"':,  malen  gaat  in  de  lengte  des  ligchaams, 
terwijl  de  staart  bij  voorwerpen  van  Rohita  Hasseltii  en  Rohita  Schlegeli,  op  de 
dezelfde  wijze  genieten ,  slechts  ongeveer  5'/i  malen  gaat  inde  lengte  des  ligchaams), 
hoogere  en  spitsere  rugvin ,  afwezigheid  van  overlangsche  staartbanden  en  de  grootere 
den   staart  nagenoeg  geheel  omvattende  zwarte   vlek. 

Van  Rohita  Schlegeli  verschilt  zij  daarentegen,  behalve  door  korteren  staart,  door 
minder  scherp  profiel,  kleineren  kop,  door  één  rei  schubben  minder  beneden  de 
zijlijn,  hooger  aan  den  kop  geplaatste  (nagenoeg  bovenstaande)  oogen,  boven  de 
aarsvin  eindigende  rugvin,  grootere  zwarte  staartvlek,  enz. 

De  verschillen  tusschen  de  drie  onderwerpelijke  soorten  vallen  alle  zeer  goed  in  het 
oog,  wanneer  men  voorwerpen  van  dezelfde  grootte  met  elkander  vergelijkt,  doch 
sommige  komen  minder  duidelijk  uit,  wanneer  de  voorwerpen  aanmerkelijk  in  grootte 
van  elkander  verschillen,  vermits  de  gedaante  des  ligchaams  en  de  lengte  en  hoo 
van  kop  en  rugvin  binnen  zekere  grenzen  zeer  verschillen  naar  den  leeftijdstoestand 
der  voorwerpen. 

Rohita  (Rohita)  Schlegeli  Blkr,  Vijfde  Bijdr.  iclith.  Borneo,  Nat.  T, 
Ned.  Ind.  lip.  423,  Negende  Bijdr.  iclith.  Borneo,  Nat,  T.  Ned. 
Ind.  IX  p.  426.  —  Schlegeïs  Rohita.  Atl.  Cypr.  Tab.  XV  fig.  3. 

Rohit.  (Uoh.)  corpore  oblongo  compresso,  altitudine 4  ad  3'  2  in  ejus  longitudine,  latitudine  2  ad  2'  ; 
•us  altitudine:  capito  acuto,  ore  cïauso  antice  inferne  mediocriter  oblique  truncato,    1-' .,  ad  6 fera 
iu  longitudine corporis  cum,  3' .  2  ad  4'  3  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine   1;  ; 
ad  1  et  paulo,  latitudine  l3  ;  ad  l2  5  in  ejus  longitudine;  oculi?  posteris,  diametro  2-  3  ad  .'!'■  ;  in  lon- 
line  capitis,  diametro  1  ad  1'  5  in  capitis  parte  postocularï,  diametro  1  ad  2  et  paulo  distantibus , 
membrana  rali  iridis  marginera  externum  tantum  tegente,  apertura  subcirculari ;  linea  rostro- 

ili  fronte  et  vertice  junioribus  concaviuscula ,  aetate  provectis  rectiuscula,  nucha  et  dorso  valde 
convexa;  linea  interoculari  convexa;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus 
patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  brevitubulatis ;  poris  parvis  utroque  latere  nares  inter  et 
angulum  operculi  superiorem  longitudiualiter  uniseriatis  parum  conspicuis  ;  rostro  carnoso,  plano, 
1,  vix  ante  os  prominente,  juvenilibus  oculo  breviore,  aetate  provectis  oculo  non  breviore, 
ubique  lacvi,  poris  majorions  vel  minoribus  conspicuis  nullis;  osse  suborbital!  anteriore  oblongo  ir- 
regulariter  tetragono  angulis  vulgo  rotundato ,  minus  duplo  longiore  quam  nlto;ossibus  suborbitalibus 
ceteris  humilibus  oculi  diametro  multoties  gracilioribus  ;  poris  suborbitalibus  conspicuis  nullis  ;  cirris 
carnosis,  supramaxillaribus  rostralibus  multo  longioribus  oculi  diametro  sat  nuilto  brevioribus;  ma- 
xilla superiors  acie  cartilagiuea  formam  ferri  equini  subreferente ,  symphysi  non  emarginata,  deorsum 
valde  protractili;  labio  superiore  valde  carnoso.  ante  maxillam  pendulo,  margine  libero  papillis  co- 
nicis  acutis  brevibus  numerosis  pluriseriatis;  maxilla  iuferiore  plana  subcochleariformi  ;  labio  inferiore 
Ie  carnoso.  reflexo,  margine  libero  papillis  conicis  acutis  brevibus  numerosis  pluriseriatis:  sulcis 

22 


170 

inferne  antice  istlimo  lato  distanlibus;  mento  propter  maxillam  iuferiorem  adscendentern  oblique  trun- 
cato;  operculo  latitudine  l-';iad  2  in  ejus  aUitudine,  margine  inferiore  reetiusculo ;  apertura  bran- 
chiali  sub  operculi  parte  anteriore  desiuente  ;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  aggregatia  2. 1.5  5.4  2, 
singulis  seriebus  posterioribus  facie  mastieatoria  oblique  truncatis,  serie  anteriore  facie  masticatoria 
irregulari  margine  elevato  bilobis  et  antice  dimidio  apicali  late  sulcatis;  osse  scapulari  obtuso  rotundato; 
linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  multo  altiore;  venu-e  ante  pinnaa  ventrales  plano,  po~t  pinnas 
ventrales  valde  obtuse  carinato;  squamis  subverticalibus ,  mediis  lateribus  quam  cetero  corpora  raajori- 
bus,  dimidio  lib  I  >  jitudinaliter  subradiatim,  dimidio  basali  longitudinaliter  vix  ad  non  striatis,  01  ad 
36  in  linea  laterali,  15l/2(l6)  in  serie  transversal!  quarura  6'/2  (7)  supra  lineam  lateralem ,  11  vel  12  in 
serie  longitudinali  occiput  intérêt  pin  nam  dorsalem,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  triseriatis, 
serie  media  lis  seriebus  lateralibus  non  majoribus;  linea  laterali  rectiuscula  antice  tantum  dcclivi, 
basi  ventrali um  non  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squamis  tubulo  simplice 
mediara  squamara  attingente  vel  non  attingente  notata;  pinna  dors..ii  ante  pinnas  ventrales  inci- 
piente  et  paulo  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  emarginata,  non  multo  ad 
non  longiore  quam  alta,  longitudine  1:  tad  -let  paulo  in  longitudine  corporis,  altitudine  1  '.  c  ad  l2  5 
in  altitudine  corporis  ;  pinnis  peoloralibus  acutis  vel  acutiusculis  ventrales  non  vel  vix  attiugentibus 
f>  ad  C'  »,  ventralibus  acutis  analem  non  vel  vix  attingentibus  53  :  ad  5  3  in  longitudine  corporis; 
anali  basi  vagina  squamosa  humillima  inclusa,  acuta ,  parura  ad  non  emarginata,  dorsali  non  ad  sat 
multo  humiliore  sed  plus  duplo  ad  triplo  breviore,  radio  simplice  tertio  gracili  cartilagineo;  caudali 
basi  squamosa,  profunde  incisa,  lobis  acutis  .".  s  ad  plus  quam  4  in  longitudine  corporis,  lobo  superiore 
inferiore  paulo  longiore;  colore  corpore  superneaureo-viridi  vel  olivaceo,  inferne  argenteo;  iride  ilav.i 
vel  rosea;  squamis  dorso  lateribusque  singulis  basi  vitta  transversa  violascente;  pinnis  roseis  vel  ru- 
bris  plus  minusvc  fusco  arenatis,  dorsali  antice  frequenter  macula  maxima  diffusa  nigricante-violacea, 

B.  ::.  J).  4  13  ad  4  15.  1'.  1  14  ad  1  1G.   V.  2  b.  A.  3  5  vel  3  6.  C.  6  17  C  vel  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Aralim  vel  Aral! m  Palenib. 

llab.  Sumatra  (Meninju,  Palembang,  Laliat),  in  fluviis  et  lacubus. 
Borneo  (Bandjermasin,  Prabukarta,  Pontianak),  in  fluviis. 

Longitudo  12  speciminum  71'"  ad  25s    . 

Aanm.  Na  verwant  aan  Roliita  Ilasseltii  Val.,  onderscheidt  onderwerpelijke  soort 
zich  echter  daarvan  standvastig,  door  een  paar  schubreijen  méér  op  cene  dwarsche 
rei  in  liet  algemeen,  en  door  één  overlangsche  schub  rei  méér  boven  de  zijlijn  Zij 
is  bovendien  herkenbaar  aan  lager  staande  oogen,  spitser  profiel,  hoogere  en  kortere 
rugvin,  enz.  i)c  geheel  achter  en  niet  (zooals  bij  Rohita  Hasselt ii)  hooger  dan  de 
bekopening  geplaatste  oogen  geven  aan  den  kop  cene  eigene  physiognomic,  welke 
de  soort  bij  den  eersten  oogopslag  van  Rohita  Hasseltii  laat  onderkennen.  Zij  heeft, 
even  als  Rohita  Waandersi  en  Rohita  Kappenii,  7  (61)  overlangsche  schubreijen 
boven  de  zijlijn,  doch  zij  verschilt  van  die  beide  door  hare  achterstaande  oogen,  af- 
wezigheid van  overlangschen  ligchaamsband  of  staartvlek,  en  heeft  bovendien  den 
staart  langer  dan  Rohita  Kappenii  doch  korter  dan  Rohita  Waandersi. 

bit  het  boven  meermalen  aangehaalde  schetsboek  van  den  Graaf  De  Castelnau  ont- 
waar  ik,  dat  Rohita  Schlegeli  ook  in  Siam  leeft. 


171 

Rohita   (Rohita)  Hasselta   Val.,    Poiss.    XVI  p.  '200;  Blkr,    Zevende 
Bijdr.  ichthyol.    Borneo,    Nat.  T.    Xed.    Ind.    V  p.  450.  —  Van 

Hasselts  Rohita.  Atl.  Cypr.  Tab.  XIV. 

Rohita  (Roli.)  corpore  oblongo  compresso,  altitudine  4  ad  32/ö  in  ejus  Iongitudine,  latltudine  3  ad  2  in 
ejus  altitudine  ;  capite  acutiusculo,  ore  clauso  antice  inferne  parum  oblique  truncato ,  5  ad  7  in  Iongi- 
tudine corporis  cum,   3:!  i  ad   5  et  paulo  in  Iongitudine  corporis  absque  pinna  caiid.ili ,   altitudine  1'  4 
ad    1,  Iatitudine    l3,5ad  l'a  in    ejus    Iongitudine;  oculis  subsuperis,  diametro  3  fere  ad   4  in  longi- 
ludiue  capitis,  diametro  1  ad  l2/3  in  capitis  parte  postoculari,  diametro  l',4  ad  2-,  3  distantibus,  mem- 
brana  palpebral!  iridis  marginem  externum  tantum  tegente  apertura  subcirculari ;  linea  rostro-dorsali 
('route   et    vertice    declivi   rectiuscula  vel  convexiuscula,  nucha  et  dorso  vulde  convexa;  linea  inter- 
oculari  convexa;  naribus   orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis,   posterioribus    patulis    val- 
vula  claudendis,  anterioribus  brevitubulatis  ;  poris  parvis  utroque  latere  naresinter  et  angtilum  oper- 
culi  superiorem  longitudinaliter  uniseriatis  eonspicuis;  rostro    carnoso,  plano,  convexo,  vix  ante  os 
prominente,  juvenilibus  oculo  breviore,  aetate  provectis  oculo  longiore,     ubique  laevi,   poris    majo- 
ribus  vel  minoribus  eonspicuis  nullis  ;  osse  suborbitali  anteriore  oblongo  irregulariter  tetragono ,  minus 
duplo  longiore  quam  alto;  ossibus  suborbitalibus  ceteris  humilibus  oculi  diametro  multoties  ad  triplo 
gracilioribus ;    poris   suborbitalibus   eonspicuis    nullis;    cirris  carnosis,    supramaxillaribus  rostralibus 
niulto  longioribus  oculo  non  ad  paulo  longioribus;  maxilla  superiore  acie  cartilaginea   formam    ferri 
equiui  subreferente,  symphysi  non  emarginata,  deorsum  valde  protractili  ;  labio  superi     3  valde  car- 
noso, ante  maxillam  pendulo,  margine  libero  papillis  conicis  acutis  brevibus  numerosis  pluriseriatis; 
maxilla  inferiore  plana  subcochleariformi ;  labio  inferiore  valde  carnoso,  reflexo ,  margine  libero  pa- 
pillis conicis  acutis  brevibus    numerosis   pluriseriatis,  sulcis  interne  antice    isthrao    lato  distantibus; 
mento    propter   maxillam  inferiorem  adscendentem  oblique  truncato  ;  operculo  Iatitudine  1  ', 3  tid  2  in 
ejus  altitudiue,  margine  inferiore  rectiusculo  vel    convexiusculo  ;    apertura    branchiali   sub    operculi 
parte  anteriore   desinente;    dsntibu3  pharyngealibus  masticatoriis    aggregatis  2.4.4/5.4.2 ,   singulis  fa- 
cie masticatoria  oblique  truncatis,   iis  serie  anteriore  margine  eh-vato  lobatis  et    antice  dimidio  api- 
cali  lato  sulcatis;  03se  scapulari  trigono  obtusiuseule  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali 
convexa  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  rotundato  vel  obtusissime 
carinato;    squamis  subvertiealibus,  mediis  Iateribus  quam  cetero    corpore  majoribus,  dimidio  libei  1 
et  dimidio  basali  longitudinaliter  subradiatim   striatis,  31  ad  37  in   linea  laterali,  13', 2  (14)  in  serie 
transversali  absque  ventralibus  int'imis  quarum  5', 2  (G)  supra  lineam  lateralem,  11    vel  12  in  serie 
longitudinal!  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  triseriatis  postror- 
sum  magnitudine  sensim  accrescentibus  ';erie  media  Ü3  seriebus  lateralibus  vix  majoribus;  linea  late- 
rali rectiuscala,  antice  tantum  declivi,  basi    /entralium  non  raulto  magis  quam  lineae  dorsali  approxi- 
mata,  singulis  squamis  tubulo  simpliee  mediam  squamam  attingente  vel  non  atl  ngente  notata;  pin- 
na   dorsali   ante    pinnas  ventrales  incipiente  et  paulo  ante  vel  supra  initium  pinnae  analis  desinente, 
basi  alepidota ,  acuta,  emarginata,  non  multo  ad  plus  duplo  longiore  quam  alta,  Iongitudine 43 '5  ad 
Sl,i  in   Iongitudine  corporis,  altitudiue  l'.^ad  2  in  altitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  et  ventra- 
libin  acutis  ad  obtusiusculc  rotundatis  subaequilongis  53/4  ad    7    in    Iongitudine   corporis,  pectorali- 
bus ventrales  non,  ventralibus  analem  non  attingentibus;  anali  basi  vagina  squamosa  humillima  in- 
clusa.  acuta,  convexiuscula  ad  vix  emarginata,   dorsali  paulo  vel  non  humiliore  sed  raulto  plus  du- 
plo  ad    quadruplo    fere   breviore,    radio  simpliee  tertio  gracili  cartihtgineo ,   caudali  basi  squamosa, 
profunde  incisa   lobis    acutis   superiore  inferiore  vulgo  longiore  3-3  ad  4-3  in  Iongitudine  corporis; 
colore  corpore  superne  dilute  viridi,  olivaeeo  vel  nigricante-vindi,  inferne  dilute  viridi  vel  argenteo- 


172 

o;  iride    flavescente  vol    dilute    rosea;  macula   suprascapular]    vulgo    violaceo-viridi    vel 

ribus  antic  [uamis  guttula  vel  macula  semilunar!  aurea  vel  rubra  vel  nitente- 

viridi,  i  semper,  aetate  provectis  rarius  vittis  pluribus  longitudinalibus  fusces- 

i  vulgo  i  •  (singulis  squamis  unica  ;  cauda  junioribus  macula  magna  nigri- 

in    linea  laterali  busi    pinnae  caudalis  approximata;  pinnis    viridesci  linis   vel    i 

vel  violaceo-nigris. 

B.  .:.  1).    Ill  ad  4  IS.  P.  1  13  ad  1  15.  V.  2  5.  A.  ,",  C.  C  17  G  vel  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Ko'iUa  de  Hasselt  Val,  Pois^.  XVI  p.  . 

llohita  leiorh.  B  kr,  Verh.   Bat.  Gen.  XXIII  Ichth.  M.  0.  Java  p.   19. 

Itohila  Aiiedii  Blkr,  Vijfde  Bijdr.  ichth.  Borneo,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  I  p.    !;',!. 

:i  Mai  Batav.,   I.  .         ,  Sundan. 

Palon  Lampong. ,  !       kul. 

Batavia,  Perdana,  Krawang,  Tjikao,  Tjampea,  Kuningan,  Lelies,  Ngawi,  Surabaja, 
'inpol),  in  l'.u\  ii  . 
Sumatra  (Telokbetong,  Pangabuang,  Palembang,  Padan  :  iju),  in  fluviis et  lacubus. 

1!  rneo    .  in,  Bandjerma  in,         itianak,  Bankajang,  Sambas),  in  fluvii 

kudo  78  speciminura  CO'"  ad  3: 

Aanm.  De  talrijke  voorwerpen  dezer  soort,  in  mijn  bezit,  bieden  vrij  aanmerke- 
lijke verschillen  aan  ten  opzigte  van  de  betrekkelijke  hoogte  des  ligchaams,  der  hoogte 
en  lengte  van  de  vinnon  (vooral  der  rugvin),  en  der  kleuren  van  ligchaam  en  vinnen. 
Bij  vele  voorwerpen  zijn  de  vlekken  op  het  voorste  gedeelte  der  zijden  schitterend 
rood,  bij  vele  andere  glinsterend  groen,  doch  zoowel  de  roodc  als  de  groene 
vlekken  verdwijnen    spoedig  bij  bewaring  in   wijn, -eest. 

De  soort  is  te  Batavia  zeer  algemeen.  Zij  behoort,  even  als  Systomus  (Barbodes) 
bramoides  Blkr,  Systomus  (Barbodes)  rubripinnis  Blkr,  Rasbora  argyrotaenia  Blkr 
en  Hampala  maci  ta  V.  llass.,  tot  de  dagelijks  met  schepnetten  in  de  Tjiliwong 

gevangen  wordende  Bataviasche  Cyprinoïden.  Geen  der  Cyprinoïden  te  Batavia  wordt 
echter,  wegens  den  overvloed  aan  meer  smakelijken  zeevisch ,  door  de  Europeanen 
ten  en  de  vangst  heeft  ook  meestal  slechts  plaats  door  inlanders  voor  eigen  ge- 
bruik. Enkele  keeren  worden  ook  grootere  massen  dezer  soort  te  Batavia  ter  markt 
gebragt,  door  visschers  uit  het  Krawangsche ,  waar  nu  en  dan  groote  scholen  in  de 
mondingen  der  rivier  Tj  i        wingen. 

lj'iie  vergelijking  van  de  voorwerpen,  welke  ik  vroeger  onder  de  namen  van 
Rohita  leiorhynchos  en  Rohita  Artcdii  beschreef,  met  talrijke  van  dezelfde  grootte 
van  Rohita  Hasseltii ,  heeft  mij  de  overtuiging  gegeven  ,  dat  aan  de  verschillen  ,  vroeger 
door  mij  aangegeven,  gcenc  soortelijke  waarde  te  hechten  is,  zoo  lat  die  beide 
soorten,  als  slechts  nominale,  uit  de  registers  behooren    weg  te  vallen. 

ita  Hasseltii  Val  is  gemakkelijk  bij  den  eersten  oogopslag  herkenbaar,  wan- 
neer zij  nog  in  het  bezit  is  harer  natuurlijke  kleuren,  doch  ook  zonder  deze  is  zij 
te  herkennen  aan  haren  gladden  snuit,  34  tot  o7  schubben  in  de  zijlijn,  G  (5£) 
overlangsche   schubreijen   boven   de  zijlijn,  onreglmatig   vierkant   voorste  onderoog- 


173 

kuilsbeen,    goed   ontwikkelde    voeldraden,    1-1  tot  18    verdeelde    rugvin stralen    (D. 
4/14  ad  4  IS)  en  bovenstaande  oogen. 

Bohita  (Rohita)  microcephalusVal.,  Poiss.  XVI  p.  210?  —  Kleinkoppige 
Rohita.  Atl.  Cypr.  Tab.  XI  %   1. 

Rohit.  (R)li  )  corpora  oblongo  compresso,  altitudine  -1'  '2  ad  4  et  paulo  in  ejus  longitudine,  Iatitudine  2 
circiter  in  ejus  altitudine;  capite  obtusiusculo  convexo,  ore  clauso  inferne  non  vel  vix  oblique  truncato, 
1  G  fere  in  longitudine  corporis  cum,  4'  3  ad  -1'  _>  in  longitudine  corporis  absque  pinna  eaudali; 
altitudine  capitis  l'/s  ad  1  /g,  Iatitudine  lVa  circiter  in  ejus  longitudine  ;  ocul is  superis,  diame  tro  'Ô  et  paulo 
ad  3*4  circiter  in  longitudine  capitis,  diametro  1  in  capitis  parte  postoculari,  diametro  1'  3  ad  1-  ;:  cir- 
citer distantibus,  membrana  palpebrali  iridis  marginem  externum  tantum  tegente,  apertura  subcirculari  ; 
linea  rostro-dorsali  toto  capite,  nucha  dorsoque  convexa;  linea  interoculari  convexa  ;  naribus  orbitae 
multo  magis  quam  rostri  apici  approximatîs ,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribus 
brevi-tubulatis  ;  poris  nares  inter  et  angulurn  operculi  superiorem  parvis  Iongitudinaliter  uniseriatis 
conspicuisi  ros  tro  caruoso,  valde  convexo,  obtuso,  paulo  ante  os  prominente,  oculo  longiorc,  ubique  Iaevi 
poris  majoribus  vel  minoribus  conspicuis  nullis;  osse  suborbital!  anteriore  subsemilunari  convexitate 
deorsum  spectante,  non  multo  longiore  quam  alta;  ossibus  suborbitalibus  ceteris  humilibus,  oculi 
diametro  triplo  ad  quadruple  gracilioribus;  poris  suborbitalibus  conspicuis  nullis;  cirris  carnosis 
supramaxillaribus  rostralibus  niulto  longioribus  oculi  diametro  vix  brevioribus;  maxilla  superiore 
acte  cartilaginea  formam  terri  equinî  subreferente ,  symphysi  leviter  emarginata,  deorsum  valde  protrac- 
tili;  labio  superiore  valde  carnoso,  aute  maxillam  pendulo,  margine  interno  trans versim  sulcoso,  mar- 
gine  libero  papillis  conicis  brevibus  obtusis  pluriseriatis  ;  maxilla  inferiore  plana,  subcochleariformi,  mar- 
gine anteriore  truncatiuscula  ;  labio  inferiore  valde  carnoso,  reflexo,  margine  interno  obîque  transversim 
sulcoso,  margine  libero  papili'is  conicis  acutis  plui  ,  sulcis  inferne  antîce  isthmo  lato  distantibus; 

men  to  propter  maxillam  inferiorem  vix  adscendentem  vix  oblique  truncato;  operculo  Iatitudine  2  et 
paulo  in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  sat  multo  graciliore,  margine  inferiore  concaviusculo ;  aper- 
tura branchiali  sub  praeoperculi  margine  posteriore  desinente;  dentibus  1  ealibus  masticatoriis 
a'i'i'ratis  2.4.5/5.4.2,  singulis  facie  masticatoria  oblique  truncatis  vel  obliqua  convexis,  marginibus 
elevatis  serie  anteriore  praesertim  inaequaliter  bilobis,  iis  serie  anteriore  antice  dimidio  apicali  sulco 
longititudinali  lato  percursis;  osse  scapular!  trigono  acute  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ven  - 
ti'ali  convexa altiore ;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  rotundato  non  carinato; 
squamis  subverticalibus ,  mediis  lateribus  iis  cctero  corpore  majoribus ,  dimidio  libero  et  dimidio  basali 
itudinaliter  subradiatim  striatis,  111  in  linea  laterali,  13'/2  (14)  in  serie  transversal!  quarum  ö'/g  (6) 
supra  lineam  lateralem,  10  vel  11  in  serie  Iongitudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibus 
iufimis  Iongitudinaliter  triseriatis  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  non  majoribus;  linea  laterali 
rectiuscula  antice  tantum  declivi,  basi  ventralium  minus  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis 
squamis  tubulo  simplice  mediam  squamam  non  vel  vix  attingente  notata;  pinna  dorsali  ante  pinnas 
ventrales  incipiente  et  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  emarginata.  paulo  tan- 
tum longiore  quam  alta,  longitudine  4 '/2  circiter  in  longitudine  corporis,  altitudine  l'/s  circiter  in 
r.ltitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  acutiuscule  rotundatis  6  ad  C-j  circiter  in  longitudine  cor- 
poris, ventrales  non  attingentibus ;  ventralibus  acutusiuscule  vel  obtusiuscule  rotundatis  G' /2  ad  7  fere 
in  longitudine  corporis,  analem  non  attingentibus;  anali  basi  vagina  squamosa  liumillima  inclusa, 
acuta,  non  vel  vix  emarginata,  dorsali  non  multo  liumiliore  scd  triplo  circiter  breviore,  radio  sim- 
plice tertio   gracili  cartilagineo  ;  caudali  basi  squamosa,  profunde    iucisa,  lobis  acutis,  superiore  in.- 


174 

feriore  vix  lo:ijio:'e  4'  i  ad    :  er  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  Superiw  vividi,  inferne 

nteo;  iride  aurea  vel  flava;  fascia  oculo-caudali  nigricante-violacea  postice  quum  antice  latiore 
et  uiagia  conspicua,  ba=i  pinnae  caudalis  desinente  ;  pinnis  roseis,  dorsali  singulis  radiis  basi  macula 
parva  fuscescente. 

B.  3.  1)    1  12  vel   1  13.  P.   1  14.  V.  2  8.  A.  3  5  vel  3  6.  C.  C  17  G  vel  7  17  7  lat.  brev.  incl. 
..  Jiohita  Waandersü  lilkr,  Enum.  spec.  pisc.  Javan.  Nat.  T.  Ned.  Ind.  XVI  p.  427  (nee  Nat 
T.  Ned.  Ind.  lil  p.  73 
Ilab.  Java   iTjikao),    in    Oilviis. 

Sumatra  (Labat),  in  fluviis. 
I   mgitudo  4  speciminum  84"  ad  140'". 

Aanni.  Het  komt  mij  waarschijnlijk  voor,  dat  onderwerpelijke  soort  dezelfde  is  als 
die,  in  de  groote  Histoire  naturelle  des  Poissons  onder  den  naam  van  Rohita  mi- 
crocephalus   naar  de  gedrooge  voorwerpen  beschreven. 

De  stompe  gladde  snuit,  het  kleine  operkel,  de  hooge  korte  rugvin  en  de  formule 
schubben  komen  vrij  wel  overeen  met  hetgeen  desbetrekkelij k  van  Rohita  tni- 
crocephalus  gezegd  is,  terwijl  de  verschillen,  welke  de  aangehaalde  beschrijving  met 
mijn  voorwerp  aanbiedt,  tot  gee-ne  hoogere  dan  individuele  waarde  kunnen  wor- 
den gebragt  of  op  rekening  gest<  van  liet  minder  goed  bewaard  zijn  der  gedroogde 
voorwerpen,  door  den  heer  Valenciennes  waargenomen.  De  beschrijving  van  den 
heer  Valenciennes  luidt  overigens  als  volgt. 

Ttoldta  microcephalus ,  Rohite  à  petite  tète  Val.,  Poiss.  XVI  p.  210. 

h  Je  crois  devoir  placer  encore  à  la  suite  du  procèdent  (Rohita  Hasseltii  Val.) 
//ce  poisson ,  qui  lui  ressemble  par  la  forme;  mais  dont  la  tête  est  plus  petite,  la 
//dorsale  plus  haute  et  en  faux  et  qui  est  aussi  plus  courte.  La  hauteur  du  corps 
//est  le  quart  de  la  longueur.  La  tête  est  une  fois  et  deux  tiers  la  hauteur;  le 
//front  est  court,  large  et  arrondi;  le  museau  paraît  obtus,  mais  sans  pores  gros 
//et  saillans;  il  paraît  plutôt  lisse.  La  lèvre  supérieure  avance  sur  l'inférieure,  qui 
//est  droite,  mince  et  coupée  en  biseau.  Il  y  a  quatre  barbillons  courts  à  la  lèvre 
//supérieure,  dont  deux  à  la  commissure.  L' oeil  est  moyen  ;  la  pièce  antérieure  du 
u  sousorbitaire  est  triangulai  et  couvre  tout  le  bout  du  museau.  Le  préopercule  est 
//  la .  ;e;  n  descend  jusqu'au  bas  de  la  joue;  l'opercule  est  petit.  La  dorsale  est 
/'  au  tiers  de  la  longueur  totale,  elle  est  en  faux.  Le  premier  rayon  est  plus  grand  que 
"la  longueur  de  la  nageoire,  et  trois  fois  aussi  long  que  le  dernier  rayon.  L'os 
de  l'épaule  est  petit  et  triangulaire;  la  pectorale  est  moyenne  et  pointue.  Les 
/'ventrales  sont  grandes  et  pointues.  L'anale  est  haute  et  un  peu  en  faux  La 
/  caudale  est  fourchue,  le  lobe  supérieur  plus  grand  que  l'inférieur.  D.  13.  A.  7.  C.  19. 
/•  P.  13.  V.  9  — Les  écailles  sont  moyennes,  lisses:  on  en  trouve  trente-trois  dans 
..  longueur  et  dix  dans   la  hauteur.    La   ligne  laterale  va  droit  par   le  milieu  du 


I  iO 

ft  corps.  La  couleur  parait  avoir  été  vert-olive,  avec  des  taches  brunes  à  la  base 
//  de  chaque  écaille.  Les  nageoires  sont  blanchâtres  sans  aucune  tache."  Hab.  Bantam  , 
i/in  fluviis.  —  Longit.  specimin.   descript.  7  pollic.  paris." 

Ik  teeken  hier  nog  aan,  dat  dé  groote  enkele  rugvinstraal  en  buikvinstraal  bij 
ni  ij  n  voorwerp  ,  dooreene  verkromining  ,  de  blijken  draagt  van  eene  belemmerde  ont- 
wikkeling.  zoodat  zij  niet  de  normale  hoogte  der  rugvin  en  ook  niet  de  normale  lengte 
der  buikvinnen  uitdrukken,  en  de  soort  in  den  normalen  toestand  ten  deze  meer 
aan  de  beschrijving  van  den  heer  Valenciennes  zal   beantwoorden. 

Ik  hield  mijn  voorwerp  vroeger,  na  een  oppervlakkig  onderzoek,  voor  een  onvol- 
wassen voorwerp  van  Rohita  YVaandersi  Blkr  en  vermeldde  het  ook  foutievelijk  onder 
dezen  naam  in  mijne  Enumeratio  specieruna  piscum  Javanensiuin ,  opgenomen  in 
het  los  deel  van  het  Natuurkundig  Tijdschrift  voor  Nederlandsch  Indic. —  Rohita 
Waandersi  e > en  wel  is  bepaald  eene  verschillende  soort,  met  minder  hoog  en  minder 
achterwaarts  aan  den  kop  geplaatste  oogen,  minder  bollen  snuit,  breeder  operkel, 
scherper  geteekenden  en  zich  tot  aan  den  achterrand  der  staartvin  uittrekkenden 
donkeren  ligchaamsband,  andere  bijzonderheden  in  den  bouw  der  keelgatbeenstanden , 
een  of  twee  schubben  méér  in  de  zijlijn,  één  overlangsche  schubrei  meer  boven  de 
zijlijn  ,  enz. 

Rohita  brachynotopterus  is  evenzeer  na  aan  ondcrwerpelijke  soort  verwant,  doch 
er  nog  gemakkelijk  van  onderkenbaar  door  haren  veel  minder  bollen  snuit  en  lager 
staande  oogen,  één  rei  schubben  minder  beneden  de  zijlijn,  twee  stralen  minder 
in  de  rugvin ,  enz, 

Rohita  (Rohita)  brachynotopterus  Blkr,  Nalez.  op  de  vischfauna  van 
Sumatra,  Nut.  T.  Ned.  Ind.  IX  p.  266. — Kortoinnige  Rohita.  Atl. 
Cypr.   Tab.   VIII  fig.  G. 

» 

Roliit.  (Roh.)  corpore  oblongo  compresso,  altitudine  i3  5  circiter  in  ejus  longitudine,  Iatitudine  2  circiter 
in  ejus  altitudine;  capite  acutiusculo  convexiusculo,  ore  clauso  antice  inferne  leviter  oblique  truncato, 
0/2  circiter  in  longïtudine  corporis  cum,  4  et  paulo  iu  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali, 
altitudine  U/3  circiter,  Iatitudine  l- 3  circiter  in  ejus  longitudine;  oculiâ  subsuperis,  diametro  3  cir- 
citer in  longitudine  capitis,  diametro  1  circiter  in  capitis  parte  postoculai'i ,  diametro  lVa  circiter 
distantibus,  membrana  palpebral»  iridis  marginem  externum  tantum  tegentc,  apertura  subcirculari; 
linea  rostro-dorsali  capite  eonvexiuscula ,  nucha  et  dorso  convexaJ  linea  in  teroculari  convexa;  naribua 
orbitae  magis  quam  rostri  apici  approxiroatis,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribus 
brevitubulatis  ;  poris  nares  inter  et  angulum  operculi  superiorem  conspicuia  nullis  ;  rostro  carnoso, 
convexo,  vix  ante  os  prominente,  oculo  non  breviore,  ubique  Iaevi,  pcris  majoribus  vel  minoribus 
conspieuis  nullis;  osse  suborbitali  anteriore  subsemilunari,  convexitate  deorsum  spectante;  ossibus 
suborbitalibus  ceteris  humilibus,  oculi  diametro  triplo  vel  plus  triplo  gracilioribus  ;  poris  suborbi- 
talibus  conspicuis  nullis;  cirris  carnosis,  rostralibus  oculo  multobrevioribus,  supramaxillaiübus  oculo 
paulo  longioribus;  maxilla  superiore  acie  cartilaginea  formam  ferri  equini  referente,  symphy si  leviter 


176 

eraarginn  urn  valdo  protractili;  labio  superiore  valdecarnoso,  ante  maxjllam  pendulo,  margine 

rersim  si  trgiue  lil>  t  •  papillis  brevibus  conicis  pluri  is;  maxilla   inferiore 

I  riformi;   labio  inferiore  vald     <  Icxo ,    mai  papillis    l>re\  i 

i    distantibus;    mento    propt  lam   infe- 

identem  oblique  truncato,  eonoaviusculo  ;  operculo  latitud  r  in  ejus  altitudine, 

i  diametro  •  ro ,  margiue  inferiore  concaviusculo  ;  apertara  brancbiali  sub  praeoperculî 

us  pbaryngealibus   niasticab  regatis  2.4.5  5.4.2,    singulis 

facie  mastical  cili  marginibus  clevatis   irregularibus,  iis  serie  antei  i  apical!  e 

valde  i  |  Lun- 

vexa  ruulto  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano, 
.is  rentra  squamis  subverticalibus ,  mediis  lateribus  quam  i 

majoribus,  dimidi  tudinalitcr  subradialim 

tli,  qnarum  .'•'  ira  lineam  lateralera ,  12  circi  ter  in  sériel 

gitudinali  occiput  inter  m  dorsalem,  ventralibus  infimis  1  inaliter triseriatis  serie nn 

ilibus  vix  majoribus;  li  li  rectiuscula,  basi  ventralium    ;  is  quam 

rsali  approximata,  quamis  tnbulo  simplice  medium  squamam  attingon te  vel  super 

rsali  ante  pinnas  ventral  iru  aaalera  desinente,  basi  al 

intn,  emarginata,  paulo  tantum    i  quam    alta,  longitudino  4'.'3  circiter  in  Iongitudine 

,  altitudino  1  et  paulo  in  altitudiue  corporis;  ptnnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis,  loi 

i    rp  iris,  pectoi  ilibu    i  < 

lem  non  at  tir.  auali  basi  vagina  i  bumillima  inclusa ,  acuta,  non  vel  vix  eraar- 

dorsali  paulo  humil  rioro,  radio  simplice  tertio  gracili  cartilagii 

squamosa,    pi  .  superiore   inferiore  lo  circiter   in 

superne  viridi,  interner.  iride  fla  va  vel  rosea  ;  fascia  i 

violacea;  pinnis  pul  vel  rubris,  dorsali  et  anali  membrana 

arenatis,  dorsali  basi  ante  iculo  parva  rotunda 

B.  3.  D.   !  10  vel  1  U.  P.  1  11.  V.  2  8.  A.  ."•  5  vel  3  6.  C.  ."  17  7  lat.  brev.  incl. 
umatra  (1  iis. 

. 

im.  Onderwe           b    Rohita   is  kenbaar  aan  haar  ..  aantal  rugvinstralen , 

n   snuit  .   slank  :           in  ,  form  i  schubreijen  en  bijzonderheden    in  de 

en. 

Wat  havo    I                                    s  verwant  aan  Rohita   chagunio  Val.,  welke 

.  mis  don  hoor  Valenciem  hts  12  rugvinstralen              9  of  4  10)  zou 

(vendien  .  i                              tiklijn  na 

.  en  bandvormig  gereide  zwarte  !  terwijl  er  de  oogstaartband 

he   soorten    staat    Rohita    brachynotopterus 
ben    Rohita    Waaudersi  Blkr   en    Rohita    microcephalus  Val., 
:   minder   dan   die  1' 

en ,  en  an  de  nderheden  in  het  tandenstelsel, 

k  nog  door  andere  keni 


177 

lei  mijne  jeugdige  voorwerpen  van  Rohita  vittata  Val.  zijn  er,  I >i j  welke  de 
bij  die  soort  gewone  drie  groote  snuitporiën  ontbreken  en  de  rugvin  hetzelfde  aan- 
tal stralen  heeft  als  Rohita  bracbynotopterus.  Beide  soorten  laten  zich  echter  dan 
nog  van  elkander  onderscheiden,  doordien  bij  Rohita  vittata  kop  en  ligchaam  aan- 
merkelijk hooger  zijn  en  cene  overlangsche  schubrei  nicer  aanwezig  is,  welke  rei 
zich  echter  niet  boven  maar  onder  de  zijlijn  bevindt. 

)da  (Rohità)  Kuhli  Blkr.—  KuhVs  Rohita.  All.  Cypr.  Tab.  XII  Hg.  3. 

|c  rpore  oblongo  c  irapi   s    >,  altitudin  i  :  ejus  I  ingitudini  ,  la 

is  altitudine;  capito  acutiusculo,  orocla  i,6cir- 

citer  in  lo  circiter  in   Ion  Ui,  altitu- 

vix  plus  quam   1,  latitudine   I75  circiter  in  ejus  longitu  '  let  pau 

li  i.i  [ongitudine  capitis,  diametro  t  et  paulo  in  capitis   parte  postoculari,    diam  rdi 

stantibus ,  raembrana  palpebrali  iridis  marginem  tantum    tegente, 

ro  tro-dorsali  fronto  et  vertice  declivi  rectiu  cula,  nucha  et  d 
oculnii  co  t;  naribus  orbitae  magis  quam   1  val- 

vula  <:'  bus  bi  ivi-tubulatis;  poris  parvis    utroque  lu!  |    angulum 

1     1  )  ,    V  i  X 

1  lente,    oculo    non    brevioro,  ubique    '•       •  aajoribus  < 

ib      iil  >:      11     1  iore  obloi  1  .,  alto , 

angiitis  plus  minusve  rotundato;  ossibus  suborbitalibu 
quadruplo   grai  bitalibus    1  nullis    cirris   cai 

rosti  multo  1         1  oculo  vix  longioribus ;  maxilla  s 

equini  subreferente,  symphysi  leviter  cmarginata ,  deoi    1  ictili ;  labio 

noso,  ante  maxillam  pendulo,  margine  ( 

I 

libero  i'iij''  numerosis    pluri  ;    Jat. 

distantibus;  mento   propter  maxillam  inferi        1    ad  itudine 

2  circitcrin  ejus  altitudine,  margine  inferiors  rectiusculo; 

gine  posteriore  desinente;    dentibus  pharyng  :  facie 

dique  truncata  vel  oblique  convexa,  ma  raeser- 

tim  i  iter  uni-  ad  bilo         iis  série  ai  i   [ 

iuscule  rotundato;  linea  dorsal!  convexa  linea  ventrali  co  ven- 

tre ante  pinna  i  piano,  post  pinnas  ventral 

mediis  lateribus  quam  cetero  corpore  conspicue  majoribu 
dinalil  bi  idiatim  striatis,  3."  in  linea  latcrali ,  ll'/j(12)in 

linea;  m,   LO   vel  11    in  soie   longitudinali    occiput    inter  et  pinna 

infimi-:  loDgitudinaliter  triseriatis,  serie  media  iis  seriebus   lateralibus  non  majoribus; 
rectiu3cula,  antice  tantum  declivi,  ba  i  ventralium  non  multo  magis  quam  lii 

quamis  tubulo  simplice  mediaru  sq    1  vel  vix  attingente  notata  ili  aDte 

pinnas    vc  i       piente    et    vis  ante  vel  su 

acuta,  cmarginata,  multo   longiore  quam  alia,  Iongitudim    '  in  Iongitud  tudine 

circiter  in  1  corporis;  pinnis  pectoralibu«  »us  acutis  vel  acutiuscule roti 

23 


173 

tis  subaequilongis ,  G  et  paulo  circiter  in  longituiline  corporis,  pectoral! bus  ventrales  non,  ventra- 
libu*  analem  non  attingentibus  ;  anali  basi  vagina  squamosa  humilliraa  inclusa,  acuta,  non  vel  vix 
i  narginata,  dorsal!  non  multo  hurailiore  sed  triplo  circiter  breviore,  radio  simplice  tertio  gracili 
cartilagineo  ;  caudali  basi  squamosa,  profunda  incisa,  lubis  acutis,  Huperiore  ini'eriore  longiore3l5 
circiter  in  longitudine  corporis;  colore  corpora  superne  olivaceo,  inferne  argenteo;  iride  flavescente 
vel  rossa;  sqaatnis  dorso  lateribusque  singulis  basi  olivaceo-violascentibus  ;  cauda  vît t is  longitudi- 
nalibus  nullissed  macula  magna  nigra  diffusa  rotundiuscula  in  linea  lateral!  basi  pinnae  caudalis  ap- 
uata;  pinnis  roseis ,  f'usco  plus  minusve   arenatis. 

]i.  ;;.   1).   1  1 1  vel   1  15.  1'.  1  1 1.  V.  2  S.  A.  3  5  vel  3  G.  C.  G/17  G  vel  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Hab.  Sumatra  (Palembang),  in  iluviis. 

Longitudo  speciminis  unici  160  ". 

Aanra,  Ik  draag  deze  soort  op  aan  de  nagedachtenis  van  II.  Kuhl,  wien  slechts 
tijd  van  leven  heeft  ontbroken  om  onder  de  eerste  zoölogen  van  den  tegenwoor- 
dige!] tijd  plaats  te  nemen.  De  soort  is  na  verwant  aan  Kohita  Hasseltii,  wat  mij 
op  het  denkbeeld  bragt,  haar  naar  Kuhl  te  noemen,  als  een'  naam,  welke  zich 
zelden  zonder  dien  van  Van  Hasselt  Iaat  uitspreken.  Deze  groote  verwantschap 
heeft  mij  vroeger  hare  kenmerken  doen  over  het  hoofd  zien,  zoodat  ik  haar  langen 
tijd    bij    mijne   voorwerpen   van    Koliita  Hasseltii  heb   bewaard. 

Zij  is  echter  stellig  ecne  eigene  soort.  Haar  vergelijkende  met  voorwerpen  van 
Rohita  Hasseltii  van  gelijke  grootte,  ontwaart  men  reeds,  dat  zij  het  ligchaam  en 
den  kop  hooger  heeft  en  dat  de  rugvin  korter  doch  hooger  en  spitser  is,  doch  de 
eigenlijke  kenmerken  liggen  in  het  schubstelstel.  De  schubben  zijn  er  betrekke- 
lijk grooter  en  geplaatst  in  slechts  12  dwarsche  reijen,  van  welke  4-?,-  of  5  boven 
de  zijlijn,  terwijl  Rohita  Hasseltii  14  dwarsche  schubreijen  heeft,  van  welke  5.1,- 
of  G  boven  de  zijlijn.  Mijne  voorwerpen  van  Rohita  Hasseltii  hebben  bovendien 
in  den  regel  3G  of  37  schubben  in  de  zijlijn  en  bij  uitzondering  slechts  34,  wat 
echter   nog  cru    schub  meer  is    dan   bij    Rohita  Kuhli. 

Behalve  Rohita  Kuhli  bezit  ik  nog  cene  Rohita  met  slechts  5  (4J)  schubreijen 
boven  de  zijlijn,  t.  w.  Rohita  oligolepis  Blkr,  doch  deze  verschilt  er  overigens  in 
meerdere  opzigten  van,  door  met  zigtbare  poriën  bedekten  snuit,  slechts  2S  tot 
30  schubben    in    de  zijlijn,  één  of   twee   stralen    minder  in  de   rugvin,  enz. 

Rohita  (Rohita)  vittata  Val.,  Poiss.  XVI  p.  203;  Blkr,  Zevende  Bijdr. 

klith.  Borneo,    Nat.  T.    Ned.  Ind.  V   p.  451.  —  Gehande  Rohita. 
Atl.  Cypr.  Tab.  XII  fig.  2. 

Robit.  (Rob.)  corpore  oblongo  compresso,  altitudine  43/i  ad  4  io  ejus  longitudine,  latitudine2  ad2V* 

in  ejus  altitudine;  capite  acutiusculo  vel  obtusiusculo ,  ore  clauso  antice  inferne  partira  oblique  trun- 

3  ad  7  in  longitudine  corporis  cum .  4  ad  ü'  ■>  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudal!, 

altitudine  1'  tad   1'     ,  latitudine  l3/sad   1      in  ejus  longitudine;  oculi*  superis,  diametro  3  ad  4  in 

igitudine  capitis,    diametro  1  ad  V/3  in  capitis  parte  postoculari,   diametro  1  '  4  ad  2  distantibus, 


179 

membrana  palpebral!  iridts  marginem  externum  tantum  tegente,  apertura  subcircnlari;  linea  rostro- 
dorsali  fronte  et  vertice  declivi  convexiuscula,  nucha  et  dc/rso  convexa;  liuea  interoeulari  convexa; 
naribus  orbitae  raagis  quam  rostri  apici  approximatis ,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis ,  an- 
terioribus  subtubulatis  ;  porîs  parvis  utroque  latere  nares  intérêt  angulura  operculi  superiorem  longi- 
tudiualiter  uniseriatis  parum  conspicuis;  rostro  carnoso,  planiusculo,  valde  convexo,  paulo  ante  os 
prominente,  junioribus  ooulo  non  longiore,  aetate  provectis  oculo  multo  longiore,  apice  aetate  pro- 
vectioribus  semper,  juveuilibus  vulgo  poris  3  magnis  distantibus  in  seriem  transversam  dispositis, 
porocentrali  lateralibus  vulgo  multo  majore,  poris  circumjacentibu3  minoribus  conspicuis  nullis;  osse 
suborbitali  anteriore  irregulariter  oblongo-tetragono,  angulis  plus  minusve  rotundato,  minus  duplo 
longiore  quam  alto;  ossibus  suborbitalibus  ceteris  humilibus,  oculi  diametro  multoties  ad  minus 
triplo  gracilioribus;  poris  suborbitalibus  longitudinaliter  uniseriatis  parum  vel  non  conspicuis  ;  cirris 
carnosis,  supramaxillaribua  rostralibus  multo  Iongioribus  oculi  diametro  non  ad  paulo  longioribus  ; 
maxilla  superiore  acie  cartilaginea  formam  ferri  equini  subreferente  symphysi  leviter  emarginata, 
deorsum  valde  protractili;  labio  superiore  valde  carnoso,  ante  maxillam  pendulo,  margine  inferno 
transversim  rugoso,  margine  libero  papillis  conicis  obtusis  brevibus  pluriseriatis  ;  maxilla  inferiore 
plana,  margine  anteriore  truncata;  labio  inferiore  valde  carnoso,  reflexo,  margine  interno  oblique 
transversim  rugoso,  margine  libero  papillis  conicis  brevibus  acutis  pluriseriatis,  sulcis  interne  antice 
istbmo  lato  distantibus;  mento  propter  maxillam  inferiorem  adscendentem  parum  oblique  truncato  ; 
operculo  latitudine  maxima  2  ad  2  et  paulo,  latitudine  superne  2  ad  2'  :;  in  ejus  altitudine,  oculi 
diametro  paulo  ad  non  graciliore,  margine  inferiore  rectiusculo  vel  convexiusculo;  apertura  branchi- 
ali  sub  praeoperculi  margine  pos  ter  io  re  desinente;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  aggregatis 
2.4.5,5.4.2,  singulis  facie  masticatoria  oblique  truncatis,  marginibus  elevatis  serie  anteriore  prae- 
sertim  iuaequaliter  lobatis,  dentibus  serie  anteriore  antice  dimidio  apicali  sulco  longitudinal!  lato 
pei'cursis;  osse  scapulari  trigono  acutiuscule  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa 
altiore;  ventre  ante  piunas  ventrales  plano,  post  piunas  ventrales  rotundato  non  carinato;  squamis 
subverticalibus,  mediis  lateribua  quam  cetero  corpore  majoribus,  dimidio  libero  et  dimidio  basali 
longitudinaliter  subradiatim  striatis,  33  vel  34  in  linea  lateral!,  14  (  131/2  )  in  serie  transversal! 
quarum  G  (  5'/2  )  supra  lineam  lateralem  ,  11  vel  12  in  serie  longitudinal!  occiput  inter  et  pinnam  dor- 
salem,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  triserîatis  magnitudiue  postrorsum  sensim  accrescentibus, 
serie  media  iis  seriebus  lateralibus  non  majoribus;  linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi, 
basi  ventralium  paulo  ad  non  magis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squamis  tubulo  sim- 
plice  mediam  squamam  attingeute  vel  non  attingonte  notata;  pinna  dorsali  ante  pinnas  ventrales in- 
cipiente  et  ante  pinnam  aualem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  emarginata,  paulo  breviore  ad  pau- 
lo longiore  quam  alta,  longitudine  4-  3  ad  5;:  5  in  longitudine  corporis,  altitudine  1  et  paulo  ad  1'  1 
in  altitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis  longitudine  subaequalibus  C  fore  ad 
7  fere  in  longitudine  corporis,  pectoralibus  ventrales  non,  ventralibus  analem  non  vel  vîx  attingen- 
tibus;  anali  basi  vagina  squamosa  liumiilima  subnulla,  acuta,  paulo  emarginata,  dorsali  sat  multo 
humiliore  sed  plus  duplo  (minus  triplo)  breviore,  radio  tertio  simplice  graciti  cartilagineo;  caudal! 
basi  late  squamosa,  profundo  emarginata,  lobis  acutis,  superiore  inferiore  longiore,  33/s  ad  4' /4  in 
longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  vîridi  vel  olivaceo,  inferno  argenteo;  iride  flavescente 
vel  rosea;  faseia  cepbalo-caudali  violacea  vel  fuscescente  plus  minusve  lata  frequenter  non  vel  parum 
conspicua;  squamis  corpore  singulis  basi  macula  violascente ,  maculis  juvenilibus  interdum  vittas 
longitudinales  similantibus,  squamis  dorso  lateribusque  plurimis  singulis  insuper  vittula  transversa 
nitente-viridi  ornatis  ;  pinnis  roseo-hyalinis  vel  roseis. 
B.  3.  D.  4  10  ad  4  14.  P.  1  13  ad  1  1G.  V.  2  8.  A.  3,5  vel  3,6.  C.  C,  17  G  lat.  brer,  inclus. 


.     .  '.  , 
:.   XVI   p. 
Val.,  Poiss.  XVI  p.  L'i)|  (aetas  provecta). 
Rohite  à  queue  rouge  Val.,  Lb.  X\"I   p.  204. 
Rohita  erythrurus  Blkr,  Zevende  Bijdr.  ichth.  Borneo,  Nat.  T.  Ned.   [nd    V'   p.  452. 

.   Hat. .  Nillem   Sund 
Kas  ''.■■.  S    l  .imp. 
Ilab.  Ja  ik,  Buitenzorg,  Tjikao,  Pai"ongkalon   .  Surabaja,  Gempol),  in  fluviia 

Sumatra  (Pangabuang,  Padang,  Solok,  Meninju,  Lahal  i,  in  fluviia  et  lacubus. 

Band    i  nasin  ,    1'      aron,    1  ' ianab  >,  in  fluviis. 

Longitudo  23  ainum  105'"  ad  245"'. 

Aanni.  liet  komt  mij  thans  nicer  dan  waarschijnlijk  voor,  dat  Rohita  vittata  Val. 
en  Rohita  erythrura  Val  slechts  leeftijdsverscheidenheden  zijn  eener  zelfde  soort. 
l)c  verschillen,  in  de  aangehaalde  beschrijving  vermeld  als  soortelijke,  zijn  te  be- 
schouwen als  van  geenc  hoogere  waarde  dan  individuele  en  deels  te  brengen  op 
rekening  van  minder  goed  bewaarden  toestand  der  beschrevene  of  afgebeelde  voor- 
werpen. 

Rohita  enncaporos  Blkr  is  eene  na  verwante  soort,  welke  echter  niet  met  Rohita 
vittata  vereenigd  kan  worden  wegens  hare  9  groote  snuitporiën  zeer  smal  en  hoog 
opcrkcl,  lagcren  kop  (bij  voorwerpen  van  gelijke  grootte1,  enz.  Niet  minder  na  ver- 
want is  Rohita  triporos  Blkr,  welke  echter  te  herkennen  is  aan  eene  groote  zwarte 
vlek  voor  op  de  rugvin,  cenc  schubrei  minder  onder  de   zijlijn,    enz. 

ita  vittata  Val.  is  te  Batavia  niet  zeldzaam ,  doch  zij  wordt  er  toch  voorname- 
lijk slechts  gevangen  tijdens  hoogere  rivierstanden ,  als  wanneer  zij  meer  uit  de 
hoofere  gedeelten  der  rivieren  schijnt  af  te  dal 

Rohita  {Rohita)  ka, h  aj an  ens  is  Blkr,    Act.  Soc.  Scient.  Ind.  Neerl.  II, 
Tiende    Bijdr.    ichth.    fauna    van    Borneo    p.    18.  —  Kahajansche 
All.  Cypr.  Tab.   XV  lig.  5. 

altitudine  4  ad  4  et  paulo  in  ejus  Iongïtudine,  latitu  s 
circiter  in  ejus  altitudine;  capile  acu  irne  parum  oblique  truncato,5' 

line  corp  ■    pinna  caudali,  altitudine  V 

lalitudi  I  diametro  ö  et  paulo  in  longitudine 

is,  diametro  1  et  paulo  in  capitis  parte  postoculari ,  o  l'.;al   L'/a  distantibus,  membrana 

mai'gi  inn  tantum  tegen  to,  ap  ri;  I 

i         .  exiuscula,  mi-  •  ;  naribus  orbitae 

am  ï-ostri    apici  approximatis ,  posterioribua  i  anterioribua  brcvi- 

parvia  utroque  latere  naves    inter  et  angulum   operculi   superiorem    longitudinaliter 

i  carnoso,    planiusculo,  convexo,  vix  ante  os  prom 

.    apice  pori5  2  magnis  distantibus  in  linea  transversa  sitis  ;  na  conspirais 


null!'  i  anterii        iblongo   irregulai 

duplo  longiore  quam  a  iborbitalibus  ceteris  humilibus  ocu!.  imultoties  graciliovi- 

bus;  i  ul  '  i     :       !   ;  cirris  caruosis  grai  ibus  ro3tra- 

libus  multo   longioribus   oculi   diametro  vix    Iongioribus ;  maxilla  i  i  iea  formani 

ferri  equinisubreferente,    yniphysilevitcr'  cmarginata,  icriore  valde 

carnoso,  ante   raaxillam  j>  :>!nlo,  margine  libero    papillis  conicia   obtu  i  >>luri- 

seriatis;  maxilla  infei  i  subcochleariforini  ;    labio  inferiore  valde   carnoso,  reflcxo,  mi 

libero  papillis   conieis  ol  vibus    numerosis  pluriseriatis,    sulcis    inferne   antice    isthmo    lato 

distantibus;  raento  propter  maxillam  inferiorem  adscendentem  parura  oblique  truncate  ;  operculo 
latitudine  2  fere  in  ejus  altitudine,  mai  riore  rectiusculo;  apertura  branchiali sub praeoperculi 

margine  posteriore  di  ;   dentibus  ;ealibus  masticatoriis  atis  2.  t.  5/5.  1.2,  singulis 

facie  masticatoria  oblique  truncata  vel  oblique  convexa,  marginibus  elevatis,  dentibus  serie  anteriore 
praesertim  inaequaliter  bilobis,  iis  serie  anteriore  antice  dimidio  apicali  sulco  longitudinali  lato  percursis 
osse  scapulari  trigono  acute  rotundato  ;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  taltiore;  ventre  ante 

pinnas  ventrales  pli   o,  pinnas  ventrales  obtuse  carinato ;  squamis  subverticalibus,  mediis  late- 

ribus  quam  cetero  corpore  paulo  majoribus,  dimidio  libero  et  vulgo  etiam  dimidio  basali 
n  aliter  subradiatim  Btriatis,  '■','>  vel  36  in  linea  laterali,    13  in  i  ali  quarum  5'/2(6)supra 

lineam  lateralem,  10  vel  11  in  serie  longitudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibus  in- 
fimis  longitudinaliter  triseriatis;  linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  ventralium  vix 
magis  quam  lineae  dorsali approximata,  singulis  squamis  tubulosiro]  liam  i  attin<*ente 

vel    superante   notata;  pinna  dorsali  ante  pinnas  ventrales  in  I   paulo  ante    pinnam    a 

desinente,  basi  alepidota,   acuta,    emarginata,  multo  itudine    1   et  paulo  iu 

longitudine  corporis,  altitudine  l'/3circiter  in  altitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus 
acutis,  longitudine  subaequalibus ,  7  circiterin  longitudine  itoralibus  ventrales  non,  ven- 

tralibus analem  non  attin  '  analibasi  va;  humil  in     isa,  acuta,  non  emar- 

ginata, dorsali    paulo  humiliore  sed    pi  tertio  gra   ;ii    cartila^ineo; 

caudali  basi  squamosa,  profunde  incisa,  Iobia  acul 
tudino  corporis:  colore  co  luperne  viridi,   inferne  a  va  vel  ro  ea;         ione  su- 

pulari   macula  ni;  ilea;   Cauda 

caudalis  approximata;   fascia  audali   difFu  a  fuscescento;    ;  ,  Can- 

dalique  plus  minusve  fu 

B   3.  D,  4  15  vel   !  16.  P.  1/14    V.  2/8.  A.  3/5  vel  3  6,  C.  7  17  7  lat.  brev.  i 

Hab.  Borneo  (Kabajan),  in  fluviis. 
Sumatra  (Laliat),  in  fluviis. 

Longitudo  5  speciminum  76'"  ad  IOC". 

Aanm.  Ilct  voornaamste  kenmerk  dezer  soort  is  n  inde  tweegroote  vaneen- 

staande  snuitporiën ,  zonder  omringende  of  tusschenliggende  i    ;:ere  po- 

riën, zoodat  die  poriën  zich  scherp  op  den  igen s  geheel  gla  muit  afti 

In  het  aantal,  de  grootte  en  de  plaatsing  der  snuitporiën  bij  Rohitazijn  kenmer- 
ken gelegen,  welke,  wegens  hunne  standvastigheid,  mij  voorkomen  inderdaad  van 
soortelijke  waarde  te  zijn.  Bij  vele  soorten  ontbreken  die  snuitporiën  geheel  en  al, 
zooals  bij  8  der  9  hiervoren  beschrevene  soorten.  Bij  de  ondervverpelijke  soort 
zijn  die  poriën  nog  slechts  ten  getale  van  t  wee  aanwezig.  Andere  soorten  ,  zooals  Rohita 
vittata  Val.  en  Rohita  triporos  Blkr,  h<  po  iën,  welke  voor  aai 


1S2 

den  snuit  ia  eene  dwarsche  rei  zijn  geplaatst  en  van  welke  de  middelste  aanmer- 
kelijk grooter  is  dan  de  zijdelij ke.  Van  Rohita  borneënsis  heb  ik  reeds  gezegd,  dat 
er  vijf  zoodanige  in  eene  dwarsche  rei  geplaatste  poriën  zich  voor  aan  den  snuit 
bevinden.  ]5ij  Rohita  enncaporos  stijgt  dit  getal  tot  negen,  acht  van  welke  ineen' 
cirkel  zijn  geplaatst,  terwijl  de  negende,  veel  grooter  dan  de  overige,  zich  in  het 
centrum  van  den  cirkel  bevindt.  Bij  andere  soorten  nog,  zijn  die  poriën  veel  tal- 
rijker, doch  zij  houden  dan  op  soortelijke  kenmerken  te  leveren,  nemende  hun 
aantal  daar  in  den  regel  toe  met  tocnemenden  leeftijd,  even  als  bij  meerdere  soorten 
van  Labeo,  Morulius,  enz. 

Rohita  kahajanensis  is,  behalve  aan  hare  snuitporicn,  nog  herkenbaar  aan  hare 
35  of  3ü  schubben  in  de  zijlijn,  ö  (5.', )  schubreijen  boven  de  zijlijn,  15  of  1G  ver- 
deelde rugvinstralen  en  glinsterend  blaauwe  schoudervlek. 

Rohita  {Rohita)  Iriporos  Blkr,  Diagn.  besclir.  nieuwe  visehs.  v.  Su- 
matra Tient.  I  -  V ,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  Ill  p.  593.  —  Dnejjorige 
Rohita.  Atl.  Cypr.  Tab.  XI  fig.  3. 

Etoliit.  (Rohit.)  corpora  oblongo  compresse,  allitudine  4  ad  41  i  in  ejus  Iongitudine,  Iatitudine  2  et  paulo 
rul  2'  •.  in  ejus  altitudine;  capite  acutiusculo,  ore  clauso  antice  interne  parum  oblique  truncato,  •">".:  ad 
C1  3  in  Iongitudine  corporis  cum,  -1'  3  ad  !-' ;;in  Iongitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine 
l1,  Gad  1',  s  circiter,  Iatitudine  1' ;.  eircitcr  in  ejus  Iongitudine;  oculis  superis,  diametro  3'  -j  ad  :■ 
in  Iongitudine  capitis,  diametro  1  et  paulo  ad  l1  ;  in  capitis  parte  postoculari ,  diametro  l'^adl-':: 
distantibus ,  membrana  palpebrali  iridis  marginem  externum  tegente,  apertura  subcirculari  ;  linea 
rostro-dorsali  fronte  et  vertiee  declivi  rectiusenla,  nucha  et  dorso  valde  convexa;  linea  interoculari 
convexa;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatif,  posterioribus  patulis  valvula  clau- 
dendis,  anterioribus  subtubulatis ;  poria  parvis  utroque  latere  nares  inter  et angulum  operculi superi- 
oreui  longitudinaliter  uniseriatis  parum  conspicuis;  rostro  carnoso  planiusculo,  convexo,  paulo  ante 
os  prominente,  oculo  longiore,  apice  poris  .')  magnis  distantibus  in  seriem  transversam  dispositis,  centrait 
lateralibus  majore,  poris  circumjacentibus  minoribus  conspicuis  nullis;  osso  suborbitali  anteriore 
oblongo-tetragono ,  angulis  rotundato,  minus  duplo  longiore  quam  alto;  ossibus  suborbitalibus ceteris 
humilibus  oculi  diametro  triplo  ad  quadruplo  gracilioribus ;  poris  suborbitalibus  conspicuis  nullis; 
cirris  carnosis  gracilescentibus ,  supramaxillaribus  rostralibus  multo  longioribus  oculi  diametro  non 
vel  paulo  tantum  longioribus,-  maxilla  superiore  aeio  cartilaginea  formam  ferri  equini  subref'ercnte, 
symphysi  leviter  emarginata,  deorsum  valde  protractili;  labio  superiore  valde  carnoso,  ante  raaxil- 
lam  pendulo,  margine  libero  papillis  conieis  acutiusculis  brevibus  numerosis  pluriseriatis;  maxilla 
riore  plana,  margine  anterjore  truncata;  labio  inferiore  valde  carnoso,  reflexo,  margine  libero 
papillis  conieis  acutiusculis  brevibus  numerosis  pluriseriatis,  suleis  inferne  antice  isthmo  lato  di- 
stantibus; mento  propter  maxillam  inieriorem  adscendentem  parum  oblique  truncato;  operculo  Ia- 
titudine l'/aad  1  :  ;  in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  vix  ad  non  graeiliore,  margine  inferiore 
rectiusculo;  apertura  branchial!  sub  praeoperculi  margine  posteriore  desinente;  dentibus  pharynge- 
alibus  masticatoriis  aggregatis  2.4.55.4.2.  singulis  facie  masticatoria  oblique  truncata, 
buselevatis  serie  anteriore  praesertira  inaequalibus  sublobata,  dentibus  série  anteriore  anticedimidio 
apicaii  sulco  longitudinali  lata  superficial  percursis;  osse  scapulavi  trig'  ao  acutiuscule  rotundato;  liuea 


183 

dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  multo  altiore  ;  ventre  anteplnnas  ventrale?  plano,  post  pinnas 
ventrales  rotundato  vel  obtusissime  carinato;  sqnamis  sub  vert  iealibus,  raediis  lateribus  iis  cetero  cor- 
pore  majoribus,  diraidio  libero  et  dimidio  basali  longitudinaliter  subradiatim  striatis,  32  ad  3-1  in  linea 
laterali,  12'/2(13)  in  serie  transversal!  quarura  G  (  5'/3  )  supra  lineam  lateralem,  10  p.  m.  in  serie 
longitudinal!  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  triseriatis  serie 
media  postrorsum  magnitudine  sensira  accrescentibus  iis  seriebus  lateralibus  majoribus;  linea  latera- 
li rectiuscula  antice  tantum  declivi,  basi  ventralium  paulo  vel  non  magis  quam  lineae  dorsali  ap- 
proximata,  singulis  squamis  tubulo  simplice  mediam  squamam  attingente  vel  non  attingento  notata  : 
pinna  dorsali  ante  pinnas  ventrales  incipiente  et  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta, 
emarginata,  paulo  longiore  ad  sat  multo  breviore  quam  alta,  lmigitudine  4'/^ad  45,'g  in  longitudine 
corporis,  corpore  paulo  liumiliore  ad  paulo  altiore;  pinnis  pectoralibus  acutis  G',2  ad  C  in  longitudine 
corporis,  ventrales  non  attingentibus  ;  pinnis  ventralibus  acutis  G  ad  5  in  lougitudinc  corporis,  ana- 
lem non  ad  subattingentibus ;  anali  basi  vagina  squamosa  humillima  inclusa,  acuta,  paulo  ad  vix 
emarginata,  dorsali  multo  humiliore  et  triplo  circiter  breviore,  radio  simplice  tertio  gracili  carti- 
lagiueo;  caudali  basi  squamosa,  profonde  incisa,  lobis  acutis,  superiore  inferiore  longiore  -i  ad  3'  2 
in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  viridi,  interne  argenteo;  iride  flavesente  vel  rosea; 
squamis  dorso  lateribusqüe  singulis  basi  macula  oblonga  transversa  fusco-violascente;  fascia  cephalo- 
caudali  fuseeseente  diffusa  (specimine  jnniore  tantum  conspicua)  ;  pinnis  roseis  vel  fiavescentibus  ,  dorsali 
(specimine  majore  tantum)  antice  inferne  macula  magna  nigiicante-violacea  et  membrana  inter  sin- 
gulos  radios  macula  diffusa  ex  arena  fusca   composita. 

B.  3.  D.  1/11  ad  4  13.  P.  1  '14.  V.  2  8.  A.  3/5  vel  3  G.  C.  G  17  G  vel  7  1G  7  lat,  brev.  incl. 

Hab.  Sumatra  (Palembang),  in  fluviis. 
Borneo  (Pontianak),  in  fluviij. 

Longitudo  2  speciminum  130'"  et  154'". 

Aanra.  Rohita  triporos  is  zeer  na  verwant  ann  Rohifa  vittata  Val.  Zij  verschilt 
er  echter  bepaald  soortelijk  van,  door  eene  overlangsche  schubrci  minder  onderde 
zijlijn,  hooger  ligchaam,  hoogere  spitsere  en  meer  uitgerande  rugvin,  langere  buik- 
vinnen, hoogeren  kop,  korteren  en  tevens  minder  bollen  snuit,  kortcren  staart, 
breeder  operkel,  groote   zwartachtige  rugvinvlek,  enz. 

Deze  verschillen  vallen   evenwel  gedeeltelijk  slechts  in  betoog  bij  vergelijking  van 
voorwerpen    van  beide    soorten   van  gelijke  grootte. 

Zoo  vind  ik   bij    voorwerpen  van    beide  soorten  van   154'"    lengte 

Rohita  triporos.    Rohita  vil  lata. 

Hoogte  des  ligchaams    in  zijne  lengte 4{    maal  4|  maal 

Hoogte  van    den    kop    in    zijne  lengte      .     .     .     .  1  |     »  1  \ -     // 

Breedte  van   het  operkel  in  zijne  hoogte      .     .     .  1+     »  2       // 

Ilooote  der  rugvin  in  de  hoogte  des  ligchaams  min- 

der  dan 1      1/   meer  dan  1   11 

Lengte  van    den   staart  van  àen    Iaatsten    rugvin- 
straal  tot  aan  den  staartvindgrond  in    de  lengte 

des   geheelen   ligchaams 4 3   tot  4  5   ml.  4       // 

Buikvinnen   in   de   lengte  des    ligchaams  ....  5     maal     .      Ql      n 


'D^      ""v       *  O* 


184 

Den  kopstaartband  zie  ik  bij  llohita  triporos  slechts  op  mijn  kleiner  voorwerp  en 
dan  nog  flaauw  uitgedrukt,  lï ij  Rohita  vittata  gaat  deze  baud  echter  dikwerf  ins- 
gelijks   verloren   door  lange  bewaring  in   wijngeest. 

Rohita  {Rohita)  enneaporos  Blkr,  Diagn.  beschrijv.  nieuwe  vischs.  v. 
Sumatra,  Tient.  I- IV,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  Ill  p.  596.—  Negen- 
porige  Rohita.  Atl.  Cypr.  Tab.  XI  fig.  2. 

•.  (Roll.)  corpore  ob'.ongo  compresso,  altitudine  1'  î  fere  in  ejus  longitudine,  latitudine  2  circiter 
in  ej  '    :  line,-  capite  obtusiusculo ,  ore  clauso  antice  inferno  parum  oblique  trui  :  circiter 

in  longitudine  corporis  cum,  5  circiter  in  longitudine  corporis  ab  i  ma  caudali,  altitudine   1 

latitudine  l'/icirciter    in  ejus  longitudine;  oculis   su  peris,    dial  I  itudine  capi- 

tis,   diametro  l'/i  circiter   in    c  'te  postoculari,    diametris  2  circiter  distantibus,  membrana 

palpebral!  iridis  marginem  externum  tantum  tegente,  apertura  subcirculnri  ;  line;  li  fronte 

et  vci'tico  declivi  con vexiuscula ,  nucha  et  dorso  convexa  ;  li  i  foculari  convexa;  naribus  orbitae 
m  agis  quam  rostri  apici  appro.  posterioribus  p  tulis  valvulaclaudendis,  am  ubtubu- 

ris  parvis  u troque  latere  nai  i    et  i  itudinaliter  uuise- 

riatis  parum  conspicuis;  ro  iso,  planiusculo,  valde  convexo ,  paulo  ante  os  prominente,  oculo 

rniilto  Iongiore,  apice  poris  magnis  valde  i  ,   poro  centrait  ceteris  majore  poris  S  conspicnis 

in  circulum  disposais  cinctis  dum  insuper  aliquot  poris  ceteris  minoribus  oculo  : 

vix  vel  non   conspicnis;  osse  suborbital*!   irregular!  agono,  duplo  circiter  Iongiore  qua 

angulis  plus  minusve  rotundato;  ossibus  suborbitalibus  ceteris  humilibus  oculi  diametro  triplo  ad 
quadruplo  gracilioribus;  poris  suborbitalibus  conspicnis  nullis;  cirris  carnosis  supraroaxillaribus  rostra- 
libus  loi  .  oculi  diametro  non    vel  paulo  longioribusi  maxilla  superioro  acie  cartilaginea  for- 

mant ferri  equini  subref  tlevi  inata.d  valde  protractili ;  labio  superiore 

Ie  carnoso,   ante  maxillam  pendulo,  margi  -o,  margino  libero  papillis 

conicis  obtusis  brevibus  pin  tilla    inferiorc  plana,  margine  anteriore  truncata;  labio  in- 

l'eriore  valde  carnoso,    reflexo,  margine  interno  oblique    tra  inc  libero  papillis 

conicis   brevibus   acutis   pluriseriatis ,    sulcis   inferne   anticc   isthmo  lato    distantibus;  mento  propter 

B  oblique  truncatO;  oporculo  latitudine  ma:  ,  latitu- 

dine sup  '  ejus  altitudine,  oculi  diametro  multo  graciliore,  margine  inferiore  convexiusculo  : 

li  sub  praeoperculi  margine  posteriore  desinente;  dentibus  phaiyngealibus  mastica- 
riis  aggregatis  2.4.5/5.4,2,  singulis  facie  raasticatoria  oblique  truncata,  marginibus  elevatis,  iis  se- 
auteriore  praesertim   inaequaliter  lobatis  antice   dimidio   npicali   sulco  longitudinal!   superficial! 
isse   scapulari   trigono  acutiusculc  rotundato;    linea   dorsali   convexa  linea  ventrali    con 
i    altiore;    ventre   ante    pinnas   ventrales  plano,    post   pinnas  ventrales  rotundato   non  carinatO; 
:  anis    subverticalibus ,  mediis   lal  ribus   quam  cetero  corpore  majoribu  idio   libero  et  dimi- 

dio   basali    Iongitudinaliter    subradiatim    striatis,    .'JO   vel   01    in   lin  (14)    in   serie 

transversali  quarum  51  o  (6)  supra  lineam  lateralem,  11  vel  12  in  serie  !  ali  occiput  intérêt 

nam  dorsalem ,    ventralibus    infimis    Iongitudinaliter    triseriatis;  linea    laterali  rectiuscula,    antice 
lüimi  vix  raagis  quamlineae  dorsali  appro  .istubulo 

simplice  mam  non  vel  vix  attingente  notata;  pinna  dors  pinnas  ventrales  inci- 

piente   et    ante    pinnam   analem  desinerte,    basi  alepidota,  acuta,  e  ,  paulo  Iongiore  quam 

line  5  fere  in  longitudi  paulo  in  altitudine  corporis; 


185 

pectoralibus  et  ventralibus  acutis,  pectoralibus  7  fere  in  longitudine  corporis  ventrales  non  attingen- 
tibus,  ventralibus  6  et  paulo  in  longitudine  corporis  analem  non  attingentibus;  anali  basi  vagina 
squamosa  humillinaa  inclusa,  acuta,  emarginata,  dorsali  non  multo  bumiliore  sed  plus  duplo  (minu3 
triplo)  breviore,  radio  siraplice  tertio  gracili  cartilagineo  ;  caudali  basi  squamosa,  profonde  incisa, 
lobis  acutis,  superiore  inferiore  longiore  4  circiter  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne 
olivaceo-vii'idi,  interne  argenteo;  iride  fiavescente  vel  rosea;  fascia  cephalo-caudali  diffusa  fuscescente- 
violacea;  pinnis  roseis  vel  rubris. 

B.  3.  D.  4/12  vel  4  13.  P.  1  15.  V.  2  8.  A.  3,5  vel  3,  G.  C.  6/17/6  et  lat.  brev. 

Hab.  Sumatra  (Padang),  in  fluviis. 

Longitudo  speciminis  uuici  246'". 

Aanui.  Een  nieuwe  vergelijking  van  bovenbeschreven  voorwerp  met  mijne  tal- 
rijke voorwerpen  van  Rohita  vittata  Val.,  heeft  mij  eerst  doen  twijfelen  of  het  wel 
tot  eene  daarvan  verschillende  soort  te  brengen  zij ,  zoo  groot  is  de  overeenkomst 
in  de  meeste  bijzonderheden  van  habitus  en  bewerktuiging,  lntusschen  tref  ik  bij  geen 
mijner  voorwerpen  van  Rohita  vittata  Val.  van  gelijke  grootte  meer  dan  slechts  3  op 
eene  dwarsche  lijn  geplaatste  snuitporiën  aan,  terwijl  er  ook  standvastig  de  kop 
betrekkelijk  hooger  is  en  het  operkel  betrekkelijk  breeder  en  minder  hoog.  Ik  heb 
alzoo  mijn  voorwerp  onder  den  vroeger  aan  hetzelve  gegevenen  soortnaam  gelaten , 
waaronder  het  zal  behooren  geplaatst  te  blijven,  tenzij  nieuwe  reijen  van  voorwerpen 
niogten  aantoonen,  dat  aan  de  beschrevene  verschillen  geene  soortelijke  waarde  ge- 
hecht mag  worden. 

Rohita  (Rohita)  oUgohpis  Blkr,  Nalez.  iclitli.  faun.  van  Banka,  Nat. 
Tijdschr.  Ned.  Ind.  V  p.  191.  —  Grootschubbige  Rohita.  Ail.  Cypr. 
Tab.  VIII  fig.  7. 

Robit.  (Roh.)  corpore  oblongo  compresso,  altitudine  4  circiter  in  ejus  longitudine,  latitudine  2  et 
paulo  in  ejus  altitudine;  capite  acutiusculo,  ore  clauso  antice  interne  mediocriter  oblique  truncato, 
ö'/a  circiter  in  longitudine  corporis  cum,  4'  3  ad  4'/3  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali, 
altitudine  I1/3  ad  l1/*  in  ejus  longitudine;  oculis  subsuperis,  diametro  Set  paulo  in  longitudine  ca- 
pitis, diametro  1  et  paulo  in  capitis  parte  postoculari,  diametro  lVs  circiter  distantibus,  membrana 
palpebrali  iridis  margiuem  externum  tantum  tegente,  apertura  subcirculari  ;  linea  rostro-dorsali  fronte 
et  vertice  declivi  rectiuscula,  nucha  et  dorso  valde  convexa;  linea  interoculari  convexa;  naribus 
orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  patulis,  anterioribus  brevitubulatis;  po- 
ris  parvis  utroque  latere  nares  inter  et  angulum  operculi  superiorem  longitudiualiter  uniseriatis  con- 
spirais; rostro  convexo,  carnoso,  vix  ante  os  prominente,  oculo  vix  vel  non  longiore,  superne  laevi, 
antice  poris  pluribus  subaequalibus  bene  couspicuis,  poris  ceutralibus  majoribus  nullis;  osse  suborbi- 
tal! anteriore  oblique  tetragono,  vix  altiore  quam  longo,  postice  quam  antice  multo  altiore;  ossibus 
suborbitalibus  ceteris  humillimis ,  oculi  diametro  triplo  ad  multo  plus  triplo  gracilioribus;  cirri's 
carnosis,  rostralibus  oculo  vix  brevioribus,  supramaxillaribus  oculo  sat  multo  lougioribus;  maxilla 
superiore  acie  cartilaginea  formam  ferri  equini  subreferente,  sympbysi  vix  emarginata,  deorsum  val- 
de protractili  >  labio  superiore  valde  carnoso,  ante  maxillam  peudulo,  plicis  numerosis    transversa, 

24 


186 

margino  libero  papillis  brevissimis  conicis  pluriseriatis  ;  maxilla  inferiore  plana  subcochleariioriui 
labio  inferiore  valde  carnoso,  reflexo,  plicis  numcrosis  oblique  transversis,  margine  libero  papillis; 
brevissimis  conicis  pluriseriatis,  suleis  inferne  isthmo  lato  distantibus;  mçnto  propter  maxillam 
inferiorem  valde  adscendenteni  oblique  truncato;  operculo  Iatitudine  l3/s  circiter  in  ejus  altitudine, 
marline  inferiore  rectiusculo;  apertura  branchiali  sub  praeoperculi  margins  postcriore  desinente; 
dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  2.3.5/5.3,2  vel  2.4.5  5.4.2,  singulis  facie  masticatoria  oblique 
truncata  margine  elevato  plus  minus vo  lobata;  osse  scapular!  trigono  obtuso  rotundato;  linea  dor- 
sali  convexa  linea  ventrali  convcxa  multo  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas 
ventrales  valde  obtuse  carinato;  squamis  subvertiealibus,  medüs  lateribus  quam  cetero  corpore  ma- 
joribus,  dimidio  libero  et  parte  basali  longitudinaliter  subradiatim  striatis,  28  ad  30  in  linea  la- 
terali,  11  p.  m.  in  serie  transversal!  quarum  4'/2  (5)  supra  lineam  lateralem,  11  p.  m.  in  serie 
lon<*itudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventralibus  infimis  longitudinaliter  triseriatisi  ünea 
laterali  rectiuscula,  basi  ventralium  nou  magis  quam  lincae  dorsali  approximate,  singulis  squamis 
tubulo  simplice  mediam  squamam  attingente  vel  su  lattingente  notata;  pinna  dorsal!  ante  pinnas  ven- 
trales incipiente  et  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  non  vel  vix  emarginrr:: , 
lon<uore  quam  alta,  longitudine  1' j  ad  '1-5  in  longitudine  corporis,  altitudine  l'a  ad  l'  i  in  alti- 
tudine corporis;  pinnis  pectoralibus  acutis  6  et  paulo,  ventralibus  acutis  7  fere  in  longitudine  cor- 
poris, pectoralibus  ventrales  non ,  ventralibus  analem  non  attingentibus;  anali  acuta,  non  vel  parum 
emarginata,  dorsali  paulo  humiliore  sed  triplo  circiter  breviore,  radio  simplice  tertio  gracili  car- 
tila<*ineo;  caudali  basi  squamosa,  profunde  incisa,  lobis  acutis,  superiore  inferiore  paulo  longiore  4 
circiter  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  roseo-viridi ,  inferno  rosco-margaritacco  ;  iride 
iava  vel  rosea;  squamis  lateribus  pluribus basi  vitta  transversa  subsemilunari  fusca;  cauda  mac 
rotunda  nigrJcantc  magna  in  linea  laterali  basi  pinnae  caudalis  contigua;  pinnis  rosei3,  imparibus 
plus  minusve  fusco  arenatis. 

B.  3.  D.  4  12  vel  4  13.  P.  1  13.  V.  2/8.  A.  35  vcl  3/6.  C.  7/17/7  lat.  brev.  incl. 

Hab.  Banka  (Marawang),  in  fluviis. 

Longitudo  2  speciminum  100'"  et  103'". 

Aanrn.  Rolnta  oligolepis  is  kenbaar,  behalve  aan  liet  gering  aantal  barer 
schubben  en  rugvinstralen,  aan  haren  spitsen  kop,  goed  zigtbare  talrijke  ponen 
aan  de  snuitspits  zonder  grootere  centrale  poriën ,  vrij  lange  voeldraden ,  groote 
ronde  staartvlek ,  enz. 

Voor  zooverre  de  waarnemingen  reiken ,  is  deze  Rohita  aan  Banka  eigen ,  even 
als  Rohita  Waandersi. 

Mobulius  Bucli.  Blkr  i=!  Ciiuysopiiekadion  Blkr  ol.  —  Millem. 

Corpus  oblongum  compressum,  squamis  magnis  vcl  mcdiocribus  ve- 
stitum.  Maxillae  nudae,  non  tumidae.  Cirri  4,  rostrales  et  supra' 
xillares.  Rostrum  carnosum,  integrum,  ante  os  prominens,  lateribus 
lobatumvel  non  lobatum,  margine  libero  nee  papillatum,  nee  fimbna- 
tum.  Os  suborbitale  anterius  oblongum  sat  longe  ante  orbitam  situm. 
Labium  superius  ante  maxillam  superiorem  pendulum ,  fimbriatum  .  ( 


187 

labio  inferiore  continuum.  Rictus  ore  apert  o  plus  minusve  ovalis. 
Maxilla  superior  acie  tcnui  semilunar!.  Maxilla  inferior  acie  tenui 
truncata  vel  rotundata,  symphysi  tuberculo  nullo.  Labium  inferius 
rerïexum  papillatum  vel  fimbriatum  non  lobatum.  Sulcus  postlabialis 
unicus  transversus  semilunaris  margïni  labii  inferioris  subparallelus. 
Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  ante  vel  supra  pin- 
nam  analem  desinens,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Dentés 
pharyngeals  masticatorii  aggregati  2.4.5/5.4.2.  facie  masticatoria  obli- 
que truncati  non  tuberculati. 

Aanm.  Ik  zonder  het  geslacht  Morulius  van  Rohita  af,  eensdeels  wegens  de  enkele      fy*<  /j>'    ' 
dwarsche  achterlipsgroeve ,   en    anderendeels  wegens   het   ver  voorwaarts  verplaatst    -.'      -•    /»,„->, 
zijn   van  het  voorste  onderoogkuilsbeen,  hetwelk,  meer  langwerpig  van   gedaante,    .,  .      ^ 

even  als  bij  het  geslacht  Labeo ,  dot  r  het  tweede  onderoogkuilsbeen  tot  ver  voor 
de  oogkas  is  verschoven. 

Het  geslacht  staat  in  het  algemeen  in  verwantschap  tusschen  Rohita,  Rohitichthys 
en  Labeo,  doch  is  van  alle  gemakkelijk  te  onderkennen  aan  de  enkele  achter- 
lipsgroeve die  halvemaanvormig  evenwijdig  aan  den  vrijen  onderliprand  verloopt, 
terwijl  bij  de  overige  genoemde  geslachten  het  midden  der  kinhuid  zonder  groefe 
is  en  de  aan  beide  zijden  dier  huid  verloopende  groeve  overlangs  is  geplaatst. 

Tot  dit  geslacht  breng  ik  thans  5  soorten  mijner  verzameling,  waarvan  vier 
bengaalsrhe  en  slechts  een  soendasche,  t.  w.  Rohita  calbosu  Val.,  Rohita  Belan- 
gen Val.,  Rohita  Buchanani  Val.  en  Rohita  cbalybeata  Val.  van  Bengalen  en 
Rohita  chrysophekadion  Blkr  van  den  Indisch  en  Archipel.  —  Bovendien  geloof  ik,  dat 
daartoe  almede  te  brengen  zijn  nog  eenige  andere  bengaalsche  soorten,  welke  ik 
niet  naar  de  natuur  ken,  zooals  Rohita  moralius  Val  ,  Rohita  jaolius  Val,  Rohita 
Reynauldü  Val. ,  Rohita   musiha  Heek.    en  Labeo    velatus  Val. 

Deze  soorten,  deels  zeer  na  aan  elkander  verwant,  verschillen  deels  ook  vrij 
aanmerkelijk  van  elkander,  ten  opzigte  van  kleuren,  profiel,  bouw  van  operkel 
en  vinnen,  beschubbing,  enz.,  zoodat  voor  meerdere  de  diagnostische  verschillen 
gemakkelijk  zijn  vast  te  stellen,  terwijl  dat  van  andere  soorten  moeijelijk  is  te 
omschrijven.  Zoo  is  van  mijne  bengaalsche  soorten  Morulius  chalybeatus  gemak- 
kelijk herkenbaar  aan  hare  ongeveer  70  schubben  in  de  zijlijn  en  14  of  15  over- 
langsche  schubreijen  boven  de  zijlijn,  en  Morulius  rohita  (Cyprinus  rohita  Buch.) 
aan  hare  40  schubben  in  de  zijlijn,  7  (67a)  overlangsche  schubreijen  boven  de  zij- 
lijn, buitengemeen  ontwikkeld  operkel  welks  breedte  slechts  l*/j  maal  gaat  in  zijne 
hoogte,  gladden  snuit  zonder  zigtbare  poriën  en  uiterst  korte  voeldraden.     Daaren- 


ISS 

tegen  zijn  Morulius  Belangeri  en  Morulius  calbosu  in  habitus  van  kop ,  ligchaam 
en  vinnen ,  en  in  kleuren  zeer  na  verwant  aan  de  soendasche  soort.  Deze  laat  zich 
echter  onderkennen  als  volgt. 

I.   Rostrum    valde   ante  os  prominens  poris  nuuierosis  conspicuis  obsitura.  Cirri 
bene  cvoluti. 
A  Squamae  41  ad  43   in  linea  laterali,  9   (S.ï;  supra  lineam  lateralem.  Oper- 
culum latitudine  2  fere  ad  2  et  paulo  in  ejus  altitudine.  Finna  dorsalis  basi 
4   ad  4?  in  longitudine  corporis,  radiis   4/15   vel  4,  IC  ad  4/18  vel  4/19. 

Morulius  chrysophekadion  Blkr. 


Morulius  chrysophekadion  Blkr  —  Veelklierige  Morulius  of  Millem.  Atl. 
Cypr.  Tab.  X. 

Moral,  corpore  oblongo  compresse,  altitudine  4'  3  ad  335  in  ejus  longitudine,  latitudine  l2  /3  ad  2'  3 
in  ejus  altitudine;  capito  acutiusculo  ore  clauso  antice  inferne  valde  oblique  truncato,  4?  /5  ad  6;  i\:\ 
longitudine  corporis  cura  S-  5  ad  fere  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  1'  3  ad 
li  9,  latitudine  l1  3  ad  1'  :■  in  ejus  longitudine;  oculis  superis,  diametro  23  ',.  ad  1  in  longitudine  capi- 
tis, diametro  1  ad  l3/s  in  capitis  parte  postoculari ,  diametro  1' 3  ad  22/3  distantibus ,  msmbrana  pal- 
pebral! iridis  partem  cxternam  magna  parte  tegente  apertura  subcirculari;  linea  rostro-dorsali  i'ronte 
et  vertice  declivi  rectiuscula  vel  concaviuscula,  nucha  et  dorso  valde  convcxa;  linea  interoculari 
convesa;  naribus  orbitae  ninlto  magis  quam  rostri  apici  approximatis ,  posterioribus patulia  valvula 
claudendis,  anterioribus  subtubulatis;  poris  parvis  ntroque  latere  nares  inter  et  angulum  opcrculi 
superiorem  longitudinaliter  uniseriatis  non  semper  conspicuis;  rostro  valde  carnoso,  planiusculo,  valds 
convexo,  valde  ante  os  prominente,  junioribus  oculo  breviore,  aetate  provectioribus  et  adultis  oculo 
lon"iore,  antice  junioribus  et  adultis  poris  conspicuis  numerosissimis  usque  inter  et  post  narcs  sese 
extendentibus  obsita  poris  centralibus  ceteris  conspicue  majoribus  nullis;  osse  suboibitali  anteriore 
sat  Ionize  ante  oculum  et  toto  vel  toto  fere  ante  nares  sito,  irregulari  oblongo-ovali,  minus  duplo 
lontriore  quam  alto,  margino  inferiore  valde  convexo;  ossibus  suborbitalibus  ceteris  humillimis  oculi 
diametro  multoties  gracilioribus,  2°  valde  elongato  ante  oculum  porrecto;  poris  suborbitalibus  lon- 
gitudinaliter uniseriatis  parum  vel  non  conspicuis;  cirris  carnosis,  rostralibus supramaxillaribus paulo 
brevioribus  ad  paulo  longioribus,  oculi  diametro  brevioribus  ad  paulo  longioribus;  maxilla  superiore 
acie  cartilaginea  formam  ferri  equini  subreferente ,  symphysi  leviter  ad  non  emarginata,  deorsum  valde 
protractili;  labio  superiore  parum  carnoso,  ante  maxillam  pendulo,  rugoso,  margine  libero  papillis 
conieis  obtusis  brevissimis  pluriseriatis ;  maxilla  inferiore  plana,  margine  anteriore  truncate;  labio 
inferiore  valde  reflexo,  carnoso,  non  rugoso,  margine  libero  papillis  conicis  acutis  cirriformibus 
pluriseriatis,  sulcis  inferne  post  labium  unitisunde  incisura  postlabiali  transversa  semilunari  profun- 
da ;  mento  propter  maxillam  inferiorem  adscendentem  valde  oblique  truncato;  operculo  latitudine  2 
fere  ad  2  et  paulo  in  ejus  altitudine,  postice  semilunariter  rotundato,  margine  inferiore  convexo  vel 
convexiusculo;  membrana  operculari  sat  late  post  operculum  sese  extendente  semilunariter  rotnndata; 
apertura  brancbiali  sub  praeoperculi    margine  posteriore  vel  sub  opcrculi  parte  anteriore  desinente,- 


189 

dentibus  pbaryngsalibus  mastîcatorîis  aggregatîs  2.4.5/5.4.2.  singulis  facie  masticatoria  oblique  trun- 
cata  marginibus  elevatis  noa  lobatis ,  dentibus  serie  anteriore  antice  non  sulcatis  ;  osse  scapulari 
trigono  acutiuscule  vel  obtusiusoule  rotuudato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  multo  al- 
tiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  obtusissimo  carinato;  squamis  dimi- 
dio  corporis  stiperiore  subverticalibus,  lateribus  infra  lineam  lateralem  obliquis  (angulo  marginis  li- 
beri  superiore  ante  angulum  marginis  liberi  inferiorem  sito) ,  suprascapularibus  maximis ,  lateribus  antice 
quam  cetero  corpore,  iis  regione  suprascapular!  exceptis,  majoribus;  squamis  dimidio  libero  et  dimidio 
basal!  longitudinaliter  subradiatira  striatis,  41  ad  43  ia  linea  lateral! ,  19  vel  20  in  serie  transversali 
quarum  8',3  (9)  supra  lineam  lateralem,  20  ad  23  in  serie  longitudinal!  occiput  inter  et  pinnam  dorsa- 
lera,  lateralibus  infirais  longitudinaliter  quinqueseriatis,  po3trorsum  magnitndine  sensim  accrescen- 
tibus,  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  non  majoribus;  linea  lateral!  rectiuscula,  antice  tantum 
declivi,  basi  ventralium  non  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approxiraata,  singulis  squamis  tubulo 
simplice  mediam  squamam  non  vel  vix  attingente  notata;  pinna  dorsali  ante  pinnas  ventrales  inci- 
pieute  et  ante  pinnam  analem  desinente,  basi  vagina  squamosa  humili  inclusa,  acuta,  non  ad  valde 
emarginata,  vix  longiore  ad  sat  multo  breviore  quam  alta,  longitudine  4r/s  ad  4  in  longitudine  corporis, 
corpore  non  vel  vix  ad  multo  altiore,  radio  simplice  postico  frequenter  plus  minusve  producto; 
pinnis  pectoralibus  5  ad  53  5  in  longitudine  corporis,  ventrales  non  vel  vix  attingentibus;  ventralibus 
acutis  4'/iad  5  et  paulo  in  longitudine  corporis,  analem  attingentibus;  anali  basi  vagina  squamosa 
humillima  inclusa,  non  ad  valde  emarginata,  dorsali  paulo  ad  multo  bumiliore  sed  plus  duplo  ad 
plus  triplo  breviore,  radio  simplice  tertio  gracili  cartilagineo;  caudali  basi  squamosa,  profunde  incisa, 
lobis  acutis  superiore  inferiore  longiore  32/s  ad  4  in  longitudine  corporis  ;  colore  corpore  fusco-vio- 
laceo,  violascente-olivaceo,  vel  violaceo-nigricante,-  cirris  violaceis  vel  nigricantibus  ;  hide  rosea  vel 
aurea;  squamis  corpore  singulis  vulgo  guttula  aurea  vel  aurantiaca  pulcberrime  notatis;  pinnis  vio- 
lascente-roseis,   vel  violaceis,  vel  violaceo-nigris. 

B.  3.  D.  4/15  vel  4/16  ad  4/18  vel  4/19.  P.  1,15  ad  1/17.  V.  2,8.  A.  3/5  vel  3/6.  C.  5/17/5  vel  G/17,G 

lat.  brev.  incl. 
Syn.  Rohita  chrysophehadion  Blkr,  Verb.  Bat.  Gen.  XXIII   Bijdr.  icbth.  Midd.  Oost- Java  p.  20. 

Rohita  polyporos  Blkr,  Nieuw.  Tient,  diagn.  bescbr.    Viscbs.  v.   Sumatra,  Nat.  T.  N.  Ind. 
V  p.  520. 

Rohita  koilojcneion  Blkr,  Descript.  spec.  pise,  javan.  nov.  Nat.  T.  Ned.  Ind.  XIII  p.  359. 

Rohita  cyanomelas  Blkr,  Diagn.  bescbrijv.  nieuwe,  viscbs.  Sumatra,  Tient.  I  —  IV,  Nat.  T. 
Ned.  Ind.  Ill  p.  597. 

Si-hitam,  Situm  Palemb. 

Millem  (Mai.  Bat.,  Arengan  Sund. 
Hab.  Java  (Batavia,  Bekassi,  Krawang,  Tjampea,  Parongkalong,    Tjikao,  Surabaja,  Gem  pol) , 
in  fluviis. 

Sumatra  (Moarab-kompeh,  Palembang),  in  fluviis. 
Longitudo  plus  quam  40  speciminum  75'"  ad  600"'. 

Aanm.  De  avcliipelagische  soort  van  Morulius  is  kenbaar  aan  hare  talrijke 
snuitporiën  en  de  formule  barer  schubben  en  vinstralen.  Zij  biedt  zeer  talrijke 
indivuële  en  kliinaatsverscheidenheden  aan ,  zoowel  ten  opzigte  der  ontwikkeling  van 
de  snuitporien  en  voeldraden ,  als  van  de  vinnen,  vooral  der  rugvin,  buikvinnen  en 
aarsvin,  .terwijl  ook  de  kleurteekening    talrijke   schakeringen    vertoont  en   verschilt 


190 

van  eenvormig  zwart-biaaiiw  (de  palembangsche  voorwerpen)  tot  donker  oHjfkleurig 
met  eene  ronde  goud-  of  oranjekleurige  vlek  op  elke  schub. 

Vroeger  slechts  in  liet  bezit  van  zeer  enkele  voorwerpen  dier  variëteiten ,  hechtte 
ik  hoogere  waarde  aan  de  waargenomene  verschillen,  dan  zij  mij  sedert  gebleken 
zijn  te  verdienen,  en  eene  herhaalde  naauwkeurige  studie  van  alle  mijne  voorwerpen 
heeft  mij  er  toe  geleid,  de  vier  soorten,  welke  ik  vroeger  gemeend  heb  te  moeten 
opstellen ,  tot  eenc  enkele  terug  te  brengen. 

Morulius  clirysophekadion  is  op  Java  niet  zeldzaam.  Vooral  in  de  groote  rivie- 
ren is  zij  soms  zeer  menigvuldig  en  zij  bereikt  er  eene  grootte,  welke  die  van  mijne 
grootste  voorwerpen  nog  vrij  aanmerkelijk  overtreft.  Honderden  groote  voorwerpen 
er  van  heb  ik  zien  vangen  in  de  Tjitaroem  bij  Parongkalong ,  tijdens  eene  daar  aan- 
gerigte  vischpartij  en  ook  aan  de  monden  der  Tjitaroem  wordt  zij  soms  bij  honder- 
den gevangen  en  van  daar  naar  Batavia  ter   markt  gebragt. 

Zij  is  zeer  na  verwant  aan  Morulius  Belangen  van  Bengalen,  welke  tot  dezelfde 
ep  behoort  en  dezelfde  formule  der  schubben  heeft.  Ik  vind    echter  bij    Morulius 
Belangen,  van  welke  ik  twee  voorwerpen  bezit,  voor  de  formule  der  rugvin  slechts 
4  13  vel  4/14  en  4/14  vel  4/15,  welke  formule  ik  bij  geen  mijner  zeer  talrijke  Su- 
ïnal  m  Javasche  voorwerpen  terugvind.     Die  voorwerpen  voorts  vergelijkende 

met  voorwerpen  van  gelijke  grootte  van  Morulius  clirysophekadion ,  blijkt   het,  dat 
bij  Morulius  Belangen  het  ligchaam  aanmerkelijk  hooger  is,  de  rug  vin  aanmerkelijk 
korter  (5  malen  en  meer  in  de  lengte  des  ligchaams  terwijl  zij  bij   mijne  voorwer- 
pen van  Morulius  chrysophekadion   slechts  4  f-  tot  4  malen  gaat  in  de  lengte  des 
aams),  enz. 
Ook  Moruluis   calbosu  van   Bengalen  is  zeer  na   aan   Morulius   chrysophekadion 
verwant  en  nadert  haar  zelfs  nog  meer  ten  opzigte  van  de  formule  der  rugvin  stra- 
len   (4  14    ad   4  1G)  en  slankheid  des  ligchaams.     Ook  deze  soort  bezittende,  heb 
mijne   voorwerpen    daarvan    met  die  van  Morulius    chrysophekadion   van  gelijke 
grootte  kunnen   vergelijken  en  bevonden  dat  ook  bij    Morulius   calbosu  de    rugvin, 
niettegenstaande  eene  nabijkomendc  of  gelijkluidende   formule   der  stralen,  aanmer- 
kelijk  korter  is    (meer  dan    5    malen  in    de   lengte  des  ligchaams)  dan  bij  Moru- 
lius chrysophekadion,  terwijl   bovendien  de   ruglijn  er   aanmerkelijk    minder  bol  is 
en  de  buiklijn  boller,  en  ik  er  slechts  71-  (S)  schubben  kantellen  in  eene  dwarsche 
rei  boven  de  zijlijn. 

Naar  eene   schetsteckening  van  den  heer   De  Castclnau  te  oordeelen,  komt  on- 
werpelijke  soort  ook  in  Siam  voor. 


191 

ROHITICHTHYS    Blkl'. 

Corpus  oblongo-elongatum  compressum ,  squamis  magnis  vestitum. 
Maxillae  nudae.  Cirri  2,  supramaxillares.  Rostrum  carnosum  integrum, 
cute  descendente  ante  labium  superius  pendula,  latei-ibus  non  lo- 
batum.  Labium  superius  ante  maxillam  superius  pendulum,  inte- 
grum, nee  papillatum  nee  fimbriatum.  Labium  inferius  fimbriatum. 
Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam 
analem  desinens,  radio  simplice  postico  toto  cartilagineo.  Os  suborbi- 
tale anterius  ab  oculo  remotum. 

Aanm.  Dit  geslacht  dient  naauwkeuriger  naar  de  natuur  omschreven  te  wor- 
den. Ilc  grond  het  op  de  beschrijving  en  afbeelding  van  Labeo  senegalensis  Val., 
zooals  die  door  den   heer  Valenciennes  gegeven  zijn. 

Rohitichthys  staat  in  verwantschap  tusschen  Labeo  en  Rohita.  Het  mist  de 
snuitkvvabben  van  Labeo  en  heeft  de  gefranjede  onderlip  van  Rohita.  Het  voorste 
onderoogkuilsbeen  is  er,  door  het  ver  naar  voren  zich  uitstrekkend  tweede  onder- 
oogkuilsbeen,  van  het  oog  verwijderd,  even  als  bij  Labeo,  doch  de  snuit  puilt  toch 
weinig  voor  de  mondopening  uit. 

De  habitus  evenwel  is,  naar  de  afbeelding  van  den  heer  Valenciennes  te  oordee- 
len ,  noch  die  van  eene  Labeo ,  noch  die  van  eene  Rohita.  Zij  stelt  de  eenige 
soort  voor,  welke  tot   nog  toe  tot  Rohitichthys  te  brengen  is. 

Dangila  Val.,  Poiss.  XVI  p.  174.^  Cyrene  Heek.,  Fisch.  Syr.  p. 
34,  182.  —  Lamba. 

Corpus  oblongum  vel  elongatum  compressum ,  squamis  magnis  vel 
rnediocribus  vestitum.  Maxillae  nudae  non  tumidae.  Cirri  4 ,  rostrales 
et  supramaxillares.  Rostrum  carnosum  integrum  paulo  ante  os  prominens, 
margine  libero  ante  labium  superius  pendulum,  integrum,  nee  crenu- 
latum,  nee  papillatum,  lateribus  non  lobatum.  Labium  superius  ante 
maxillam  superiorem  pendulum,  papillatum,  cum  labio  inferiore  con- 
tinuum. Rictus  subparallelogrammicus.  Maxillae  acie  tenues,  inferior 
symphysi  postice  tuberculo  munita.  Labium  inferius  integrum,  car- 
nosum, nee  cirratum ,  nee  lobatum.  Sulcus  postlabialis  utroque  late- 
re simplex,    longitudinaliter   marginem    oris  versus  directu.s,    i?thmo 


192 

lato  a  sulco  lateris  oppositi  separatus.  Pinna  dorsalis  elongata,  ante 
pinnas  ventrales  incipiens  et  supra  vel  ante  p innam  analem  clesinens , 
radio  simplice  postico  cartilagineo.  Pinnae  pectorales  subhorizontaliter 
insertae.  Dentés  pharyngeals  masticatorii  aggregati  2.  4.  5/5.  4.  2 ,  facie 
masticatoria  oblique  truncata  plus  minusve  contorta. 

Aanm.  De  lieer  Valenciennes  stelde  dit  geslacht  op  in  het  in  het  jaar  1S42 
in  het  licht  gegeven  16e  deel  van  de  groote  Histoire  naturelle  des  Poissons,  ter- 
wijl Heckel  hetzelfde  geslacht,  onder  den  naam  Cyrene,  insgelijks  in  het  jaar  1842 
opstelde  in  zijne  Abbildungen  und  Beschreibungen  der  Fische  Syriens,  welke  ar- 
beid echter  eerst  in  1843  te  Stuttgart  het  licht  zag.  Heckel  kende  ook  reeds 
den  door  den  heer  Valenciennes  aan  Cyrene  gegeven'  naam,  welken  hij  tusschen 
twee  aanhalingsteekens  achter  den  door  hem  voorgestelden  naam  van  Cyrene  in  zijne 
.Fische  Syriens   opnam. 

De  naam,  door  den  heer  Valenciennes  voorgesteld,  dient  alzoo  behouden  te  blijven. 

De  diagnose  van  den  heer  Valenciennes  past  goed  op  alle  soorten  van  Dan- 
gila ,  doch  duidt  niet  aan  zijne  natuurlijke  verwantschap  als  een  tot  de  Labeoni- 
nen  behoorend   geslacht. 

Heckel  gaf  er  twee  verschillende  diagnosen  van,  welke  die  verwantschap  beter 
aanduiden,  doch  zij  leiden  tot  misverstand  door  de  uitdrukking,  dat  de  bovenkaak 
voorzien  is  van  eene  rei  tandvormige  tepeltjes,  zijnde  deze  tepeltjes  niet  in  de 
bovenkaak  ingeplant  maar  in  de  bovenlip,  eene  onderscheiding,  die  noodig  is  voor 
de  Acheilognathen  omdat  er  de  bovenlip  vrij  voor  de  bovenkaak  afhangt  en  niet, 
zooals  bij   de  Cheilognathen ,  de  bovenkaak  geheel  omkleedt  of  inhult. 

Men  kent  thans  11  soorten  van  Dangila.  Do  heer  Valenciennes  beschreef  er 
4,  t.  w.  Dangila  Cuvieri  Val.  (welke  dezelfde  is  als  Dangila  leptocheila  Val.),  Dan- 
gila Kuhli  Val.  en  Dangila  lipocheila  Val.  van  Java,  en  Dangila  Leschenaultii  Val. 
van  Ilindostan.  Heckel  voegde  daaraan  toe  de  beschrijvingen  van  vier  andere 
soorten,  die  van  Cyrene  festiva  Heek.  en  Cyrene  ocellata  Heck,  van  Borneo  en 
van  Cyrene  cyanopareja  Heek.  en  Cyrene  philippinia  Heek.   van  de  Philippijnen. 

Van  de  soorten  van  den  heer  Valenciennes  en  Heckel  heb  ik  teruggevonden 
Dangila  leptocheila,  Dangila  Kuhli,  Dangila  festiva  en  Dangila  ocellata,  doch  bo- 
vendien heb  ik  ontdekt  nog  drie  andere  soorten  van  Sumatra  en  Borneo,  welke  ik 
heb  beschreven  onder  de  namen  Dangila  fasciata,  Dangila  sumutrana  en  Dangila 
spilurus. 

Met  uitzondering  slechts  van  Dangila  Leschenaultii  Val.  behooren  alle  deze  soor- 
ten  alzoo  tot  den  Indischen  archipel.  Zij  laten  zich  van  elkander  onderkennen 
naar   volgend  schema. 


193 

I  Pinna  dorsalis   supra  vel  vix  ante  pinnam  analem    dcsinens. 

A.  Squamae  plus  quana  GO  in  linea  laterali,   14  vel  15  supra  lineam  lateralem. 
a.    D.    4/27    vel  4/23.    ütroqae   latere   maculae   2   rotundae   nigrae  ,  anterior 

regione  postaxiliari  infra  lineam  lateralem,   posterior  caudalis  in  linea  lateral!. 

Dangila  ocellata  Blkr. 

B.  Squamae  50  vel  51  in  linea  laterali,  10  supra  lineam  lateralem. 
a.  D.  4/27  ad  4/30.  Corpus  vittis  longitudinalibus  fusco-violaceis. 

Dangila  fasciata  Blkr. 

C.  Squamae  30  ad  40  in  linea  laterali. 

a.  D.  4/23  ad  4/2G. 

f  Squamae  39  vel  40  in  linea  laterali. 

ô  Squamae  S  supra  lineam  lateralem.  Caput  S  J   in  Iongitudine  corporis , 

Dangila  Kuhli  Val. 
ô'  Squamae  7  supra  lineam  lateralem.  Caput  6  ad  7  j  in  Iongitudine  corpi 
Dangila  leptocheilus  Val. 

•j-'  Squamae  37  vel  3S  in    linea  laterali,  6  supra  lineam  lateralem. 
ô   Fascia  cepbalo-eaudalis  fusca. 

Dangila  sumatrana  Blkr. 

ô'  Fascia  ceplialo-caudalis  nulla. 

Dangila  p/iilippinia  Blkr. 

f"  Squamae  33  in  linea  laterali,  S   supra  lineam   lateralem. 

ô  Pinna  caudalis  utroque  lobo  fascia  longitudinali  violaceo-ni^ra. 

Dangila  fcstica  Blkr. 

b.  D.   4/  17   vel  4/18.  Squamae  5  supra  lineam   lateralem. 

|  Squamae  35   in  linea  laterali.   Operculum  macula   coerulea  ornatum. 

Dangila   cganopareja  Blkr. 
f  Squamae  3G  in  linea  laterali.  Operculum    macula  coerulea    nulla, 

Dangila  lijicclteilus  Val. 

II  Pinna  dorsalis  longe  ante  analem  dcsinens,   radiis    4/10  vel  4/11   tantun 
A.  Squamae  28  in  linea  laterali,    5   supra  lineam  lateralem. 

a.    Cauda  macula  rotunda  nigra. 

Dangila  spilurus  Blkr. 


194 

Dangila  ocellata  Blkr,  Index  descript.  specicr.  pisc.  Bleeker.,  Nat.  T. 
Ned.  Ind.  XIV  p.  475.  —  Geoogde  Lamba.  Atl.  Cypr.  Tab.  XVI  fig.  3. 

Dang,  corpore  oblongo  comprcsso,  altitudine  5  ad  •!'  j  in  ejus  longitudinc,  latitudine  V  i  ad  2  et  paulo 
in  ejus  altitudine;  capita  acuto,  Gad  6' 3  in  longitudinc  corporis  cum ,  4:i .-,  ad  ■[''  .-,  in  longitudine  cor- 
poris absque  pinna  caudali,  altitudine  1- 5  ad  IV4,  latitudine  1;|  5  ad  1'  -i  in  ejus  longitudine;  oculis 
superis,  diametro  22/3  ad  3  in  longitudine  capitis,  diametro  1  et  paulo  ad  1  in  capitis  parte  posto- 
culari,  diametro  1  et  paulo  ad  l'/i  distantibus,  membrana  palpebrali  iridis  partem  externam  te- 
gente  antice  quam  postice  latiorc,  aportura  subcirculari  ;  linea  rostro-dorsali  fronte  et  vertice  decli- 
vi  rectiuscula,  nucha  dorsoque  convexa;  linea  interoculari  convexiuscula;  naribus  orbitae  magis 
quam  rostri  apici  approximatis,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  subtubulatis; 
poris  parvis  utroque  latere  nares  inter  et  angulum  operculi  superiorem  conspicuis  nullis  ;  rostro  carnoso, 
planiusculo,  couvexo,  paulo  ante  os  prominente,  oculi  diametro  junioribus  et  aetate  provectis  sat 
multo  breviore,  antice  poris  pluribus  magnis  conspicuis  obsito;  osse  suborbitali  irregulariter  trigone 
nou  vel  vix  altiorc  quam  longo,  margiue  inferiore  subhorizontali,  convexiusculo,  marginibus  ante- 
riorc  et  posteriore  plus  rainusve  concavis  iu  angulum  acutum  sursum  spectautem  et  nares  inter  et  ocu- 
lum  desiuentem  unitis;  osse  suborbitali  2'  elongato-tetragono,  antice  quam  postice  multo  altiore, 
duplo  ad  plus  duplo  longiore  quam  alto,  oculi  diametro  quadrnplo  circiter  humiliore;  ossibus  sub- 
orbitalibus  3°  et  4°  oculi  diametro  triplo  ad  quadruplo  gracilioribus;  poris  suborbitalibus  con- 
spicuis nullis;  cirris  gracilibus  supramaxillaribus  rostralibus  longioribus,  oculi  diametro  paulo  ad 
non  brevioribus  ;  rictu  subparallelogrammico  ;  maxillis  acie  cartilaginea  margiue  anteriorc  valde 
obtusis,  truncatiusculis ;  maxilla  superiorc  mediocritcr  deorsum  protractili;  maxilla  inferiore  sym- 
physi  postice  tuberculo  conico  subhamata,-  labiis  parum  camosis,  superiorc  ante  maxillam  superio- 
rem pendulo  margiue  libero  papülis  conicis  brevibus  uniseriatis  valdc  conspicuis  obsito,  inferiore 
parum  rellexo  margins  libero  integro,  sulcis  inferno  brevibus  antice  isthmo  lato  valde  distantibus; 
roento  propter  maxillam  inferiorem  adscendentem  oblique  truncato;  operculo  latitudine  1- 3  ad  2  in 
in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  multo  ad  paulo  graciliore,  margiue  inferiore  convexo;  apertura 
branchiali  sub  praeoperculi  parte  posteriore  desinente  ;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  2.'  - 

singulis  apjee  compressa ,  facie  masticatoria  oblique  truncata  contorta  marginibus  parum  elevatis; 
osse  scapulari  trigono  acute  rotundato;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  multo  altiore; 
ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  planiusculo  non  carinato;  squainis  obliquis  (an- 
gulo  marginis  liberi  superiorc  ante  angulum  marginis  liberi  inferiorem  sito),  mcdiis  lateribus  quam  cetero 
corpore  majoribus,  suprascapularibus  autem  omnium  maximis;  striis  squamis  longitudinalibus  dimi- 
dio  earum  basali  nullis,  dimidio  libero  nullis  vel  parum  conspicuis;  squamis  Góad  07  iu  linea  laterali,  ">~ 
p.m.  in  serie  transversal!  (ventralibus  infimis  incluïis)  quarum  13'/2  (14)  vel  L4Vs (15)  supra lineam Ia- 
tcralem,  22  ad  21  in  serie  longitudinal!  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem ,  ventralibus  infimis  longitu- 
dinalitei  7- ad  9-seriatis,  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  non  majoribus;  linea  laterali  rectiuscula, 
antice  tantum  declivi,  basi  ventralium  non  multo  magis  quam  lincac  dorsali  approximate,  singulis  squa- 
inis tubulo  simpliee  mediam  squamam  non  vel  vix  attinget\te  notata;  pinna  dorsali  longe  ante  ven- 
trales iucipiente  et  supra  mediam  basin  analis  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  valde  emarginata, 
duplo  fore  ad  paulo  plus  duplo  longiore  quam  alla,  longitudine  3  ad  2-:;  in  longitudine  corporis, 
altitudine  1  et  paulo  ad  1  '  :i  in  altitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  acutis  5'  i  ad  G  et  paulo  in 
longitudinc  corporis  ventrales  non  attingentibus  ;  ventralibus  acutis  G1/;;  ad  7  et  paulo  in  longitudine 
corporis  analem  non  attingentibus;  anali  basi  vagina  squamosa  humillima  inclusa ,  non  vel  parum 
::a,  acuta,  dorsali  vulgo  sat  multo  humiliore  sed  quintuplo  ad  plus  quintupb  breviore,  va- 


195 

dio  simplice  tertio  gracili  cartilagiueo ;  caudali  basi  late  squamosa,'  profonde  incisa  lobis  acutis, 
superiors  inferiore  vulgo  longiore,  3*/5  ad  4'/3  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  cocru- 
lesccnte-viridi,  inf'erne  argenteo;  iride  flava  vel  rosea;  maculis  utroque  latere  2  nigricante-violaceis, 
flavescente  cinctis,  anteriore  sub  linea  laterali  paulo  ante  pinnara  dorsalem,  posteriore  cauda  in  linea  late- 
rail  basi  pinnae  caudalis  approximate;  pinnis  roseo-hyalinis,  vel  roseis  vel  flavescentibus,  dorsali 
et  caudali  plus  niinusve  fusco  arenatis. 
B.  3.  D.  4  27  vel  4/2S.  P.  1/14  ad  1/18.  V.  2/8,  A.  3/5  vel  3/6.  C.  G/17/6  vel  7/17/7  lat.  brev.incl. 
Syn.  Cyrene  ocellata  Heck.,  Abb.  Besclir.  Fiscli.  Syriens  p.  35. 

DuiiQÜa  microlepis   Blkr,  Diagn.  beschr.  nieuwe  vischs.  v.  Sumatra,  Tiental  I- IV  in  Nat.  T. 

Ned.  Ind.  Ill  p,  595. 
Luma  Lamp.,  Lamba  Palemb. 
Plab.  Sumatra  (Pangabuang,  Palembang,  Labat,  Leiïiataug-  Enim) ,  in  fluviis. 

Borneo  (Kabajan,  Pontianak),  in  fluviis. 
Longitudo  9  specimiuum  144'"  ad  221'". 

Aanin.  De  Laraba  werd  het  eerst  in  de  wetenschap  bekend  gemaakt  in  1843  door 
J.  Heckel,  in  zijne  Fische  Syriens  en  naar  een  voorwerp  van  G  duimen  lengte 
kortelijk   beschreven. 

Ik  vond  haar  terug  in  het  jaar  1So2  in  een  voorwerp  van  Palembang  van 
185'"  lengte  en  beschreef  haar  toenmaals,  onbekend  als  ik  toen  was  met  Heckels 
ontdekking,  onder  den  naam  van  Dangila  microlepis,  welke  naam  voor  den  door 
Heckel  gegevenen  moet  vervallen,  hoezeer  zij  niet  minder  kenmerkend  is.  Seden 
ben  ik  in  het  bezit  geraakt  vrai  nog  meerdere  voorwerpen  van  verschillende  groot- 
te, welke  mij  in  staat  gesteld  hebben,  de  reeds  bestaande  beschrijvingen  te  ver- 
beteren en  vollediger  te  maken. 

De  Lamba  is  eene  fraaije  en  uiterst  scherp  gekenmerkte  soort  van  Dangila." 
Hare  talrijke  schubben,  zoowel  op  de overlangsche  als  op  de  dwarsche  reijen,  ma- 
ken hare  herkenning  zeer  gemakkelijk,  terwijl  ook  de  ronde  zwarte  vlekken,  een  in 
de  achterokselstreek  even  onder  de  zijlijn  en  een  op  den  staart  in  de  zijlijn  nabij 
den  staartvingrond ,  bij  den  eersten  oogopslag  kenmerkend  voor  haar  zijn. 

Dangila  fasciata  Blkr,  Diagn.  beschrijv.  nieuwe  vischs.  Sumatra, 
Tient.  V-X,  Nat.  Tijdschr.  Ned.  Ind.  IV  p  2d7 .  — Gehande 
Lamba.  Atl.  Cypr.  Tab.  XVI  fig.  2. 

Daugil.  corpore  compresso,  altitudine  4Vi  ad  4'/2  in  ejus  longitudine,  latitudine  2' 3  ad  2' 
ejus  altitudine;  capiteacuto,  6V2  ad  7  fere  in  longitudine  corporis  cum,  5  ad  5 ','.4  in  longitudine  corporis 
absque  pinna  caudali,  altitudine  l'/i  ad  l'/u  ,  latitudine  l2/3ad  l'/-2  in  ejus  longitudine;  oculis  superis, 
diametro  3  ad  3  et  paulo  in  longitudine  capitis,  diametro  1  et  paulo  in  capitis  parte  pos toculari,  dia- 
metro lVi  ad  l'/5  distantibus,  membrana  palpebral!  iridis  partem  esternam  tegente  antice 
postice  latiore,  apertura  subcirculari;  linea  rostro-dorsali  fronte  et  vertice  declivi  rectiuscula,  nucha 
dorsoque  valde  convexa;  linca  interocula  •    xa;  naribus orbitae  inagis quam  rostri  apici  approxi- 


196 

matis,  postarioribus  palulÏ3  valvula  claudcudis,  antcrioribus  snbtubulatis  ;  poris  parvis  vurnquo 
latere  nares  inter  et  angulum  operculi  superiorem  longitudinaliter  uniseriatis  parum  conspicuis;  rostro 
carnoso,  planiusculo,  convexe,  paulo  ante  03  prominente,  oculi  diametro  non  vel  paulo  tantum  lougi- 
ore,  anticc  poris  pluribus  magnis  transversira  pluriscriatis  obsito;  osse  Buborbïtali  anteriore  irregu- 
lariter  trigono,  margine  inferiore  oblique  convexo,  marginibus  lateralibus  anteriore  concavo  et  poster!- 
iore   convexo    vel   angulato    in    angulum   acutum  sursum  spectantera  naribus   approximatum  unitis,- 

■    suborbital!    2*  elongato-tctragono,    antice  quam   postice  alt  iore,    duplo   circiter  longiore  quara 

i,  oculi  diametro  triplo  circiter  lmmiliore;  osse  suborbitali  0°  osse  suborbital!  4°  latiore,  oculi 
diametro  quadruplo  circiter  graciliore;  poris  suborbitalibus  couspicuis  nullis  j  cirria  gracilibus,  supra- 
maxillaribus  rostralibus  longioribus  oculi  diametro  sat  multo  Iongioribus;  rictu  Bubparallelogram- 
mico;  maxillis  acie  cartilaginea  margins  anteriore  valde  obtusis  truncatiusculis;  maxilla supetiore  me- 
diocriter  deoi'3um  protractili;  maxilla  inferiore  symphysi  tuberculo  conico  valde  conspicuo  subbamato; 
labio  superiore  parum  carnoso,  ante  maxillam  superiorem  pendulo,  margine  libero  papillis  conici3 
brevibus  obtusiusculis  valde  conspicuis  obsito;  labio  inferiore  valde  carnoso,  parum  reflex  o ,  integro, 
sulcis  inferue  brevibus  anticc  cute  menti  lata  valde  distantibus;  mento  propter  maxillam  inferiorem 
non  adscendentem  non  truncato;  Operculo  latitudine  2  ad  2  fere  in  ejus  altitudino,    oculi    diametro 

'  iliore,  margine  inferiore  convexiusculo;  apertura  brancbiali  sub  praeoperculi  parte  posteriore  desi- 

nente:  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  aggregatis  2.  4.  5/5.  4.  2,  singulis  facie  masticatoria  obli» 

truncata  contorta   marginibus  elevatis  irregularibu3 ,  dentibus  serie  anteriore  dimidio  apicali  antica 

sulco  Iongitudinali  lato  brevi  percursis;  osse  scapulari  trigono  acute  rotundato;  linea  dorsali  convexa 

i .  veiitrali  convexa  multo  altiorc;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano ,  post  pinnas  ventrales  planius» 

i  non  carinato;  squamis  obliquis  (angulo  marginis  liberi  superiore  ante  angulum  margiuis  liberi  in» 
feriorem  sito),  mediis  lateribus  quam  cetero  corpore  paulo  majoribus,  suprascapularibus  antem  omnium 
maximis;  squamis  dimidio  libero  longitudinaliter  striât  is ,  dimido  basali  vix  vel  non  striatis,  50  vel 
51   in  linea    lateral!,  21   in  serie  transversali  (ventralibus  infimis  inclusis)  quarum  9'  '2  (10)  supra 

a  Iateralam,   1"  vel   11  in  serie  Iongitudinali  occiput  inter  et  pinnam   dorsalem,  ventralibus  in» 

is  longitudinaliter  quinqueseriatis,  serie  media  iis  seriebus  lateralibus  vix  majoribus;  linea  latera- 
li  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  ventralium  paulo  magis  quam  lineae  dorsali  approxima- 
te, singulis  squamis  tubulo  simplico  modiam  squamam  attingente  vel  subattingente  notata;  pinna 
dorsali  longe  ante  pinnas  ventrales  inoipiente  et  supra  mediam  basin  pinnae  analis  desinente,  basi 
alepidota,   acuta,    eraarginata,    plus  duplo  longiore  quam  alta,  Iongitudine  2::  t  ad  2'  ■>  in  longitu- 

le  corporis,  altitudine  1-..  circiter  in  altitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis 
1  ruitudiuc  subaequalibus  61  i  circiter  in  Iongitudine  corporis;  pectoralibus  ventrales  non,  ventral!- 

ï  analera  non  a  ibus;  anali  basi  vagina  squamosa  liumili  inclusa,  acuta,  non  vel  vix  emar- 

ginata,  dorsali  multo  lmmiliore  et  sextuplo  f  re  brevïore,  radio  simplico  tertio  gracili ,  cartilagineo  ; 
eau:.;;'  basi  squamosa,  profunde  incisa,  lobis  acutis,  superiore  inferiore  longiore  4  circiter  in  lougi- 

line    corporis;    colore    corpore    superne   viridi,    inferne  argenteo;    iride  ilava   vel  rosea;   squamis 

,   lateribu  que  singulis  basi  macula   quadratiusoula  fusco-violacca,  maculis  vittas  longitudinales 

subi  tibus,  iis  squamis  linea  laterali  contiguis  majoribus  fasciam  cephalo-caudalem  efficientibus ; 

is,  caudali  rubra  marginibus  superiore  et  inferiore violacea, 

B.   :;.   1).   4/26   v  I    '  27  ad    1  29  vel  4/30.  V.  1/18  veil,  10.  V.  2/8.  A.  ?  5  vel  3  6.  C.  C  17  6 

vel  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Ilab.  Sumatra  (  Pangabuang ) ,  in  fluviis. 
Bor  eo     I  '     tianak  ),  in  fluviis. 

Longitu.  i  2  et  2J 


197 

Aanm.  Dangila  fasciata  is  zeer  gemakkelijk  herkenbaar  aan  de  formule  harer 
schubben  en  rugvinstralen,  welke  van  die  van  de  overige  bekende  soorten  aan- 
merkelijk afwijkt. 

De  habitus  dezer  soort  herinnert  ecnigzins  dien  van  Barbichthys  laevis,  een 
geslacht,  hetwelk  in  meerdere  opzigten  na  aan  Dangila  verwant  is.  Ik  ontdekte 
haar  in  1853,  in  eene  mij  uit  de  binnenlanden  der  Lampongsche  distrikten  door 
wijlen  den  kapitein  Juch  toegezondene  verzameling,  doch  sedert  ontving  ik  ook 
een    enkel  voorwerp  van  westelijk  Borneo. 

Dangila  Kuldl  Val.,    Poiss.  XVI  p.  175. — KuhVs  Larnba.  Atl.  Cypr. 
Tab.  XVI  fia   1. 

o 

Dangïl.  corpore  oblongo  compresso,  altitadïne  42/5  cireiter  in  ejus  longîtudine,  latitudine  2  circitar 
in  ejus  altitudiue;  capite  acuto,  5 ','j  cireiter  in  longitudinc  corporis  cum,  vix  plus  quam  4  in  longi- 
tudiue  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  l1/*  circiter ,  latitudine  l3, 3  fere  in  ejus  longîtudine; 
oculis  super  is,  diametro  2',  ï  circiter  in  longîtudine  capitis,  diametro  vix  plus  quam  1  in  capitis  parte 
postoculari,  diametro  vix  plus  quam  1  distantibus,  membrana  palpebrali  iridis  partem  externam  tegente, 
antice  quam  postice  latiore,  apertura  subeireulari;  linea  rostrn-dorsali  fronte  et  vertice  declivi  rectius- 
cula,  nucha  et  dorso  convexa;  linea  interoculari  convexiuscula;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici 
approximatis ,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  subtubulatis  ;  poris  parvis  utroque 
latere  nares  inter  et  operculi  angulum  superiorem  longitudinaliter  uniseriatis  parum  conspicuis  ;  rostro 
carnoso,  plauiusculo,  convexo,  paulo  ante  os  prominente,  oculi  diametro  brevioro,  antice  poris  plu- 
ribus  trausversim  tri-  ad  pluriseriatis  magnis  plerisque  scutello  calcareo-corneo  rotundo  centro  in 
processum  conicum  acutum  produeto  muniti3  ;  osse  suborbitali  anteriore  irregulariter  trigono,  vix 
vel  non  altiore  quam  longo,  margine  inferiore  oblique  convexo,  marginibus  anteriore  concavo  et  pos- 
teriore  undulato  vel  angulato  superne  in  angulum  acutum  sursum  speetantem  naribus  approximatum 
unitis;  osse  suborbitali  2°  elongato-tetragono  antice  quam  postice  altiore,  plus  duplo  longiore  qu 
alto,  oculi  diametro  triplo  circiter  humiliore;  osse  suborbitali  3°  osse  suborbitali  4°  multo  Iati 
oculi  diametro  triplo  circiter  graciliorc;  poris  suborbitulibus  conspicuis  nullis;  cirris  gracilibus  supra- 
maxillaribus  rostralibus  sat  multo  longioribus,  oculi  diametro  multo  longioribus;  rictu  subparalle- 
logrammico  ;  maxillis  acie  cartilaginea  margine  anteriore  valde  obtusis  truncatiusculis;  maxilla  super!  :  ■ 
mediocritev  deorsum  protraetili;  maxilla  inferiore  symphysi  postice  tubereulo  conieo  parum  conspicui  ; 
labio  superiore  parum  carnoso,  ante  maxillam  superiorem  pendulo  margine  libero  papillis  conicis 
brevibus  obtusis  valde  conspicuis  uniseriatis  obsito  ;  labio  inferiore  valde  carnoso,  parum  r  lexo, 
integro,  sulcis  inferne  brevibus  antice  isthmo  lato  valde  distantibus;  mento  propter  maxillam 
inferiorem  adsceudentem  leviter  oblique  truncafo;  operculo  latitudine  2  cireiter  in  ejus  altitudi 
oculi  diametro  sat  multo  graciliore,  margine  inferiore  rectiusculo;  apertura  branchiali  sub  praeoper- 
culi  parte  posteriore  desinente;  dentibus  pbaryngealibus  masticatoriis  aggregates  2. 4.  5/5.  4.  2 ,  singu- 
lis facie  masticatoria  oblique  truncata  plus  miuusve  contorta  marginibus  elevatis  valde  irregularibus , 
dentibus  serie  anteriore  3  antice  dimidio  apicali  sulco  longitudinali  lato  brevi;  osse  scapulari  trigono 
obtusiuscule  vel  acutiuscule  rotundato  ;  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa  multo  altiore  ;  ventre 
ante  pinnas  ventrales  piano,  post  pinnas  ventrales  rotundato,  nou  carinato;  squamis  obliquis  (angulo 
marginis  liberi  superiore  ante  angulum  marginis  libeii  inferiorem  sito),  mediis  lateribus  quam  cetero 


198 

eorpore  paulo  majoribus,  suprascapularibus  autem  onmium  maximis;  striis  squamis  longitudinalibus 
dimidio  libero  conspicuis,  dimidio  basali  nulli=  ;  Bquamis  3'J  in  linea  Iaterali,  10  in  serie  transvcr- 
sali  (vent val i  ,  qnarum  7Vs(8)  supra  lineam  lateralem  (sub pinna dorsali),  11  p.m. 

in  serie  longitudinal]  occiput  inter  et  pinnam  dorsalcm,  ventralibus  infiniis  longitudinaliter  tri-ad 
qnînque-serîatîs,  strie  media  üs  seriebus  lateralibas  non  vel  vix  majoribus;  linea  laterali  rectiuscula , 
antice  tantum  declivi,  basï  ventralium  sat  multo  roagis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis 
squamis  tubulo  simplîce  mediam  squamam  attingente  vel  subattingente  notata;  pinna  dorsali  longe 
ante  ventrales  incipiente  et  supra  mediam  basin  pinnae  analis  desinente,  basialepidota,  acuta,  emar- 
ita,  paulo  minus  duplo  Ion;  îore  quam  alla,  longitudiuc  3  circiter  in  longitudine  corporis, al titu- 
dîne  1'  s  circiter  in  altitudii  fis;  pinnîs  pectoralibus  et  ventralibus  acutis,  longitudine subaequali- 

'  ulo  in  longitudine  corporis,  pectoralibus  ventrales  non,  ventralibus  analcm  non  attingentibus , 

auali  basi    vagina  squamosa  bumili  înclusa,  acuta,    non    vel  parum  emarginata,    dorsali  sat  mnlto 
humiliore    et  quintuplo    circiter    breviore,    radio    simplice  tertio    gracili    cartilagineo;    caudali  basi 
squamosa,    profunde  incisa,  lobis   acutis,  superiore  inferiore  longiore  3:;  5  circiter  iu  longitudine  cor- 
poris      1  ilon     c  >rp  ir  1    superne  dilute    coorulescente-viridi,    inferne  argenteo;  îride    flava  vel  rosea; 
cauda  macula  rotunda  violaceo-coerulea  diffusa  in  linea  laterali  basi  pinnae  caudalis  approximata;  pi' 
roseo-hyalinis ,  dorsali  caudalique  fusco  plus  minusvc  areuatis. 
B    .:    I).  4  25  vel  4  26.  P.   1/16.  V.  2/8.  A.  3  5  vtl  3  6.  0.  7  17  7  lut.  lier,  incl 
Syn.  Dangila  de  Kuhl  Val.,  Poiss.  XVI  p.  175. 

Cyrene  Kuhlii  Ileclc,  Fisch.  Syr.  p.  35,  Nacbtr.  p.  183. 
Wadon  ijunuaj,  Millem  MaL  Hat. 
Java  (Batavia),  in  fluviis. 
peciminis  unici  1 13 

Aanui.  Ik  geloof  in  boven  beschreven  voorwerp  teruggevonden  te  hebben,  de  soort, 
tluor  den  heer  Valenciennes  onder  den  naam  van  Dangila  Kuhlii  beschreven.  Deze  soort 
chili  inderdaad  van  Dangila  leptocheilus  door  grooteren  kop  en  oogen  en  sterker  ont- 
wikkelde bovenlipte-pels,  zooals  door  den  heer  Valenciennes  is  aangegeven,  doch 
de  heer  Valenciennes  spreekt  van  slechts  30  schubben  op  eenc  overlangsche  rei  en 
geeft  de  formule  der  rugvinstralcn  op  als  3/24,  verschillen  echter,  welke  van  slee 

viduële  waarde  kunnen  zijn  of  althans,  wat  de  schubben  betreft,  van  de  wijze  van 
telling  of  van  het  minder  goed  of   beter  bewaard  gebleven    zijn    der    schobben    af- 

ikelijk.    De  aangeduide  verschillen   vallen  slechts  goed  in  het  oog  bij   voorwerpen 
van  gelijke  grootte,  doch  ik   ontwaar   nog  eenc  andere  bijzonderheid,  welke  de  her- 
kenning gemakkelijker  maakt,  daarin  bestaande,  dat  Dangila  Kuhli  één  overlangsi 
rei  schubben  méér  heeft  boven  de  zijlijn,    dan  Dangila  leptocheilus. 

Dangila  leptocheilus  Val.,    Poiss.  XVI  p.  173,    Cuuier's   Lamba.  Atl 
Cypr.  Tab.  XVII. 

l'ai.  ire  oblongo  ad  subelongato  compresso,  altitudine  5  fere  ad   1'  a  in  ejus    longitudine, 

lalitudlnc  'J  ad  2'  tin  ejus  altitudine  ;  capite  acutiusculo  vel  obtusiusculo  0  atl  7'  »in  longitudine  cor- 
tm,  4Vsad  '.'■  ,  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  lVs  ad  1':.,  la 


199 

-  ,  ad  1-  ó  in  ejus  longitudine;  cculis  superb,  diametro  2-  3  ad  31  4  in  longitudine  capitis,  diametro  1  ad 
l' 3  in  capitis   pari         stoculari,  diametro  1  et  paulo  ad  l*/7  distantibns,  membrana  palpebrali  iridis 
marginern  externum  tantum  tegente,  antice  quarn  postice  latiore,  apertura  subcirculari;  linea  rostro- 
. -ali  fronte  et  vertice  declivi   rectiuscula  vel  convexiuscula,  nucha  dorsoque  valde  convexa;  linea 
interocnlari  convexiuscula  vel  convexa;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximates,  pos- 
terioribus    patulis  valvula  claudendi.3,    anterioribus    marginibu3    elevatis    subtubulatis:  poria    parvis 
iti  )que  latere  nares  inter  et  operculi  angulum  superiorem  longitndinaliter  uniseriatis  parum  vel  non 
spicuis;  rostro  carnoso,  plauiu3culo  convexo,  paulo  ante  03  prominente,  oculi  diametro  breviore, 
'ice  pori3  pluribu3ai  lerosis  transversim  bi-ad  pluriseriatis  parum  ad  valde  conspicuis,  033e 

borbitali  anteriore  irregulariter  trigono  ad  pentagono,  non  vel  paulo  altiore  quarn  longo,  margine 
inferioie  oblique  convexo,  marginibus  lateralibus  plus  minusve  angulatis  in  angulum  acutum  sursurn 
tem  pus  approximatum  unitis;  osse  suborbitali  2°  elongato-tetragono,  antice  quara  po3tica 

altiore,  duplo   vel  plus  duplo  'ongiore  quara  alto,  oculi  diametro  plus  triplo  hamiliore;  osse  3ubor- 
ili  4°  latiore,  oculi  diametro   plus  triplo  graciliore;  poris  suborbitalihus  con- 
spicuis  nuiiïs,  cirri-,  gracilibus,  supramaxillaribus  rostralibus  multo  longioribu3  oculi  diametro  paulo 
ad  multo  longioribus;   ;  jtu  ore  apei  ico;  maxillis  acie  cartilaginea  margine an- 

teriore valde  obtusis  truncatiusculis;  maxilla  superiore  mediocriter  deor3um  protractilï  ;  maxilla  infe- 
riore  sycaphysi  postice  tuberculo  co.  param  carnosis,  superiore  ante  maxi.. 

SU]  lo  margine   libero  papillis  conicis    bre .  usis    conspicuis    unist 

labio    inferio.  :o,   integro,    sulcis    inferne  brevibus    antice    istbmo  lato  valde  dista:. 

bus;  mento  propter  maxülara   i  adscendentem  leviter  oblique  truncato;    operculo  h 

.  2  in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  graciliore,  margine  inferior»  concaviu3Culo,  rectinscnlo 
vel  convexiuscnlo;  apertura  branchiali  sub  praeopercnli  parte  posteriore  desinente;  dentibns  pharyn- 
gealibus    masticatoriis    aggregatis    2.4.5/5.4.2,    singulis    facie   masticatoria   oblique    trnncata    pi 

i   marginibus  elevatis  irregalaribus ,  d  :ie  anteriore    antice  dimidio  apicali 

sulco    longitudinal!  lato  percursis:  033e  scapulari    trigone    acutiuscule  rotundato;    linea  dorsali  w    - 
vexa  linea  ventrali  convexa  vel  convexiuscula  multo  altiore;  ventre  ante  pin  nas  ventrales  pla 
pinnas  ventrales  rotundato  vel  •  e  carina  to;  squarnh  aarginis  liberi  superi 

ante  angulum  marginis  liberi  inferiorem  sito),  medii'3  l  bus, 

snprascapularibus  autem  omnium  maximis;  stiÜ3  squamis  longitudinalibns  dimidio  libero  co 

basali  frequenter  nullis,  rarius  conspicuis 
transvei  libus  infimis  inclusis)  qua.  J        pra  lineam  lateralwn,   11  vel  12  . 

Jtudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  v.  longitndinaliter   quinqueseria 

.la  Ü3  seriebus   lateralibus  non  m  .    linea  lateral]  rectiuscula,  .  declivi, 

basi  ventralium  non  multo  magi.s  quarn  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squan  Ico 

raediam    squamam  at  tingen  te  vel  non  attingente  notatai    pinna  dorsali  longe    ante  pinnas  ventrales 
incipiente  et   supra  mediam  basin  pinnae  anaüs  circiter  desinente,  basi  alepidota,  acuta,   emargïi   . 
ta,  minus   duplo  ad  plu3    duplo  longiore  quarn    alta,  longitudine  3  ad  2  r<3, 

altitudine  1  et  paulo  ad   l'  jin  altitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  acutis,  longitudine  subaequa- 
libu3  G  ad  Gl  3  in    1     .  i  .  pa      ralibus  ventrales    :  -      tralibns  analem  non  attin- 

[uamosa    I       ili  i  iclasa,  acuta.  1  nata,  dorsali 

liore  et  quadi  quintuplo    brevi  li  cartila; 

pinna  caudali  basi  squamosa,   |  i  icisa,    lobi.s    acutis,    superiore  inferiore  vulgo  paulo 

i  fere  ad  i'  2  in  long';  ire  superne  dilute  vel  olivaceo-viridi , 

.    ■  - 


200 

B.  3.  D.  4  22  vel  4  23  ad  i  23  vel  4, 2G.  P.  1  13  vel  1  1G.  V.  2  8.  A.  3  5  vel  3  G.  C.  7  17  7  vel  G  1G  G  lat, 

brev.  incl. 
Syu.  Laieobarbus  leptocheilus  K.  v.  Hass.  ap.  Val. 

Dangila  Cuvieri  Val.,  Poiss.  XVI  p.  174  fig.  470;  Blkr,  Verh.    Bat.  Gen.  XXIII  Ichtb..  M. 
O.  Java  p.  19. 

Dangile  de  Cuvier  Val.,  Poiss.  XVI  p.  174  fig.  470. 

Dangila  leptocheüa  Val.,  ib.  p.  178. 

Danjile  à  livres  cachées  Val.,  ib.  p.  178. 

Cyrene  Cuvieri  IKek.,  Fisch.  Syr.  p.  35,  Nachtr.  p.  183. 

C'jreae  leptocheüa  Heek.,  Fisch.  Syr.  p.  35. 

Wadon  gunung,  Millem  Mal.  Bat.,  ïïilem,  Thooro  Sund.,  Wader  Jav. 
Hab,  Java  (Batavia,  Perdana,  Lebak,  Tjampea,  Buitenzorg,  Tjikao,  Ngawi,  Surabaja),in  fluviia. 

Sumatra  (Palembang) ,  iii  fiuviis. 

Borneo  (Pontianak),  in  fluviis. 
Longitudo  37  speciniinum  84"ad  275"'. 

Aanm.  De  beschrijving  van  Dangila  leptocheilus  van  den  heer  Valenciennes  beant- 
woordt vrij  goed  aan  mijne  voorwerpen,  doch  is  weinig  karakteristisch.  De  boven- 
lip zou  er  niet  getepeld  zijn,  wat  echter  niet  aan  te  nemen  is.  De  verschillen  in 
de  formule  der  schubben  laten  zich  verklaren,  wanneer  men  aanneemt,  dat  de  tel- 
ling minder  juist  heeft  plaats  gehad  of  het  waargenomen  voorwerp  eene  juiste  telling 
niet  heeft  toegelaten.  Van  eene  staartvlek  is  ook  bij  enkele  mijner  voorwerpen 
een  spoor  aanwezig.  Ik  geloof  dat  Dangila  leptocheilus  Val.  dezelfde  soort  is  als 
Dangila  Cuvieri  Val.cn  daarvan  den  middelbaren  leeftijdstoestand  voorstelt,  terwijl 
het  door  den  heer  Valenciennes  beschreven  voorwerp  van  Dangila  pCuvieri  tot  den 
jeugdigen  leeftijdstoestand  betrekking  heeft,  in  welken  de  kop  in  verhouding  tot 
de  lengte  des  ligchaams  betrekkelijk  grooter  is. 

De  soort  is  op  Java  vrij  algemeen,  vooral  in  de  hoogere  gedeelten  der  grootere 
rivieren.  Zij  biedt  vele  verscheidenheden  aan  wat  de  betrekkelijke  hoogte  des 
ligchaams  betreft.  De  mannetjes  zijn  in  den  regel  aanmerkelijk  slanker  dan  de 
wijfjes. 

De  aangehaalde  afbeelding  van  den  heer  Valenciennes  geeft  den  habitus  der  soort 
goed  terug,  doch  is  niet  juist  ten  opzigte  van  de  formule  der  schubben.  Ook 
zijn  er  de   bovenliptcpeltjcs  niet  te  ontwaren. 

Dangila  sumatrana  Blkr,  Diagn.  beschrijv.  nieuwe  vischs.  Sumatra, 
Tiental  I  —  IV",  Nat.  T.  Ned.  Ind.  Ill  p.  596.  —  Sumatrusche 
Lamba.  Atl.  Cypr.  Tab.  XV  fig.  4. 

Dangil  corpore  elongato  compresse  altitudine  5'  i  ad  5'  2  in  ejus  longitudine,  latitudine  2  et 
paulo  in  ejus  altitudine;  capite  acuto,  G1/--  circiter  in  longitudine  corporis  cum,  vix  plus  cpjam  5  in 
longitudine   corporis    absque   piana   Cftudali,  altitudiue  1' 3  ad  l-,o  circiter,  latitudine  1-  3  circiter 


201 

iu  ejus  longitudine;  oculis  superis,  diametro  3  circiter  in  longitudine  capitis,  diametro  1  in  capitis 
parte  postoculari,  diametro  1  et  paulo  distantibus,  membrana  palpebral!  iridis  partem  externum 
tegente,  antice  quam  postice  latiore,  apertura  subcirculari ;  linea  rostro-dorsali  froute  et  verticede- 
clivi  rectiuscala,  nucha  dorsque  convexa  ;  linea  interoculari  convexa;  naribus  orbitae  magis  quam 
rostri  apici  approximatif,  posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  auterioribus  subtubulatis  ;  poris 
parvis  nares  inter  et  angulum  operculi  superiorem  conspicuis  nullis;  rostro  carnoso,  planiusculo, 
convexo,  paulo  ante  os  prominente,  oculi  diametro  non  vel  vix  breviore,  antice  poris  numerous 
trausversim  pluriseriatis  valde  conspicuis;  osse  suborbitali  anteriore  irregulariter  trigono,  vix  vel 
nou  altiore  quam  Iongo,  margine  inferiore  oblique  convexo,  marginibus  lateralibus  anteriore  convexo 
et  postcriore  convexo  vel  angulato  in  angulum  acutum  sursum  spectantem  naribus  approximatum  unitis, 
osse  suborbitali  2°  elongato-tetragono,  duplo  circiter  lungiore  quam  alto,  antice  quam  postice  altiore, 
oculi  diametro  triplo  circiter  humiliore;  osse  suborbitali  3°  osse  suborbitali  4"  latiore  oculi  diametro 
triplo  circiter  graciliore;  poris  suborbitalibus  conspicuis  nullis,-  cirris  graeilibus,  supramaxillaribus  ros- 
tralibus  multo  longioribus  oculi  diametro  paulo  longioribus;  rictu  subparallelogrammico;  maxillis  acie 
cartilagiuea  margine  anteriore  valde  obtusis  truncatiusculis ;  maxilla  superiore  mediocriter  deorsum 
protractili;  maxilla  inferiore  symphysi  postice  tuberculo  conico  subhamato;  labiis  parum  carnosis  ,  su- 
periore ante  maxillam  superiorem  pendulo,  margine  libero  papillis  conicis  brevibus  obtusis  uniseriatis 
obsito;  labio inferiore  parum  rcfl.xo,  integro,  sulcis  inferne  brevibus  antice  isthmo  lato  valde  distanti- 
bus; mento  propter  maxillam  inferiorem  vix  adscendentem  vix  oblique  truncato;  operculo  latitudine 
2  circiter  in  ejus  altitudine,  oculi  diametro  sat  multo  graciliore,  margine  inferiore  couvexiusculo; 
apertura  branchiali  sub  praeoperculi  parte  postcriore  desinente;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis 
aggregatis  2.4.5,5.4.2,  singulis  facie  masticatoria  oblique  truncata  plus  minusve  contorta  mar- 
ginibus elevatis  irregularibus,  dentibus  serie  anteriore  antice  dimidio  apicali  sulco  longitudinal! 
lato  percursis;  osse  scapulari  trigono,  acute  rotundato:  linea  dorsali  convexa  linea  ventrali  convexa 
multo  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano;  squamis  postrorsum  obliquis ,  mediis  lateribus 
quam  cetero  corpore  paulo  majoribus,  dimidio  basali  vix  vel  non  ,  dimidio  libero  conspioue  longitudina- 
liter  striatis,  37  vel  38  in  linea  laterali,  14  vel  15?  in  serie  transversal!  (ventralibus  infimis  inclusis) 
quarum  5 /2  (6)  supra  lineam  lateralem,  11  vol  12  in  serie  longitudinal!  occiput  inter  et  pinnam 
dorsalem  ;  linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  ventralium  paulo  magis  quam  lineae 
dorsali  approxiniata,  singulis  squamis  tubulo  simplice  mediam  squamam  attingente  notata;  pinna 
dorsali  longe  ante  pinnas  ventrales  incipiente  et  supra  basin  anteriorem  pinnae  analis  desinente, 
basi  alepidota,  acuta,  emarginata,  minus  duplo  longiore  quani  alta  ,  longitudine  3' j  ad  3'/5  in  longi- 
tudine corporis,  altitudine  1  vel  plus  quam  1  in  altitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  et  ventra- 
libus acutis,  longitudine  subaequalibus,  7  circiter  in  longitudine  corporis,  pectoralibus  ventrales  non. 
ventralibus  analem  non  attingentibus;  pinna  anali  basi  vagina  squamosa  humili  inclusa,  acuta, 
con  vel  parum  emarginata,  dorsali  multo  humiliore  et  minus  quintuplo  breviore,  radio  simplice  ter- 
tio gracili  cartilagineo ;  pinna  caudali  basi  squamosa,  profunda  incisa,  lobis  acutis  4?  circiter  in 
longitudine  corporis;  colore  corpore  superue  viridi,  interne  argenteo;  hide  fiava  vel  rosea;  fascia 
cephalo-caudali  violaceo-fusca  diffusiuscula  tola  longitudine  a  linea  laterali  percursa;  pinnis  roseo- 
hyalinis  vel    roseis. 

15.  3.  D.  4  23  vel  4/24.  P.  115.  V.  2,8.  A.    3,5  vol  3/6.  C.  6/17/6  vel  7,17,7  lat.  brev.  inch 

Hab.  Sumatra  (  Solok  ,   Lahat),  in  fluviis. 

Longitudo  speciminis  unici  185'". 

Aan  m      Zeer  na  moet  Dangila  suinatrana  verwant  zijn  aan  Dangüa  philippinia. 

26 


202 

Naar  de  korte  beschrijving  dezer  soort  van  Ileckel  te  oordeelcn ,  verschilt  zij  er 
slechts  van  door  langere  rugvin  en  overlangschen  ligchaamsband. 
Mijn  eenig  voorwerp  dezer  soort  bevindt  zich  in  een'  weinig  voldoenden  toestand 
van  bewaring.  Een  nader  naauwkeurig  onderzoek  heeft  mij  de  vroeger  door  mij 
niet  ontwaarde  bovenliptepeltjes  doen  herkennen,  terwijl  ook  de  inplantingsgroeven 
der  grootendeels  verloren  gegane  schubben,  vrij  voldoende  de  formule  der  schub- 
ben hebben  laten  ontcijferen.  De  soort  is  ook  verwant  aan  Dangila  leptocheilos  Val. 
Voorwerpen  van  deze  soort,  van  gelijke  grootte  als  mijn  voorwerp  van  Dangila 
sumatrana,  met  het  laatste  vergelijkende,  vallen  de  verschillen  in  habitus  van 
ligchaam  en  kop  zeer  in  het  oog,  vermits  bij  Dangila  leptocheilos  de  rug  aan- 
merkelijk liooger  is  en  meer  gewelfd,  de  kop  aanmerkelijk  stomper  en  betrekkelijk 
hooger  en  de  rugvin  langer.  Het  voornaamste  verschil  komt  mij  echter  voor  ge- 
leden te  zijn  in  de  aanwezigheid  bij  Dangila  leptocheilos  van  één  schubrei  meer 
boven  de  zijlijn. 

Dangila  philippinia  Blkr.  —  PhiUppijnscIie  Lamba. 

Descriptio  Heckeliana  sequens. 

»  Gestuit  gestreckt,  besonders  gegen  den  Rückenfirst  stark  comprimirt;  Kopf  klein,  stumpf,  -/13 
•i  der  Gesaramtlange ,  oder  '/3  der  grössten  Körperhöhe  gleich.  Augen  '/3  des  Kopfes,  Rückenflossen- 
»  basis  sehr  lung.  I1  3  Diametern  der  gróssten  Körperhöhe  gleich.  Die  Mitte  der  Analflossenbasis 
»  stekt   unter   dem   Ende  der  Ri  isenbasis.     Schuppen  gross,  beinahe  durchaus  gleicli;  in  der 

»  Linea   lateralis   27    Schuppen,  C  Schuppenreihen   über   und    ')   unter  derselben.  D.  3  23.  A.  3/5. 

Syn.  Cyrene  philippinia  Heek.,  Fisch.  Syr.  p,  35. 

Cyreiie  philippina  Heek.  Fisch.  Syr.  Nachtr.  p.  1S3. 

Hal).    In-ui.    Philippin. 

Longitudo  speciminis  descripti  G  poll. 

Aanm.  Naar  de  korte  beschrijving  van  Ileckel  te  oordeelen,  zou  deze  soort  slechts 
van  Dangila  sumatrana  verschillen  door  cene  kortere  rugvin  en  de  afwezigheid 
van  een'  bruinen  overlangschen  ligchaamsband.  Een  nader  onderzoek  en  eene  ver- 
gelijking van  voorwerpen  van  beide  soorten  naar  de  natuur  is  noodig,  om  de  mo- 
gelijk verder  bestaande  verschillen  te  bepalen.  Met  het  oog  op  den  grooten  af- 
stand der  Philippijnsche  eilanden  van  Sumatra  is  het  niet  waarschijnlijk,  dat  beide 
soorten  tot  eene  enkele  zullen   kunnen   worden   tcruggebragt. 

Dangila  festiva  Blkr,    Act.    Soc.    scient.    Ind.  Neerl.    Tiende    bijdr. 
ichth.  fauna  v.  Borneo  p.   lQ.  —  Bomeosche  Lamba.  AU.   Cypr. 
Tab.  XV  fig.  6. 

igil.   corpore  ..1.'       .    compresso,  altitudine  i3M  ad    4l/a  in  ejus  longitudine,    latitudine  2  ca- 
cher  in   ejus  altitudine;  capita  acuto,  53,3  circiter  in    longitudine  corporis  cum,  4ad   t'/3 in  longitn- 


20 


o 


dine  corporis  absque  pinna  caudali,  altitudine  IV3  ad  11,4,  latitudinc  l3/.j  circiter  in  ejus  longitudine; 
oculis  superis,  diametro  2'/-2  circiter  in  longitudine  capitis,  diametro  1  fere  ad  1  in  capitis  parte  post- 
oculari,  diametro  1  circiter  distantibus,  membrana  palpebral!  iridis  marginem  externum  tantum  te- 
gente,  apertura  subcirculari;  linea  rostro-dorsali  iron  te  et  vertice  declivi  rectiuscula,  nucha  dorso- 
que  couvexa;  linea  interoculari  convexiuscula;  naribus  orbitae  magis  quam  rostri  apici  approximatis, 
posterioribus  patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  subtubulatis;  poris  parvis  utroque  latere  na- 
res  inter  et  angulum  operculi  superiorem  longitudinaliter  uniseriatis  parum  ad  non  conspicuis;  ros- 
tro  carnoso,  planiusculo,  convexo,  paulo  ante  os  prominente,  oculi  diametro  breviore,  antice  poris 
pluribus  magnis  valde  conspicuis  transversira  biseriatis  ;  osse  suborbitali  anteriore  irregulariter  tri- 
gono,  vix  ad  non  altiore  quam  longo,  margine  inferiore  obliquo  convexiusculo ,  marginibus  ante- 
riore concavo  et  posteriore  undulato  vel  angulato  in  angulum  acutura  sursum  spectautem  et  nares 
inter  et  oculum  desinentem  unitis;  osse  suborbitali  2°  elongato-tetragoao ,  antice  quam  postice  mul- 
to  altiore,  plus  duplo  Iongiore  quam  alto,  oculi  diametro  plus  quadruplo  humiliorej  ossibus  sub- 
orbitalibus  3°  et  4°  oculi  diametro  plus  quadruplo  gracilioribus  ;  poris  suborbitalibus  conspicuis  nullis; 
cirris  gracilibus  supramaxillaribus  rostralibus  longioribus  oculi  diametro  vix  ad  sat  multo  longiori- 
bus;  rictu  subparallelogrammico;  maxillis  acie  carlilagiuea  margine  anteriore  valde  obtusis  trun- 
catiusculis:  maxilla  superiore  mediocriter  deorsum  protractili;  maxilla  inferiore  symphysi  postice  tu- 
berculo  conico  subhamata;  labiis  parum  carnosis,  superiore  ante  maxillam  superiorem  pendulo  mar- 
cine  libero  papillis  conicis  brevibus  obtusis  uniseriatis  obsito,  inferiore  parum  reflexo  margine  libe- 
ro integro,  suleis  inferne  brevibus  anlice  isthmo  lato  valde  distantibus;  mento  propter  maxillam 
inferiorem  adscendentem  leviter  oblique  truncato;  operculo  Iatitudine  1  '/a  circiter  iu  ejus  altitudine, 
oculi  diametro  multo  graciliore,  margine  inferiore  rectiusculo  vel  coucaviusctilo;  apertura  branchi- 
ali  sub  praeoperculi  parte  posteriore  desinente  ;  dentibus  pliaryngealibus  masticatoriis  aggregatis 
2.4.5  5.4.2,  singulis  facie  masticatoria  oblique  truncata  marginibus  parum  elevatis,  dentibus  série 
anteriore  facie  masticatoria  plus  minusve  contorta  antice  dimidio  apicali  snlco  longitudinali  lato 
percursis;  osse  scapulari  trigono  acutiusculo  rotuudato;  linea  dorsali  couvexa  linea  ventrali  convexa 
altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  post  pinnas  ventrales  rotundato  non  carinato  ;  squamis 
subverticalibus,  margine  libero  valde  convexis  mediis  lateribus  quam  cetero  corpore  paulo  majoribus; 
striis  squamis  longitudinalibus  dimidio  earum  basali  nullis,  dimidio  libero  vix  conspicuis  vel  nullis  ; 
squamis  33  vel  34  in  linea  laterali,  1G  in  serie  trans versali  (ventralibus  inlimis  inclusis)  quarum 
7',  2  (8)  supra  lineam  lateralem,  11  in  serie  longitudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventrali- 
bus infimis  longitudinaliter  triseriatis ;  linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  basi  ventra- 
lium  non  multo  magis  quam  lineae  dorsali  approximata,  singulis  squamis  tubulo  simplice  mediam 
squamam  attingente  vel  subattingente  nota  ta;  pinna  dorsali  longe  ante  ventrales  ineipiente  et  supra 
mediam  basin  pinnae  analis  desinente,  basi  alepidota,  acuta,  emarginata,  duplo  fere  ad  duplo  longi- 
ore quam  alta,  longitudine  3  et  paulo  iu  longitudine  corporis,  altitudine  l1/*  ad  vix  plus  quam  1  in 
altitudine  corporis;  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis,  longitudine  subaequalibus  C',4  circiter 
in  longitudine  corporis,  pectoralibus  ventrales  non,  ventralibus  analem  non  attingentibus  ;  anali  basi 
vagina  squamosa  humili  iuclusa,  non  vel  parum  emarginata,  acuta,  dorsali  multo  liumiliore  et 
quintuplo  circiter  breviore,  radio  simplice  tertio  gracili  cartilagineo;  caudali  basi  squamosa,  pro- 
funde  incisa,  lobis  acutis  4  fere  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne  eoerulescente-viridi, 
inferne  argenteo;  iiide  rosea  vel  flava;  squamis  dorso  lateribusque  singulis  basi  vittula  transversa 
semilunari  fusca  vel  violacea;  pinnis  roseis,  dorsali  caudalique  ceteris  profundioribus,  dorsali  superne 
late  nigricante-violaceo  limbata,  caudali  medio  utroque  lobo  fascia  lata   longitudinali  violaceo-nigr», 

B.  3.  D.  4/25  vel  4/26.  P.  1  18.  V.  2/8.  A.  3  5  vel  3  6.  C.  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Cyrene  J 'estiva  Heck.,  Abbild.  Beselireib.  Fiscb.  Syriens  p.  35,  Naclitr.  p,  183. 


204 

Hab.  Borneo  (Kahnjan),  in  fluviis. 
Longitudo  5  speciminura  82  "  ad  98'". 

Aanm.  De  eerste  kennis  dezer  soort  is  evenzeer  aan  Ileckel  te  danken  als  die 
van  Dangila  ocellata.  Zij  is  kortelijk ,  maar  voldoende  herkenbaar,  in  zijne  Fische 
Syriens  beschreven  en  gemakkelijk  te  herkennen  aan  de  overlangsche  zwartachti- 
ge  banden  op  de  staartvinkwabben ,  welke  men  bij  geene  der  overige  bekende 
soorten  van  Dangila  terugvindt.  Zij  staat  overigens  in  verwantschap  tusschen 
Dangila  sumatrana  Blkr  en  Dangila  lipoeheilus  Val.  en  onderscheidt  zich ,  afgeschei- 
den van  de  staartvinbanden ,  nog  van  Dangila  sumatrana  door  4  of  5  schubben 
in  de  zijlijn  en  door  2  schubben  méér  boven  de  zijlijn  ,  en  van  Dangila  lipoeheilus 
door  een  paar  schubben  minder  in  de  zijlijn  en  drie  schubreijen  méér  boven  de  zijlijn. 

Dangila  cyanopareja  Blkr.  —  HeckeVs  Lamba. 

Descriptio  Heckeliana  sequens: 

»  Gestalt  der  Cyprinus  Idus  L.  Kopf  etvvas  wcniger  als  '  5  der  Gesammtlange,  oder  - .;  der  grössten 
»  Körperhöhe  gleich.  Augen  klein,  J  der  Kopflünge.  Die  Iliickenflossenbasis  ist  der  grössten  Körper- 
H  liölie,  ihre  ersten  Strahlen  einer  Kopflünge  gleich.  Die  Analflosse  entspringt  nach  dem  Ende  der 
»  Rüekenflosscnbasis.  Schuppen  gross,  besonders  im  Anfang  der  Linea  lateralis;  dièse  bestelit  ans 
»35  Schuppen,  hat  5  Reihen  über  und  4  un  ter  sich.  Ein  blauer  Fleck  auf  dera  Deckel,  gegen  deu 
»  obern  Winkel  der  Kiemenspalte.  D.  3  17.    A.  o  5". 

Syn.  Cyrena  cyanopareja  Heck.,  Fisch.  Syr.  p.   53,  Nachtr.  p.   183. 

Hab.  Insul.  Philippin. 

Longitudo  speciminis  descripti  5  pollic. 

Aanm.  De  verschillen  tusschen  Dangila  cyanopareja  en  Dangila  lipoeheilus  Val.  schij- 
nen zeer  gering  te  zijn ,  althans  wat  de  verhoudingen  des  ligchaams  en  de  for- 
mule der  schubben  en  vinstralen  betreft.  Evenwel  zou  onderwerpelijke  soort  eene 
blaauwe  vlek  op  het  operkel  hebben,  waarvan  in  de  beschrijving  van  Dangila  li- 
poeheilus Val.  geen  sprake  is  en  welke  ik  ook  niet  op  cene  bij  mij  berustende 
afbeelding  dier  soort  aangegeven  zie.  Beide  soorten  verdienen  evenzeer  nader 
met  elkander  vergeleken  te  worden  als  Dangila  philippinia  en    Dangila   sumatrana. 

Dangila  lipoeheilus  Val.,  Dangile  à  lèvres  minces  Poiss.    XVI    p.  176. 
—  Van  Hasselt' s  Lamba. 

Speciei  a  nie  non  observatae  desoriptio  Y;.lenciennesiana  sequens: 

h  Ces    cyprins  ont  la  pièce  antérieure  du  spus-orbitaire  beaucoup  plus    grande   que  les  barbeaux 

«  ordinaires,  de  façon  qu'elle  avance  jusqu'  au  bout  du  museau:  cela  leur  donne  un  aspecl  particulier. 

»  Le  profil  du  dos  est  rectiligne,  mais  uldve';  le  dos  est  arrondi;  le   ventre  comprimé  et  le  profil 


205 

«est  courbe.  La  hauteur  n'est  pas  quatre  fois  dans  la  longueur,  et  l'épaisseur  est  deux  fois  et  deux 
h  tiers  dans  la  hauteur. 

»  La  tète  est  petite;  le  front  plat,  large;  le  museau  obtus:  l'oeil  petit  en  arrière  et  en  haut;  le 
»  sous-orbitaïre  est  grand;  la  pièce  postérieure  est  très-petite;  les  trois  autres  sont  striées:  le  pré- 
»  opercule  est  petit;  l'opercule  est  grand,  lisse  et  sans  stries,  les  lèvres  sont  charnues,  minces;  il 
»  y  a  une  petite  pointe  sur  la  symphyse,  qui  entre  dans  un  angle  rentrant  de  la  mâchoire  supérieure, 
«comme  aux  muges  et  à  d'autres  cyprins.  11  y  a  quatre  barbillons  courts,  un  à,  chaque  commis- 
»  sure;  l'autre  presque  au  bout  du  museau. 

»  La  dorsale  est  presque  au  tiers  du  corps:  elle  est  peu  étendue,  et  le  premier  rayon  est  faible 
»  comme  dans  les  ables. 

»  L'os  de  l'épaule  est  arrondi,  petit;  la  pectorale    pointue,  la    ventrale    ordinaire,    l'anale  haute, 
i  mais  peu  longue,  un  peu  pointue  en  avant,   la  caudale  profondément  fourchue. 
.iD.  2,8  (lege  2,18).   P.   1G.  V.  8.  A.   C.  C.  20. 

iiLa  ligne  latérale  droite  par  le  milieu  du  corps;  les  écailles  petites,  minces,  sans  stries,  forment 
:i  3C  rangées  dans  la  longueur,  11  dans  la  hauteur;  une  grande  écaille  longue,  pointue,  couvre 
ii  l'aisselle  de  la  ventrale. 

»  La  couleur  du  dos  plombée,  celle  des  flancs  et  du  ventre  verdàtre  à  reflets  dorés,  pi  es  de  la 
•'  queue,  blanchâtre  argentée.  La  dorsale  est  blanchâtre,  avec  une  grande  tache  oblongue,  noirâtre 
ii  dans  lehaut.  Les  pectorales,  ventrales  et  anale  jaunâtre  pàle;  la  caudale  grise,  bordée  de  noir.  Sur 
ii  le  dessin  envoyé  de  Java  par  MM.  Kuhl  et  Van  Hasselt,  le  dos  est  vert,  le  ventre  bleuâtre; 
n  il  y  a  du  janne  sur  l'opercule  et  sur  les  flancs;  la  dorsale  et  la  caudale  sont  bleuâtres;  le  poisson, 
»  déposé  à  Leide,  est  long  de  huit    pouces". 

Syn.  Labeobarbus  lipocheilos  K.  v.  II.  Mss.  sec.  Val. 

Cyrene  lipocheila  Heek.,  Fisch.  Syr.  p.  oô,  Naclitr.  p.  183. 

Ilab.  Java  (Batavia,  Tjilankahan),  in  fluviis. 

Aanm.  Van  deze  soort  bezit  ik  geen  enkel  voorwerp,  niettegenstaande  zij  te  Batavia 
zou  voorkomen,  althans  volgens  eene  afbeelding,  nagelaten  door  Knhl  en  Van  lias- 
selt  en  gemerkt  Labeobarlut  lijioc/ici'ns.  Volgens  deze  afbeelding,  welke  genomen 
is  naar  een  voorwerp  van  70'"  lengte,  zou  de  formule  der  rugvinstralen  zijn  2  18, 
wat  goed  beantwoordt  aan  de  formule  van  den  heer  Valenciennes,  waar  de  for- 
mule z2    2/8   blijkbaar  gelezen    moet  worden    2/18. 

De  soort  zou  dan  voornamelijk  kenbaar  zijn  aan  het  geringe  aantal  barer  rugvin- 
stralen,  terwijl  de  rugvin  zelve,  naarde  af  bedding  te  oordeelen  ,  opmerkelijk  is  door 
hare  kortheid-,  gaande  hare  lengte  er  4  malen  in  de  lengte  des  ligchaams  en  be- 
dragende zij  aanmerkelijk  minder  dan  twee  malen  hare  hoogte.  De  af  beelding  ver- 
toont ö  of  5-|-  sehubreijen  boven  de  zijlijn,  welk  cijfer  echter  nader  zou  dienen 
bevestigd  te  worden,  daar  de  afbeelding  32  schubben  op  eene  overlangsche  rei 
aangeeft,  terwijl  de  heer  Valenciennes  van  3G  schubben  inde  zijlijn  spreekt.  Op  de 
bedoelde  afbeelding  is  nog  aangeteekend ,  dat  de  soort  ook,  ter  dubbele  grootte 
van  de  afbeelding,  gevonden  is  aan  Java's  zuidkust,  bij  Tjilankahan ,  in  bijna 
stilstaande  waterei}. 


206 

Dangila   spilurus  Blkr,  Nieuwe  Bijdr.  ichthyol.  Borneo,  Nat.  T.  Ned. 
Lid.  I  p.  272.  — Staartvlekkige  Lomba.  Atl.  Cypr.  Tab.  XV  fig.  1. 

Dangil.  corpore  elongato  compresso,  altitudine  "i  cireiter  in  ejus  longitudine,  latitudine  2  circiter  in  ejus 
altitudine;  capite  acuto  plus  quam  5  in  longitudine  corporis  cum,  -1 '/4  circiter  in  longitudine  corporis 
absque  pinna  caudali,  altitudine  1-/5  circiter,  latitudine  l3/s  circiter  in  ejus  longitudine;  oculis 
subsuperis,  diametro  3  et  paulo  in  longitudine  capitis,  diametro  1  et  paulo  in  capitis  parte  posto- 
culari,  diametro  l-/r>  circiter  distantibus,  membrana  palpebral!  iridis  marginem  externum  tegente, 
apertura  subcirculari;  linea  rostro- dorsali  front  e  et  vertice  convexiuscula,  nucha  dorsoque  convexa  ; 
linea  interoculari  convexiuscula;  naribus  orbitae  magisquam  rostri  apici  approxiraatis,  posterioribus 
patulis  valvula  claudendis,  anterioribus  margine  elevato  subtubulatis ;  poris  parvis  utroque  latere 
nares  inter  et  operculi  angulnm  superiorem  longitudinaliter  uniseriatis  paru  ra  conspicuis;  rostro  car- 
noso planiusculo  convexo,  paulo  ante  05  prominente,  oculi  diametro  vix  vel  non  breviore,  antice 
poris  pluribus  param  conspicuis;  osse  suborbitali  anteriore  tetragono ,  non  vel  vix  longiore  quam  alto 
margine  inferiors  rectiusculo;  osse  suborbitali  '2°  elon  t1  i-tetragono,  plus  duplo  longiore  quam  alto, 
antice  quam  postice  non  multo  altiore,  oculi  diametro  plus  triplo  humiliore;  osso  suborbitali  3° 
osse  suborbitali  4°  vix  latiore,  oculi  diametro  multoties  humiliore;  poris  suborbitalibus  conspi- 
cuis nullis;  cirris  supramaxillaribus  cirris  roslralibus  et  oculi  diametro  sat  multo  longioribus; 
rictu  subparallelogrammico;  maxiüis  acie  cartilaginea  margine  anteriore  valde  obtusis  truneatiusen- 
lis;  maxilla  superiors  mediocriter  dcorsum  protractili;  maxilla  inferiore  symphysï  postice  tuberculo 
conico  parum  conspicuo;  labio  superiore  carnoso,  antemaxillam  superiorem  pendulo,  margine  libero 
papillis  conicis  brevibus  obtusis  conspicuis  uniseriatis  obsito ;  labio  inferiore  valde  carnoso,  reflexo, 
integro,  sulcis  ioferne  sat  longis  antice  isthmo  lato  valde  distantibus;  mento  propter  maxillam mfe- 
riorem  adscendenten  Ieviter  oblique  truncate;  operculo latitudine  l'/g  circiter  in  ejus  altitudine,  oculi 
diametro  non  graciliore,  margine  inferiore  convexiusculo;  apertura  branchiali  sub  praeoperculi  mar- 
gine posteriore  desinente;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis  aggregatis  2.4.5/5.4.2,  facie  masti- 
catoria  truncatiusculis  sublobatis;  osse  scapulari  trigono  obtiususcule  rotundato;  linea  dorsali  con- 
vexa linea  ventrali  convexa  altiore:  squamis  obliquis  (angulo  marginis  liberi  superiore  ante  angu- 
lnm marginis  liberi  inferiorem  sito),  raediis  lateribus  quam  cetero  corpore  paulo  majoribus ,  2S 
p.  111.  in  linea  laterali ,  12  p.  m.  in  serie  transversali  (ventralibus  infimis  inclusis)  quarum  4*/a 
(5)  supra  lineam  lateralem,  9  vel  10  in  serie  longitudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem; 
linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi;  pinna  dorsali  sat  bnge  ante  pinnas  ventrales 
inci]  te    pinnam    analem    desinente,    basi    5"/3    circiter    in    longitudine    corpo- 

poris,  acuta,  ei  arginata,  corpore  paulo  humiliore,  non  vel  vix  altiore  quam  basi  longa;  pinnis  pectora- 
libus  et  ventralibus  acutis,  longitudine  subaequalibus ?  7?  circiter  in  longitudine  corporis;  anali 
acuta,  emarginata,  dorsali  sat  multo  humiliore  et  minus  triplo  breviore,  duplo  fore  altiore  quam 
basi  longa,  radio  sinplice  tertio  gracili  cartihi  eo;  caudali  basi  squamosa,  profunde  incisa,  lobis 
acutis  (partim  abruptis);  colore  corpore  superne  roseo-viridi ,  inferne  argenteo;  cauda  macula  rotun- 
da  ni"ricante  in  linea  laterali  basi  pinnae  caudalis  approximata ;  pinnis  roseis. 

B  0.   1).    1/10  vel    111.  1'.   1  12?   V.   2  7  vel  2  8.  A.  S  5  vel  3  G.  C.  G  17/6  lat.  brev.  incl. 

llab.  Borneo  (Bandjermasin),  in  fluviis. 

Longitudo  speciminis  unici  male  conservati  75'". 

Aanm.     Tk  heb  bovenstaande  beschrijving  moeten  nemen  naar  hetzelfde  beschadig- 
de  voorwerp,   naar   hetwelk  ik  de  soort  in  1S50  voor  het  eerst  beschreef,   zijnde  het 


207 

mij    niet  mogen  gelukken  in  het  bezit  van  nieuwe  voorwerpen   daarvan  te  geraken. 
De  soort  is  in    haar  geslacht  zeer  gemakkelijk  herkenbaar  aan   het  geringe  aan- 
tal  schubben    en  de  korte    rugvin.     Door  hare  korte  rugvin  nadert   zij ,   meer  dan 
eenige  andere  soort,  het  geslacht  Earbichthys,   doch  in    habitus  van  den    kop   wijkt 

zij    er  weder   zeer  van   af  wegens  de  geringe  ontwikkeling  der    onderoogkuilsbecn- 
deren. 


Abrostomus    Smith,  Illustrât.  Zool.  South  Africa,  Pise,  tab.  et  pa 
12  —  Weekbek-karper. 


Corpus  elongatum  compressum ,  squarais  mediocribus  tectum.  Maxil- 
lae  nudae.  Cirri  4,  supralabiales  (vel  rostrales?)  et  supramaxillares. 
Itostrum  earnosum,  integrum,  vix  ante  os  prominens ,  lateribus  non 
lobatum.  Labium  superius  crassum,  earnosum,  integrum,  nee  papil- 
latum  nee  fimbriatum,  cum  labio  inferiore  unitum.  Rictus  parvus 
parallelogrammicus.  Labium  inferius  integrum,  nee  lobatum,  nee 
fimbriatum.  Sulcus  postlabialis  utroque  latere  simplex,  longitudinaliter 
marginem  oris  versus  direetus.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales 
incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens,  radio  simplice  pos- 
tice  cartilagineo.     Pinnae  pectorales  subhorizontal  iter  insertae. 

Aanm.  Het  geslacht  Abrostoiuus  is  door  den  heer  Andrew  Smith  te  re°-t  als  een 
eigen  geslacht  beschouwd,  lleckel  nam  het  ook  als  zoodanig  aan  ,  doch  plaatste 
het  niet  onder  zijne  Temnochilae,  waartoe  het  echter,  blijkens  de  afbeelding  van 
den  heer  Smith  in  zijne  Illustrations  of  the  Zoology  of  South  Africa  (Pisces  tab. 
12  rig.  a),  blijkbaar  behoort.  In  verwantschap  staat  het  geslacht  eensdeels  tusschen 
Labeo  en  Kohitichthys,  en  ten  andere  tusschen  Labeo  en  Crossocheilos.  Het  is 
voornamelijk  gekenmerkt  onderde  Labeoninen  door  zijne  ronde  zamenhangende  °-aaf- 
randige  lippen  en  parallelogramvormige  mondopening  ,  terwijl  de  herkenning  nog 
gemakkelijk  wordt  gemaakt  door  den  weinig  uitpuilenden ,  noch  gegroefden,  noch 
gekwabten  snuit  en  betrekkelijk  kleine  schubben  (meer  dan  70  tot  meer  dan  100 
op  eene  overlangsche  rei,  althans  volgens  de  af  beeldingen).  Indien  de  af  beddingen 
van  Abrostomus  umbratus  en  Abrostomus  capensis  ten  opzigte  der  cirri  juist  zijn  , 
zou  het  geslacht  nog  de  bijzonderheid  hebben,  dat  het  bovenste  paar  voeldraden  er 
niet  ,  zooals  gewoonlijk  ,  op  den  snuit,  maar  op  de  bovenlip  zelve  zijn  ingeplant. 
In  zijne  beschrijvingen  spreekt  echter  de  heer  Smith  herhaaldelijk  van  snuitdraden 
en  zoo  zijn  de  afbeeldingen  ten  deze  misschien  inkorrekt.  liet  verdient  echter 
aanteekening,  dat  bij  de  vier  overige  kaapsche  Cyprinoïden ,  in  genoemd  werk  afo-e- 


203 

becKl,  de  snuitdraden  behoorlijk  als  van  den  snuit  ontspringende,  zijn  voorgesteld. 
Omtrent  het  tandenstelsel  vindt  uien  bij  den  heer  Smith  geene  opheldering.  Ue 
twee  genoemde  kaapsche  soorten  zijn  de  eenige,  welke  tot  nog  toe  van  het  geslacht 
Abrostomus  zijn  bekend  geworden.  Het  schijnt;  dat  het  geslacht  tot  Zuid-Afrika 
beperkt  is. 

Bahbiciithys  Blkr.  —  Santran. 

Corpus  subelongatum  eompressum ,  squamis  magnis  vestitum.  Ma- 
xillae nudae ,  non  tumidae.  Cirri  4  ,  rostrales  et  supramaxillares.  Rostrum 
non  carnosum ,  integrum  ,  ante  os  prominens ,  lateribus  non  lobatum , 
margine  libero  nee  papillatum  nee  fimbriatum.  Ossa  supramaxillaria 
ossa  intermaxilla  tota  tegentia  ,  intermaxillaria  et  inframaxillaria  cum  os- 
sibus  lateris  oppositi  obtusangulatim  unita,  acicbus  tenuibus.  Maxilla 
inferior  symphysi  tuberculo  munita.  Rictus  angulatus.  Labia  tenuia, 
intégra,  nee  papillata ,  nee fimbriata ,  superius  ante  maxillam superiorem 
pendulum ,  cum  labio  inieriore  continuum,  inferius  rellexum,  non  loba- 
tum, vixpost  maxillae  aciem  insertum.  Sulcus  postlabialis  simplex, 
martini  maxillae  inferioris  parallelus,  cum  sulco  lateris  oppositi  unitus. 
Ossa  suborbitalia  nuda  ,  anterius  formam  pedis  equini  subsimilans,  cetera 
valde  elevata,  genas  maxima  parte  tegentia.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas 
ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens,  basi  ale- 
pidota,  radio  simplico  postico  cartilagineo.  Dentés  pharyngeals  mas- 
ticatorii  ao'ffreo-ati  2.  4.  5  5.  4.  2.  ossibus  fragilibus  inserti. 

Cu         C  "^ 

Aanm.  Ik  grond  dit  geslacht  op  cene  soort,  welke  Van  Hasselt  reeds  aan- 
duidde   onder  den    naara  van    Barbus  nudicephalus,   de    heer    Valenciennes    in    de 

«Toote    Histoire    naturelle    des    Poissons    beschreef    onder    den    naam    van     Barbus 

o 

laevis,  en  welke  ik  zelf,  naar  de  verschillende  toestanden,  waarin  ik  haar  heb 
waargenomen,  heb  beschreven  onder  de  namen  Barbus  braclnnemus,  Barbus  go- 
bioides  en  barbas  taeniopterus. 

Die  soort  behoort  echter  niet  tot  barbus,  maar  tot  een  geheel  verschillend  ge- 
slacht, hetwelk,  wegens  zijne  naakte  kaken  en  vrije  lippen,  tot  de  Labeoninen  te 
brengen  is.  De  dunne  bovenlip  hangt  geheel  vrij  voor  de  bovenkaak,  doch  de 
onderlip  plant  zich  zeer  nabij  d^n  voorrand  der  onderkaak  in,  zoodat  zij  zonder 
nader  onderzoek   schijnt   de   onderkaak  te  omgeven   als   bij    barbus. 

Met    den    bouw   der   monddcelen,    welke    die    is  der  Labeoninen,  stemt  ook   de 


209 

habitus  van  het  geheele  ligchaarn  overeen  en  ook  de  keelgatbeenstanden  zijn  ge- 
bouwd naar  de  type  der  Labeoninen    van  de  oude  wereld. 

Barbichthys  is  na  verwant  aan  Dangila  en  onderscheidt  zich  daarvan  voorname- 
lijk door  niet  vleezigen  snuit,  ongetepelde  bovenlip,  zeer  ontwikkelde  hooge  onder- 
oogkuilsbeenderen,  van  welke  het  voorste  een  min  of  meer  paardenhoefachtige  ge- 
daante heeft,  hoekige  mondopening,  naauwelijks  van  de  onderkaak  afgezonderde 
onderlip   en  korte  rugvin. 

Tot  nog  toe  is  slechts  een  enkele  soort  bekend.  Onder  de  talrijke  nog  onvoldoende 
verklaarde  Cyprinoïden  van  Zuid-Azic  zie  ik  er  geene,  welke  tot  het  geslacht  Bar- 
bichthys gebragt  kan  worden  en  de  voorwerpen ,  mij  van  de  verschillende  groote 
Soenda-eilanden  geworden  en  vroeger  door  mij  beschouwd  als  tot  twee  soorten  te  be- 
hooren,  zijn  mij  sedert,  door  vergelijking  eener  groote  rei.  van  exemplaren,  geble- 
ken slechts  een  enkele  soort  uit  te  maken ,  welke  dezelfde  is  als  Barbus  laevis  Val. 

Barbichthys  laevis  Blkr.  —  Gewone  Santran.  Atl.  C)rpr.  Tab.  XVIII. 

Barbichth.  corpore  subelongato  corapresso,  altitudine  4'/3  ad  5'/4  in  ejus  longitudine,  latitudine 
l2/3  ad  2  in  ejus  altitudine;  capite  obtusiusculo,  convexo,  4', 3  ad  6'/2  in  longitudine  corporis  cum, 
S', 3  ad  5  in  ejus  longitudine  absque  pinna  caudali  ;  altitudine  capitis  I2/5  ad  l'/'ó,  latitudine  2  fere 
ad  l2 .5  in  ejus  longitudine;  oculis  diametro  3  ad  4Va  in  longitudine  capitis,  diametro  l1/*  ad  l3/* 
in  capitis  parte  postoculari,  diametro  l',4  ad  2',-2  fere  distantibus,  membrana  palpebrali  iridis  mar- 
ginem  externum  sat  late  tegente,  apertura  subcirculari;  rostro  obtuso  convexo,  apice  carnoso,  ante 
os  prominente,  juvenilibus  oculo  non  vel  vix  longiore ,  adultis  oculo  multo  longiore;  naribus  orbitae 
magis  quam  rostri  apici  approximatis;  linea  rostro-dorsali  capite  et  nucha  convexa,  occiput  inter 
et  nucliam  aetate  provectis  vulgo  concaviuscula;  linea  interoculari  convexa;  osse  suborbitali  anteriore 
formam  pedis  equini  subreferente  solea  subliorizontali  apice  antrorsum  spectante,  medio  crista  longi- 
tudinali  vulgo  ramosa  percurso;  osse  suborbitali  2°  pentagono,  junioribus  non  vel  vix  longiore  quam 
alto,  oculo  humiliore,  aetate  provectis  frequenter  altiore  quam  longo  oculo  non  humiliore,  margine 
inferiore  subliorizontali,  marginibus  anteriore  et  postiore  inferioribus  sub verticalibus ,  marginibus  su- 
perioribus  concaviusculis  in  angulum  acutum  sursum  spectantem  ossi  suborbitali  1°  contiguam  unitis  ; 
osse  suborbitali  3°  valde  lato  et  convexo  margine  posteriore  margini  praeoperculari  posteriori  ap- 
proximato;  maxilla  superiore  mediocriter  verticaliter  deorsum  proti-actili,  longe  ante  oculum  desi- 
nente;  rictu  tranverso  obtusangulo,  antice  (superne)  margine  triplice  ex  osse  intermaxillari  labiis- 
que  intermaxillari  et  rostrali  formato,  margine  intermaxillari  acuto  symphysi  paulo  inciso;  labio 
intermaxillari  tenui  membranaceo  sat  lato,  a  margine  ossis  intermaxillaris  anteriore  pendulo;  labio 
rostrali  margine  tenui  a  rostri  apice  et  ossis  supramaxillaris  facie  anteriore  pendulo  ;  rictu  postice 
(inferne)  margine  duplice  anteriore  ex  acie  ossis  inframaxillaris ,  posteriore  e  labio  inferiore  formato  ; 
labio  inferiore  vel  plica  menti  sat  lato  membranaceo ,  a  toto  margine  ossis  inframaxillaris  anteriore 
pendulo,  integro,  margine  ejus  libero  rictui  subparallelo  ;  maxilla  inferiore  symphysi  tuberculo  conico 
valde  conspicuo  subhamato,  inferne  utroque  ramo  poris  4  p.  m.  in  seriem  longitudinalem  dispositis, 
non  semper  conspicuis;  cirris  gracilibus  longitudine  subaequalibus,  oculo  duplo  ad  minus  duplo  brevi- 
oribus ,  anterioribus  insertione  longe  ab  osse  suborbitali  1°  remota  apici  rostri  approximata  ;  oper- 
culo  latitudine  2  fere  ad  2  in  ejus  altitudine,  margine  inferiore  convexiusculo  vel  rectiusculo  ;  aper- 

27 


210 

tura  branchiali  sub  praeoperculi  angulo  posteriore  desinente;  dentibus  pharyngealibus  masticatoriis 
aggregatis  2.  1.  5/5. 4. 2,  ossibus  gracilibus  fragilibus  insertis;  osse  scapulari  trigono  obtuse  rotun- 
dato;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano,  lateribus  angulato,  post  pinnas  ventrales  rotundato  non 
carinato;  dorso  sat  elevato  angulato,  ventre  raulto  altiore;  squamis  dimiJio  libero  et  vulgo  ctiam  di- 
inidio  basali  flabelliforme  striatis,  3C  ad  30  in  linea  lateral!,  13  in  serie  transversal!  absque  ven- 
tralibus  infimia  quarum  C'  i  supra  lineam  lateralera,  11  vel  12  in  serie  longitudinal!  occiput  inter 
et  piunam  dorsalem,  ventralibiis  infimia  longitudinaliter  quinqueseriatis,  serie  media  postrorsum 
magnitudine  sensim  accrescentibus  ils  seriebus  lateralibus  non  majoribus  ;  linea  Iaterali  rectiuscula 
antice  tantum  leviter  curvata,  lineam  rostro-caudalem  non  attingente,  singulis  squamis  tubulo  simplice 
mediam  squamam  vulgo  non  attingente  notata;  pinna  dorsali  ante  pinnas  ventrales  incipiente,  acuta, 
emarginata,  corporo  nouvel  paulo  tantum  humiliore,  multo  sed  multo  minus  duplo  altiore  quam  basi 
longa,  radio  simplice  postico  gracili,  laevi,  maxima  parte  cartilagineo  flexili,  capitenon  ad  non  multo 
longiore;  piunis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis  longitudine  subaequalibus  vel  pectoralibus  ventra- 
libus  paulo  longioribus  G  ad  0;  j  in  longitudine  corporis,  pectoralibus  venti-ale3  junioribus  attingen- 
tibus  vel  subattingentibus  aetate  provectis  non  attingentibus  ;  ventralibus  analem  non  attingentibus; 
anali  acuta,  non  vel  parum  emarginata,  dorsali  multo  sed  multo  minus  duplo  humiliore,  duplo  circiter 
altiore  quam  basi  longa,  radio  simplice  tertio  gracili  basi  tantum  osseo  ;  pinna  caudali  basi  tantum 
squamosa,  profunde  incisa  lobis  acutis  3'  j  ad  4  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superne 
coerulescente-viridi ,  inferne argenteo ;  irideflava  roseo  tincta;  opereulo  macula  diffusa  ignea  specimini- 
bus  conservatis  non  conspicuis;  jiinnis  flavis  vel  roseis  basi  frequenter  pulchre  rubris,  caudali  utroque 
lobo  fascia  longitudinal!  intramarginali  nigricante-violacea;  dorsali  junioribus  fascia  obliqua  lata  nigri- 
caute  ab  apice  pinnae  basin  pinnae  posteriorem  versus  descendente  et  insuper  basi  antice  macula 
magna  trigona  nigricante, 

B.  3.  Ü.  4/8  vel  4/9.  P.  1  14  ad  1/16.  V.  2  8.  A.  3  3  vel  3  G.  C.  7,17,7  vel  G  17,  G  lat.  brev.  incl. 
Syn.  Barbus  nudicephalus  K.  v.  H.  sec.  delin.  inédit. 

Barbus  laevls  Val.,  Poiss.  XVI  p.  145;  Blkr,  Zevende  bijdr.  ichth.  Borneo,  Nat.   Tijdschr. 
N.  Ind.  V  p.  447. 

Barbeau  lissa  Val.,  Poiss.   XVI  p.  145. 

Barbus    brachynemus  Blkr,  Verb.  Bat.  Gcn.  XXIII  Iclitb.  Midd.  Oost-Java  p.  18. 

Barbus   gobloid.es   Blkr,  Diagn.    beschr.    visebs.   Sumatra  Tient.  I  —  IV,  Nat.  T.  Ned.  Ind. 
III  p.  592. 

Barbus  taeniopterus  Blkr,  Ind.  descript.  pisc.  Nat.  Tijdschr.  Ned.  Ind.  XIV  p.  475. 

Baltu-ulu  Lampong,  Wadon  gunonj  Mal  Bat.,  Sanlran  Sundan.,  Wader  Javan. 
Ilab.  Java  (Batavia,    Tangerang,  Baukasbetong,  Lebak,   Buitenzorg,    Parongkalong,  Surabaja, 
Gempol  ),  in  fluviis. 

Sumatra  (  Provincia  Lampong,  Pangabuang,  Paiembang,  Labat),  in  fluviis. 

Borneo  (Pengaron),  in  fluviis. 
Longitudo  48  speciminum  C8'"  ad  310'". 

Aanrn.   Volledige  reijen   voorwerpen  der  ondenvcrpclijke  soort  van  Java ,  Surna'nt 

en    Borneo,  hebben    mij   doen  herkennen,  dat    mijne  vroegere  Barbus  taeniopterus 

■   a-bus  gobioi  '  kr  nee  Val.)  tot  haar  terug   te  brengen  is,  even  als  ik  vroeger 

'  s   heb  aangeduid  ,  dat  mijne  Barbus  brachynemus  insgelijks  Barbus  laevis  voorstelt. 

De  sooi :  reeds  aan    Van  Hasselt  bekend,  blijkens  eene  door  hem  nagelatene 


211 

teekening,  welke  den  naam  draagt  van  Barbus  nudicephalus  en  van  welke  ik  eene 
kopie  bezit.  Die  teekening  is  echter,  hoewel  zij  de  soort  nog  laat  herkennen, 
blijkbaar  naar  een  verkleurd  voorwerp  genomen  en  bezit  overigens  meerdere  gebreken. 

De  eerste  beschrijving  der  soort  is  te  danken  aan  den  heer  Valenciennes,  doch 
de  beschrijving  der  vormen  is  te  onvolledig  en  die  der  kleuren,  genomen  naar 
de  besprokene  afbeelding,  te  gebrekkig,  dan  dat  men  daarnaar  de  soort  zou  kun- 
nen herkennen.  Toen  ik  alzoo  de  soort  voor  het  eerst  beschreef,  meende  ik  eene 
eigene  soort  voor  mij  te  hebben,  niettegenstande  de  voorwerpen,  naar  welke  mijne 
beschrijving  van  Barbus  brachynemus  genomen  is,  ten  opzigte  der  kleuren  te  wen- 
schen  overlieten.  Het  eerste  fraai  bewaarde  voorwerp,  hetwelk  ik  van  Barbichthys 
laevis  waarnam,  ontving  ik  van  Palembang  in  1352  en  was  slechts  105'"  lan» 
De  donker  violette  staartvinbanden  en  de  roode  schuinsche  overlan^sche  band  der 
rugvin ,  welke  bij  de  oudere  voorwerpen  trouwens  verdwijnt,  deden  mij  het  brengen 
tot  eene  eigene  soort,  welke  ik  Barbus  gobioides  noemde,  een  naam,  dien  ik  sedert 
ontwaarde  reeds  aan  eene  andere  species  gegeven  te  zijn  en  die  daarom  in  dien 
van  Barbus   taeniopterus  veranderd  werd. 

De  Santran  is  op  Java  niet  zeldzaam,  doch  zij  schijnt  in  oostelijk  Java  veel- 
vuldiger  voor  te  komen  dan  in  het  westelijke  gedeelte  van  het  eiland.  Wat  Suma- 
tra en  Borneo  betreft,  ontving  ik  haar  slechts  van  het  zuidoostelijke  gedeelte  dier 
eilanden.  Reeds  elders  heb  ik  oplettend  gemaakt  op  het  feit,  dat  de  vischfauna 
van  zuidoostelijk  Sumatra  en  van  zuidoostelijk  Borneo  meer  overeenkomst  heeft 
met  die  van  Java  dan  die  der  overige  streken   dier  beide  eilanden. 

Mou  An  a  Blkr. 

Corpus  elongatum  conipressum ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
nudae ,  acie  cartilaginea  tenues.  Cirri  nulli.  Rostrum  non  carnosum,  in- 
tegrum ,  obtusum ,  convexum,  ante  os  prominens ,  lateribus  non  lobatum , 
margine  libero  nee  papillatum  nee  fimbriatum.  Ossa  supramaxillaiïa  ossa 
mtermaxillaria  tota  tegentia.  Maxilla  inferior  symphysi  tuberculo  nullo. 
Rictus  ore  clauso  semilunaris.  Labia  tenuia ,  intégra ,  nee  papillata  nee 
fimbriata,  superius  ante  maxillam  superiorem  pendulum  cum  labio  infe- 
riore  continuum ,  inferius  paulo  post  maxillae  aciem  insertum.  Ossa  sub- 
orbitalia  nuda,  anterius  pentagonum  apice  sursum  spectante,  cetera 
valde  lata,  genas  maxima  parte  tegentia.  Pinna  dorsalis  supra  basin  pinna- 
rum  ventralium  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens ,  basi  ale- 
pidota,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Pinna  analis  dorsali  longior 


212 

Dentés  pharyngeals  masticatorii  aggregate  triseriati?  facie  masticatoria 
oblique  truncati  plani. 

Aanra.  Het  geslacht  Morara  komt  mij  voor  in  verwantschap  te  staan  tusschen 
Barbichthys  en  Mrigala,  doch  nog  de  meeste  overeenkomst  te  bezitten  met  Bar- 
bichthys ,  waarvan  het  voornamelijk  verschilt  door  zeer  dunne  scherpe  platte  onder- 
kaak  zonder  knobbel  aan  de  symphysis,  zeer  dunne  onderlip,  vijflioekig  voorste 
onderoogkuilsbeen ,  halvemaanvormige  bekspleet,  aanwezigheid  van  voeldraden,  niet 
voor  de  buikvinnen  beginnende  rugvin,  langere  aarsvin,  enz. 

Ik  grond  het  geslacht  op  Cyprinus  morar  I3uch.,  van  hetwelk  ik  een  jeugdig  voor- 
werp bezit ,  hetwelk  zich  in   geen'  te  besten  toestand  van  bewaring  bevindt'. 

Ik  kan  het  aantal  der  tanden  niet  bepalen  ,  doch  zij  behooren  stellig  tot  de  dentés 
aggregati  met  schuins  afgeknotte  effene  kaauwvlakteu. 

Te  oordeelen  naar  hetgeen  de  heer  MacClelland  zegt  omtrent  zijne  Leuciscus  mar- 
garodes,  is  ook  deze  soort  tot  Morara  te  brengen. 

Semiplotus  Blkr. 

Corpus  oblongum  compressum ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxilla 
inferior  in  aciem  cartilagineam  attenuata.  Cirri  nulli.  Caput  et  rostrum 
integrum  valde  carnosa.  Ossa  intermaxillaria  ossibus  maxillaribus  affixa 
et  ossa  maxillaria  ossibus  nasalibus  et  suborbitalibus  affixa,  unde  ma- 
xilla superior  immobilis.  Labia  nee  papillata  nee  fimbriata,  inferius 
vix  reflexum.  Rictus  inferus.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  in- 
cipiens  et  supra  pinnam  analem  desinens ,  radio  simplice  postico  osseo 
non  serrato.  Dentés.? 

Aanm.  Ik  stel  dit  geslacht  op  naar  de  soort,  door  den  heer  MacClelland  onder 
den  naam  van  Cyprinus  semiplotus  beschreven  en  afgebeeld.  De  heer  Valenciennes 
heeft  deze  soort  onder  de  soorten  van  Cyprinus  opgenomen,  doch  llcckel  zonderde 
haar  te  regt  daarvan  af  en  bragt  haar  tot  zijne  Temnochilae,  waar  hij  haar  onder 
zijn  geslacht  Cyprinion  plaatste.  Zeker  ook  is  zij  aan  Cyprinion  verwant,  maar 
zij  verschilt  er  van  niet  alleen  door  de  afwezigheid  van  voeldraden,  wat  op  zich 
zelf  van  geene  generische  waarde  zou  zijn,  maar  ook  door  zeer  vleezigen  kop  en 
snuit,  het  met  elkander  vast  verbonden  zijn  van  de  tusschenkaaks-,  bovenkaaks,- 
neus-en  onderoogkuilsbeenderen ,  het  ongetande  van  den  rugdoorn  en  door  de  bui- 
tengewone lengte   van  de  rugvin   zelve,  welke  ongeveer  26   verdeelde  stralen  heeft 


213 

en,    naar  de   afbeelding  te    oordeelen ,   niet  alleen  ver  vóór  de   buikvinnen  begint 
maar  zelfs  eerst  midden  boven  de  aarsvin  eindigt. 

De  soort  is  opmerkelijk  door  hare  9  in  eene  dwarsche  rei  geplaatste  groote  snuit- 
poriën  Zij  is  overigens  ten  opzigte  van  den  bouw  der  lippen  nog  slechts  onvol- 
doende bekend,  terwijl  van  het  tandenstelsel  in  het  geheel  geene  melding  is  gemaakt. 

Opistocheilos  Blkr.  s=.  itM^&\^<rr<^  UfU- 

Corpus  elongatum  vel  subelongatum  compressum,  squamis  parvis 
vestitum.  Maxillae  nudae,  acie  cartilaginea  tenues.  Cirri  4,  rostrales 
et  supramaxillares.  Rostrum  carnosum  integrum,  non  lobatum,  ante 
os  prominens.  Labia  intégra,  nee  papillata  nee  fimbriata,  superius 
cum  inferioris  margine  libero  continuum ,  inferins  reflexum.  Pinna 
dorsalis  ante  vel  supra  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pin- 
nam  analem  desinens,  radio  simplice  postico  osseo  serrato.  Pinna 
analis  basi  plica  longitudinali ,  anum  tegente ,  squamis  magnis  instruc- 
ta.     Dentés  pharyngeales  2.  3.  5  5.  3.  2. 

Aanm.  Toen  Heckel  in  eene  reeks  van  uit  Cashmir  ontvangene  Cyprinoïden 
het  merkwaardige  kenmerk  waarnam  van  eene  den  anus  bedekkende  overlangsche 
met  groote  schubben  bekleede  plooi,  meende  hij  alle  soorten,  welke  dat  kenmerk 
bezitten,  tot  eeneigen  geslacht  te  moeten  brengen,  hetwelk  hij  Schizothorax  noem- 
de. Deze  soorten  deed  hij  nader  kennen  in  zijne // Fische  aus  Caschmir",  in  1S33 
te  Weenen  gepubliceerd.  Toen  echter  reeds  bragt  Heckel  de  hem  bekende  soor- 
ten, naar  den  bouw  barer  monddeelen,  tot  drie  groepen,  welke  hij  omschreef 
als  volgt. 

A.  Labiis   margine  in  aciem   attenuates,  inferiore   (labio)  membrana  cartilaginea 
polita    tecto   margineque   ipsius   reflexo   integro;   maxilla   inferiore   horizontali. 

B.  Labiis  margine  in  aciem  attenuatis,  niollibus;    margine  reflexo   labii   inferioris 
medio  interrupto. 

C.  Labiis    incrassatis,  mutiris. 

Te  regt  zag  Heckel  later  in,  dat  zijn  oorspronkelijk  geslacht  Schizothorax  een 
zamengesteld  geslacht  was,  en  in  1847,  in  zijne  // Nacht  rag  zur  Charakteristik  und 
Classifikation  der  Cyprineèn-Gattnngen",  zonderde  hij  dan  ook  die  soorten  van  Schizo- 
thorax af,  bij  welke  de  onderkaak  in  een'  dunnen  kraakbeenigen  rand  eindigt. 
Deze  soorten  bragt  hij  tot  een  eigen  geslacht  zijner  Temnochilae,  hetwelk  hij 
Schizopyge  noemde  en  waarin  hij  opnam  alle  soorten,  welke  te  brengen  zijn  tot 
zijne  boven  aangehaalde  groepen  A    en   B  ,  t.  w.  Schizopyge  plagiostomus  Heek. , 


214 

All 

Scliizopvge  sinuatus  Heck.,  Schizopyge  curvifrons  Heck.,  Scbizopyge  longipinnis  Heck., 
Schizopyge  niger  Heck,   en  Schizopyge  nasus  Heck. 

Ik  ga  een  stap  verder  dan  Heckel  en  beschouw  zijne  groepen  A  en  13  als  af- 
zonderlijke geslachten,  welke  door  den  lipbouw  voldoende  van  elkander  verschil- 
len om  ze  tot  twee  afzonderlijke  geslachten  te  verheffen. 

Opistocheilos  is  alzoo  gevormd  ten  koste  van  Schizopyge  Heek.,  en  omvat  slechts 
Ileckel's  Schizopvge  plagiostomus  en  Schizopyge  sinuatus,  terwijl  de  overige  soor- 
ten onder  Schizopyge  kunnen  blijven. 

Ue  afdeeling  C  van  Heckel  beantwoordt  alzoo  aan  Schizothorax,  zooals  hij  het 
later  zelf  opvatte.  Zijne  afdeeling  13  heeft  dezelfde  beteekenis  als  Schizopyge, 
zooals  ik  dit  geslacht  aanneem  en  hieronder  nader  zal  omschrijven;  terwijl  zijne 
afdeeling  A  gelijkbeteekend  is  met  het  geslacht  Opistocheilos,  zoo  als  het  hierboven 
is  bepaald. 

Behalve  de  beide  genoemde  soorten,  ken  ik  tot  nog  toe  gecne  andere,  welke 
tot  Opistocheilos  kunnen  gebragt  worden,  ten  zij  misschien,  althans  naar  de  af- 
beelding te  oordeelen,  Racoma  nobilis  McCl.,  alsmede  Schizothorax  proprias  McCl. 
Het  geslacht  Opistocheilos  behoort  nog  tot  de  echte  Labeoninen  met  driereijge 
keelgatbeenstanden,  doch  het  is  bet  eenige  bekende,  bij  hetwelk  de  acherste  on- 
verdeelde rugvinstraal  beenachtig  en  tevens  getand  is  en  waar  eene  aarsscheede 
met  groote  schubben  wordt  aangetroffen. 

Cochlognatiius  Baird  Gir.,  Notie,  of  a  new  genus  of  Cyprinidae  in 
Proceed.  Acad.  nat.  scienc.  Pliilad.  VII  1854  p.  150;  Girard, 
Cyprin.  Fish.  Unit.  States  ibid.  VIII  1856  p.  181. 

Corpus  oblongum  compressum ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
nudae  cochleariformes  acic  acutae.  Cirri  nulli.  Rostrum  integrum  ob- 
tusum.  Rictus  parvus  terminalis.  Pinna  dorsalis  supra  pinças  ventrales 
iricipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens ,  radio  simplice  osseo  ? 
(structure  of  rimephales  Gir.).  Dentés  pliaryngeales  cultriformos  unci- 
nati  4  4 

Aanm.  Dit  geslacht  schijnt  voornamelijk  gekenmerkt  te  zijn  door  de  lepelvormige 
gedaante  der  kaken.  Ik  zie  er  slechts  eene  enkele  soort  van  vermeld,  Cochlognathus 
ornatus  Baird  Gir.  De  heer  Girard  zegt  ook,  dat  de  rugvin  er  den  bouw  heeft  van 
dien  van  l'imcphales,  wat  doet  denken,  dat  de  laatste  onverdeelde  rugvinstraal  er  ins- 

'ijks  beenig  is. 


215 

Pimephales  Kaf.,  Ichth.  Ohiens.  ;  Ag.,  Iclith.  Pacif.  slope  N.  Amer.  p. 
35  in  Amer  Journ.  scienc.  arts  2d  Ser.  XIX;  Gir.,  Cyprin.  Fish. 
Unit.  Stat,  in  Proceed.  Acad.  nat.  scienc.  Philad.  VIII  p.   ISO. 

Corpus  oblongum  subfusiforme ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
aequales,  nudae,  cartilagineae,  durae.  Cirri  nulli.  Caput  breve  conicum. 
Rostrum  obtusum  integrum.  Rictus  curvatus ,  terminalis.  Pinna  dorsalis 
supra  vel  vix  ante  pinnas  ventrales  incipiens,  radio  simplice  postico 
osseo.  Dentés  pharyngeales  cultriformcs  leviter  uncinati  4/4  facie  mas- 
ticatoria  gracili. 

Aanm.  Het  geslacht  Pimephales  is  onder  de  Labeonineii  der  nieuwe  wereld  de  te- 
genhanger van  Opistocheilos  Blkr,  door  zijnen  doornachtig  ontwikkelden  achtersten 
rugvinstraal,  welke  echter  niet,  zooals  die  van  Opistocheilos,  geland  is.  Omtrent 
de  bijzondere  verhouding  der  lippen  vind  ik  ophelderingen  noch  bij  den  heer  Agassiz, 
noch  bij  den  heer  Girard.  Behalve  de  door  Rafinesque  ontdekte  soort  (Pimephales 
prornelas  Raf.)  brengt  de  heer  Girard  nog  twee  soorten  tot  Pimephales  t.  w.  Pi- 
mephales maculosus  Gir.  en  Pimephalus  fasciatus  Gir. 

Pseudogobio  Blkr. 

Corpus  elongatum  subfusiformi-compressum,  squamis  magnis  vesti- 
tum. Maxillae  nudae.  Cirri  2  ,  supramaxillares.  Rostrum  integrum,  acu- 
tum,  porrectum,  non  ante  os  prominens,  inferne  nee  crenulatum  nee  lo- 
batum.  Os  suborbitale  anterius  longe  ante  oculum  situm.  Labium  superius 
ante  maxillam  superiorem  pendulum,  crenulatum.  Labium  inferius  re- 
flexum  trilobatum.  Os  inferum ,  rictu  ore  clauso  semilunari  vel  form  a  m 
ferri  equini  referente.  Maxilla  inferior  non  tumida.  Linea  lateralis 
parum  curvata.  Anus  longe  ante  pinnam  analem  perfora  tus  basi  pin- 
narum  ventralium  approximatus.  Regio  thoraco-gularis  alepidota. 
Pinna  dorsalis  sat  longe  ante  basin  ventralium  incipiens  et  vix  post 
basin  ventralium  desinens,  radio  simplice  postico  toto  cartilagineo. 
Pinnae  pectorales  subhorizontaliter  insertae.  Dentés  pharyngeales  gra- 
ciles acuti  5  5. 

Aanm.  Ik  grond  het  geslacht  Pseudogobio  op  eene  soort,  afgebeeld  en  uitvoi 


21G 

beschreven  in  de  Fauna  Japonica  onder  den  naam  van  Gobio  esocinus.  De  heer 
Schickel,  de  talrijke  merkwaardigheden  opmerkende,  welke  deze  soort  aanbiedt ,  liet 
haar  niettemin  onder  het  geslacht  Gobio  plaats  nemen.  Inderdaad  ook  heeft  zij 
in  voorkomen  veel  van  eene  Gobio,  maar  gewigtige  kenmerken  wijzen  haar  eene 
plaats  aan,  verre  van  Gobio  verwijderd.  Zooals  de  bewerktuiging  der  monddeelen 
door  den  heer  Schlegel  beschreven  is,  blijft  er  bij  mij  geen  twijfel  over  of  de  soort 
behoort  tot  de  Phalakrognathinen.  In  deze  groote  reeks  van  Cyprinoïden  blijft  het 
echter  dan  nog  moeijelijk  haar  eene  juiste  plaats  aan  te  wijzen.  Zij  behoort  daarin 
blijkbaar  tot  de  Labeoninen  ,  maar  laat  zich  tot  geen  der  talrijke  daarin  thans  reeds 
opgestelde  geslachten  terug  brengen.  De  plaatsing  van  den  anus  nabij  den  grond 
der  borstvinnen  en  het  schnblooze  van  de  keel-borststreek  zijn  kenmerken ,  waar- 
door zij  zich  van  alle  andere  bekende  geslachten  van  Labeoninen  onderscheidt.  Door 
hare  eenreijige  keelgatstanden  onderscheidt  zij  zich  voorts  van  alle  geslachten  van 
Labeoninen  der  oude  wereld  en  sluit  zij  zich  aan  de  amerikaansche  geslachten 
Jlvborhynchus  Ag.,  Hybognathus  enz.  en  door  hare  bovenkaakstanden  aan  het  ame- 
rikaansche geslacht  Mylocheilos  Ag.,  van  hetwelk  zij  echter,  behalve  doorliet  tan- 
denstelsel,  door  meerdere  andere  bijzonderheden  in   de  bewerktuiging  verschilt. 

Ik  houd  dit  geslacht  voor  een  der  meest  natuurlijke  en  heb  het  genoemd  naar 
zijne  schijnbare  verwantschap  aan  Gobio. — Pseudogobio  esocinus  is  tot  nog  toe  zijne 
eenigste   bekende  vertegenwoordigster. 

Mylociieilus  Ag.,  Ichth.  Faun.  Pacif.  slope  N.  Amer.  p.  44,  in  Amé- 
lie. Journ.  scienc.  arts  2d  Ser.  Vol.  XIX. 

Corpus  elongatum  compressum ,  squamis  mediocribus  vestitum.  Maxil- 
lae nudae  .  Cirri  2 ,  supramaxillares.  Rostrum  rotundatum ,  integrum. 
Rictus  subterminalis ,  horizontalis.  Pinna  dorsalis  brevis  ante?  pinnas 
ventrales  incipiens,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Dentés  pharvn- 
geales  molares,  nec  gyrati  nec  sulcati,  persistentes  2.5/5.2.  vel  cum  serie 
decidua  3.2.5/5.2.3. 

Aanm.  Uit  hetgeen  de  heer  Agassiz  zegt  van  de  hoornachtige  scheeden  van  de  bo- 
ven- en  onderkaak,  blijkt,  dat  Mylociieilus  tot  de  Phalakrognathinen  behoort.  De  heer 
Girard  heeft  het  tandenstelsel  nader  toegelicht,  doch  hij  zegt,  in  bepaalde  tegenstel- 
ling van  den  heer  Agassiz,  dat  de  buikvinnen  vóór  den  voorrand  der  rugvin  zijn 
ingeplant.  Sir  Richardson  meldt  van  zijne  Cyprinus  (Leuciscus)  caurinus,  welke  tot 
Mylociieilus  behoort,  dat  de  buikvinnen  er  onder  den   vijfden   rugvinstraal  zijn  in- 


217 

geplant,   wat  de   definitie  van  den  heer  Agassiz  bevestigt.     Overigens    vind  ik  bij 
geen  der  drie  schrijvers  eenige  mededeeling  omtrent   den  bouw  der  lippen. 

Behalve  de  genoemde  soort  zijn  nog  twee  andere  tot  Mylocheilus  gebragt,  t.  w. 
Mylocheilus  lateralis  Ag.  Piek  en  Mylocheilus  fraterculus  Gir. 

Exoglossum  Raf.  ;  Ag.,  Ichthyol.  Pacif.  slope  N.  Amer.  p.  30  in  Am. 
Journ.  scienc.  arts  2cl  Ser.  Vol.  XIX;  Girard,  Cyprin.  Fish. 
Unit.  Stat,  in  Proc.  Acad.  nat.  scienc.  Phil.  VIII  1856  p.  191. 

Corpus  elongatum  cylindrico-compressiusculum ,  squamis  mediocribus 
vestitum.  Maxillae  nudae.  Cirri  nulli.  Rostrum  obtusum  convexum 
integrum ,  non  ante  os  prominens.  Labium  superius  integrum  nee  papil- 
latum  necfimbriatum,  cum  Iabio  inferiore  continuum.  Rictus  subinferus. 
Labium  inferius  utroque  latere  latum  quasi  lobum  efficiens.  Maxilla 
inferior  inter  lobos  labii  inferioris  symphysi  deficientis  prominens ,  unde 
maxilla  ipsa  quasi  triloba.  Pinna  dorsalis  supra  vel  vix  post  pinnas 
ventrales  incipiens  et  ante  pinnam  analem  desinens,  radio  simplice 
postico  cartilagineo.  Dentés  pharyngeals  cultriformes  compressi ,  curvati 
uncinati  1.4/4.1. 

Aanm.  Tot  het  geslacht  Exoglossum ,  zoo  als  het  door  de  heeren  Agassiz  en  Girard 
is  beperkt  en  hierboven  omschreven,  zijn  tot  dusverre  slechts  2  soorten  te  brengen, 
t.  w.  Exoglossum  maxillingua  Hald.  Ag.,  de  typische  reeds  aan  Rafinesque  beken- 
de soort,  en  Exoglossum  mirabile,  door  den  heer  Girard  in  zijn  bovenaangehaald 
artikel  kortelijk  beschreven.  Exoglossum  is  een  der  weinige  geslachten  van  Labeoni- 
nen  van  Noord-Amerika,  van  welke  de  bouw  der  monddeelen  met  voldoende  naauw- 
keuridieid  beschreven  is. 


o 


Campostoma  Ag.,  Ichth.  Pacif.  slope  N.  Amer.  p.  33  in  Amer.  Journ. 
scienc.  arts  2J  Ser.  XIX;  Girard,  Cyprin.  Fish.  Un.  Stat.  in 
Proc.  Acad.  nat.  scienc.  Philad.  VIII  1856  p.  176. 

Corpus  elongatum  fusiformi-compressum,  squamis  mediocribus  ves- 
titum. Maxillae  nudae.  Cirri  nulli.  Rostrum  obtusum,  integrum,  ante 
os  prominens.  Labia  valde  evoluta.  Rictus  inferus  curvatus.  Pinnae 
ventrales  ante  pinnam  dorsalem  insertae.  Pinna  dorsalis  radio  simpli- 
ce   postico    cartilagineo.     Dentés    phaiyngeales    cultriformes    uncinati 


1-4/4.1.  facie  masticatoria  gracili. 


2S 


218 

Aanni.  liet  geslacht  Campostoma  Ag.  schijnt  van  Exoglossum  voornamelijk  te 
verschillen  door  den  lipbouw,  alhoewel  ik  dien  niet  in  bijzonderheden  van  Cam- 
postoma beschreven  zie.  De  heer  Girard  vermeldt  van  uit  geslacht  4  soorten  t.  w. 
Campostoma  anomalum  Ag.,  Campostoma  ornatum  Gir.,  Campostoma  formosulum 
Gir.  en  Campostoma  ornatum  Gir. 

Mylophauodon  Ag.  ;  Gir.,  Res.  Cyprin.  Un.  Stat.  in  Proceed.  Acad, 
nat.-scienc.  Philad.  VIII  1856  p.  169. 

Corpus  elongatum.  Caput  subconicum.  Cirri  nulli.  Rictus  magnus. 
Pinnae  ventrales  ante  pinnam  dorsalem  insertae,  dorsalis  radio  sim- 
plice  postico  cartilagineo.  Dentés  pharyngeals  molares  corona  com- 
pressiusculi ,  nee  gyrati,  nee  sulcati,  persistentes  2.4/4.2.  vel  2.5/5.2, 
vel  cum  serie  decidua  2.2.5  5.2.2  vel  3.2.4,4.2.3. 

Aan  m.  .Dit  geslacht  is  tot  dusverre  weinig  voldoende  bepaald.  Aangaande 
den  bouw  der  kaken  en  lippen  zie  ik  niets  vermeld.  Daar  evenwel  het  tanden- 
ctelsel  grootc  overeenkonst  heeft  met  dat  van  Mylocheilus  en  de  soorten  in  wes- 
telijk Noord-Amerika  te  huis  behooren ,  even  als  die  van  Mylocheilus ,  laat  zich 
vermoeden ,  dat  het  geslacht,  evenzeer  tot  de  Labconinen  behoort.  Mylopharodon 
conocephalus  Gir.  en  Mylopharodon  robustus  zijn  de  eenige  soorten,  welke  ik, 
als   tot  dit  geslacht  behoorende,   vermeld   zie. 

Siboma  Gir.,  Cyprin.  Fish.  Unit.  States,  Proceed.  Acad.  nat.  scienc. 
Philad.  Vin  1S5G  p.  208. 

Corpus  oblongum  comprcssum ,  squamis  raagnis  vestitum.  Rostrum 
integrum  cuncifbrmi-rotundatum.  Maxillae  aeqnales.  Rictus  parvus, 
terminalis,  horizontalis.  Cirri  nulli.  Pinna  dorsalis  supra  vêlante  pin- 
nas  ventrales  incipiens ,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Dentés 
pharyngeals  raptatorii  uncinati  1.4/5.2  facie  masticatoria  nulla. 

Aanra.  Van  de  diagnose  van  dit  geslacht  van  den  heer  Girard  laat  zich  het- 
zelfde zeggen  als  van  die  van  Cliola  (p.  221).  Met  is  gegrond  op  Lavinia  cras- 
sicauda  Baird  Gir.     De  tweede  bekende  soort  van  Siboma  is  Siboma  atraria  Gir. 


219 

Lavinia  Gh\,  Descr.  new  Fish.  inProc.  Ac.  nat.  scienc.  Ph.  1854,  Cypr. 
Fish.  Unit.  St.  ib.  VIII185Gp.  184  o  Acrocheilus  Ag.,  Ichth. 
Pac.  slope  N.  Am.  p.  26  in  Am.  Journ.  scienc.  arts.  2a  Seri  XIX. 

Corpus  oblongum  compressum,  squamis  mediocribus  vestitum.  Ma- 
xillae nudae.  Cirri  nulli.  Rostrum  integrum  supra  os  prominens.  Ric-" 
tus  ore  clauso  transversus.  Maxilla  inferior  plana  acie  tmncata;  ma- 
xilla superior  acie  rotundata.  Labium  superius  caruosum  cum  acie 
maxillae  inferioris  unitum.  Pinna  dorsalis  supra  pinnas  ventrales  in- 
cipiens  et  supra  vel  ante  initium  pinnae  analis  desinens ,  radio  simplice 
postico  cartilagineo.   Dentés  pharyngeals  cultriformes  uncinati  5/5. 

Aanm.  De  heer  Girard  stelde  bet  geslacht  Lavinia  op  in  1S54,  doch  omschreef 
het  weinig  voldoende  met  de  volgende  woorden  :  ii  Mouth  shaped  as  in  Gila  and 
Pogonichthys ,  but  proportionally  smaller  than  either  and  unprovided  with  barbel. 
Body  covered  with  large  scales  as  in  Pogonichthys".  Hij  bragt  er  aanvankelijk 
drie  soorten  toe,  van  welke  echter  Lavinia  crassicauda  Baird  Gir.  later  tot  Si- 
boma  en  Lavinia  conformis  Baird  Gir.  tot  Tigoma  gebragt  zijn. 

Wat  men  van  de  meer  wezenlijke  kenmerken  van  het  geslacht  weet,  heeft 
men  te  danken  aan  den  heer  Agassiz,  die  het  ter  aangehaalde  plaatse  onder  den 
naam  van  Acrocheilus  nader  omschreef,  naar  Acrocheilus  alutaceus  Ag.  Piek. — ■ 
In  zijn  later  artikel  over  de  Cyprinoïden  van  Noord-Amerika  gaf  de  heer  Girard 
insgelijks  eene  nadere  omschrijving  van  het  geslacht  en  bragt  hij  tot  hetzelve,  be- 
halve Acrocheilus  alutaceus  Ag.  Piek ,  Lavinia  exilicauda  Baird  Gir.  en  eene  nieu- 
we soort,  Lavinia  harengus  genoemd. 

Dionda  Gir.,  Cypr.  Fish.  Un.  St.,  Proc.  Ac.  nat.  se.  Phil.  VIII 1 S56  p.  176. 

Corpus  elongatum  compressum,  squamis  mediocribus  vel  magnis  vesti- 
tum. Cirri  nulli.  Rostrum  integrum  prominens.  Maxillae  nudae ,  inferior 
plana  tenuis  acie  rotundata.  Pinna  dorsalis  ante  vel  supra  pinnas  p^ec-  /  v^  < 
Morales    incipiens,    radio  simplice  postico  cartilagineo.  Dentés  pharyn- 
geales cultriformes  non  uncinati  4/4. 

Aanm.  Volgens  den  heer  Girard  is  zijn  geslacht  Dionda  zeer  na  verwant  aan  de 
geslachten  Hyborhynchus  en  Campostoma.  Hij  heeft  er  niet  minder  dan  10  soor- 
ten van  beschreven,  alle  als  nieuw  voor  de  wetenschap,  t.  w.  Dionda  episcopa, 
Dionda  serena,  Dionda  texensis,  Dionda  papalis,  Dionda  argentosa,  Dionda  chry- 


•v 


220 

sitis,    Dionda    melanops,    Dionda  Couchi,    Dionda  plumbea   en    Dionda    spadicea. 

Algoma  Gir.,  Cyprin.  Fish.  Unit.  States ,  Proceed.  Acad.  nat.  scienc. 
Philad.  VIII  1856  p.  ISO. 

•  Corpus  elongatum?  squamis  magnis  vestitum.  Cirri  nulli.  Caput 
subtruncatum.  Maxillae  nudae,  inferior  superiore  brevior.  Hictus 
parvus  inferus.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens,  radio 
simplice  postico  cartilagineo.  Dentés  pharyngeals  eultrilbrmes  4/4. 
facie  masticatoria  sublineari. 

Aanm.  Het  geslacht  schijnt,  volgens  den  heer  Girard,  verwant  te  zijn  aan  Ily- 
borhynchus  en  Pimephales  ,  van  welke  het  voornamelijk  door  de  groote  schubben 
en  ook  door  de  afwezigheid  van  rugvindoorn  te  onderkennen  is.  Slechts  2  soorten 
er  van  zie  ik  kortelijk  beschreven,  Algoma  amara  en  Algoma  fluviatilis. 

HïndiiYNCiiüS  Ag. ,  Ichth.  Pacif.  slope  N.  Americ.  p.  37  in  Amer. 
Journ.  scienc.  arts  2d  Ser.  XIX  ;  Gir.,  Cyprin.  Fish.  Unit.  Stat. 
Proc.  Acad.  nat.  scienc.  Philad.  VIII  1856  p.  184. 

Corpus  oblongum  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae  nudae ,  in- 
ferior acie  late  rotundata.  Cirri  nulli.  Rostrum  integrum,  gibbosum, 
truncatum.  llictus  inferus  parvus  horizontalis.  Pinna  dorsalis  supra  pin- 
nas ventrales  incipiens ,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Dentés  pha- 
ïyngeales  eultrilbrmes  subuncinati  4/4  facie  masticatoria  gracili  lineari. 

Aanm.  De  heer  Agassiz  beschouwt  het  geslacht  Hyborhynchus  als  na  verwant 
aan  Pimephales.  Hij  grondde  het  op  Minnilus  notatus  Raf.  De  heer  Girard  plaatste 
nog  vier  andere  soorten  onder  hetzelfde  geslacht  t.  w.  Hyborhynchus  perspicuus  Gir. , 
Hyborhynchus  tenellus  Gir. ,  Hyborhynchus  puniceus  Gir.  en  Hyborhynchus  con- 
fertus  Gir. 

Hyiïognatiius  Ag.,  Ichth.  Pacif.  slope.  N.  Amer.  p.  38  in  Amer. 
Journ.  scienc.  arts.  2d  Ser.  XIX;  Gir.,  Cyprin.  Fish.  Unit.  Stat. 
Proc.  Acad.  nat.  scienc.  Philad.  VIII  1856  p.  181. 

Corpus  elongatum  compressum,  squamis  magnis  vestitum.  Maxil- 
lae  nudae,    inferior  symphysi  tuberculo  munita.   Cirri  nulli.  Rostrum 


221 

integrum  non  ante  os  prominens.  Rictus  subterminalis  horizontalis. 
Pinna  dorsalis  ante  vel  supra  pinnas  ventrales  incipiens  et  ante  pin- 
nam  analem  desinens  radio  simplice  postico  cartilagineo  radiis  sequen- 
tibus  longiore.  Dentés  pharyngeales  cultriformes  non  vel  vix  uncina- 
te 4/4  facie  masticatoria  gracili  lineari. 

Aanra.  De  heer  Agassiz  grondde  het  geslacht  Hybognathus  op  zijne  Hybognathus 
nuchalis.  De  heer  Girard  brengt  Leuciscus  nitidus  De  Kay  tot  hetzelfde  geslacht 
en  bovendien  nog  4  andere  soorten  t.  w.  Hybognathus  argyritis  Gir.  ,  Hybognathus 
Evansi  Gir.,  Hybognathus   placitus  Gir.    en   Hybognathus  regius    Gir. 

Orthodon  Gir. ,  Cyprin.   Fish.   Unit.   State. ,  Proceed.   Acad,   natur. 
Scienc.  Philad.  VIII  1856  p.  182. 

Corpus  subfusiforrae  squamis  parvis  vestitum.  Maxillae  nudae  aequales. 
Cirri  nulli.  Rostrum  integrum  non  ante  os  prominens  .  Maxilla  inferi- 
or symphysi  tuberculo  munita.  Rictus  terminalis ,  obliquus ,  mediocris. 
Pinna  dorsalis  supra  pinnas  ventrales  incipiens,  radio  simplice  postico 
cartilagineo.  Dentés  pharyngeales  cultriformes,  lanceolati,  subrecti  5/5. 

Aanm.  Dit  geslacht  schijnt  na  verwant  te  zijn  aan  Hybognathus.  Als  eenige 
soort  brengt  de  heer  Girard  daartoe  Güa  microlepidota  Ayr.,  welker  beschrijving, 
voorkomende  in  het  eerste  deel  van  de  Proceedings  of  the  Californian  Academy 
natural  sciences    (1S55)  ik,  wegens  gemis  van  dat  werk,  niet  kan  raadplegen. 

Cliola  Gir. ,    Cyprin.  Fish.  Unit.  States ,  Proceed.  Acad.  nat.  scienc. 
Philad.  VIII  1856  p.  192. 

Corpus  elongatum  compressum ,  squamis  magnis  vestitum.  Cirri  nulli. 
Rostrum  integrum  rotunda  turn.  Maxillae  aequales.  Rictus  amplus  ter- 
minalis.   Pinna    dorsalis  supra  pinnas  ventrales  incipiens,  radio  simplice 
postico  cartilagineo.  Dentés  pharyngeales    raptatorii  uncinati  4/4  facie 
masticatoria  nulla. 

Aanm.  De  beschrijving  van  den  heer  Girard  laat  voor  dit  geslacht,  even  als  voor 
vele  andere,  niet  toe  te  bepalen  of  het  inderdaad  tot  de  Labeoninen  te  brengen 
is.     Ik  vermoed   zulks  slechts  op  de  aanduiding  van  den  heer  Girard,  dat  het  den 


222 

habitus  beeft  van  Dion  Ja.     Hiertoe   zie  ik   gebragt  drie  soorten,  Leuciscus  vigilax 
Baird  Gir. ,  Cliola  velox  Gir.  en  Cliola  vivax  Gir. 

Algansea  Gir.,    Cyprin    Fish.    Unit.    States,  Proc.    Acad,    natur. 
scicnc.  Philad.  VIII  185G  p.  1S2. 

Corpus  oblongum  compressum ,  squamis  mediocribus  vel  magnis 
vestitum.  Cirri  nulli.  Caput  subconicum.  Rostrum  integrum  plus  mi- 
nus ve  acutum.  Maxillae  nudae  aequales.  Rictus  mediocris  obliquus.  Pin- 
na dorsalis  ante  vel  supra  pinnas  ventrales  incipiens  et  ante  pinnam 
analem  desinens ,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Dentés  pharynge- 
ales  cultriformes  4/4  vel  5/5. 

Aanm.  De  beer  Girard  grondt  dit  geslacht  op  Leuciscus  tincella  Val. ,  welke 
in  habitus  veel  moet  hebben  van  eene  zeelt.  Hij  heeft  nog  drie  andere  soorten  bekend 
gemaakt  onderde  namen  Algansea   bicolor,  Algansea  obesa  en  Algansea  formosa. 


223 
STIRPS  2.  CHONDROSTOMIXI. 

Kraakbeenlipkakpers. 

Cypriniformes  phalacrognathini ,  labio  inferiore  deficiënte. 

Aanm.  De  tweede  groote  reeks  der  Phalakrognathinen  is  gemakkelijk  herkenbaar 
aan  de   naakte    kin,   aan    welke  de    onderlip  ontbreekt. 

Deze  reeks  is  van  gelijke  beteekenis  als  de  reeks  B  van  de  Temnocliilae  in  Meckel's 
bovenaangehaalde  //  Nachtrag".  Ik  noem  ze  Chondrostominen  naar  het  geslacht,  het- 
welk  het  eerst   in    de  reeks    werd   opgesteld    en    spoedig   liet    burgerregt  verkreeg. 

De  Chondrostominen,  zooals  ze  hier  zijn  opgevat,  belmoren  uitsluitend  tot  het 
oostelijk  halfrond,  maar  ook  in  dit  halfrond  hebben  zij  eene  veel  meer  beperkte 
verbreiding  dan  de  Labeoninen.  Wel  leven  eeniçre  soorten  van  Chondrostoma  in  zuide- 
lijk  Europa,  in  welk  werelddeel  geene  Labeoninen  worden  aangetroffen,  maar  daar- 
entegen ontbreken  zij,  een  paar  soorten  van  Egypte  en  Abyssinië  uitgezonderd,  in 
geheel   Afrika,  evenzeer  als  in  den    Indischen    Archipel. 

De  geslachten  en  soorten  der  Cho"  Irostominen  zijn  ook  veel  minder  talrijk  dan 
die  der  Labeoninen.  Slechts  9  der  geslachten  van  de  Phalakrognathinen  belmoren  tot 
de  Chondrostominen  en  deze  geslachten  omvatten  te  zamen  slechts  ruim  60  soorten. 

Twee  dier  geslachten  heb  ik  naar  de  natuur  kunnen  onderzoeken,  Mrigala  van 
Bengalen  en  Acheilognathus  van  Japan.  Het  zijn  ook  de  eenige  nieuwe  generische 
typen ,  welke  bij   de  reeds  bekende  te  voegen   zijn. 

Heckel  heeft  het  meest  tot  de  nadere  kennis  der  Chondrostominen  bijgedragen. 
Nadat  de  heer  Agassiz  in  1S37  het  geslacht  Chondrostoma  had  bekend  gemaakt , 
voegde  de  heer  MacClelland  in  zijn  geslacht  Oreinus  eene  nieuwe  tot  dezelfde  groo- 
te reeks  bchoorende  type  daarbij .  zonder  de  verwantschap  daarvan  met  Chondrostoma 
aan  te  duiden.  Heckel,  dit  geslacht  insgelijks  herkennende. ,  noemde  het  Scaphio- 
don,  maar  bovendien  stelde  bij  reeds  in  1S42  ook  voor,  de  geslachten  Cvprinion , 
Gymnostomus,  Chondrochilus  en  Chondrorhynchus.  De  beide  laatste  genera  liet 
hij  in  1847  vervallen,  doch  daarentegen  stelde  hij  Dillonia,  Schizopyge  en  Aspi- 
doparia  als  nieuwe  geslachten  op,  Schizopyge  echter  ontleenende  aanzijn  vroeger 
geslacht  Schizothorax  en  daarin  nog  begrijpende  enkele  soorten,  welke  tot  de  La- 
beoninen te  brengen  zijn  en  welke  door  mij  onder  den  geslachtsnaam  Opistocheilos 
van  Schizopyge  zijn  afgezonderd. 

De  Chondrostominen ,  hoezeer  niet  bezittende  de  voor  de  diagnose  van  de  genera 
der  Labeoninen  zoo  belangrijke  onderlip ,  bieden  toch  nog  eene  rei  van  kenmer- 
ken aan ,   welke  hare  groepering  in  geslachten  gemakkelijk  maakt. 

Deze  kenmerken    vindt    men   al   weder  in  het  tandenstelsel,  in   het  kraakbeen is;e 


224 

of  beenin-e  en  getande  of  niet  getande  van  den  achtersten  onverdeelden  rugvin- 
straal  ,  de  lengte  der  rugvin ,  de  verhouding  der  aarsschubben ,  de  gedaante  der 
onderoogkuilsbeenderen ,  enz. 

De  geslachten  laten  zich  naar  die  kenmerken  overzien  als  vokt. 

I  Dentés  pharyngeals  uniseriati  cultriformcs   5/5   ad  G/G  vel  7/6.  Spina  dorsalis 

nulla. 

A.  Rostrum  integrum  ante  os  proininens.   Cirri  nulli.     Pinna  dorsalis  longe  ante 
pinnam  analem  desinens. 

Chondrostoma  Ag. 

B.  Rostrum  foveatum  non  ante  os  prominens.  Cirri  2 ,  supramaxillares.  Pinna 
dorsalis  supra  pinnam  analem   desinens. 

Acheilof/iiathus  Blkr. 

II  Dentés  pharyngeals  triseriati. 
A  Pinna  dorsalis  anacantha. 

a.  Pinna  dorsalis  ventrales  inter  et  analem  sita,  pauciradiata.  Cirri  nulli. 
Ossa  suborbitalia  genas  tegentia.  Dentés  aggregati  2.  4.  4/4.  4.  2.  Linea 
lateralis    valde  deflexa. 

Aspidoparia  Heek. 

b.  Pinna  dorsalis  supra  vel  ante  pinnas  ventrales  incipiens.     Linea  lateralis 

rectiuscula. 
f    Cirri    2   supramaxillares  vel  nulli.     Rostrum  margine  libero  integrum. 
Dentés  palaeformes  2.3.4/4.3.2. 

Gymnoslomus  Heek. 

f'  Cirri  2  rostrales.  Rostrum  margine  libero  crenulatum.   Dentés  aggre- 
gati 2.  3.  5/5.  3.  2. 

âw*Oh»£».  =.    Mrigala  Blkr. 

B.  Spina  dorsalis  ossea. 

a.  Spina  dorsalis  cdentula.  Squamae  anales  normales.     Pinna  dorsalis  pauci- 
radiata,    Dentés  cochleariformes  2»  3.  4/4.  3,  2.  Cirri  nulli. 

Dillonia  Ileck. 

b.  Spina  dorsalis  serrate. 

f  Squamae   anales  normales,  squamis  ceteris   non  majores, 
ô  Pinna  dorsalis  pluriradiata.  Cirri  2  supramaxillares.  Squamae  niagnae. 
Dentés  cochleariformes  2.  3.  4/4.  3.  2. 

Ci/pri/iion  Heck. 


225 

o'  Pinna  (lorsalis  pauciradiata.  Cirri  4,  rostrales  et  supramaxillares  vel  2  , 
supramaxillares.  Squamae  parvae  vel  médiocres.  Dentés  palaeformes 
2.3.4/4  3.2. 

Oreinus  McCl.  =3    Scapltiodon  Heek. 

ff  Squamae  anales  squamis  ceteris  mul  to  majores, 
ù  Pinna  dorsalis  pauciradiata.  Cirri  4,  rostrales  et  supramaxillares.  Squamae 
parvae.     Dentés  aggregati  2.3.5/5.3.2. 
Schizopyge  Heck. 


Species   Chondrostominorum  hucusque  cognitae. 

Habit. 
Chondrostoma    nasus    Ag.  =3  Nasus   mas  et  faem.    Marsigl.  ss  Cypri- 

nus  nasus  L.   Bl.  :=3  Leuciscus  nasus  Cuv Europa. 

//         Genei  Bp.  =3    Chondrostoma    rysela  Ag.    Heck.  =3    Chon- 
drostoma jaculum  De  Pil.        ...  Europa. 

//         soëtta    Bp.  s    Chondrostoma    seva   Val.  =3   Chondrostoma 
nasus  De  Pil.  ;=s   Chondrochylus  nasicus  Heek.  =3  Chondro- 

rhynchus  soëtta  Heek Europa. 

h         Knerii  Heek Europa. 

.    //         phoxinus    Heek.  ;   Europa. 

h         regius  Heek.  =3  Chondrochilus  regius   Heck Syria. 

//     ?  labeo    Heek.   =3    Cyprinus    labeo   Pali.   =!    Chondrostoma 

labeo  Val Dauria. 

Acheilognathus  melanogaster  Blkr Japonia. 

h         lanceolatus  Blkr  s  Capoëta  lanceolata  T.  Schl.  =3    Devario 

lanceolata   Heek Japonia. 

//         intermedins  Blkr  =3  Capoëta  intermedia  T.  Schl.  s   Devario 

intermedia  Heck Japonia. 

//         limbatus    Blkr   =3    Capoëta    limbata    T.    Schl.  s    Devario 

limbata    Heek Japonia. 

//         rhombeus  Blkr  =;  Capoëta    rhombea  T.  Schl.  =3    Devario 

rhombea  Heek Japonia. 

Aspidoparia  sardina    Heek.      .     .     : Assam. 

Gymuostomus  (Gymuostomus)  syriacus  Heek.  =:   =3  Chondrostoma  sy- 

riacum  Val Syria. 

//  (Acra)  anisurus  Blkr  =   Gobio  anisurus  McCl.  =3   Gymnosto* 

mus  anisurus  Heek Bengala. 


29 


226 


Gyninostorna  (Acra)  bicolor  Blkr  33  Gobio  bicolor  McCl.  s  Gymnostomus 

bicolor  Heek 

)  acra  Blkr  ö  Cypr.  acra  Buch.  33  Cypr. cura  Buch.  33   Go- 
bio lissorhynchus    McCl.  ;=;   Gyninostomus    lissorhynchus 

Heek-  s  Leuciscus  acra  Val> 

)  liinnophilus  Blkr  s  Cyprinus  bangon  Buch.  33  Gobio  lini- 
nophilus  McCLsj  Gymnostomus  liinnophilus  Heek.    .     . 
)  gangeticus    Blkr  =3    Chondrostoma    gangeticum  Val.  =3 

Gymnostomus  gangeticus  Heek 

)  fulungee  Blkr  =3  Chondrostoma  fulungee  Syk.  33  Gymno- 
stomus fulungee  Heek 

)  boggut  Blkr  33    Chondrostoma   boggut  Syk.  -3  Gymno- 
stomus boggut  Heek 

)  kawrus  Blkr  =3  Chondrostoma  kawrus  Syk.  3=1    Gymno- 
stomus kawrus  Heek 

)  wattana  Blkr  ■zi  Chondrostoma   wattanah  Syk.  33  Gym- 
nostomus wattanah  Heek 

)  mullyah   Blkr  0  Chondrostoma  mullyah  Syk.  =3  Gymno- 
stomus mullya  Heek 

)  dembensis  Blkr  =3  Chondrostoma  dembensis  Rüpp.  (nee 

Val.)  33  Gymnostomus  dembensis  Heek 

)  Duvaucelii    Blkr  33    Chondrostoma   Duvaucelii    Val.  =3 

Tvloimathus  Duvaucelii  Heek 

)  semivelatus  Blkr  33    Chondrostoma  semivelatum    Val.  33 

Tylognathus  semilarvatus  Heek 

)  bobree  Blkr  —  Varicorhinus  bobree  Syk.  33  Gibelion  bo- 

bree  Heek 

)  potail   Blkr  s    Cyprinus    potail    Syk.  a    Gibelion  po- 

tail  Heek 

Mrigala   Buchanani  Blkr  =3  Cyprinus  mrigala  Buch.  =3  Gobio  mrigala 
McCl  =3  Cirrhina   mrigala  Val.  33   Isocephalus  mrigala  Heek. 

ben^alensis  =5  Cirrhina  bcn^alensis  Blkr.         

*•         cirrhosa  Blkr  —  Cyprinus  cirrhosus  BI.  =3  Cirrhina  Blochii  Val. 

—    Isocephalus   cirrhosus    Heek 

rubripinnis  Blkr  =3  Cirrhina  rubripinnis  Val.  =3    Isocephalus 

rubripinnis   Heek 

•   reba  Blkr  =3   Cyprinus  reba  Buch.  =3    Gobio    reba   McCl.  ■=. 
Isocephalus  reba  Heek. 


tost 

oma 

H 

u    ) 

II    1 

"    ) 

// 

"   ) 

// 

II   ) 

II    1 

"   ) 

//    1 

//    ) 

II    1 

II    ) 

II    1 

II    ) 

. 

'.    "    ) 

"2 

II   ) 

V? 

II   ) 

1'? 

(    II  ) 

*-? 

('1  ) 

Hab. 


Bengala. 


Ben2;ala. 


Bengala. 


Bengala. 

Deccan. 

Deccan. 

Deccan. 

Deccan. 

Deccan. 

Aegypt.    * 

Hindustan. 

Hindustan. 

Deccan. 

Deccan. 

Bençala. 
Bengala. 

Hindustan. 

Bemrala. 


Bengala. 


227 

Hab. 
Mrigala   ?  plumbea   Blkr    =:    Cirrhina  pluinbea   Val.  a    Isocephalus 

phunbeus   Heck Pegu. 

Dillonia  abyssinica   Heek.   =:    Chondrostouia  Dilloaii    Val.  a    Dillonia 

Dilonii  Heck Abyssinia. 

Cyprinion  aculeatus  Heek.  =:  Chondrostoma  aculeatum  Val Persia. 

//         cypris   Heek -,  Syria. 

n        kais  Heek Syria. 

//         macrostomus  Heck Syria. 

//         neglectus  Heek Syria. 

v         tenuiradius  Heek         Svria. 

Oreinus  (Orein.)  maculatus  McCl.s  Scaphiodon  rnaculatus  Heek.     .     .     .Bengala. 

//   (  n  )  tinea  Blkra  Scaphiodon  tinea  Heek ;     .     .  Natolia. 

a  (Scaphiodon)  amir  Blkr  =:   Scaphiodon  amir  Heck Persia. 

//(//)  macrolepis  Blkr  a  Scaphiodon  macrolepis  Heek.        .     .     .  Persia. 

//  (  h  )  niger  Blkr  =  Scaphiodon  niger  Heek .  Persia. 

//(//)  Saadii   Blkr  :=:  Scaphiodon  Saadii  Heek Persia. 

//(//)  peregrinorum  Blkr  a   Scaphiodon  peregrinorum   Heek.    .     .  Syria. 

*  (  //  )  fratercula  Blkr  =3  Scaphiodon  fratercula  Heck Syria. 

a  (  11  )  socialis  Blkr  0  Scaphiodon  socialis    Heck.         Syria. 

/'  (//')  trutta   Blkr  s    Scaphiodon    trutta   Heck Syria. 

//  (  v  )  urnbla    Blkr  a  Scaphiodon  umbla   Heck Syria. 

a  (  //  )  fundulus   Blkr  a    Cyprinus  capoëta    Güldenst.  =;    Capoëta 

fundulus  Val.  a  Scaphiodon    capoëta  Heck Syr.  M.  Casp. 

a?  (  11?)  Burnesianus  Blkr  a  Cirrhinus  Burnesiana  McCl Cabul. 

i'  (  11  )  guttatus    Blkr  =:    Oreinus    guttatus    McCl.  =2    Scaphiodon 

guttatus  Heek. Butan. 

//(//)  progastus  Blkr  a    Oreinus    progastus   McCl.   a    Scaphio- 
don progastus  Heek Assam. 

//  (  //  )  Richardsonii  Blkr  =;  Cyprinus  Richardsonii  Gr.  a  Scaphio- 
don  Bichardsonü  Heek Bengala.  ? 

Schizopyge  curvifrons  Heek.  —  Schizothorax  curvifrons  Heek.       .     .     .  Cashmir. 
//         longipinnis  Heek.  =:  Schizothorax  longipinnis  Heek.       .     .     .  Cashrnir. 

//         niger  Heek.  =3    Schizothorax  niger   Heek.         Cashmir. 

//  nasus  Heek.  a  Schizothorax  nasus  Heek.  .  .  .  ;  .  Cashmir. 
//  ?  chrysochlora  Blkr  —  Racoma  chrysochlora  McCl.  .  .  .  Cabul  fl. 
»??     Griffith]  Blkr  =3    Oreinus  Griffithii  McCl.     ..:.:;  Afghanistan. 


22S 

Chondrostoma  Ag. ,  Mem.  Sociét.  scienc.  natur.  Neuchatel  I. 
1S37;  Heck.,  Fisch.  Syr.  Nachtr.  p.  1SG;  Heek.  Kner,Fisch.  oest- 
rcich.  Monarch,  p.  217.  ö  Ciiondrostomus  ,  Ciiondrociiilus, 
Choxdrorhynchus  Heck.,  Fish.  Syr.  p.  40,41. 

Corpus  clongatum  cylindrico-compressum,  squamis  magnis  vel  rae- 
diocribus  vestitum.  Maxilla  inferior  in  aeiem  tenuem  truncatam  car- 
tilagineam  attenuata.  Cirri  nulli.  Rostrum  carnosum  integrum  ante  os 
prominens.  Os  nudum.  Iîictus  inferus  transversus.  Pinna  dorsalis  su- 
pra pinnas  ventrales  incipiens  et  ante  pinnam  analem  desinens,  radio 
simplice  postico  cartilagineo.  Dentés  pharyngeales  cultriformes  5/5, 
6  6  vel  7/6. 

Aanm.  Nadat  het  geslacht  Chondrostoma  door  den  heer  Agassiz  in  1S37  was 
opgesteld,  meende  Heckel  (in  1S42)  het  te  moeten  splitsen  in  drie  geslachten ,  wel- 
ke hij  grondde  op  de  formule  der  keelgatbeenstanden ,  doch  cenige  jaren  later 
(in  1S47)  nam  ook  Heckel  het  geslacht  Chondrostoma  aan  in  de  beteekenis,  door 
den  heer  Agassiz  aan  hetzelve  gegeven. 

liet  geslacht  schijnt  eigen  te   zijn  aan  Europa  en  West-Aziö.     Heckel  voert  wel 
eene  soort    van    Amerika,    Lcuciscus    nasutus  Ayr.   aan,    ah  cene    Chondrostoma 
maar  slechts  onder  het  geleide  vaneen  vraagteeken,  en  sedert  de  hecren   Agassiz  en 
Girard  zoovele  verwante  noord-amerikaansche  vormen  hebben  doen  kennen  als  gene- 
risch van  Chondrostoma  verschillende,  is  het  niet  vermoedelijk,    dat  genoemde  soort 
van  den  heer  Ayres  inderdaad  tot  het  geslacht  Chondrostoma  behoort.     Het  tijdschrift, 
waarin  die  soort  beschreven  en  afgebeeld  is  niet  ter  mijner  beschikking  zijnde,  kan 
ik  niet  bepalen  of  zij    naar  de   afbeelding  en    beschrijving  te    brengen  is  tot  een 
der  door  de  heeren  Agassiz  en  Girard  voorgestelde  geslachten  van    Phalakrognathi- 
nen.     Evenmin  ben   ik  in  de  gelegenheid   te    raadplegen  de  beschrijving    van    Cy- 
prinus  labeo  Pali.,   welke   in  noordoostelijk    Azië    te   huig    behoort    en,    insgelijks 
onder  het  geleide  van  een  vraagteeken,    door  Heckel  tot   Chondrostoma  is   gebragt. 
Alle  overige  bekende  soorten  van  Chondrostoma  belmoren  tot  Europa  en  West-Aziü. 

Aciieilogn'atiius  Blkr. 

Corpus  oblongum  compressum ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
nudae,  acie  cartilaginea  tenues.  Cirri  2,  supramaxillares.  Rostrum  for 
veatum,  integrum,  obtusum,  convexum,  non  ante  os  prominens.  Ossa 
supramaxillaria    ossa    intermaxillaria    maxima    parte  tegentia.    Maxilla 


229 

inferior  plana  symphysi  postice  tuberculo  parvo.  Rictus  ore  clauso  se- 
milunaris. Labium  superius  valde  tenue  utroque  latere  cum  cute  menti 
unitum.  Labium  inferius  verum  nullum.  Ossa  suborbitalia  nuda,  ante- 
rius  pentagonum  apice  sursum  spectante ,  cetera  gracilia.  Pinna  dor- 
salis  supra  pinnas  ventrales  incipiens  et  supra  initium  pinnae  analis 
desinens,  basi  alepidota,  radio  simplice  postico  cartilagineo  rigido 
edentulo.  Pinna  analis  pinna  dorsali  non  longior.  Dentés  pharyngeals 
compressi,  uncinati,  uniseriati  5/5,  facie  masticatoria  gracili  sublineari. 

Aanin.  De  Japansche  rivieren   zijn  rijk  aan    eigene  typen   van    Cyprinoïden. 

In  de  Fauna  Japonica  zijn  alle  de  van  Japan  bekende  echte  Cyprinoïden  tot  5 
geslachten  gebragt,  tot  Cyprinus,  Carassius,  Gobio,   Capoëta  en  Leuciscus. 

Met  uitzondering  der  onder  beide  eerstgenoemde  geslachten ,  gebragte  soorten, 
welke  echter  Cyprininen  zijn,  behooren  die,  Avelke  daar  onder  Gobio,  Capoëta  en 
Leuciscus  zijn  gebragt,  tot  verschillende  typen,  welke  volgens  den  tegen  woordigen 
stand  der  kennis  tot  verschillende  geslachten  te  brengen  zijn.  Zoo  is  Gobio  eso- 
cinus  T.  Schl.  eene  Pseudogobio  Gobio  barbus  ï.  Schl.  eene  Heniibarbus,  Leu- 
ciscus variegatus  T.  Schl.  eene  Sarocheilichthys ,  Leuciscus  parvus  ï.  Schl.  eu 
Leuciscus  pusillus  T.  Schl.  soorten  van  Pseudorasbora.  Capoëta  elongata  T.  Schl. 
en  Capoëta  gracilis  T.  Schl.  behooren  waarschijnlijk  tot  het  subgenus  Eengala  van 
mijn  geslacht  Rasbora,  terwijl  Leuciscus  platypus,  Leuciscus  macropus,  Leuciscus 
minor,  Leuciscus  Temminckii  en  Leuciscus  Sieboldii  van  de  Fauna  Japonica  mij 
voorkomen  te  behooren  tot  het  geslacht  Opsarius,  zoo  als  het  door  mij  is  beperkt, 
of  althans  tot  een  daaraan  na  verwant  genus.  Ue  overige  in  de  Fauna  Japonica 
vermelde  Cyprinoïden ,  Capoëta  lanceolata,  Capoëta  intermedia,  Capoëta  limbata  en 
Capoëta  rhoinbea,  behooren,  zooals  de  heer  Schlegel  zelf  reeds  heeft  aangeduid, 
niet  tot  het  geslacht  Capoëta  Val.,  hetwelk  overigens  een  kunstmatig  zamenstel 
van  soorten  maar  geen  natuurlijk  geslacht  is,  maar  schijnen  mij  toe  veeleer  te  brengen 
te  zijn  tot  het  genus  Devario,  totdat  ik  door  het  ontvangen  van  een  paar  voor- 
werpen van  Acheilognathus  melanogaster,  van  Jedo,  die  soorten  heb  herkend  als 
tot  onderwerpelijk  geslacht  te  behooren. 

Aspidopapja  Heek.,  Fisch.  Syriens  Nachtr.  p.   1S6. 

Corpus  elongatum  compressum,  squamis  magnis  vestitum.  Maxil- 
lae nudae  acie  cartilao-inea  tenues.  Cirri  nulli.  Postrum  integrum 
porrectum.  Ossa  suborbitalia  genas  tegentia.  Pictus  subinferus  semicir- 
cularis  parvus.     Labium  inferius    symphysin  versus  deficiens.  Plica  a- 


230 

nalis  squamis  majoribus  nulla.  Pinna  dorsalis  post  pinnas  ventrales  in- 
cipiens  et  ante  pinnam  analem  desinens,  radio  simplice  postico  carti- 
la"ineo.  Pinna  analis  longior.  Pinnae  ventrales  radiis  divisis  7.  Linea 
lateralis  valde  deflexa.    Dentés  pharyngeales  aggregati  2.4.4/4.4.2. 

Aanm.  Meckel  stelde  in  1S47  dit  geslacht  op  naar  een  voorwerp,  hetwelk  in 
habitus  veel  heeft  van  Engraulis.  Het  geslacht  is  onder  de  Chondrostominen  op- 
merkelijk door  de  hooge  dç  wangen  bedekkende  onderoogkuilsbeenderen,  de  plaatsing 
iler  rugvin  tusschen  buikvinnen  en  aars  vin ,  de  sterk  gebogene  zijlijn  en  de  plaveiselge- 
wijze  keelgatbeen standen. 

Gymnostomus  Heek.,  Fiscli.  Syriens  p.  40,  Nachtr.  p.    1S5. 

Corpus  oblongum  vel  elongatum  compressum,  squamis  mediocribus 
vel  magnis  vestitum.  Maxillae  nudae  acie  cartilaginea.  Cirri  2 ,  supra- 
maxillares  vel  nulli.  Ptostrum  integrum  plus  minusve  ante  os  promi- 
nens.  Labium  inferius  symphysin  versus  defïeiens.  Plica  analis  squa- 
mis majoribus  nullis.  Pinna  dorsalis  supra  vel  ante  pinnas  ventrales 
incipiens  et  ante  pinnam  analem  desinens ,  radio  simplice  postico  car- 
tilagineo.  Dentés  pharyngeales  palaeformes  2.3.4  4.3.2. 

Subg.   Gymnostomus  Heek.  —  Cirri  2 ,  supramaxillares. 
/-        Acra  Blkr.  —  Cirri  nulli. 

Aanm.  Het  geslacht  Gymnostomus  werd  het  eerst  door  Ileckel  in  1S42  voorge- 
steld, doch  in  1S-17  gaf  hij  eene  nieuwe  bepaling  daarvan,  welke  aan  de  boven- 
staande beantwoordt.  Het  geslacht  zou  zich  daarnaar  van  de  overige  Chondrosto- 
minen onderscheiden  door  den  bouw  zijner  driereijige  kcelgatbeenstandcn,  kraakbee- 
uigen  achtersten  onverdeelden  rugvinstraal  en  inplanting  der  rugvin  boven  of  vóór 
de  buikvinnen. 

liet   blijkt  niet,  dat    Ileckel  naar  de  natuur  gekend  heeft  een  der  vrij  talrijke 

soorten,    welke  door  hem  tot  zijn   geslacht  Gymnostomus  zijn  gebragt,  zijnde  zelfs 

kenmerken,    aan  het  tandenstelsel  ontleend,  slechts  genomen  naar  eene  enkele 

soort  en  wel  naar  de  beschrijving  en  afbeelding  van  Chondrostoma    syriacuin  Val. 

van  de  groote  Histoire  naturelle  des  Poissons. 

Mij  zelven  zijn  evenmin  naar  de  natuur  bekend  soorten,  door  Heckel  tot  Gym- 
nostomus gebragt,  en  met  het  oog  op  het  onvoldoende  der  bestaande  beschrijvingen  dier 
soorten,  slechts  die  van  Chondrostoma  syriacum  Val.  uitgezonderd,  laat  zich  weinig 
bepaalds    omtrent   de  wezenlijke  verwantschappen  dier  soorten  bepalen,  hoezeer  het 


231 

mij  voorkomt,  dat  zij,  beter  bekend  zijnde,  zullen  blijken  tot  verschillende  genera 
te  bebooren. 

Chondrostoma  syriacum  Val.  alzoo  onder  het  subgenus  Gymnostomus  plaatsen- 
den, zou  men  voorloopig  de  overige  Heckelsche  soorten  van  Gymnostomus,  welke 
alle  gezegd  worden  geene  voeldraden  te  bezitten,  onder  den  subgenerischen  naam 
Acra,  ontleend  aan  een  der  Buchanansche  soorten,  kunnen  verzamelen.  Ook  zou 
men  daarbij  kunnen  voegen  Chondrostoma  Duvaucelii  Val.  en  Chondrostoma  semi- 
velatum  Val. ,  welke  door  Heckel  tot  zijn  zamengesteld  geslacht  Tylognathus  zijn 
gebragt,  alsmede  een  paar  soorten  met  langere  rugvin,  door  lleckel  onder  zijn  niet 
aannemelijk  genus  Gibelion  gerangschikt,  t.  w.  Varicorhinus  bobree  Syk.  en  Cv- 
prinus  potail   Syk. 

2-  I 

Meigala  Blkr.  =  WaV  C** 

Corpus  oblongum  vel  elongatum  compressum,  squamis  magnis  vel 
mediocribus  vestitum.  Maxillae  nudae ,  acie  cartilaginea  tenues ,  infe- 
rior svmphysi  tuberculo  munita.  Rostrum  integrum  plus  minusve  ante 
os  prominens  margine  libero  crenulatum.  Cirri  2,  rostrales.  Labia  (tam 
superius  quam  inferius)  deficientia.  Plica  analis  squamis  majoribus  nulla. 
Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  ante  pinnam  analem 
desinens,  radio  simplice  postico  cartilagineo.  Ossa  suborbitalia  genas 
non  tegentia.  Dentés  pharyngeales  masticatorii  aggregati  2.3.5/5.3.2. 

Aanm.  In  mijne  Nalezingen  op  de  ichthyologische  fauna  van  Bengalen  en 
Hindustan  beschreef  ik  eene  soort  onder  den  naam  van  Cirrhina  bengalensis,  welke  mij 
bij  later  naauwkeuriger  onderzoek  der  monddeelen ,  gebleken  is  tot,  de  Chondrostomi- 
nen  te  belmoren,  en  daarin  tot  een  eigen  geslacht,  hetwelk  zich  van  de  overige 
der  afdeeling  gemakkelijk  laat  onderkennen  door  de  aanwezigheid  van  twee  snuit- 
draden  met  gelijktijdige  afwezigheid  van  bovenkaaksdraden ,  aan  het  knobbeltje 
op  de  symphysis  der  onderkaak,  aan  zijnen  kraakbeenigen  achtersten  onverdeeldeu 
rugvinstraal  die  boven  of  vóór  de  buikvinnen  ingeplant  is,  en  aan  de  formule  zijner 
plaveiselgewijze  keelgatbeen standen. 

Ik  heb  dit  geslacht  genoemd  Mrigala,  naar  den  soortnaam  van  Cyprinus  mrigala 
Buch.,  welke  mij  voorkomt  insgelijks  daartoe  te  belmoren,  terwijl  ik  het  evenzeer 
waarschijnlijk  acht,  dat  ook  Cirrhina  rubripinnis  Val.  en  Cyprinus  cirrhosus  BI. 
daartoe  te  brengen  zijn. 

Het  geslacht  Cirrhina,  volgens  de  opvatting  van  den  heer  Valenciennes,  verschilt 
van  Mrigala  door  den  bouw  der  monddeelen  en  behoort  tot  de  afdeeling  der  Chei- 


232 

lognathinen   vermits  de   lieer    Valenciennes  er  van  zegt  dat  het  heeft    //  les   lèvres 
et  la  bouche  simples"  van  het  geslacht  Barbus. 

Dillonia  Heek.,  Fisch.  Syriens  p.  183. 

Corpus  oblongum  compressum,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
nudae,  acie  cartilaginea  tenues.  Cirri  nulli.  Rostrum  integrum  obtu- 
sum.  Labium  inferius  symphysin  versus  nullum.  Rictus  eurvatus.  Pin- 
na dorsalis  ante  vel  supra  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pin- 
nam  analem  desinens,  radio  simplice  postico  crasso  osseo  lacvi.  Regio 
analis  plica  squamis  majoribus  nulla.  Dentés  pharyngeales  cochlea- 
riformes  2.3.4/4.3.2. 

Aanm.  Ileckcl  heeft  dit  geslacht  opgesteld  naar  Chondrostoma  Dillonü  Val.  van 
Abyssinië ,   welke  tot   nog  toe  de  eenige  bekende  soort  van  het  geslacht  is-     Het  is 

makkelijk  van  de  verwante  geslachten  te  onderkennen  aan  zijne  groote  schubben, 
normale  aarsschubben,  ongetanden  rugdoorn    en   lepelvormige   keelgatbeenstauden. 

Cyprinion  Heek.,  Fisch.  Syriens  p.  25,  Nclihtr.  p.  1S3. 

Corpus  oblongum  vel  elongatum  compressum ,  squamis  magnis  ve- 
stitum. Maxilla  inferior  in  aciem  tenuem  cartilagineam  attenuata.  Cir- 
ri  2,  supramaxillares.  Rostrum  integrum  ante  os  prominens.  Os 
nudum.  Rictus  inferus  transversus.  Pinna  dorsalis  ante  vel  supra 
pinnas  ventrales  incipiens  et  ante  pinnam  analem  desinens,  radio 
simplice  postico  osseo  serrato.  Dentés  pharyngeales  cochleariformes 
2.32.4/4.3.2.  Squamae  majores  in  pronoto  attcnuato  distichae. 

Aanm.  Ileckel  heeft  onder  zijne  naaktmondige  met  een'  rugdoorn  gewapende  Tem- 
nochilen  4  geslachten  gebragt,  t.  w.  Cyprinion,  Dillonia,  Schizopyge  en  Scaphiodon. 
Cyprinion  zou  daaronder  kenbaar  zijn  aan  zijne  twee  bovenkaaksvocldraden ,  lange 
rugvin  met  getanden  doorn  en  squamae  distichae  op  den  nek.  Het  schijnt  een 
zeer  natuurlijk  geslacht  te  zijn.  Ileckel  bragt  daartoe,  behalve  5  soorten  van 
Perzië  en  Syrië,  welke  hij  naar  de  natuur  kende,  Chondrostoma  aculeatum  Val.  en 
Cyprinua  semiplotus  McCl  -  Chondrostoma  aculeatum  Val.  schijnt  inderdaad  eene 
Cyprinion  te  zijn,  alhoewel  zij  dan  tot  eene  afwijkende  type  behoort  met  zeer 
slank  ligchaam  en  korte  rugvin  (1).  10).  Cyprin  us  semiplotus  McCl.  daarentegen 
beantwoordt  niet  aan  de  "eslachtsdiaçnose  van  Ileckel  en  is  evenmin  tot  Dillonia  of 
Schizopyge  of  Scaphiodon  te  brengen.  Hierboven  is  deze  soort  reeds  onder  een' 
:i  geslacht  gebragt  met  den  naam  Semiplotus. 


!33 


Oreinüs   McCl.,   Res.    Asiat.  Soc.  XIX  p.  273.  —  Bep.gbarbeel  — 
Scaphiodon  Heck.,  Fisch.  Syr.  p.  30,  Nachtr.  p.  184. 

Corpus  oblongum  vel  elongatum  compressum,  squamis  parvis  vel 
mediocribus  vestitum.  IMaxilla  inferior  in  aeiem  cartilaoincam  atte- 
nuata.  Cirri  4  vel  2,  rostrales  et  supramaxillares  vel  supramaxilla- 
res  tantum.  Rostrum  integrum  plus  minusve  carnosum.  Rictus  in- 
ferus  transversus  vel  plus  minusve  curvatus.  Pinna  dorsalis  supra 
vel  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  de- 
sinens,  radio  simplice  postico  osseo  serrato.  Dentés  pharyngeals  pa- 
leaformes  2.3.4/4.3.2. 

Subg.   Oreinus.     Cirri  4,  rostrales  et  supramaxillares. 
//       Scapltiodon.     Cirri  2,  supramaxillares  tantum. 

Aanrn.  De  heer  J.  MacClelland  stelde  dit  geslacht  op  met  de  volgende  kenmer- 
ken: //Head  fleshy,  mouth  directed  downwards,  lower  jaw  shorter  than  the  upper, 
snout  muscular  and  projecting,  furnished  with  cirri,  dorsal  preceded  by  a  serra- 
ted spinous  ray,  scales  small".  In  zijne  diagnose  van  Oreinus,  voorkomende  in  zijn 
artikel  //Afghan  collection  of  Fishes",  opgenomen  in  het  2e  deel  (1S4-2)  van  het 
Calcutta  Journal  of  Natural  History ,  voegt  hij  bij  deze  diagnose  nog:  //The  upper  lip 
soft  and  continuous,  with  a  reflected  mamniillated  fold  which  passes  across  the 
lower  jaw  behind  a  hard  and  cartilagineous  lower  lip.  Het  geslacht  is  alzoo  ge- 
heel hetzelfde,  als  hetwelk  Heckel  in  1S-12  onder  den  naam  Scaphiodon  opstelde 
en  Heckel  heeft  dan  ook  alle  de  door  den  heer  MacClelland  tot  zijn  geslacht  Orei- 
nus gebragte  soorten   in  zijn   geslacht  Scaphiodon   opgenomen. 

De  naam  van  Oreinus  behoort  alzoo  voor  die  soorten  en  de  daaraan  verwante 
behouden  te  blijven,  want  wenschte  men  de  namen  der  geslachten  te  veranderen 
naar  de  wijziging,  welke  de  uitbreiding  der  kennis  in  hunne  diagnosen  zoo  dik- 
werf noodzakelijk  maakt,  dan  zouden  de  meeste  geslachten  spoedig  eene  reeks 
van  naamsveranderingen  ondergaan,   welke  niet  dan  tot   verwarring   zouden   leiden. 

-De  heer  Valenciennes  nam  het  geslacht  Oreinus  slechts  voorwaardelijk  aan,  om- 
dat hij  de  daartoe  gebragte  soorten  niet  naar  de  natuur  kende,  maar  hij  hield 
het  er  voor,  dat  die  soorten   eigenlijk  tot  zijn  geslacht  Barbus  behooren. 

Heckel  dsed  het  geslacht  naauwkeuriger  kennen  in  1342,  doch  hij  bragt  er 
toen  nog  twee  soorten  toe,  Capoëta  macrclcpidota  Val.  en  Capoëta  amphibia  Val., 
welke  echter  niet  alleen  niet  tot  Oreinus,  maar  zelfs  niet  tot  de  Phalalcrognathi- 
nen  behooren,  zijnde  Capoëta  maciolepidota  eene  Hampala  en  Capoëta  amphibia 
eene    Systomus.     Bsz3  soorten  zijn    trouwens    in  de  lijst   der  soorten  van  Scnphio- 

so 


234 

don,    voorkomende  in   Ileckel's    Nachtrag   zur    Classification   der   Cyprineëri-Gat- 

tungen ,   weggelaten. 

Men  kent  thans  soorten  met  4  en  soorten  met  slechts  2  voeldraden.  Voor  de 
eerste  stel  ik  voor  als  snhgencrischen  naam  dien  van  Oreinus  te  behouden  en 
onder  den  door  Ileckel  voorgestelden  geslachtsnaam  Scaphiodon  slechts  te  bren- 
gen   de  soorten,   bij   welke  alleenlijk  de   bovenkaaksdraden  aanwezig  zijn. 

Ik  moet  hier  nog  aan  teekenen,  dat  Gobio  damascinus  Val.,  welke  door  Ileckel 
onder  zijne  soorten  van  Scaphioden,  hoezeer  met  twijfel,  is  opgesomd,  niet  wel 
daartoe  te  brengen  is,  vermits  de  getande  rugdoorn  er  niet  bestaat.  Zoolang  men 
de  monddcelen  dezer  soort  niet  beter  kent,  zal  het  beste  zijn  de  soort  onder  het 
geslacht  Gobio  te  laten  blijven.  Ook  heeft  de  heer  MacClelland  in  zijne  //  Afghan 
Collection  of  Fishes"  twee  soorten  van  Oreinus  opgebragt,  van  welke  de  eene,  Orei- 
nus plagiostomus ,  dezelfde  is  als  Opistocheilos  plagiostomus  Blkr,  terwijl  de  an- 
dere, Oreinus  Griffithii,  of  eene  Schizopyge,  of  cene  Opistocheilos  is. 

Schizopyge  Heck.,  Fisch.  Syriens  Nachtr.  p.  183. 

Corpus  elongatum  vel  subelongatum  compressum ,  squamis  parvis 
vestitum.  Maxillae  nudae,  acie  cartilaginea  tenues.  Cirri  4,  rostrales 
et  supramaxillares.  Rostrum  integrum,  non  lobatum,  plus  minusve  ante 
os  prominens.  Labium  inferius  symphysin  versus  nullum.  Pinna  dorsalis 
ante  vel  supra  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  ana- 
lem  desinens,  radio  simplice  postico  osseo  serrato.  Pinna  analis  basi 
plica   longitudinali ,    anum  tegente ,  squamis  magnis  instructa.  Dentés 

pharvn<reales  a^i'errati  2.3.5  5.3.2. 

i  o  sa     o  ' 

Aanm.  Het  geslacht  Schizopyge,  zooals  het  boven  omschreven  is,  heeft  dezelfde 
beteekenis  als  de  afdeeling  B  der  soorten  vah  Schizothorax ,  zoo  als  Ileckel  die 
in  zijne  Fiscke  aus  Caschmir  opstelde.  Zijne  Schizopyge  plagiostomus  en  Schizo- 
pyge sinuatus  vallen  er  buiten  en  behooren,  zooals  vroeger  reeds  aangeduid  is, 
tot  mijn  geslacht  Opistocheilos.  Slechts  4  soorten  zijn  tot  nog  toe  met  zekerheid 
tot  Schizopyge  te  brengen,  welke  alle  het  hoogland  van  Cashmir  bewonen,  t.  w. 
Schizopyge  curvifrons  lleck.,  Schizopyge  longipinnis  Heek.,  Schizopyge  niger  Ileck. 
en  Schizopyge  nasus  Ileck.  Waarschijnlijk  behoort  echter  ook  Racoma  chryso- 
chlora  McCl.  uit  de  Cabul-rivicr  tot  hetzelfde  geslacht,  althans  te  oordeelen  naar 
de  afbeelding,  welke  de  heer  MacClelland  van  deze  soort  heeft  gegeven  ;  terwijl 
misschien  ook  nog  Oreinus  Griffithii  McCl.  tot  Schizopyge  te  rekenen  is.  De  tan- 
den, door  Ileckel  van  Schizopyge  curvifrons  afgebeeld,  zijn  bepaaldelijk  n  aggregati" 
en  niet  »  cochleariformes". 


COHORS    II    CHEILOGNATHINI. 
Bedektkakigen. 

Cypriniformes  maxillis  labiis  inclusis,  vagina  vel  lamina  cornea  nulla. 

Aanin.  Bij  de  groote  meerderheid  der  Cypriniforines  gaat  liet  mondslijmvlies  on- 
merkbaar in  de  lippen  over,  zoodat  de  kaken  zijn  omkleed  met  de  lippen,  welke 
nimmer  het  hooniachtig  omhulsel  bezitten,  hetwelk  bij  de  Phalakrognathinen  de 
liplooze  uiteinden  der  kaken  beschermt. 

Men  kan  deze  groote  rei  derhalve  met  den  hier  aan  ze  gegeven'  naam  bestempelen, 
welke  beter  het  karakter  der  rei  uitdrukt  dan  de  door  Meckel  gebezigde  benaming 
Pachychilae,  welke  zelfs  voor  een  groot,  zoo  niet  het  grootste,  aantal  soorten  be- 
paald onjuist  is. 

De  Cheilognathinen  omvatten  drie  scherp  gekenmerkte  groepen,  van  welke  de 
grondtypen  te  vinden  zijn  in  de  geslachten  Catostomus  Les.,  Cyprinus  Cuv.  en  Bar- 
bus Cuv.  De  groepen   zijn  daarnaar  genoemd  Catostominen,  Cyprininen  en  Barbinen. 

De  Catostominen  zijn  uitwendig  herkenbaar  aan  dikke  vleezige  lippen  en  onder- 
staande mondopening  met  gelijktijdige  afwezigheid  van  voeldraden  of  vindoornen.  Acht 
men  zich  met  deze  kenmerken  nog  in  het  onzekere,  dan  beslissen  de  merkwaardige 
keelkaken  met  hare  talrijke  tanden,  het  voorkomen  hebbende  van  eene  gebogene 
kam,  omtrent  de  wezenlijke  plaats  in  het  stelsel. 

De  Cyprininen  zijn  scherp  gekenmerkt  door  hunnen  getanden  aarsvindoorn.  Vlee- 
zige ronde  lippen,  betrekkelijk  hoog  ligchaara ,  groote  schubben  en  veelstralige 
rugvin  met  getanden  doorn,  zijn  kenmerken,  niet  minder  standvastig  aanwezig  dan 
de  getande  aarsvindoorn ,  maar  komen  ook   bij   vele  Barbinen  voor. 

De  Barbinen  missen  den  getanden  aarsvindoorn  der  Cyprininen  en  hoezeer  men 
de  uitwendige  teekenen  der  Catostominen  alle  in  ze  terugvindt,  komen  ze  niet  alle 
te  gelijk  bij  één  soort  voor.  Bovendien  ligt  een  zeker  herkenningsteeken  in  het 
tandenstelsel,  waarin  men  bij  geene  enkele  soort  der  Barbinen  meer  dan  12  tanden 
in  een  onderkeelgatsbecn  aantreft  en  nimmer  meer  dan  5  of  G  tanden  op  eene  en- 
kele rei. 

De  Cheilognathinen  hebben  eene  wijdere  geographische  verbreiding  dan  de  overige 
Cyprinoïden.  Men  vindt  ze  overal  waar  de  grenzen  zijn  van  de  Cyprinoïden  zelve, 
zoowel  in  Japan  en  den  Indischen  archipel,  als  aan  de  zuidspits  van  Afrika,  hoog 


23G 

in  het  noorden   van  Azië,  Europa  en  Afrika,  ja  zelfs  tot   in    Mexico. 
Die  verbreiding  is  evenwel  niet  zoo  groot  voor  de  groepen. 
Zoo  de  Catostominen  al   niet  in  volstrekten  zin  tot  Noord-Amerika  beperkt  zijn, 
vindt   men    toch   slechts   een   enkele  van   hare    meer  dan  vijftig  bekende  soorten  in 
het  niet  ver  van  Amerika   verwijderd  gedeelte  van  Noord-Azië. 

De  Cyprininen  zijn  echte  buitenkeerkringsvisschen  van  het  oostelijk  halfrond  en 
gaan  slechts  in  de,  overigens  buiten  de  keerkringen  wortelende,  stroomgebieden 
van  Zuid-China  lot  in  de  warme  luchtstreek. 

De  Barbinen    daarentegen   bevinden  zich  allerwege    met  de  Catostominen  en  Cv- 
prininen  te  zamen  en  strekken  zich,  door  de  keerkringen  heen,  tot  inde  zuidelijke 
gematigde  klimaten  uit. 

liet  aantal  thans  bekende  Cheilognathinen  bedraagt  meer  dan  700  soorten.  Meer  dan 
600  dier  soorten,  en  al/.oo  meer  dan  de  helft  van  alle  bekende  Cyprinen  ,  behooren  tot 
de  Barbinen,  terwijl  het  aantal  der  Catostominen  weinig  meer  dan  50  en  dat  der 
Cyprininen    weinig  meer  dan  30  soorten  beloopt. 

liet  zijn  ook  de  Barbinen  vooral,  welke  rijk  zijn  aan  generische  typen.  Die  der 
Cvprininen  zijn  slechts  twee  in  getal,  Cyprinus  en  Carassius,  bij  welke  enkelen  ook 
nog  Carpio  aannemen.  De  Catostominen,  tijdens  hare  ontdekking  door  Lesueur 
alle  zamen  gevat  in  zijn  geslacht  Catostomus,  zijn  spoedig  daarna  in  meerdere  ty- 
pen ontleed,  llafinesque  herkende  de  typen  Moxostoma,  Carpiodes,  Cycleptus  en 
lchthyobus;  de  heer  Agassiz  Bubalichthys,  Ptychostomus  en  Hylomyzon  ;  en  de 
heer  Girard  Acomus  en  Minoraus.  Maar  in  de  Barbinen  zijn  meer  dan  GO  generische 
typen  aan  te  nemen ,  welke  alle  aan  de  geslachten  Barbus,  Gobio ,  Tinca,  Cirrhina, 
Abramis  en  Leuciscus  van  Cuvier's  Ri'gne  animal  zijn  ontleend. 

Talrijke  ichthyologen  hebben  tot  de  opstelling  van  die  typen  bijgedragen  ,  zelfs 
wanneer  men  buiten  beschouwing  laat  die  genera,  welke  niet  aannemelijk  zijn  of 
met   andere  in    beteekenis  overeenkomen. 

Hamilton  Buchanan  gaf  het  geslacht  Chela. 

Aan  Rafiuesquc  heeft  men  de  aanwijzing  te  danken  van  Luxilus,  Plargyrus, 
Seraotilus  en  Chrosomus. 

Van    Hasselt  wc»s   op   de  generische  beteekenis  van   Ilampala. 

De  heer  Riippell  duidde  de  generische  waarde  aan  van  Labeobarbus. 

De  heerAgassiz  merkte  op ,  de  geslachten  llhodeus,  Phoxinus,  Aspius,  Ptycho- 
cheilus  en  Hybopsis. 

Aan  den  heer  MacClelland  had  men  te  danken  de  aanwijzing  van  Systomus ,  Ra- 
coma,  Opsarius  en  Perilampus,  gelijk   als  die  van  Rohlee  aan   den  kolonel   Sykes. 

Swainson   ontdekte  de    waarde  als   geslacht  van   Chedrus  en  Esomus. 

Ileckel  wees  op  nog  andere  generische  typen  in  Aulopyge,  Schizothorax,  Acan- 
thobrama,  Leucosomus,  Argyreus,  Phoxinellus,  Amblvpharyngodon  (Mola  Heek.), 


237 

De  prins  van  Canino  ontdekte  de  generische   waarde  van   Scardinius." 

De  heer  Valenciennes  gaf  eene  generische  beteekenis  aan  Catla. 

De  geslachten  Ceratiehthys,  Gila,  Meda,  Alburnops,  Cyprinella,  Codoma  en 
Tiaroga  zijn  aanwijzingen,  het  eerste  van  den  heer  Baird,  het  tweede  van  de  hee- 
ren   Baird  en  Girard,  en   de   overige  van  den  Girard    alleen. 

De  heer  Basilewski  voegde  hierbij  nog  Culter  en  Chanodichthys  (Leptocephalus  Bas.). 

Mijne  eigene  nasporingen  eindelijk  hebben  mij  geleid  tot  de  aanneming  van  nog 
eene  andere  reeks  van  generische  typen  van  Barbinen  ,  welke  ik  genoemd  heb  Cy- 
clochcilichthys,  Balantiocheilos,  Hypselobarbus,  Albulichthys,  Amblyrhynchichthys, 
Hemibarbus,  Pseudoculter ,  Hemiculter,  Elopichthys,  Leptobarbus,  Sareorheilich- 
thys,  Pseudophoxinus ,  Thynnichthys,  Ilypophthalmichthys,  Gnathopogon,  Rasbora, 
Pseudorasbora,  Rasborichthys,  Luciosoma,  Laubuca,  Macrochiriehthys  en  Smiliogaster. 

Stirps  1.  Catostomini.  —  Kamtandkarpers. 

Cypriniformes  cheilognathini  corpore  oblongo  vel  clongato  compresso 
vel  subfusiformi ,  maxillis  labiis  carnosis  latis  inclusis,  oreinfero,  pinna 
dorsali  ante  pinnas  ventrales  incipiente  anacantha ,  squamis  corpore 
parvis  ad  magnis,  dentibus  pharyngealibus  ntroque  latere  36  ad  130 
uniseriatis  in  seriem  pectiniforraem  dispositis;  cirris  nullis. 

Aanm.  De  Catostominen  staan  scherp  gekenmerkt  in  de  groote  familie  der  Cy- 
prinoïden  door  hunne  tulrijke  op  eene  enkele  rei  als  eene  kam  geplaatste  kcelgat- 
beenstanden. 

Lesueur  vereenigde  de  hem  bekende  soorten,  in  IS  17 ,  onder  den  geslachts- 
naam Catostomus. 

Rafinesque  kwam  kort  na  Lesueur's  artikel  over  Catostomus  tot  de  overtuiging, 
dat  Koord- Amerika  meerdere  geslachten  van  Catostominen  voedt  en  legde  den 
grond  tot  de  kennis  der  geslachten  lchthyobus,  Carpiodes,  Cycleptus  en  Moxo- 
stoma,  doch  hij  omschreef  ze  onvoldoende,  zoodat  het  moeijelijk  is  geweest  ze  naar  de 
door  hem  waargenomene   soorten   te  herstellen. 

Cuvier  nam  het  geslacht  Catostomus  van  Lesueur  aan  en  omschreef  het  kortelijk 
als  te  bezitten  dezelfde  dikke,  gefranjede  of  gekartelde  lippen,  als  Labeo,  doch 
eene  korte  rugvin  als  die  van  Leuciscus  en  boven  de  buikvinnen  geplaatst;  eene 
diagnose,  voor  den  tegenwoordigen  stand  der  kennis  van  de  Cyprinoïden  volstrekt 
onvoldoende. 

lieckel  omschreef  het  ges-lacht  nader  en    grondde  het  voornamelijk  op  de  talrijke 
penreijige  keelgatbeenstanden ,  welke  lij  noemt    ■  pectinifornies".    Hij  stelde  zelfs  voor, 


233 

île  Cyprinoïden  met  zoodanig  tandenstelsel  tot  eene  Tribus  te  verheffen  en  ze  te 
plaatsen  in  de  drie  geslachten  Catostomus  Les.,  Rhytidostomus  Heek.  en  Exoglos- 
suiu  Kaf.  lleckel  kon  evenwel  niet  over  voldoende  bouwstoffen  beschikken, 
blijkende  uit  zijne  lijst  der  soorten,  dat  hij  slechts  Catostomus  teres  Les.  en  Cy- 
prinus  catostomus  Forst,  naar  de  natuur  heeft  kunnen  onderzoeken. 

Zijn  geslacht  Rhytidostomus  was  reeds  door  Rafinesque  herkend  en  Cycleptus 
genoemd.  Van  de  twee  soorten,  welke  lleckel  van  Rhytidostomus  opsomt  is  Cato- 
stomus elongatus  Lesueur  eene  Cycleptus  en  Cyprinus  catostomus  Forst,  eene  echte 
Catostomus.  Het  geslacht  Exoglossum  overigens  behoort  volstrekt  niet  tot  de  Ca- 
tostominen,  maar  tot  de  Chondrostominen,  doch  onder  dat  geslacht  zijn  zeer  van 
elkauder  verschillende  soorten  gebragt,  zijnde  Exoglossum  macroptcrum  Raf.  inder- 
daad tot  de  Catostominen    en  wel   tot  het  geslacht  Ilylomyzon  te  brengen. 

De  heer  Valenciennes,  in  het  17e  deel  der  Histoire  naturelle  des  Poissons,  de  Ca- 
tostominen beschrijvende,  bragt  ze,  even  als  lleckel,  onder  drie  geslachten,  onder 
Catostomus,  Scleroiniathus  en  Kxosdossutn. —  Catostomus  behield  er  ongeveer  dezelfde 
beteekenis  als  bij  Lesueur,  doch  de  soorten,  door  den  heer  Valenciennes  tot  Cato- 
stomus gebragt,  zijn  naar  de  nieuwere  splitsingen  van  dit  geslacht  te  brengen, 
deels  tot  Catostomus,  deels  tot  de  geslachten  Moxostoma,  Acomus,  Ptychostomus, 
lijlomvzon  en  Cjcleptus.  liet  geslacht  Sclerognathus  Val.  omvat  de  twee  geslach- 
ten van  Rafinesque  Carpiodes  en  lchthyobus  en  het  geslacht  Exoglossum  Val.  niet 
alleen    Exoglossum  maar   ook  de  geslachten  Ilylomyzon  Ag.  en    Campostoma  Ag. 

De  heer  Agassiz  heeft  sedert  1354  de  Catostominen  nader  toegelicht  en  aanlei- 
ding gevonden  de  vroeger  opgestelde  geslachten  van  Rafinesque  te  herstellen  en 
beter  te  omschrijven  en  bovendien  nog  andere  geslachten  voor  te  stellen.  In  zijn 
artikel  //  Synopsis  of  the  Ichthyological  Fauna  of  the  Pacific  slope  of  North  America", 
gaf  hij  nadere  omschrijvingen  van  de  geslachten  Carpiodes,  lchthyobus,  Cycleptus 
en  Moxostoma  van  Rafinesque,  alsmede  bepalingen  van  de  geslachten  Bubalichthys , 
Ptvchostomus  en  Ilylomyzon,  welke  hij  van  de  overige  geslachten  der  Catostomini 
meende  te  moeten  afzonderen. 

De  heer  Girard  voegde  in  1S5G  bij  alle  die  geslachten  nog  de  genera  Minornus 
en  Acomus. 

Ik  ken  de  Catostomini  niet  naar  de  natuur  en  de  afbeeldingen  en  beschrijvingen 
der  bekende  soorten  laten  niet  toe,  behoorlijk  te  bepalen,  in  hoeverre  de  vrij  talrijke 
geslachten,  welke  men  gemeend  heeft  in  deze  afdceling  te  moeten  opstellen,  als  na- 
tuurlijke geslachten  te  beschouwen  zijn.  En  hoezeer  het  mij  voorkomt,  dat  men 
ten  deze  met  de  spitsing  der  geslachten  misschien  te  ver  is  gegaan  en  daartoe 
kenmerken  heeft  gebezigd,  welker  generische  waarde  aan  redelijken  twijfel  onder- 
hevig is,  heb  ik  mij,  ten  deze  niet  naar  de  natuur  kunnende  beslissen,  hier 
slechts   bepaald    tot    het  geven  van  een  overzigt  dier   genera    en  van   hunne   ken- 


239 

merken,   zooals    ik    die    naar  de    bestaande   gegevens    heb    kunnen    zamenstellen. 

Een  dier  geslachten,  Moxostoma  Raf. ,  is  zeer  kenbaar  aan  en  zeer  merkwaardig 
door  het  niet  aanwezig  zijn  eener  zigtbare  zijlijn. 

Vier  andere  geslachten,  Carpiodes  Raf.,  Ichthyobus  Raf,  Bubaliehthys  Ag.  en 
Cycleptus  Raf.  hebben  met  elkander  gemeen  eene  lange  rugvin ,  welke,  even  als  bij 
alle  Catostominen,  vóur  de  buikvinnen  begint  doch  zich  tot  boven  de  aarsvin  uitstrekt. 
Deze  geslachten  zijn  slechts  door  minder  gewigtige  kenteekenen  van  elkander  onder- 
scheiden. Bubaliehthys  Ag.  zou  zich  voornamelijk  slechts  van  de  overige  drie  on- 
derscheiden doordien  er  de  rugvin  van  voren  niet  of  weinig  hoosrer  is  dan  in  het 
midden  en  van  achteren,  alsmede  door  sterke  driekantige  keelgatsbeenderen  en 
stompe  bolle  kaauwvlakte  der  keelgatbeenstanden.  Bij  Carpiodes  zijn  de  keelgats- 
beenderen buitengewoon  dun  en  de  lippen  dwars  geplooid.  Ik  vermoed,  dat  de 
schubschecde  langs  de  basis  der  rugvin,  bij  Dekay  van  Carpiodes  cyprinus  afgebeeld, 
bij  dit  geslacht  eene  generische  beteekenis  heeft.  Cycleptus  en  Ichthvobus  schijnen 
uiterst  na  verwant  te  zijn.  Ichthyobus  evenwel  zou  dunne  lippen  hebben  en  een- 
knobbelige  keelgatstanden;  Cycleptus  daarentegen  keelgatstanden  zonder  knobbels  en 
dikke  lippen ,  van  welke  de  onderlip  tweekwabbig.  De  overige  geslachten  zijn 
gemakkelijk  van  de  genoemde  te  onderkennen  aan  de  veel  kortere,  ver  voor  de 
aarsvin  eindigende  rugvin.  Hiertoe  behooren  Catostomus  in  engeren  zin ,  Acomus 
Gir. ,  Minomus  Gir. ,  Hylomyzon  Ag.  en  Ptychostornus  Ag.  Het  komt  mij  voor,  dat 
de  kenmerken  der  geslachten  scherper  behooren  gesteld  te  worden,  dan  gedaan  is, 
om  ze  als  natuurlijke  geslachten  te  kunnen  aannemen.  Dat  zij  zulks  inderdaad  zijn, 
laat  zich  wel  opmaken  uit  hun  verschil  in  habitus,  zooals  b.  v.  Hvlomvzon  nigricans 
Ag.,  Ptychostornus  macrolcpidotus  Ag. ,  Catostomus  teres  Les.  en  Acomus  aurora  Gir. 

Men  kent  thans  meer  dan  50  soorten  van  Catostominen,  welke,  met  uitzon- 
dering slechts  van  Catostomus  Tilesii  Val.  van  noordoostelijk  Azië,  alle  tot  Noord- 
Amerika  behooren.  Het  komt  mij  zelfs  nog  voor  een  nader  onderzoek  te  behoeven 
of  Catostomus  Tilesii  inderdaad  tot  deze  groep  behoort,  vermits  het  eigenlijke  kri- 
terium  voor  de  bepaling  gelegen  is  in  de  talrijke  kamsgewijze  geplaatste  keelgats- 
tanden ,  waaromtrent  ik  niets  vermeld  zie.  Indien  die  soort  inderdaad  tot  de 
Catostominen  behoort',  zal   zij   plaats  behooren  te  nemen  in  het  geslacht  Acomus  Gir. 

De  geslachten  der  Catostominen  laten  zich  overzien  als  volgt. 

I.  Linea  lateralis  conspicua. 
A.  Pinna   dorsalis  longe  ante  pinnam  analem  desinens.     Labium   inferius  bilo- 
bum.     Corpus  elongatum. 
a.    Dentés  pharyngeales  tuberculati.     Labia  papillata.     Caput  elongatum ,  ros- 
tro  valde  prominente.     Squamae   corpore  antice  quam  pos-tice  minores. 
1.   Squamae   parvae  vel  médiocres,  caudales  supra-axillaribus  multo  majores. 
Ossa  pharyngealia  gracilia  non  introrsum  directa,  dentibus  bituberculatis. 


24Û 

Acomus  G  ir. 

2.   Squamae   médiocres  vel  magnae,  caudales  supra-axillaribus  paulo  majores. 
f  Ossa  pharyngealia  gracilia  valde  introrsum  direeta  dentibus  bituberculatis. 

M'uwmus  Gir. 

f'  Ossa   pharyngealia  valida  coinpressiuscula,  dentibus  unitubcrculaüs. 

Catostomus    Les. 

b.  Dentés  pharyngeals  non    tuberculati      Rostrum  vix    ante  os  prominens. 

1.  Squamae  corpore  antice  et  postice  aequales.     Labia  minus  carnosa  trans- 
versa sulcata.     Ossa  pharyngealia  valida  lata. 

Ptychostomus   Ag. 

2.  Squamae  corpore   antice   quam   postice  majores.     Labia  lata  carnosa  papil- 
lata.     Ossa  pharyngealia   latiuscula. 

llj/Iomijzon  Ag. 

B.  Pinna  dorsalis  multiradiata   supra  pinnam  analem  desinens. 

a.  Pinna  dorsalis  antice  valde  elevata,  medio  et  postice  humilis.  Labia  papillata. 

1.  Ossa  pharyngealia   tenuia   valde  compressa,  dentibus  unituberculatis.  La- 
bium inferius  bilobum. 

Carpiodes  Raf. 

2.  Ossa     pharyngealia   validiora    triquetra    vel    subtriquetra,    dentibus    facie 
masticatoria  oblique  emarginata.   Labium  inferius  medio  emarginatum. 

Cycleptus  Raf. 

3.  Ossa   pharyngealia  validiora  triquetra  vel  subtriquetra,   dentibus  unituber- 
culatis.    Labium  inferius  papillatum. 

Iclttliyobus   Raf. 

b.  Pinna  dorsalis  antice  quam  postice  et  medio   vix  altior.     Labia  granulata. 
1.    Ossa   phanngealia    valida    triquetra,    dentibus   facie    masticatoria  convexa 

angulo   tantum  processu  brevi  munita. 

BubalicJdhi/s  Ag. 

II.  Linea  lateralis  inconspicua. 
A.    Pinna    dorsalis    subelongata,  ante  pinnam  analem   desinens      Labium   infe- 
rius bilobum. 

Moxostoma  Raf. 


241 


Species  Catostominorum  hucusque  cognitae. 


Acomus  latipinnis-  Gir.  —  Catostomus  latipinnis  B.  Gir.     .     .  Amer.  sept.  (Rio   Gila). 

//       aurora  Gir.  zs  Catostomus  aurora  Ag.  (sec.  Ag.  ead. 

spec,   ac  sequens.) Amer.   sept.  (Lac.  super.). 

//       Forsterianus  Gir.  es  Catostomus  Forsterianus  Richds., 

Heck,  (nee  Ag.) Amer.   sept.    (Canada). 

//       Guznianiensis  Gir Amer.  sept.  (Chihuahua). 

//       generostis  Gir Amer.  sept.  (Utah-lac). 

//       griseus  Gir ;....  Amer.  sept.  (Platte-river). 

//       lactarius  Gir. Amer.  sept.  (Milkriver). 

/'   ?  Tilesii  Blkr=3  Cyprin  us  rostratus  Tiles.  =3    Catosto- 
mus Tilesii  Val :  Asia  sept,  orient.  (Siberia). 

Minomus  insignis  Gir.  a  Catostomus  insignis  B.  Gir.  =?  Pty- 

chostomus?   insignis   Ag Amer.  sept.  (Rio  Gila). 

//       plebejus   Gir.  =3  Catostomus    plebcjus   B.    Gir.     .     .  Amer.  sept.  (Rio  Gila). 

e       Clarkii  Gir.  =n  Catostomus   Clarkii  B.  Gir.     .     .     .  Amer.  sept.  (Rio  Gila). 
Catostomus  hudsonius  Les.  =3  Cyprinus  catostomus  Forst.  s 

Rhytidostomus  catostomus  Heck Am.  s.  (Sin.  Hudson,  Cumbl.). 

//       Forsterianus   A  g.  (nee  Richds.) Am.  sept.  (Lac.  superior). 

*       teres   Les.  —  Cyprinus    teres  Mitch,  :=i    Catostomus 

communis  Les.  =3  Catostomus  gracilis  Kirtl.     .     .     .  Amer.  sept.  (Prov.  unit.  or.). 

//       bostoniensis  Les.  =3  Catostomus  pallidus  De  Kay  ?  =3 

Catostomus    florealis    Baird Amer.  sept.  (Prov.  unit.  or.). 

//       occidentalis  Ayr ;     .     .     .     .  Amer.  sept.  (Californ.). 

//       macrocheilus  Gir Amer.  sept.  (Astoria). 

y       Sucklii    Gir Amer.  sept.  (Milkriver). 

//       Bernardini    Gir Amer.  sept.  (Mexico). 

/'       labiatus    Ayr A.  s.  (Pr.  un.  oca,  Lac.  Klam) 

//       longirostrum  Les Amer.   sept.  (Vermont). 

Ptychostomus  congestus  Gir.  a  Moxostoma?  congestum  Ag.  ~ 

Catostomus  congestus  B.  Gir Am.  sept.  (Texas,  Rio  Salado). 

//       aureolus  Aor.  s  Catostomus  aureolus  Les.  s  Catosto- 

mus  Sueurii  Richds.  ?  Heck Am.  s.  (Lac.  sup.,  Erie,  Can-). 

//       albidus  Gir Amer.  sept.  (Californ.). 

//       Duquesnii  Ag.  s  Catostomus  Duquesnii    Les.  =3  Ca- 
tostomus   erythrurus   Raf :  A.  s.  (Lac.Canad.  Huntsv.  etc). 

//       Haydeni  Gir Amer.  sept.  (Missuri). 

//      macrolepidotus  Ag.  s  Catostomus  macrolepidotus  Les. 

31 


242 

sa  Catostomus  carpio  Val.?  sa  Catost.  oneida  De  Kay.  Ain.  s.  (N.  Y,  Ont  -,  Oneid.  Can) 
l'tvchostoinus  melanops  Ag.  sa  Catostomus  melanops  Raf.  sa 

Catostomus  fasciatus  Les.sa  Catostomus  melanotus  Val.  Am-  s-  (Pr.  un-  occ  et  mer.). 
HylomyzOB  nigricans  Ag.  sa  Catostomus  nigricans  Les.  sa  Ca- 
tostomus maculosus  Les.sa  Catostomus  fasciolaris  Raf. 

sa  Catostomus  fiexuosus  Raf.  sa  Catostomus  megasto- 

mus  Raf.  sa  Catostomus  xanthopus  Raf.  sa  Exoglossum 

macropterum  Raf.  sa  Hypentelium  macropterum  Raf. 

sa  Catostomus  planiceps  Val Am.  s.  (Pr.  un.  or.  et  med.). 

Carpiodes  cyprinus  Ag.  sa  Catostomus  cyprinus  Les.  sa  Car- 

piodes  vacca  Ag.  sa  Labeo  cyprinus  De  Kay.  sa  Scle- 

rognathus    cyprinus    Val Amer,  sept  (Prov.  unit  merid.) 

n       Thompsoni  Ag.  sa  Catostomus  cyprinus  Zad.  Thomps.  Amer.  sept.  (Lac-  Champlain).. 
//       velifer    Raf.,   Ag.  sa  Catostomus   cyprinus  Kirtl.    sa 

Carpiodes    carpio    Raf.  sa  Carpiodes  setosus   Raf.  sa 

Catostomus    (Moxostoma)    anisopterus   Raf.     .     .     .  Amer.  sept.  (Ohio). 

u       bison  Ag Ain.  sept.  (Mississip.,  Osage  fl.) 

//       damalis   Gir Amer,    sept-  (Missuri). 

Cycleptus    elongatus    Ag.  sa   Catostomus    elongatus    Les.  sa 

Decactylus  Raf.  sa  Rhytidostomus  elongatus  Heck.     .  Amer.  sept.  (Ohio,  Cincinnati). 

//       nigrescens   Raf Amer.  sept.   (St.  Louis). 

Iclithyobus  bubalus  Raf.,  Ag.  sa   Sclerognathus  cyprinella  Val.  Amer.  sept.  (N.  Orleans). 

//       Rauchii    Ag Amer.  sept.  (Jowa). 

u       Stolleyi  Ag Amer.  sept.  (Missuri). 

u       tumidus  Gir.  sa  Carpiodes  tumidus  13.  Gir.  sa  Icty- 

obus   tumidus   Gir Amer.  sept.  (Texas). 

Bubalichthys  bubalus  Ag.  sa  Catost.  bubalus  Kirtl.  (nec  Raf.)  Amer.  sept.  (Ohio). 

//       bonasus   Ag Amer,  sept  (Osage  fl): 

//       niger  Ag.  sa  Catostomus  niger  Raf. Amer,  sept  (Ohio). 

'/       vitulus   Ag.  sa  Carpiodes  vitulus  Ag.      .....  Amer.  sept.   (AVabash). 

//       taurus   Ag.  sa  Carpiodes   taurus   Ag Amer.  sept.  (Mobile  fl.). 

v       urus  Ag.  sa  Carpiodes  urus  Ag.    .......  Amer,   sept    (Tennessee  fl.). 

Moxostoma   oblongum    A  g.  sa  Cyprinus  oblongus  Mitch,  sa 

Catostomus  vittatus  Les.  sa  Labeo  esopus  De  Kay  sa 

Labeo  gibbosus  De  Kay  sa  Labeo  oblongus  De  Kay 

sa  Labeo  elegans  De  Kay  sa  Catostomus  tuberculatus 

Les  sa  Catostomus    gibbosus  Les.  sa  Moxostoma  tu- 
berculatum v.  gibbosum  Ag Amer-  sept.  (Pr.  unit  orient.): 

Moxostoma  sucettaAg.sa  Cyprin,  sucetta  Lac.  sa  Catost.  sucetta 

Les.  sa   Catost.  suceti  Val  sa  Moxost.  snceti  Ag.  .     .  Am.  s.  (Chariest,  Georgia  etc.). 


24* 


o 


Moxostoma  anisurus  Ag.=  Catost.  (Moxostoma)  anisurus  Raf.  Am.  s.(  Erie  lac,  Illin.,  Miss.  etc). 

«       tenue  Ag ;  Amer,  sept  (Alabama). 

//       claviformis  Gir. Amer.  sept.  (Canadian  fl). 

/'       Kennerlii  Gir Amer.  sept.  (Texas). 

//       Victoriae   Gir. .  Amer.  sept.  (Texas). 

h       Campbelli  Gir Amer.  sept.  (Texas). 


Acomus    Gir. ,    Research.    Cyprin.    Fish.    Unit.  States  in  Proceed. 
Acad,  natur.  scienc.  Philadelph.  Vol.  VIII  p.   173. 

Corpus  elongatum  fusiformi-compressum  squamis  parvis  vel  medio- 
cribus  corpore  antice  quam  postice  multo  minoribus  vestitum.  Maxil- 
lae labiis  papillatis  inclusae.  Labium  inferius  bilobum.  Caput  lonoi- 
us  quam  altum.  Rostrum  integrum  ante  os  valde  prominens.  Pinna 
dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem 
desinens,  altior  quam  longa.  Ossa  pharyngealia  non  expansa.  Dentés 
pharyngeals  compressi,  bituberculati ,  numerosi,  in  seriem  pecti- 
niformem  dispositi. 

Aanm.  De  heer  Girard  brengt  tot  dit  geslacht,  behalve  Catostomus  Forsteri- 
anus  Richds.  (nee  Ag.)  en  Catostomus  aurora  Ag. ,  nog  5  door  hem  ontdekte  soor- 
ten. Cyprinus  rostratus  Tiles,  van  noord-oostelijk  Azië  zal  insgelijks  tot  Acomus 
te  brengen  zijn,  indien  deze  soort  inderdaad  tot   de  Catostominen  behoort. 

Minomüs   Gir. ,   Research.  Cyprin.    Fish.  Unit.    States  in  Proceed. 
Acad,  natur.  sciences  of  Philadelph.  Vol.  VIII  p.   173. 

Corpus  elongatum  fusiformi-compressum ,  squamis  magnis  vel  me- 
diocribus  corpore  antice  quam  postice  paulo  minoribus  vestitum.  Maxil- 
lae labiis  papillatis  inclusae.  Labium  inferius  bilobum.  Caput  longius 
quam  altum.  Rostrum  integrum  ante  os  prominens.  Pinna  dorsalis 
ante  pinnas  ventrales  incipiens ,  et  ante  pinnam  analem  desinens ,  altior 
quam  longa  vel  aeque  alta  ac  longa.  Ossa  pharyngealia  lateraliter  non 
expansa  sed  valde  introrsum  directa.  Dentés  pharyngeals  compressi 
bicuspidati,  numerosi,  in  seriem  pectiniformem  dispositi. 


2-44 

Aanm.  Tot  dit  geslacht  beeft  de  heer  Girard  gebragt  drie  soorten,  welke  bij  in 
1S54  met  den  beer  Baird  had  bekendgemaakt  onder  de  namen  Catostomus  Clarkii, 
Catostomus  insignis  en  Catostomus  plebejus.  Ik  twijfel  zeer  of  Minomus  met  regt 
als  geslacht  van  Catostomus  is  gescheiden,  wat  zich  overigens  ook  van  het  geslacht 
Acomus  Gir.   laat  zeggen. 

Catostomus  Les.,  Journ.  Acad.  Phil.  I;  Ag.  Ichth.  Pacif.  slope  X. 
Amer.  p.  22.    in    Amer.  Journ.  se.  arts.  2a  Ser.  Vol.  XIX 

Corpus  elongatum ,  fusiformi-compressum ,  squamis  magnis  vel  rae- 
diocribus  corpore  antice  quam  postice  minoribus  vestitum.  Maxillae 
labiis  carnosis  papulosis  inclusae.  Labium  inferius  bilobum.  Rostrum 
integrum  obtusum  ante  os  prominens.  Maxilla  inferior  lata,  brevis. 
Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  a- 
nalem  desinens.  Ossa  pharyngealia  valida  compressiuscula.  Dentés 
pharvngeales  médiocres  symphysin  ossium  pharyngcalium  versus  magni- 
tudine  accrescentes ,  compressi,  facie  masticatoria  obtusa  angulo  processu 
brevi ,  numerosi,  in  seriem  pectiniformem  dispositi. 

Aanm.  Nadat  door  de  splitsing  van  het  Lesueurscbe  geslacht  Catostomus  reeds 
talrijke  soorten,  oorspronkelijk  daartoe  behoorende,  daarvan  waren  afgezonderd, 
bleven  nog  vrij  talrijke  soorten  over,  welke  tot  Catostomus,  in  zijnen  tegenwoor- 
digen  beperkten  zin  ,  behooren.  Tot  die  soorten  zijn  te  brengen  Cyprinus  catostomus 
Forst.,  Catostomus  teres  Les.,  Catostomus  bostonensis,  Catostomus  longirostrum 
Les.  en  nog  eenige  door  de  nieuwere  amerikaansche  ichthyologen  ontdekte  soorten. 

Ptychostomus    Ag.,    Ichth.  Pacif.    slope  North.    Amer.  p.  IS  in 
Amer.  Journ.  science  and  arts,  2d  Series  Vol.  XIX. 

Corpus  oblongum  vel  elongatum  comprcssum ,  squamis  magnis  cor- 
pore antice  et  postice  aequalibus  vestitum.  Maxillae  labiis  tenuibus 
transversim  sulcatis  inclusae.  Labium  inferius  bilobum.  Rostrum  in- 
tegrum vix  ante  os  prominens.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales 
incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens,  longior  quam  alta. 
Ossa  pharyngealia  valida  lata.  Dentés  pharvngeales  médiocres  symphy- 
sin ossium  pharygealium  versus  magnitudine  accrescentes,  compressi, 
facie  masticatoria  plana  angulo  processu  brevi  minuta,  numerosi,  in 
seriem  pectiniformem  dispositi. 


245 

Aan  ra.  Het  geslacht  Ptychostomus  schijnt  zich  van  Hylomyzon  voornamelijk 
slechts  te  onderscheiden  door  dwars  geplooide  en  niet  getepelde  lippen.  Het  is 
rijker  aan  soorten  dan  Hylomyzon,  zijnde  reeds  zeven  soorten  daarvan  in  de  we- 
tenschap opgenomen. 

Hylomyzon  Ag.,  Ichth.  Pacif.  slope  North  Amer.  p.  20  in  Americ. 
Journ.  scïenc.  and  arts  2d  Series  Vol.  XIX. 

Corpus  elongatum  fusiformi-compressum ,  squamis  magnis  corpore  an- 
tice  quam  postice  majoribus  vestitum.  Maxillae  labiis  latis  carnosis 
papillatis  inclusae.  Labium  inferius  bilobum.  Caput  superne  planum. 
Rostrum  integrum  vix  ante  os  prominens.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas 
ventrales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens ,  aeque  alta 
circiter  ac  longa.  Ossa  pharyngealia  latiuscula.  Dentés  pharyngeales 
médiocres  symphysin  ossium  pbaryngealium  versus  magnitudine  accres- 
centes,  compressi,  facie  masticatoria  gracili  non  tuberculata ,  numerosi, 
in  seriem  pectiniformem  dispositi. 

Aanm.  De  eenige  tot  dus  verre  van  Hylomyzon  bekende  soort  is  Hylomyzon 
nigricans  Ag.,  welke  onder  verschillende  soort- en  gesiacht-namen  (Catostomus,  Exo- 
glossum,    Hypentelium)    door  de  verschillende  ichthyologen  beschreven  is. 

Carpiodes  Raf.,  Ichth.  Ohiens.  ;  Ag.  Ichth.  Faun.  Pacific  slope 
North  Amer.  p.  4  in  Amer.  Journ.  sciene.  and  arts  2d  Series 
Vol.  XIX  ~    Sclerognathtjs  Val.  ex  parte. 

Corpus  oblongum  compressum,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
labiis  tenuibus  transversim  sulcatis  inclusae.  Labium  inferius  bilobum. 
Caput  aeque  altum  circiter  ac  longum.  Rostrum  integrum  convexum. 
Pinna  dorsalis  elongata  antice  valde  elevata,  ante  pinnas  ventrales  in- 
cipiens et  supra  pinnam  analem  desinens.  Ossa  pharyngealia  compressa 
valde  tenuia.  Dentés  pharyngeales  parvi,  compressi,  apice  unituber- 
culati,  numerosi,  in  seriem  pectiniformem  dispositi. 

Aanm.  Carpiodes  is  kenbaar  aan  zijne  lange  van  voren  zeer  hooge  rugvin,  twee- 
kwabbige  onderlip  en  zeer  dunne  zamengedrukte  keelgatsbeenderen.  Catostomus 
cyprinus   Les.  is  de  oudst  bekende  soort  van  dit  geslacht,  welke  echter  door  den 


246 

heer  Valenciennes  tot  zijn  geslacht  Sclerognathus  en  dooi*  De  Kay  tot  het  geslacht 
Labeo  gebragt  werd.  Men  kent  bovendien  nog  vier  andere  soorten,  waaronder  Car- 
piodes  velifer  Raf,  naar  welke  Rafinesque  het  geslacht  opstelde. 

Cycleptus   Raf.,    Prodr.    of  70  n.  gen.;  Ag.  Ichth.,  Faun.  Pacif. 
slope   North  Amer.  p.   12  in  Amer.    Journ.  of  scienc.  and  arts 
2d  Series  Vol.  XIX.  ^j    Rhytidostomüs  Heck.   ex  parte. 

Corpus  elongatum  cylindricum ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
labiis  papillatis  inclusae.  Labium  inferius  medio  emarginatum.  Pinna 
dorsalis  elongata,  antice  quam  postice  multo  altior,  longe  ante  pinnas 
ventrales  incipiens  et  supra  pinnam  analem  desinens.  Ossa  pharyn- 
gealia  valida  subtriquetra.  Dentés  pharyngeales  médiocres  S)Tmphysin 
ossium  pharyngealium  versus  magnitudine  accrescentes,  compressi,  facie 
rnasticatoria  plus  minusve  obliqua  vel  emarginata ,  numerosi ,  in  seriem 
pectiniformem  dispositi. 

Aanrn.  Van  Cycleptus  zie  ik  slechts  twee  soorten  vermeld ,  de  typische  soort  van 
Rafinesque,  Cycleptus  nigrescens,  en  Cycleptus  elongatus  Ag. ,  welke  echter  nog 
nader  bewezen  moet  worden  soortelijk  van  Cycleptus  nigrescens  Raf.  te  verschillen. 

IcnTiiYOBUS  Pvaf,  Ichth.  Ohiens.  ;  Ag.,  Ichth.  Faun.  Pacif.  slope 
North  Americ.  p.  10  in  Americ.  Journ.  scienc.  and  arts  2<* 
Series  Vol.  XIX. 

Corpus  oblongum  compressum ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
labiis  tenuibus  inclusae.  Rostrum  integrum  non  ante  os  prominens. 
Maxilla  inferior  lata.  Pinna  dorsalis  elongata,  antice  quam  postice 
multo  altior,  supra  vel  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  supra  pin- 
nam analem  desinens.  Ossa  pharyngealia  subcompressa  subtriquetra. 
Dentés  pharyngeales  parvi  symphysin  ossium  pharyngealium  versus 
magnitudine  accrescentes ,  compressi ,  facie  rnasticatoria  processu  brevi 
muniti,  numerosi,  in  seriem  pectiniformem  dispositi. 

Aanm.     De  meest  bekende  soort  van  Ichthyobus  is  Sclerognathus  cyprinella  Val-, 
welke  soort  evenwel  door  Rafinesque  reeds  was  aangeduid  onder  den  naam  van  Ichthyo- 


247 

bus  bubalus.    De  kennis   van  nog  drie  andere   soorten   beeft  men  aan  de  heeren 
Agassiz  en  Baird  en  Girard  te  danken. 

Bübalichtiiys   Ag.,    Ichth.    Faun.    Pacif.    slope   North  Araerica 
p.  7  in  Americ.  Journ,    scienc.  and  arts  2d  Series  Vol.  XIX. 

Corpus  oblongum  eompressum  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
labiis  tenuibus  granulatis  inclusae.  Pinna  dorsalis  elongata  antice  quam 
postice  paulo  altior,  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  supra  pinnam 
analem  desinens.  Ossa  pharyngealia  valida  triquetra.  Dentés  pharyn- 
geales  médiocres  sjmphysin  ossium  pharyngealium  versus  magnitudine 
accrescentes ,  compressi ,  facie  masticatoria  convexa  obtusa  angulo  tan- 
tum processu  brevi  munita,  numerosi ,  in  seriem  pectiniformem  dipositi. 

Aanm.  Dit  geslacht  heeft  de  lange  rugvin  van  Carpiodes ,  Cvcleptus  en  Ichthyo- 
bus,  maar  devin  is  van  voren  naauwelijks  hooger  dan  meer  achterwaarts,  waardoor 
het  geslacht  gemakkelijk  te  onderkennen  is.  De  heer  Agassiz  vermeldt  6  soorten  van 
Bubalichthys. — Catostomus  niger  Raf.  ea  Catostomus  bubalus  Kirtl.  (nee  Raf.)  be- 
hooren  daartoe. 

Moxostoma  Eaf.,Ichth.  Oliiens.;  Ag.,  Ichth.  Pac.  slope  North  Amer, 
p.  14  in  Amer.  Journ.  scienc.  and  arts  2<i  Series  Vol.  XIX. 

Corpus  oblongum  vel  elongatum  eompressum,  squamis  magnis  ve- 
stitum. Maxillae  labiis  tenuibus  carnosis  transversim  sulcatis  inclusae. 
Labium  inferius  bilobum.  Linea  lateralis  poris  vel  aperturis  externis 
nullis.  Pinna  dorsalis  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  ante  pinnam 
analem  desinens.  Ossa  pharyngealia  subcompressa ,  subtriquetra.  Den- 
tés pharyngeals  médiocres  symphysin  ossium  pharyngealium  versus 
magnitudine  accrescentes,  compressi,  curvati,  subuncinati,  numerosi, 
in  seriem  pectiniformem  dispositi. 

Aanm.  Het  geslacht  Moxostoma  is  kenbaar  aan  de  afwezigheid  van  eene  zigtbare 
zijlijn.  Tot  nu  toe  zijn  S  soorten  er  van  bekend.  Een  daarvan,  Moxostoma  su- 
cetta  Ag.  was  reeds  aan  Lacépède  bekend  en  een  paar  andere  aan  Lesueur  en  Rafi- 
nesque,  doch  de  overige  zijn  eerst  in  de  jongste  jaren  beschreven  geworden. 


24S 

Stirps  2.  Cyprinini.  —  Echte  Karpers. 

Cypriniformes  cheilognathini  corpore  oblongo  comprcsso,  maxillis 
labiis  carnosis  rotundis  inclusis;  ore  antico;  pinna  dorsali  elongata  et 
pinna  anali  pauciradiata  radio  ossco  serrato  munitis;  squamis  corpore 
magnis;  dentibus  pharyngealibus  parcis   uni-  ad  triseriatis. 

Annm.  De  Cyprininen  vormen  eene  scherp  gekenmerkte  groep  door  haren  getan- 
den  aarsvindoorn ,  een  kenmerk,  wat  alleen  dezen  stam  in  de  groote  familie  der  Cy- 
prinoïden  toekomt.  De  herkenning  wordt  overigens  nog  gemakkelijk  gemaakt  dooi- 
de lange,  tot  boven  de  aarsvin  zich  uitstrekkende  en  meteen'  getanden  doorn  ge- 
wapende rugvin.  De  lipbouw  der  Cyprininen  doet  ze  behooren  tot  de  Cheilogna- 
thinen.  Zij  schijnen  voor  de  oude  wereld  te  zijn,  wat  de  Catostominen  zijn  voor 
de  nieuwe  wereld. 

De  Cyprininen  omvatten  het  geslacht  Cyprinus,  zooals  het  door  Cuvier  en  den 
heer  Valenciennes  is  opgevat. 

Nilsson  zonderde  daarvan  af  de  soorten  zonder  vocldradcn ,  welke  hij  tot  ecu 
eieren  geslacht  bragt  onder  den  naam  Carassius. 

Fitzinger  bragt  dezelfde  soorten  onder  zijn  geslacht  Cyprinopsis,  hetwelk  gelijk- 
beteekenend  is  met  Carassius. 

lleckcl  ging  nog  verder  en  zonderde  zijne  Cyprinus  Kollarii  van  het  geslacht 
Cyprinus  af,  op  grond  van  eenige  bijzonderheden  in  het  tandenstelsel,  Hij  noemde 
dit  geslacht  Carpio.  Carpio  zou  dan  slechts  verschillen  van  Cyprinus  door  de  be- 
kervormige  gedaante  der  keelgatstanden ,  vermits  het  overigens  alle  kenmerken  bezit 
van    Cyprinus,  tot  zelfs  de  vier  voeldradcn   toe. 

lleckcl  ging  soms  te  ver  in  de  toekenning  van  generische  waarde  aan  bijzon- 
derheden in  het  tandenstelsel.  Hij  gevoelde  dat  soms  zelf,  zooals  blijkt  b.  v.  uit 
de  intrekking  van  zijne  geslachten  Chondrochilus  en  Chondrorhynchus,  welke  hij  van 
Chondrostoma  afgezonderd  had  op  grond  van  ligte  getalverschillen  in  de  keelgatstanden  , 
doch  later  weder  tot  Chondrostoma  terugbragt.  Het  komt  mij  voor,  dat  aan  ver- 
schillen in  de  bijzonderheden  van  het  tandenstelsel  slechts  dan  generische  waarde 
mag  worden  gehecht,  wanneer  die  verschillen  door  uitwendig  zigtbarc  kenmerken 
zijn  vertaald.  Zulks  het  geval  niet  zijnde  bij  Carpio  Heek.,  schijnt  dit  geslacht 
niet  aannemelijk  te  wezen. 

Ik  neem  alzoo  slechts  twee  geslachten  van  Cyprininen  aan ,  welke  uitwendig  reeds 
van  elkander  te  onderkennen  zijn  aan  de  aanwezigheid  of  afwezigheid  der  voel- 
dradcn en   welke  overigens  een  vrij  aanmerkelijk  verschillend  tandenstelsel  bezitten. 

De   Cyprininen    zijn    tot  de   oude    wereld  beperkt.     Hun   eigenlijk   vaderland  is 


249 

daar  de  gematigde  zone  van  hot  noordelijk  halfrond.  Van  daar  strekken  zij  zich 
in  oostelijk  Azië  tot  binnen  de  keerkringen  uit,  doch  behalve  in  het  zuiden  van 
China,  zijn  zij  van  Zuid-Azië  tot  dusverre  niet  bekend-  De  Javasche  soort  is 
daar  overgeplant,  even  als  Cyprinus  carpio  L.  uit  Europa  naar  Noord- Amerika 
is  overgebragt.  Carassius  auratus,  met  hare  talrijke  verscheidenheden  en  monstrosi- 
teiten  heeft  men  niet  alleen  naar  Europa,  maar  ook  naarden  Indischen  Archipel, 
Afrika  en  Amerika  overgeplant.  Zeer  merkwaardig  is  het  voorkomen  van  2  soorten 
van  Carassius  op  het  eiland  Mauritius ,  maar  het  zou  mij  niet  bevreemden ,  indien 
het  bleek ,  dat  de  karpers  van  Mauritius  derwaarts  van  China  of  Japan  zijn  over- 
gebragt. 

De    beide  geslachten  der  Cyprininen  zijn  gemakkelijk   herkenbaar,  als  volgt. 

I  Cirri  4,  rostrales  et  supramaxillares.    Dentés  pharyngeals  molares  vel  calycifor- 
mes  1.1.3/3.1.1    vel  1.4/4.1. 

Cyj)rinus  Art.    (oaWc  .'/.  .» 

II  Cirri  nulli.     Dentcs  pharyngeals  scalpriformes  4/4. 

Carassius  Nilss.   -   <.,,..>,,.,.,.. 


Species  Cyprininorum  hucusque  cognilae. 

Cyprinus  carpio  L.  ^  Cyprinus  nobilis  Schon.  zz  Cyprinus  rex 

cyprinorum  BI.  ^  Cyprinus  carpio  macrolepidotus  Ag.  Eur.,  As.  min. (Am.  Sept.  iutr.) 

v       acuminatus    Heek.  Kner    (nee    Richds.)  :=3  Cyprinus 

angulatus   Heek.  =:  Cyprinus  thermalis   Heek.     .     .  Europa. 

n  hungarieus  Heek.  =!  Cyprinus  primus  Marsigl.  ;=:  Cy- 
prinus carpio  var.  lacustris  Fitz.      ...*...  Europa. 

//       regina  Bp.  s  carpio?  regina  Heek .  Europa. 

//       elatus  Bp : Europa. 

a       Nordmanni  Val : Europa. 

//       striatus  Holandre  =s    Carpio  striatus  Heek.     .     .     .  Europa. 

//       Kollarii    Heek.  ^  Carpio   Kollarii  Heek Europa. 

//       chiuensis  Basil ' China. 

//       obesus  Basil.       .     .     : .  China. 

//?     fossicola  Gr.  Riehds.     .     : China. 

#  fiavipinna  V.  Hass.  s  Cyprinus  floripenna  V.  Hass. 
(err.  typogr.)  zs  Cyprinus  nigro-auratus  Lac?  ;=:  Cypri- 
nus rubro-fuscus  Lac,?^:  Cyprinus  viridi-violaceus  Lac? 

32 


250 

ö  Cyprinua  flavipinnis  Val.  =  Cyprinus  vittatus  Val. 
sa  Cyprinus  atro-virens  Richds.  ?=  Cyprinus  flammans 
Richds.  ?a  Cyprinus  hybiscoides  Richds.  ?  :=:  Cyprinus 
acuminatus  Richds.?  =  Cyprinus  sculponeatus  Richds. 
=:  Cyprinus  ronirostris  ï.  Schl.  ~  Cyprinus  haemato- 

pterus  T.  Schl Chin  ,  Jap.  (Jav.  intrd.). 

Cyprinus  melanotns  T.  Schl Japonia. 

Carassius  vulgaris  Nilss.  s  Cyprinus  carassius  L.  rs   Cyprino- 

psis  carassius  Eitz.  -3  Carassius  Linnaei  Bp.     .     .     .  Europa. 

//       gibclio  Nilss.  ö  Cyprinus  gibelio  Ginel Europa. 

h       moles  Ag Europa. 

h      oblongus  Heek.  Kner Europa. 

//       humilia  Heck.  ~  Cyprinus  h  umilis  Heek Europa. 

//  ?     incobia  Heek.  —  Carassius  incobia  Bp Europa. 

//       buccphalus  Ileck.  —  Cyprinus  bucephalus  lick.     .     .  Europa. 

'/       lineatus  Heek.  =:  Cyprinus  lineatus  Val. China. 

//      Langsdorfii  Heek.  s  Cyprinus  Langsdorfii  Val.     .    ■  China. 

//       Bürgeri   T.   Schl.  ö  Cyprinus  (Carassius)  Eürgeri  T. 

Schl.  =3  Carassius  coeruleus  Bas China,   Japonia. 

h  auratus  Nilss.  ö  Cyprinus  auratus  BI.  --  Cyprinus  te- 
lescopus  Lac.  =:  Cyprinus  macrophthalmus  Bl.=:  Cypri- 
nus quadrilobus  Lac.  s  Cyprinus  nukta  Syk.  s  Cy- 
prinus  quadrilobatus   Bas Cuin.,Jap.,Phil.(Jav.,Eur.intr.) 

//       pekinensis   Bas China. 

a       discolor  Las.  China. 

abbreviatus  Blkra  Cyprinus   abbreviatus  Richds.    •  China. 

a  gibelioides  Blkr  =:  Cyprinus  gibelioides  Cants:  Cy- 
prinus nigrescens  Cant,  (an  Carassius  Langsdorfii  Val.  ? 
sec.  Richds.) China. 

//       carassioides   Blkr=:  Cyprinus  carassioides  Gr.      .     .  China. 

h       Cuvieri  T.  Schl.  =:  Cyprinus  (Carassius)  Cuvieri  T.  Schl.  Japonia. 

grandoculis   T.  Schl .  Japonia. 

thoracatus   Heek.  :=3  Cyprinus  thoracatus  Val.  .     .     .  Maurit,  Japonia? 
mauritianus  Blkr  s  Cyprinus  mauritianus  Benn.    •     •  Mauritius. 


I  251 

Cyprinus  Artrrt.,  Syst.  Nat.  ed.  G>  (1748),   Nilss.  Skand.  Fisk.  = 
Carpio  Heck. ,  Fisch.  Syr.  p.  24  —  Karper. 

Corpus  oblongum  compressum,  squamis  raagnis  vestitum.  Maxil- 
lae labiis  carnosis  teretibus  simplicibus  inclusae.  Cirri  4 ,  rostrales 
et  supramaxillares.  llictus  terminalis,  ore  clauso  formam  ferri  equini 
referens.  Sulcus  postlabialis  utroque  latere  simplex,  longitudinalis, 
non  cum  sulco  lateris  oppositi  unitus.  Opercula  rugosa.  Pinna  dor- 
salis  elongata,  supra  vel  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et  supra 
pinnam  analem  desinens,  basi  alepidota,  radio  simplice  postico  osseo 
serrato.  Pinna  analis  pauciradiata,  radio  simplice  postico  osseo  ser- 
rato.  Dentés  pharyngeales  molares  vel  calyciformes  bi-  ad  tri-seriati 
facie  masticatoria  sulcati. 

Aanm.  Het  geslacht  Cyprinus,  zooals  het  boven  omschreven  is,  omvat  de  ge- 
slachten Cyprinus  Heck,  en  Carpio  Heck.,  welke  mijns  inziens  slechts  een  enkel 
geslacht  uitmaken.  Inderdaad  zou  Carpio  Heek.  in  niets  anders  van  Cyprinus 
verschillen  dan  in  de  gedaante  der  keelgatstanden ,  welker  kaauwvlakte  een  weinig 
hol  is,  hoezeer  die  tanden  naar  de  type  van  die  van  Cyprinus  zijn  gebouwd  en 
insgelijks  groeven  op  de  kaauwvlakte  vertoonen. 

Men  kent  thans  de  boven  genoemde  soorten  van  Cyprinus,  van  welke  de  meeste 
Europa  bewonen,  terwijl  de  overige  alle  van  China  en  Japan  zijn  bekend  gewor- 
den. Slechts  eene  enkele  archipelagische  soort  bevindt  zich  in  mijne  verzame- 
ling, welke  tot  nu  toe  in  den  Indischen  archipel  slechts  in  het  westelijke  gedeelte 
van  Java  is  aangetroffen  en  derwaarts  uit  China  over^ebraa-t.  Deze  soort  laat  zich 
door  volgende  kenmerken    van  alle  overige   bekende  van  het  geslacht  onderkennen. 

I.  Altitudo  corporis  3\  ad  4|  in  ejus  longitudine.  Caput  acutum  3f  ad  4\ 
in  longitudine  corporis,  altitudine  1^-ad  IJ  in  ejus  longitudine.  Oculi  3  ad 
4^  in  longitudine  capitis-  D.  4/16  ad  4/18.  Dentés,  globulari  laevi  ex- 
cepto,  oblique  truncati  facie  masticatoria  vulgo  tricarinati  1.1.3/3.1.1,  vel 
1.3/3.1. 

Cyprinus  fiavipinna  K.  v.  H. 


252 

Cyprinus  favipinna  K.  v.  H.;  Val:,  Poiss.  XVI  p.  52  tab.  547;Blkr, 
Descr.  spec.  pisc.  Jav.  nov.  Nat.'  Tijdschr.  Ned.  Ind.  XIII  p.  345, 
Geelüinnigc  Karper  Atl.  Cypr.  Tab.  XIX. 

Cypr.  corporo  ob'.ongo  compresso,  altitudine  8'  ;  ad  1'  \.  in  ejus  longitudine,  latitudine  1-^  ad  2 
in  eju3  altitudine;  capitc  acutiusculo  conico,  33/4  ad  4' /s  in  longitudine  corporis  cum,  3Vc  ad  32/3 
in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali  ;  altitudine  capitis  l1  ;;  ad  1.'  s.  latitudine  ln  \  ad  l:l  5  in 
ejus  longitudine;  oculis  diametro  0  ad  l1  :;  in  longitudine  capitis,  diametro  I-s  ad  2  in  capitis  par- 
te  postoculari,  diametro  1  ad  2  fere  distantibus,  membrana  palpebrali  iridis  marginem  externum 
tantum  tegente,  apertura  subcirculari;  rostro  acutiusculo  vel  obtusiusculo  convexo,  non  ante  os 
prominente,  junior ibus  oculo  breviore,  aetate  provectis  oculo  longiore;  naribus  orbitae  multo  magis 
quam  rostri  apici  approximatis  ;  linea  rostro-dorsali  rostrum  inter  et  nucham  vulgo  declivi  rectius- 
cula,  nucha  convexa;  osse  suborbitali  auteriore  obliqua  tetragono,  plus  duplo  ad  duplo  fere  Iongi- 
orc  quam  lato,  margine  posteriore  valde  convexo ,  margine  antiore  rectiusculo  vel  concaviusculo,  dimidio 
inferiore  crista longitudinali  postrorsum  adscendente  percurso;  osse  suborbitali  2°  oblique  tetragono,  anti- 
ce  quam  postice  multo  altiore,  duplo  circiter  longiore  quam  alto,  osse  suborbitali  1°  triplo  circiter  bumi- 
liore;  maxilla  superiore  maxilla  inferiore  longiore,  deorsum  valde  protractili,  ante  oculum  desinente, 
32/sad  4  in  longitudine  capitis;  rictu  parumobliquo;  cirris  rostralibus  cirris  supramaxillaribua  multo 
ad  plus  duplo  brevioribus,  ïnterdum  dcficientibus;  cirris  supramaxillaribus  oculo  brevioribus  ad 
paulo  longioribus;  labiis  carnosis  teretibus,  facie  orali  transversim  striatis;  sulco  postlabiali  istlimo 
sat  lato  a  sulco  lâtcris  oppositi  separato;  maxilla  inferiore  symphysi  tuberculo  conico  obtuso  brevi, 
inil-rne  utroque  ramo  poris  pluribus  in  seriem  Iongitudinalera  dispositis;  ossibus  suborbitalibus  et 
limbo  praeoperculi  poris  conspicuis  in  seriem  curvatam  simplicem  dispositis;  operculo  radiatim  ru- 
goso,  latitudine  I-j  ad  2  in  ejus  altitudine,  margine  inferiore  rectiusculo  vel  concaviusculo;  aper- 
tura branebiali  sub  praeoperculi  margine  posteriore  desinente;  dentibus  pharyngealibus  molaribus 
1.1.3/3.1/1  vel  1.3/3.1,  dente  serie  posteriore  interno  globulari  obtusissimo  non  sulcato,  ceteris  obli- 
que truncatis  facie  masticatoria  vulgo  tricarinatis  ;  osse  scapulari  trigouo  valde  obtuse  rotundato; 
ventre  ante  pinnas  ventrales  plano  lateribus  angulato,  post  pinnas  ventrales  obtuse  carinato  ;  dorso 
elevato  rotundato   vel  il  ito   ventre  multo   altiore;    squamis  dimidio    libero  et  dimidio  basali 

longitudiualitcr  subradiatim  striatis,  35  ad  37  in  linea  laterali,  11  vel  13  in  serie  transversal!  abs- 
que veutralibus  infimis  quarum  G  (5*  2)  supra  lineam  Iateralem,  12  ad  14  in  serie  longitudinali 
occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  veutralibus  infimis  longitudinaliter  quinqueseriatis ,  serie  media 
postrorsum  magnitudine  vix  accrcscentibu3  iis  seriebus  lateralibus  non  majoribus  ;  linea  laterali 
rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  lineam  rostro-caudalera  non  attingente,  singulis  squamis  tubulo 
simplice  mediam  squamam  attingente  vel  subattingente  notata;  pinna  dorsali  supra  vel  paulo  ante  pin- 
nas ventrales  incipiente,  basi  alepidota,  23,3  ad  3  fere  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali, 
acuta  vel  obtucuscula,  emarginata,  altitudine  1' 3  ad  plus  quam  2  in  altitudine  corporis,  ju venilibus 
duplo  fere  aetate  provectioribus  duplo  ad  multo  plus  duplo  longiore  quam  alta,  spina  sat  valida  pos- 
tice dentibus  conspicuis  armata  cum  parte  ejus  fiexili  capite  absque  rostro  breviore  ;  pinnis  pecto- 
ralibus  et  ventralibus  acutiusculo  vel  obtusiusculo  rotundatis,  pectoralibus  ventralibus  paulo  longi- 
oribus 6  fero  ad  G2  3  in  longitudine  corporis  ventrales  attingentibus  vel  non  attingentibus,  ventra- 
libus analem  non  attingentibus;  anali  basi  levitcr  squamata,  acuta,  non  vel  parurn  emarginata,  dor- 

luplo  ad  sat  nuilto  minus  duplo  altiore  quam  basi  longa,  radio  pos- 
tico  radio  dorsali  postico  opposito  vel  paulo  post  cum  inserto,  spina  sat  valida  postice  dentibus  conspi- 
cuis armata;  caudali  basi  squamosa,  profundc  incisa,  lobis  acutis  vel  acutiuscule  rotundatis  4  ad  43/* 


253 

iu  longitudine  corporis;  colore  corpora  pulcherrirae  anreo,  vel  aureo-viridi,  vel  profunda  viridi,  vel 
dorso  nigro  lateribusque  aureo  vel  argcnteo;  latcribus  interdum  vittis  longitudinalibus  diflusis  profun- 
dioribus;  iride  aurea,  vel  rosea,  vel  lia  va;  pinnis  aureo-rubris  vel  aureo-flavis  vel  dilute  roseis, 
interdura  violaceo  vel  nigro  nebulatis. 

B.  3.  D.  4/16  ad  4/18.  P.  1/13  ad  1/16.  V.  2/8.  A.  3,5  vel  3/6.  C.  6/17/6  ad  8/17/8  lat.  brev.  incl. 
Syn.    Cyprinus   floripenna    (err.   impress.)   V.  Hass. ,  Algeni.   Konst-  en   Lctterb.    1823  II  p.    132, 
Bull,  de  De  Fe'russ.  1824  Zool.  p.  375. 

Cyprinus  rubro-fuscus  Lac,  Poiss.   V  p.  531,    Val.,   Poiss.    XVI  p.  54?;  Ricbds.,  Rep.  Fish. 
Chin.  Jap.  in  Bop.  1 5'i  Meet.  Brit.  Assoc,  p.  2SS? 

Cyprin  rouge-brun  Lac,  Poiss.  V  p.  531  tab.  16  fig.  1? 

Cyprinus  nigro-auratus  Lac,  Poiss.  V  p.  517;  Val.,    Poiss.  XVI  p.  53,  Riclids.,  1.  c.  p.  290? 

Cyprin  mordoré  Lac,  Poiss.  V  p.  547  tab.  fig.  2  ? 

Cyprinus  viridi-violaceus  Lac,  Poiss.  V  p.  448;  Val.,  Poiss,  XVI  p.  55,  Eicluls.,  I.  c.  p.  288? 

Cyprin  verd-violet  Lac,  Poiss.  V  p.  548   tab.  16  fig.  3? 

Carpe  rouge-brun  Val.,  Poiss.  XVI  p.  51? 

Carpe  mordorée  Val,,  Poiss.  XVI  p.  53  ? 

Carpe  vert-violet  Val.,  Poiss.  XVI  p.  55? 

Cyprinus  atro-virens  Ricbds.,  Rep.  Ichtli.  Chin.  Jap.  in  Rep.  1511  Meet.  Brit.  Assoc,  p.  287? 

Cyprinus  flammans  Ricbds.  ibid,  p.  288. 

Cyprinus  hybiscoidcs  Rlchds.,  ibid.  p.  280? 

Cyprinus  acuminatus  Ricbds.,  ibid.  p.  289  ? 

Cyprinus  sadponeatus  Ricbds,  ibid.  p.  290? 

Carpe  aux  nageoires  jaunes  Val.,  Poiss.  XVI  p.  457. 

Cyprinus  vittatus  Val. ,  Poiss.  ibid. 

Carpe  aux  bandes  vertes  Val. ,  Poiss.,  ib. 

Cyprinus  haematopterus  T.  Scbl.,  Faun.  Jap.  Poiss.  p.  189  tab.  96. 

Cyprinus  conlrostris  T.   Sclil.,  Faun.  Jap.  Poiss.  p.  191  tab.  97  fig.  2. 

Ilih-li,    Hak-li,    Tang-li,    Tong-li,    IIo-U,    Fo-li,    Luh-li,    Luk-li,    Foo-yung-îi,    Foo-yang-ii 
Fu-yung-li,  Shang-hae-la ,  Shang-Jiai,  Sheung-hoi-lap ,  Ilac-li,  Iloi-li,  Kilc-li  Chinens. 

Tambra  et  Tambra  mas  Mal.  et  Sund. 

Hab;  Java  (Batavia,  Buitenzorg,  Tjampea,  Tugu,  Tjiseroa,  Tjipanas,  Tjiaudur, Lelies,  Bandong, 
Tjibulus,  Pandjallu),  in  fluviis,  lacubus  et  piscinis. 
Japonia  (Jedo),  in  fluviis. 
Longitudo  35  speciminum  70'"  ad  248"'. 

Aanm.  Cyprinus  flavipinna  V.  llass.  is  na  verwant  aan  den  gewonen  europeschen 
karper  (Cyprinus  carpio  L.)  en  verschilt  daarvan  hoofdzakelijk  door  slanker  ligchaarn, 
grooteren  kop  en  grootere  oogen  en  minder  bol  profiel.  Vele  voorwerpen  hebben 
zelfs  de  fraai  goudglanzig-groene  kleur  der  gewone  europesche  karpers. 

Cyprinus  melanotus  van  Japan  is  slanker  van  ligchaam  en  van  kop  dan  Cyprinus 
flavipinna ,  heeft  de  borstvinnen  meer  ontwikkeld  en  biedt  nog  meerdere  andere  ver- 
schillen aan  in  den  vorm  der  onderoogkuilsbeenderen  en  de  geaardheid  van  de  kaauw- 
vlakten  der  keelgatstanden. 

Cyprinus  vittatus  Val.  is  dezelfde  soort  als  Cyprinus  flavipinna.     Ik  bezit  meer- 


254 

dere  voorwerpen,  welke  wegens  de  overlangsche  banden  des  ligcbaams  tot  Cypri- 
nus vittatus  Val.  zouden  behooren,  doch  in  niets  wezenlijks  van  Cyprinus  flavipin- 
na  verschillen.  De  bandteekening  vertoont  zich  bij  eenige  voorwerpen  reeds  tijdens 
liet  leven,  bij  andere  eerst  na  bewaring  in   wijngeest. 

De  kleuren  bieden  bij  de  verschillende  voorwerpen  zoo  talrijke  schakeringen  aan, 
dat  men  bij  oppervlakkig  onderzoek  daarin  ligtelijk  soortelijke  verschillen  zou  mee- 
nen  te  vinden.  In  plaats  van  het  cijfer  der  rugvinstralen  27  (eene  drukfout),  in 
Let  groote  vischwerk    opgegeven,   leze  men  17. 

De  groene  verscheidenheid  wordt  in  westelijk  Java  eenvoudig  Tambra,  de  goud- 
kleurige daarentegen  Tambra  mas  genaamd.  De  soort  behoort  tot  de  smakelijkste 
zoet  water  vissch  en  yan  Java  en  wordt  daarom  in  de  bovenlanden  veel  in  vijvers 
gehouden.  Alle  mijne  voorwerpen  behooren  tot  den  jeugdigen  en  middelbaren 
leeftijd,    daar  de  soort  eene  lengte  bereikt  van    meer  dan  400'". 

Van  Hasselt  heeft  reeds  aangeteekend  dat  Cyprinus  fiavipinnis  uit  China  naar 
Java  is  overgebragt  Opmerkelijk  is  het  ook,  dat  zij  de  eenige  echte  karpersoort 
is,  welke  tot  nog  toe  in  den  lndischen  archipel  in  vrijen  toestand  is  waargenomen , 
en  dat  hare  verbreiding  zich  tot  Java  en  wel  slechts  tot  de  westelijke  helft  van 
dat  eiland  bepaalt.  Indien  de  bewering  van  Van  Hasselt  juist  is,  wat  ook  ik  op 
grond  van  mcdedeelingcn  op  Java  geloof,  komt  het  mij  thans  zeer  waarschijnlijk 
voor,  dat  zij  dezelfde  soort  is  als  die,  welke  Lacepède  onder  de  namen  Cyprinus 
rubro-fu?cus,  Cyprinus  nigro-auratus  en  Cyprinus  viridi-violaceus  als  drie  verschil- 
lende soorten  heeft  afgebeeld  en  welke  onder  dezelfde  namen  in  de  groote  His- 
toire naturelle  heeft  plaats  genomen.  De  habitus  dier  soorten,  zooals  die  in  de  af- 
beeldingen van  Lacepède  is  voorgesteld,  beantwoordt  zeer  goed  aan  dien  mijner 
•jongere  voorwerpen,  hoezeer  de  bijzonderheden  der  uitvoering  veel  te  wenschen 
overlaten. 

Cyprinus  corirostris  T.  Schl.  en  Cyprinus  haematopterus  T.  Schl.  van  Japan 
houd  ik  nog  meer  bepaald  voor  dezelfde  soort  als  Cyprinus  flavipinna;  vooral 
nadat  ik  een  vooral  voorwerpen  van  Jedo  met  mijne  Javasche  heb  kunnen  vergelijken. 

Indien  met  zekerheid  te  bepalen  was,  dat  inderdaad  de  drievoudig  voorgestelde 
soort  van  Lacepède  dezelfde  is  als  onderwerpelijke,  zou  aan  de  hier  beschrevene  een 
der  namen  van  Laccpcde  gegeven  behooren  te  worden,  waartoe  die  van  nigro-au- 
ratus nog  de  voorkeur  zou  verdienen. 

De  heer  Richardson  heeft,  naar  afbeeldingen  van  Reeves,  behalve  de  drie  naam- 
soorten  van  Lacepède,  nog  eenige  andere  soorten  van  Cyprinus  van  China  opge- 
steld onder  de  namen  Cyprinus  atro-virens,  Cyprinus  flammans,  Cyprinus  hybiscoi- 
des,  Cyprinus  acuminatus  en  Cyprinus  sculponeatus,  welke  ik  vermoed,  dat  alle 
dezelfde  soort  voorstellen  als  die  van  Lacepède.  De  bijzonderheden,  naar  welke 
zijn   opgesteld,  zijn   ontleend  aan  de  afbeeldingen  en   deze  missen,   wat  uit  de 


255 

beschrijvingen  van  den  heer  Richardson  is  op  te  maken,  de  noodige  naauwkeurig- 
heid  ten  opzigte  van  de  getallen  der  schubben,  enz. 

Indien  alzoo  mijne  meening  ten  deze  mogt  blijken  juist  te  zijn,  zouden  de  8 
llichardsonsche  soorten  tot  eene  enkele  behooren  te  worden  teruggebragt,  waar- 
toe dan  ook  zouden  te  brengen  zijn  de  beide  javasche  soor'.ea  van  den  heer  Valen- 
ciennes en  Cyprinus  haematopterus  T.  Schl.  en  Cyprinus  conirostris  T.  Schl.  van 
Japan,  zoodat  van  die  twaalf  soorten  slechts  eene  enkele  in  de  wetenschap  zou 
behooren  plaats  te  nemen. 

Carassius  Nilss. ,  Heek.  Fisch.  Syr  p.  2-t.  —  Karauscii. 

Corpus  oblongum  compressum  ,  squamis  magnis  vestitum.  Maxillae 
labiis  carnosis  teretibus  simplicibus  inclusac.  Cirri  nulli.  Bictus  termi- 
nalis,  ore  clauso  formam  ferri  equini  referons.  Sulcus  postlabialis  utro- 
que  latere  simplex,  longitudinalis ,  non  cum  sulco  lateris  oppositi 
unitus.  Opercnla  rugosa.  Pinna  dorsalis  elongata ,  supra  pinnis  ventrales 
incipiens  et  supra  pinnam  analem  desinens  ,  basi  al epidota ,  radio  sim- 
plice  postico  csseo  serrato.  Pinna  analis  pauciradiata ,  radio  simplice 
postico  osseo  serrato.  Dentés  pharyngeales  scalpriformes  4/4. 

Aanm.  Van  Carassius  zijn  thans  ongeveer  20  soorten  bekend  ,  van  welke  de  mee  ,,e 
tot  de  fauna  van  China  en  Japan  en  de  overige  tot  die  van  Europa  behooren. 
Carassius  thoracatus  Heek.  van  Mauritius  schijnt  eene  Japansche  soort  te  zijn,  al- 
thans ook  in  Japan  voor  te  komen  en  even  als  Carassius  auratus  monstrositeitcn 
met  dubbele  vinnen  op  te  leveren.  Cyprinus  mauritianus  Benn.  (Proceed.  Comm. 
Zool.  Soc  I  p.  1G7)  is  misschien  geene  andere  soort  als  Cyprinus  thoracatus  Val., 
wat  zich  echter  naar  de  zeer  korte  beschrijving  van  Bennett  niet  laat  bepalen.  In 
het  algemeen  komt  het  mij  voor,  dat  meerdere  der  Ciunesche  en  Japansche  soorten 
nader  dienen  onderzochten  vergeleken  te  worden.  Het  zal  dan  misschien  blijken, 
dateenige  soorten  «'^clits  nominaal  zijn  en  niets  anders  dan  variëteiten  of  monstrosi- 
teiten.  Zoo  is  b.  v.  ook  Cyprinus  nukta  Syk.  van  Dekkan  slechts  eene  monstro&i- 
teit  van  Carassius  auratus. 

Carassius  auratus  Nilss.  ;  Heek.,  Fisch.  Syr.  p.  24  —  Goudvisch. 

Syn.  Gyprinus  auratus  L.  Gra.,  Syst.  Nat.  ed.  13a  p.  14 IS  et  auct. 
Cyprinus  telescopus  Lac,  Poiss. 
Cyprinus  macrophthalmus  BI.,  Ausl.  Fisch.  tab.  410. 
Cyprinus  quadrilobus  Lac,  Pois?.  V  t  ib.  18  fig.  3. 

:  :   ma  nukta  Syk.,  Fish.  Dukhun  in  Trans.    Zool,  Soc.  II  p.  355  (monstr.). 


256 

Cyprimts   quadrilobalus  Basil.,    Nouv.  Mom.  Soc.  impe'r.  Natur.  M  ose.  X  1855,  Ichth.  Chin.  bor. 
p.  230  tab  5  fig  5. 

Aanrn.     Ik  bezat   van    Carassins  auratus  talrijke  voorwerpen,  alle  behoorende  tot 
verschillende  monstrositeitcn  der  soort,  zooals  zij  op  Java  en  in  Japan  in   vijvers  en 
o-lazen   tot  vermaak    onderhouden    worden.     Alle  die    voorwerpen,    in    cene   groote 
stopflesch  bewaard,  zijn  bij   de  jongste  verplaatsing  van    mijn  kabinet  verloren  ge- 
gaan en,  hetzij  door  de  dragers  ontvreemd,  hetzij  wegens  het  breken  der  flesch  tijdens 
het  transport  weggeworpen.     De  voornaamste  monstrositeiten ,  door  mij  waargenomen  , 
had   ik  echter  reeds   aangeteekend  op  bladz.  48  van  mijne  //Nalezingen  op  de   Ich- 
tyologie van  Japan",  opgenomen  in  het  25e  deel  der  Verhandelingen  van  het  13a- 
taviaasch  Genootschap  van  kunsten  en  wetenschappen.     Zij   waren  gelegen ,  behalve 
in   afwijkingen  der  gedaante    en  lengte  van    kop,  ligchaam   en  vinnen,  in   het  niet 
of  dubbel  aanwezig  zijn  van  een  of  meerdere  vinnen.  Deze  monstrositeiten  laten  zich 
in  weinige  woorden  aanduiden  als  volgt. 
Monstrositas  1     Mononotopterus ,  diuropterus,  diproktopterus ,  phaionotus. 

//  2     Mononotopterus,  diuropterus,   monoproktopterus,  aureus. 

//  3     Anotopterus,   diuropterus,  diproktopterus.,   aureus. 

//  4     Anotopterus,  diuropterus ,   phaiosonia. 

Alle  deze  monstrositeiten  vond  ik  terug  bij  een  aantal  goudvisschen  uit  de  vij- 
vers der  vorsten  van  Soerakarta.  Ik  heb  vroeger  betrekkelijk  enkele  voorwerpen , 
tot  die  monstrositeiten  behoorende,  het  volgende   aangeteekend. 

1  Carassius  auratus,  mucronotoptcrus  diuropterus ,  diproktopterus  ,  phaionotus. 

i.     Cypriaus  auraius  var.  Basil.,  lchtb.  Chin,  boreal,  tab.  5  fig.  2. 
Tambra  mas  Mai.  Jav. 

C.  corpore  oblongo  compresse»,  altitudine  3  ad3l/a  in  ejus  longitudine;  capite  obtuso ,  rotundato,5 
ad  6  in  longitudine  corporis;  oculis  diametro  3'  J  in  longitudine  capitis;  linea  dorsali  valdc  con- 
vexa  ;  ventre  dorso  multo  convexiore;  squamis  lateribus  24  vel  25  in  serie  longitudinal!  ;  pinnis  val- 
de  elevatis  et  clongatis,  dorsali,  pectoralibus  vcntralibusque  simplicibus,  anali  caudalique  duplicatis, 
caudali  triloba  lobis  acutis  medio  bis  tantum  in  longitudine  totius  corporis;  colore  corpore  superne 
nigricante-fusco ,  lateribus  inferneque  flavescente-aurco  ;  pinnis  fuscis. 

D.  4/19.  P.  1/16.  V.  2/6  vel  2  7.  A.  3,  G  +  3/6.  C.  17  +  17  et  lat.  brev. 

Ilab.  Surakarta,  in  piscinis  principum, 

Longitudo  2  speciminum  115'"  et  170'". 

2  Carassius   auratus ,  macronotop>terus,  diuropterus ,  monoproktopterus,  ob- 
longus ,  aureus. 

us  macrophthahnus  Bl.,  Ausl.  Fisch,  tab.  410. 
prhi  gros-yeux  Lac,  1'oiss.  V  tab.  IS  fig.  2. 
inn  quatre-loiies  Lac,  Poiss.  V  tab.  18  fig.  3. 


257 

Ouen-Yu  ou  Letlré's,  Mors-dore'  et  Elégand,  23  Jujube  et  Bâté  9,  Maltache  et  Ooù;  blanche  29- 
Copiae  Savignii. 

Kin-Yu,  Maurkot.  7,  Ardoisé  et  Rubicon  4,  Nigricant  et  yùiiwe  1G,  Mauche  et  Marbré  2, 
Norù'OUxS,  Brunei  et  Cinabre  8,  Superbe  3,  Souci  et  Capucine'ï ,  Charbonnier  et  Bleuet  ô  , 
Cop.  Savignii. 

Original  et  Bande-gueule  21,  Mauri-jaune,  Ensanglanté  et  Tout-chair  20,  Cop.  Savignii. 
Nin-Eublc-Yu  ou  Nymphes,  Agrûible   21.   IVacre'  et  Rougi-membres  30.  -Ruiî's  ei  Taches 
mine  IS  Cop.  Savignii. 

Long-Tjing-Yuoules  Yeux  de  dragon,  espèce  des  ra-Tttn-Frt  ou  0«»/5  <fc  Canne;  Rouillé, 
Cirise  et  Léopard,  22,  Masqué  et  Cap-mine  10,  Quinte-bande  et  Norimembre  14 ,  Rubis- 
mouche  et  Nuageux  12,  Telescope  11,  Turquoise  et  Agathe  20.  Cop.  Savignii. 

Ya-Tan-Yu  ou  0««A  cfe  Cwme,    Ferrugineux,    Tettard  et  Frangirouge  15.  Cop.  Savignii. 

Kin-  Teon-Yu,  ou  Cabrioleurs,  Verdret  et  Sombricolore  17.  Cop.  Savignii. 

Tambra  mas  Mal. 

C.  corpore  oblongo  compresso,  altitudine  3 ','2  ad  4  in  ejus  longitudine;  capite  obtuso  rotundato 
4  cireiter  in  longitudine  corporis;  oculis  diametro  31,:!  in  longitudine  capitis;  linea  dorsali  re^ulariter 
convexa;  dorso  ventre  convexiore;  squamis  lateribus  23  ad  25  in  serie  longitudinali;  pinnis  dorsali, 
pectoralibus,  ventralibus  analique  simplicibus,  caudali  duplice  triloba,  Iobis  acutis  34/2  cireiter  in 
longitudine  corporis;  colore  toto  corpore  aureo,  pinnis  flavescente-aureo. 

D.  4  16  vel  4/17.  P.  1/14  vel  1/15.  V.  2  8.  A.  3/6.  C.  16  +  16  et  lat.  brev. 
Hab,  Surakarta,  in  piscinis  principura. 

Longitudo  2  specirainum    75'"  et  103'". 


3.  Carassius  auratus ,  anotopterus ,  diuropterus ,  diproktopterus ,  aureus. 

Syn.   Tambra  mas  Mal. 

C.  corpore  oblongo  compresso,  altitudine  3  cireiter  in  ejus  longitudine;  capite  obtuso  5', s  cireiter 
in  longitudine  corporis;  oculis  diametro  3', ■'•>  in  longitudine  capitis;  linea  dorsali  antice  valdéano-u- 
lata;  ventre  dorso  gibboso  multo  convexiore;  squamis  lateribus  25  p,  m.  in  serie  longitudinali;  pin- 
nis dorsali  nulla,  pectoralibus  et  ventralibns  simplicibus  elongatis ,  anali  caudalique  duplicatis,  cau- 
dali tetraloba  lobis  acutis  mediis  bis  tantum  in  longitudine  totius  corporis;  colore  corpore  aureo, 
pinnis  fiavesceute-aureo. 

D.  0.  P.  1  17.  V.  2  6.  A.-  3  7.  +  3,6.  C.  19  +   19  et  lat.  brev. 
Hab.  Surakarta,  in  pisciuis  principum. 

Longitudo  2  speciminum  110'"  et  210'". 

4.  Carassius  auratus,  anotopterus,  diuropterus ,  diproktopterus,p1iaionotus. 

Cyprinus  auratus  var.  Bl.,  tab.  94  fig,  2. 
Tambra  mas   Mal. 

corpora  oblongo  compresso,  altitudine  4Va  cireiter  in  ejus  longitudine;  capite  obtuso  6  ferein 

longitudine  totius  corporis;  oculis  diametro  3a/4  in  longitudine  capitis;  valvula  nasali  in  lobum  pro- 

ducta;  linea  dorsali  irregulariter  rotundata;  dorso  valde  carinato  ventre  convexiore;  squamL  lateri- 

m.  in  serie  longitudinali:  pinnis  dorsali  nulla,  pectoralibus  et  ventralibus  simplicibus  maxi- 

33 


258 

rac  clon^atis  caudam  multo  superantibus ,  anali  et  caudali  duplicatis,  analibus  radiis  longissimis, 
caudali  tctraloba  lobis  acutis  plus  diraidio  corporis  totius  longitudinis  efficientibus;  colore  corpore 
pinnisque  fusco,  operculis  ventreque  tantum  aureo  vel  argenteo. 

D.  0.  P.  1/16  vel  1  17.  V.  2  7.  A.  S/9  +  3/6.  C.  15  +  15  et  lat.  brev. 

Hub.  Snrakarla,  in  piscinîs  principum. 

Longitudo  speciminis  unici  185'". 


Sedert  het  verloren  gaan  der  voorwerpen,  naar  welke  bovenstaande  aantekenin- 
gen genomen  zijn ,  ben  ik  weder  in  het  bezit  gekomen  van  eenige  monstrositei- 
ten,  alle  van  Japan,  en  grootendeels  afkomstig  uit  de  kweekkommen  van  een 
voornaam  Japanees  te   Jedo. 

Van   deze  monstrositeiten   heb  ik  de   volgende  aanteekeningen   genomen. 

5.  Carassius  auratus ,  macronotoplerus ,  diuropterus ,  diproktopierus ,  aureus. 

Syn.  Cypritms  auralus  var.  Basilewski,  Ichtbyogr.  Cbin.  bor.  tab.  5  fig.  3,  5. 

C.  corpore  oblongo  compresso,  altitndine  3  ad  o'  '\  in  ejus  longitudine  ;  capite  obtuso  4J  5  ad  .r> 
in  longitudine  totius  corporis;  oculis  diametro  3  ad  3' 3  in  longitudine  capitis  ;  naribus  non  tubulatis, 
posterioribus  autem  magnis  valvula  claudendis;  linea  dorsali  sat  rcgulariter  rotundata;  dorso  ca- 
rinato  ventre  tu  mi  do  non  vel  paulo  tantum  altiorc;  squamis  lateribus  2G  vel  27  in  linea  lateral  i; 
pinnis  valde,  elongatis  et  elevatis,  dorsali  acque  alta  circiter  ac  longa,  simplice;  pectoralibus  capite 
vixad  non  brevioribus ;  ventralibus capite  Iongioribus;  anali  duplicata;  caudali  duplicata  quadriloba 
lobis  valde  acutis,  lobis  mediis  trunco  cum  capite  non  vel  vix  breviore  (bis  circiter  in  longitudine 
totius  corporis);  colore  corpore  pinnisque  rubro-aureo ;  pinnis  dimidio  libero interdum  pulchre roseis. 

1).  4  15  vel  4,  IC.  P.  1  16  vel  1  17.  V.  2  8.  A.  3/7  +  3  7.  C.  lat.  brev.  +  117+    17  1  et  lat.  brev. 

Hub.  Japonia,  in  pisicinis  urbis  Jedo. 
jitudo  2  speciminum  123"'  et  126'". 

Carassius  auratus ,  macronolopterus ,  diuropterus,  monoproktopterus ,  aureus. 

Ken  voorwerp,   behoorende  tot  de  monstrositeit  n°.  2,  doch  in  meerdere  bijzonderbeden  van  mijne 
vroegere   voorwerpen    verschlliende ,  t.   w.  door  slanker  ligchaam ,  meer  hoekige  rug- en  buiklijn  en 
ere    staart  vinkwabben.     Het  voorwerp  is  afkomstig  van  Nagasaki  en  85'"  lang. 

G.   Carassius  auratus,    viicronotopterus ,    diuropterus,    monoproktopterus, 
aureus. 

Syn.  Val.,  Poiss.  XVI  p.  SG. 

Cyprinus  auratus  var.  Basil.,  lchth.  Chin.  bor.  tab.  5  fig.  1. 

C.  corpore  oblongo  compresso,  altitndine  21  2  circiter  in  ejus  longitudine;  capite  obtnso,  paru  m 
convexo,  4  fere  in  longitudine  corporis;  oculis  diametro  3'  2  circiter  in  longitudine  capitis;  naribus 
non  tubulatis,  !  iribus  autem  valvula  magna  claudendis;  linea  dorsali  valde  angulata;  linea  ven- 

tral! rcgulariter  convexa;    dorso  ventre  vixaltiore;  squamis  25  p.  m.  in  linea  lateral!  ;  pin/ia  dorsali 


259 

brevi  opci'oulo  non  longiore,  multo  altiore  quam  long<a,  corpora  plus  duplo  liurailiorc;  pinnis  pectora- 
libus  et  ventralibus  acutis  capita  brevioribus;  anali  simplice  acuta  postice  rotunda  ta;  caudali  duplice 
tetraloba,  lobis  acutis  subaequalibus  3- /3  circiter  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  rubro-aureu , 
pinnis  pulchre  rubro;  pinnis  dorsalî  et  caudali   nigro  marginatis. 

D.  4,5  vel  4,6.  P.  1.15.  V.  2  7.  A.  3  5  vel  3  0.  C.  1/17/1  et  lat.  brev.    +  1/13/1  etlat.brev. 

Hab.  Japonia  (Jedo),  in  piscinis. 

Longitudo  specirainis  unici  90'". 

Carassius   auratus,  anotopterus ,  diuropterus ,    diproktopterus ,  phaionotus. 

Twee  voorwerpen  van  Jedo,  behoorende  tot  de  raonstrositeit  n°.  4,  maar  veel 
korter  van  vinnen  en  ligchaam  ,  welks  hoogte  er  slechts  ongeveer  2\  malen  gaat 
in  zijne  lengte.  De  kop  gaat  er  slechts  3^-  tot  4  malen  in  de  lengte  des  ligchaams , 
de  staartvin  2/3  tot  3  malen.  Er  zijn  27  tot  21  schubben  in  de  zijlijn.  De  buik- 
en borstvinnen  zijn  korter  dan  de  kop;  het  neusklapvlies  is  tot  eene  lange  vleezige 
kwab  ontwikkeld.     De  voorwerpen  hebben  eene  lengte  van  53'"  en  95". 

7.   Carassius  auratus,  anolopterus ,   diuropterus,    diproktopterus,  sarcoce- 
pJialus,  aureus. 

Car.  corpore  oblongo  compresso,  altitudine  23/*  circiter  in  ejus  longitudinc;  capite  obtusissimo, 
maxima  convexo,  altiore  quam  loDgo,  cute  villoso-carnosa  ubique  tecto,  4  et  paulo  in  longitudinc 
corporis;  oculis  diametro  4  circiter  in  longitudine  capitis;  valvula  nasali  in  lobum  carnosutn  multi- 
partitum  evoluta;  linea  dorsali  rotundata  linea  ventrali  rotundata  paulo  altiore;  dorso  valde  crasso 
non  carinato;  squamis  25  p.  m.  in  linea  laterali  vix  conspicua;  pinna  dorsali  nulla;  pinnis  pccto- 
ralibus  et  ventralibus  acutis  capite  paulo  brevioribus;  anali  liemi-duplicata  (antice  duplicata  gobi- 
oidea,  postice  simplice;  caudali  duplicata  tetraloba,  lobis  acutis  lateralibus  quam  mediis  longiori- 
bus  3  et  paulo  in  longitudine  corporis;  colore  corpoi-e  pulchre  aureo-iubro,  pinnis  rubro,  maxilla 
superiore  nigra. 

D.  0.  P.    1/14  vel  1/15.  V.  2/7  vel  2-8.  A.  ü^?  +3.  C.  lat.  brev.  +   1  13  15  1   et  lat.  brev. 

2/3 
Hab.  Japonia  (Jedo) ,  in  piscinis. 

Longitudo  speciminis  unici  139"'. 

S.   Carassius  auratus,  anotopterus,  diuropterus,  monoproktopterus ,  aureus. 

Syn.  Cijprlnus  auratus  var.  BI.,  tab.  94  fig.  1. 

Car.  corpore  oblongo  compresso,  altitudine  23/4  circiter  in  ejus  longitudine;  capite  valde  obtuso, 
angulato,  altiore  quam  longo,  4  ftre  in  longitudine  corporis;  oculis  diametro  3  in  longitudine  ca- 
pitis; vertice  villosiusculo;  valvula  nasali  incrassata  sed  non  in  lobum  producta;  linea  dorsali  re- 
gulariter  curvata  linea  ventrali  rotundata  non  vel  vix  con vexiore:  dorso  crasso,  non  carinato;  squamis 
2G  in  linea  laterali;  pinna  dorsali  nulla;  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis,  capite  brevioribus; 
pinna  anali  simplice  acuta;  pinna  caudali  duplicata  triloba,  lobis  acutis  longitudine  subaequalibus 
3  circiter  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  aureo-rubro,  pinnis  rubro. 


260 

D.  0.  r.  11  G.  V.  2  G.  A.  3  5  vel  3  6.  C.  lat.  brcv.  +  1/33  1  +  lat.  brev. 
Hab.  Japonia  (Jedo),  in  piscinis. 
Lon<ntudo  specitninis  unici  101"'. 

9.  Carassius  awatus ,  macronotoplerus ,   monuropterus ,  monoproktopierus , 
rhombeus ,  aureus. 

Syn.  Cyprinus  auratus  var.  Basil.,  Iclithyogr.  Chin,  boreal,  tab.  5  fig.  4. 

Car.  corpore  oblongo  compresso,  rhombeo,  altitudine  22,oad  23/i  in  ejus  longitndine;  capito  au- 
illato,  acuto,  depresso,  3*  .-,  ad  1  in  longitudine  corporis,  aeque  alto  circiter  ac  longo;  oculis  dia- 
metro 3  et  paulo  ad  31, 3  în  longitudino  capitis;  valvula  nasali  mcdiocriter  evoluta;  linea  dorsali 
obtusangula;  linea  ventrali  rotundata;  dorso  carinato  ventre  vix  altiorc;  squamis  23  ad  29  in  linea 
ralij  pinna  dorsali  elongata,  longiore  quam  alta;  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis  capita 
brevioribus;  pinna  anali  simplice  acuta  altiore  quara  longa;  pinna  caudali  simplicc  biloba,  lobis 
acutis  2'/2ad  2*2/3  in  longitudine  corporis;  colore  corpore  superno  aureo-rubro,  inferno  argenteo; 
pinuis  pulcliro  rubris. 

D.  4/15  ad  4  19.  P.  1  13  ad  1  15.  V.  2  7  ad  2  S.  A.  3  G  vel  3/7.  C.  1  17/1  et  lat.  brcr. 

Hab.  Japonia  (Jedo),  in  piscinis. 

LoDgitudo  2  speciminum  OG"'  et  GS'". 

Aanm.  Bij  een  dezer  beide  voorwerpen  is  de  snuit  zeer  spits  en  de  snuitvoor- 
hoofdslijn  zeer  hol.  Bij  dit  voorwerp  heeft  de  rugvin  tusschen  den  2"  en  7"  straal 
eene  groote  zwarte  vlek.  Bij  het  andere  voorwerp  ontbreekt  deze  vlek  en  is  ook  at 
voorhoofdslijn  niet  konkaaf. 

Monstrositales  sequentes  cognitae  in  museo  vico  désuni. 

10.  Jnoloplerus,  monuroprohtopterus. 

.  Cyprinus  auratus  var.  BI.  tab.  04  lig.  3. 

11.  Macronotopierus ,  monuropterus,  moaoprohtopterus ,  elongates  (a  statu  normali 

parum  diversus). 

Syn.  Nin-Eubk-Yu  ou  Nymphes,  Ambre- jaune  el  Tricolor  13,  Queue-  mine  et  Hirondelle  27, 
Fade  et  Minier  28.  Cop.  Savignii. 
Kin-l'u,  Orangé  19,  Vermillon  25.  Cop.  Savignii. 

12.  Binotopierus  (Val.,  Poiss.  XVI  p.  82). 

13.  Micronotopterus ,  diuropterus  diprolclopterus.  (Val.,  Poiss.  XVI  p.  S    ,87). 


261 


Stieps 


BaEBINI.  — .BaEE-ELEN. 


Cypviniformes  cheilognathini  corpore  oblongo  vel  elongate,  com- 
presso  vel  subfasiformi,  radio  anali  simplice  posteriore  laevi  edentulo , 
dentibus  pharyngealibus  uni-ad  tri-seriatis  pareis,  utroque  latere  nun- 
quam  plus  quam  12. 


Aanrn.  Tot  de  Barbinen  breng  ik  alle  Cheilognathinen ,  welke  niet  behooren  tot 
de  Catostominen    en   Cyprininen. 

Reeds  hiervoren  heb  ik  gewezen  op  de  moeijelijkheid,  de  meer  dan  G00  thans 
bekende  soorten  van  Barbinen  naar  hare  natuurlijke  verwantschappen  te  rangschik- 
ken en   de  geslachten  niet   de  noodige  scherpte  te  bepalen. 

Meckel's  proeve  van  eene  natuurlijke  rangschikking  der  Cvprinoïden  voldeed  zoo 
weinig  aan  de  eischen  van  een  natuurlijk  stelsel,  dat  hij  haar  eenige  jaren  latei- 
zelf  verwierp ,  door  opstelling  zijner  Temnochilae ,  welker  geslachten  in  zijne  vroe- 
gere rangschikking,  in  welke  alle  door  hem  aangenouiene  genera  van  Cyprinoïden 
met  No.  1  tot  No.  5-1  zijn  vermeld,  op  de  nos.  5,  13, 18  tot  23  en  27  tot  30  \ 
komen,  omringd  van  Cyprininen,  Barbinen  en  Catostominen.  En  zelfs  wanneer 
men  de  Cyprininen  en  Catostominen  uit  die  lijst  wegneemt',  alsook  het  geslacht 
Glossodon,  hetwelk  tot  eene  andere  orde  behoort,  volgen  de  Barbinen  er  nog 
geenszins  natuurlijk  op  elkander.  De  volgreeks  waarin  alsdan  de  Barbinen  zou- 
den voorkomen ,   zou  zijn   als  volgt. 


1  Gibelion  Heek. 

2  Devario  Heek. 

3  Rhodeus  Ag. 

4  Systomus  McCL 

5  Barbus  Cuv. 

6  Labeobarbus  Rüpp. 

7  Luciobarbus   Heek. 

8  Sehizothorax  Heek. 

9  Aulopyge  Heek. 

10  Gobio  Cuv. 

11  ïinca  Rond. 

12  Isoccphalus  Heek. 


13  Abramis  Cuv. 

14  Blicca  Heek. 

15  Bliccopsis  Heek. 

lü  Acanthobrama  Heek. 
17  Osteobrama  Heek. 
IS  Ballerus  Heek. 
1Ü  Chela  Buck 

20  Esomus  Swns. 

21  Pelecus  Ag. 

22  Perilampus  McCL 

23  Alburnus  Rond. 

24  Aspius  Ag. 


25  Scardinius  Bp. 
2  G  Id  us  Heck. 
27  Leucos  Heck 
2  S  PachystomusHeck. 

29  Leuciscus  Rond. 

30  Phoxinellus  Heek. 

31  Phoxinus  Rond. 

32  Argyreus  Heek. 

33  Squalius   Bp. 

34  Leucosomus  Heek. 

35  Opsarius   McCl. 


Vele  dezer  geslachten  zijn  sedert  beter  bekend  geworden,  terwijl  andere  zijn  ge- 
bleken niet  behouden  te  kunnen  blijven  worden.  Talrijke  andere,  sedert  ontdekte, 
generische  vormen   hebben   ook   nieuw   licht    geworpen   op  de    verwantschappen  der 


262 

oudere  en  daardoor  heeft  dit  gedeelte  der  kennis  van  de  Cyprinen  thans  ook  reeds 
een  geheel   ander  aanzien  gekregen. 

Veel  laat  zich  echter  afdingen  op  de  waarde  van  talrijke  dier  nieuwe  geslachten. 

Het  is  vooral  bij  de  Burinnen,  dat  men  te  ver  gegaan  is  met  de  schepping  van 
nieuwe  geslachten  op  grond  van  onbeduidende  wijzigingen  in  het  tandenstelsel. 
Heckel   werd    daarin    nog  overtroffen  door  de  heercn   Agassiz  en  Girard. 

Gewis  heeft  ook  het  tandenstelsel  zijne  waarde  bij  de  stelselmatige  rangschik- 
king der  Barbinen,  maar  niet  zoodanige,  dat  een  gering  verschil  in  de  reijen  en 
in  de  gedaante  der  tanden  gewigtig  genoeg  mag  geacht  worden  om  met  voorbij- 
zien van  de  overige  natuurlijke  verwantschapen  der  soorten,  daarop  alleen  de  ge- 
slachten te  vermenigvuldigen,  en  het  zal  dan  zeker  ook  blijken,  dat  vele  op  die 
wijze  ontworpen  geslachten,   onhoudbaar  zijn. 

De  Barbinen  bieden  echter,  buiten  het  tandenstelsel,  meerdere  kenmerken  aan, 
waardoor  men  in  staat  gesteld  wordt  ze  beter  te  groeperen ,  dan  tot  dus  verre 
is  geschied. 

Een  voortreffelijk  kenmerk  vindt  men  'm  de  gedaante  van  het  voorste  gedeelte 
des  ligchaams.  De  buik  is  bij  de  meeste  Barbinen  voor  de  buikvinnen  plat,  eene 
min  of  meer  breede  ondervlakte  aanbiedende,  op  welke  men  bij  de  geschubte  soor- 
ten van  3  tot  meer  overlangsche  schubreijen  kan  waarnemen.  Bij  vrij  talrijke  an- 
dere echter  is  de  buik  mesvormig  zamengedrukt,  vormt  in  stede  van  eene  platte  on- 
dervlakte slechts  eene  scherpe  kiel,  en  de  buikvinnen  zijn  daar  niet  aan  den  on- 
derrand des  ligchaams  maar  aan  de  zijden  boven  de  buikkiel  ingeplant.  Men  kan 
deze  beide  groepen  noemen  Amblygastri  en    Oxygastri. 

De  Oxv^astri  omvattende  de  5  geslachten  Smiliogastcr  Blkr,  Culter  Basil  ,  Lan- 
buca  Blkr ,  Chela  Buch.  en  Macrochirichthys  Blkr,  welke  zich  verder  scherp  laten  kenmer- 
ken door  het  al  of  niet  aanwezig  zijn  van  een'  getanden  of  ongetanden  rugdoorn, 
de  plaatsing  der  rugvin  voor  of  boven  de  aarsvin,  den  bouw  der  kaken,  de  besehub- 
iung,  de  gedaante  der  zijlijn  en  der  buiklijn,  enz. 

Bij  het  zoeken  naar  vaste  kenmerken  om  de  Amblygastri  in  ondergroepen  te  split- 
sen ontmoet  men   talrijke  moeijelijkheden. 

In  het  tandenstelsel  zijn  die  kenmerken  niet  te  vinden,  tenzij  men  de  natuur- 
lijke  verwantschappen  geheel  zou    willen  verbreken. 

Zoo  b.  v.   vindt  men  driereijige  tanden  bij  Barbus,    Rohtee,  Catla,  Luciosoma  , 
Opsarius,   Rasborichthys ,  enz  ;  tweereijige  tanden  bij  Meda,  Aspius ,  Gobio,  Argy- 
reus,  Phoxinus,  enz  ;  éénreijige  tanden  bij  Tinca,  Aulopyge  Acanthobrama,  Ilhodeus , 
Mts,  enz.,  geslachten,  welker  natuurlijke  rangschikking  eene  geheel  andere  is. 

In  de  voeldraden  vindt  men  die  kenmerken  nog  minder  en  zelfs  zijn  deze,  op  zich 
genomen,  niet  voldoende  bij  de  vaststelling  van  de  geslachten,  vermits  bij  meer- 
dere natuurlijke  geslachten,  zooals  Cyclocheilichthys  ,  Hypselobarbus,  Systomus,  Lu- 


263 

ciosoina,  vier,  twee  of  geene  voeldraden  bij  de  soorten  van  hetzelfde  geslacht  wor- 
den aangetroffen. 

Dezelfde  moeijelijkheden  doen  zich  voor,  wanneer  men  de  rangschikking  beproeft 
naar  andere  kenteekenen ,  b.  v.  de  lengte  der  rugvin  en  aarsvin,  de  beschubbino-, 
de  plaatsing  en  grootte  der  mondopening,  de  grootte  der  kieuwopening,  de  gedaante 
van   den    snuit,  het  verloop  der  zijlijn,  enz. 

Andere  kenteekenen  nog,  van  welke  misschien  met  nut  gebruik  gemaakt  zou  kun- 
nen worden ,  zooals  de  bijzonderheden  der  kaak-  en  lipvorming,  de  gedaante  der  voorste 
onderoogkuilsbeenderen ,  de  schubbige  rugvinscheede,  enz.  zijn  op  verre  na  niet  van 
alle  geslachten  bekend  en  men  stuit  daarom  bij  de  toepassing  dier  kenmerken  spoe- 
dig op   onzekerheden,    welke  niet   op  te    heffen  zijn. 

Het  is  mij  voorgekomen,  dat  van  de  geaardheid  van  den  achtersten  onverdeelden 
rugvinstraal  nog  het  meeste  partij  te  trekken  is  bij  eene  algeraeene  verdeelino- 
der    Amblygastri. 

Ik  heb  ze  daarnaar  gesplitst  in  Acanthophori  en  Anacanthonoti.  Het  aanwezen 
of  niet  aanwezen  van  een'  rugdoorn  stemt  nog  het  meest,  ofschoon  niet  volko- 
men, met  de  overige  natuurlijke  verwantschappen  overeen  en  heeft  het  praktische 
nut  van  eene  gemakkelijke  herkenbaarheid.  Ook  hier  evenwel  doen  zich  over- 
gangen voor,  ofschoon,  voor  zoover  mij  bekend  is,  slechts  bij  de  geslachten  La- 
beobarbus  en  Systomus,  waar  de  rugdoorn  bij  enkele  soorten  zoo  weinig  ontwik- 
keld  is,  dat  zijne   beenige  natuur   betwijfeld  kan   worden. 

Tot  de  van  een'  rugdoorn  voorziene  geslachten  behooren  Racoma  McCl. ,  Schizo- 
thorax  Heek.,  Balantiocheilos  Blkr,  Amblyrhynchichthys  ]31kr  ,  Albulichthys  Blkr, 
Kampala  V.  Hass  ,  Hypselobarbus  Blkr,  Systomus  McCl. ,  Cyclocheilichthys  Blkr, 
Barbus  Cuv. ,  Labeobarbus  Rüpp.,  Hemibarbus  Blkr,  Pseudophoxinus  Blkr,  Rohte- 
ichthys  Blkr,  Rohtee  Syk. ,  Acanthobrama  Heek.,  Rhocleus  Ag.,  Chanodichthys 
Blkr,  Pseudoculter  Blkr,  Ilemiculter  Blkr,  Aulopyge  Heek.  en  Meda  Gir. ,  de 
beide  laatste  hoogst    merkwaardig  door  schubloos  ligchaam. 

Ik  heb  die  geslachten  verder  gerangschikt  naar  het  al  of  niet  beschubt  zijn  des 
ligchaams,  de  gedaante  der  aarsschubben ,  van  de  lippen ,  kieuwopening,  snuit, 
bekspleet,  onderoogkuilsbeenderen,  rugvin  en  aarsvin  ,  naar  het  getand  of  niet  getand 
zijn  van  den  rugdoorn,  het  al  of  niet  bestaan  van  een  ooglid  vlies,  de  rangschikking 
en    bijzondere  vormen  der  tanden,  enz. 

De  geslachten  der  Anacanthonoti  zijn  nog  aanmerkelijk  talrijker  dan  die  der 
Acanthophori. 

Twee  dier  geslachten  zijn  opmerkelijk  wegens  de  aanwezigheid  van  zeshoekige, 
cellen  of  wratachtige  verhevenheden  op  de  kaken  zelve  met  gelijktijdige  schublooze 
borststreek.     Deze  geslachten  zijn  Chedrus  Swains,  en  Plargyrus  Raf. 

Pene  andere  rei    van  geslachten  doet    zich  opmerken    door   platte,  min   of  meer 


264 

lepelvormige  onderkaak.     Zij    zijn  overigens  ook  verwant   door  algemeenen  habitus, 
ten   snuit,   min  of  meer  achterstaande  oogen  en  tandcnstelsel.     Hiertoe  behooren 
Catla    Val.,    Thynnichthys  Blkr,    Hypophthalmichthys    Blkr  en  Amblypharyngodon 
Blkr  (Mola  Heek.). 

Eene  derde  rei  van  geslachten  der  Anacanthonoti  is  kenbaar  aan  slank  ligchaam, 
met  lagen  rug  en  boven  de  aarsvin  ingeplante  rugvin.  Luciosoma  Blkr,  Pcrilampus 
McCl.  en  Esoinus  Sws.  behooren  hiertoe.  Ook  het  geslacht  Devario  Heek.  is  aan 
deze   rei   verwant  en  houdt    het  midden  tusschen   haar  en  de  rei  van   Catla. 

Eene  vierde  natuurlijke  rei  laat  zich  zamenstellen  uit  een  aantal  geslachten,  welke 
met  elkander  gemeen  hebben  een  fijn  beschubt  ligchaam,  met  vleezigen  snuit  en 
korte  voor  de  aarsvin  geplaatste  rugvin  en  evenzoo  korte  aarsvin.  Zij  hebben  alle 
ook  slechts  één- of  tweereijige  tanden.  Hiertoe  breng  ik  Tinca  Cuv. ,  Argyreus 
Heek.,  Chrosomus  Haf-,  Tiaroga  Gir.,  Phoxinus  Ag.  en  Phoxinellus  Heek. ,  het 
laatste  geslaci.'  weder  zeer  opmerkelijk  door  de  afwezigheid  van  schubben ,  behalve 
alleen  op  de  zijlijn. 

Aan  deze  rei  sluiten  zich  natuurlijk  eenige  geslachten  met  grootere  schubben , 
zooals  Sarcocheilichtbys  Blkr,  Gobio  Cuv.  en  Cirrhina  Cuv. 

Bij    nog  eene  andere  rei  zijn  kop  en  snuit  neergedrukt ,  het  ligchaam  slank  ,  de  rug 

laag  en  de  rugvin  kort  en  voor  de  aarsvin  gelegen.     Mijne  geslachten  Leptobarbus, 

Gnathopogon,    Pseudorasbora ,    Rasbora    en    Rasborichthys  zijn  daartoe  te  rekenen. 

De   overblijvende  geslachten   der    Anacanthonoti    kunnen    nog   tot   twee   andere, 

minder  scherp  gescheidene,  groepen    worden  gebragt. 

Die  der  eene  groep  hebben  met  elkander  gemeen  eene  wijde  tot  onder  de  oogen 
reikende  bekspleet,  eene  min  of  meer  veelstralige  aarsvin,  eene  zeer  gebogene  zij- 
lijn en  een'  spitsen  snuit  met  eindstandige  mondopening.  Bc  het  gemeend  hier- 
toe te  moeten  brengen  Elopiclithys  Blkr,  Opsarius  iMcCl.  en  de  uiterst  na  aan  el- 
kander verwante  genera  Aspius  Ag.,  Gila  Baird  Gir.  en  Ptychocheilus  Ag. 

Bij  Ie  geslachten  de:-  andere  groep  is  de  bekspleet  minder  groot,  soms  zelfs 
klein  en  de  snuit  meer  bol  en  vleezig.  Zij  zijn  in  meerdere  of  mindere  mate  ver- 
want  aan  Aspius  en  eene  scherpe  afscheidingslijn   is   niet  te   stellen. 

Hel  is  in  deze  beide  laatste  groepen  vooral,  dat  ook  de  scherpe  bepaling  der  ge- 

icbten  uiterst  moeijelijk  is,   en  even  als   Gila  en    Ptychocheilus  nog  eene  nadere 

beproeving  op  Aspius  behoeven,  is  hetnoodig,  dat  de  grenzen  der  geslachten  Abra- 

3  Cuv.,  Luxilus  Raf.,  Alburnus   Heek. ,  Hybopsis  Ag.,  Lcucosomus  Heek.,  Ce- 

ichthys  Baird ,  Semotilus  Raf. ,  Leuciscus  Klein ,  Scardinius  Bp.,  Alburnops  Gir., 

Cyprinella  Gir.  en  Codomu  Gir.,  hieronder  nog  als  genera  opgebragt,  scherper  wor- 

steld,  dan  thans  geschied  is,  om  ze  definitief  als  natuurlijke  geslachten 

te  kunnen  beschouwen,  en  zulks  niettegenstaande  meerdere  andere  der  in  den  nieu- 

weren  tijd  opgestelde  geslachten  reeds  tot  de  hierboven  genoemde  zijn  teruggebragt. 


265 

Hieronder  heb  ik  beproefd,  van  alle  de  in  dezen  arbeid  aangenomene  geslach- 
ten der  Barbinen  een  diagnostisch  overzigt  te  geven. 

Ten  opzigte  der  geographische  verbreiding  van  de  geslachten  der  Barbinen  ver- 
oorlooft de  tegenwoordige   staat  der  wetenschap  de   volgende  gevolgtrekkingen. 

Eigen  aan  Noord-Amerika  zijn  Mcda,  Lnxilus,  Leucosomus,  Alburnops ,  Cy- 
prinella,  Plargyrus,  Semotilus,  Ptychocheilus ,  Gila,  Hybopsis,  Ceratichthys,  Tia- 
roga ,  Argyreus  en  Chrosornus. 

Aan  beide  halfronden  gemeen  zijn  slechts  Leuciscus,  Alburnus  en  Gobio ,  zoo- 
dat  alle  overige  geslachten  eigen   zijn  aan   de  oude  wereld. 

Van  die  geslachten  komen  uitsluitend  voor  in  Europa:  Aulopyge,  Scardinius , 
Phoxinus  en   Phoxinellus. 

Van  Afrika  is  geen  geslacht  bekend ,  hetwelk  niet  tevens  in  Europa  of  Azië  voor- 
komt, ten  zij  misschien  het  mij  volstrekt  onbekende  geslacht  Opsaridium  Peters. 

Europa,  Afrika  en  Azië  bezitten  gemeenschappelijk:  Barbus,  Labeobarbus  en 
Alburnus. 

Europa  bezit  gemeenschappelijk  met  Azië  alleen:  Rhodeus,  Abramis,  Aspius, 
Tinea  en  Chela. 

Azië  heeft  gemeen  met  Afrika,   maar  niet  met  Europa:  Systomus  en  Opsarius. 

Alle  overige  geslachten  zijn  aan  Azië  eigen,  doch  velen  komen  uitsluitend  voor- 
op de  Aziatische  eilanden,  in  Japan  en   den  Indischen  Archipel. 

Azië's  Vastland  heeft  met  de  Japansche  eilanden  gemeen  slechts  het  geslacht 
Üpsarius,  en  met  de  Soenda-eilanden  :  Labeobarbus,  Systomus,  Balantiocheilos , 
Amblyrhynchichthys,  Hampala,  Thynnichthys,  Rasbora,  Luciosoma,  Chela  en  Ma- 
crochirichthys. 

Aan  de  Japansche  eilanden  zijn  eigen:  Hemibarbus,  Sarcocheilichthys ,  Pseudo- 
rasbora  en   Gnathopogon. 

Aan  de  Soenda-eilanden  eindelijk  zijn  eigen:  Cyclocheilichtlivs,  Albulichthys, 
Rotheichtbys,  Leptobarbus   en  Rasborichthys. 

De  geslachten  der  Barbinen  laten  zich   overzien  als  volgt: 


1  Amhlygastri.  Venter  ante  pinnas  ventrales  non  cultraf 
1.  Acanthoplwri.  Pinna  dorsalis  spina  armât  a. 
a  Corpus   squamosum. 
ô  Squamae  anales   squamis  ceteris  parvis  majores.  Spina  dorsalis  deutata.  Cirri 
rostrales  et  supramaxillares. 
6  Labium  inferius  lobatum. 

Racoma  McCl. 

ó'  Labium  inferius  non  lobatum.  Dentés  cochleariformes  2, 3. 5/5.3. 2. 

eck. 


200 


Squamae  anales  squamis  ceteris  non  majores, 
a  Apertura  branchialis  verticalis  angustior  sub  operculo  desinens.  Spina  dorsi 
serrata.   Cirri    nulli.  Labium   inferius   a  toto  maxillae   margine   pendulum 
saccum  postice  tantum  apertum   efficiens.  Dentés  uncinato-  cochleariformes 

'2.3,5  5.3.2.  Squamae  magnae.  Dorsum  angulatum. 

Balantiocheilos  Blkr. 

u'  Apertura  branchialis  lata   sul)    pracoperculo  vel  sub  oculo  desinens. 
f  Oculi  maxima  parte  membrana  palpebrali  velati.  Spina  dorsi  serrata.  Cirri 
nulli.    Squamae  magnae.    Dorsum  angulatum.    Maxilla  inferior  symphysi 
tubcrculo  hamata. 
Rostrum  trimcatum.    Ossa  supramaxillaria  apicem  rostri  attingentia  ibi- 
que    ossa    intermaxillaria    rétracta   occultantia.   Os  suborbitale  anterius 
calceiforme.   Pinna    caudalis    basi    tantum    squamosa.  Dentés  aggregati 
cunéiformes  2.3.4/4.3.2. 

Amhlyrliynclaclithys  Blkr. 

'<    Rostrum  convexum  non  truncatum.   Ossa  supramaxillaria   apicem  rostn 
non  attingentia.    Os  suborbitale   anterius    pentagonum.  Pinna   caudalis 
dimidio  basali  tota  squamosa.  Dentcs  incisivi  scalpriformes  2  3-4  4,3.2. 

Albulichtlii/s  Blkr. 

t'  Oculi  non  velati. 
o  Pinna  analis  pauciradiata. 

aa  Rictus  magnus  obliquus.  Maxilla  superior  et  apertura  branchialis  sub 
oculo   desinentes.   Cirri  2  supramaxillares.   Spina  dorsi  dentata.   S( 
mae  matmae.  Dentés  cochleariformes   1.3.5/5.8.1. 

Ilampula  V.  Hass. 

l'h  Rictus  parvus  vel  mediocris  ante  oculum  desinens. 
Y  Rostrum  genaeque  tubercuüs  vel  verrucis  obsitae.  Rostrum  coiiicum. 
Spina  dorsalis  gracilis  edentula.  Cirri  4,   vel  2,  vel  nulli. 

Hgpsclobarbus  Blkr    (subg.   Uypsdobarhus ,  Gonoprok- 
topterua  et  Tambra  Blkr. 

+'   Rostrum  genaeque  tubcrculis  vel  verrucis  nullis. 
~  Squamae  magnae  vel  médiocres. 
*  Os  suborbitale    anterius    pentagonum  apicc  acuto  sursum  spectans. 
Sulcus  postlabialis  utroque  latere  margini  oris  parallelus,  isthmo  a 
sulco  lateris  oppositi   separatus.  Os  anticum  vel  subanticum.  Squa- 


2G7 

mae    magnae.   Cirri  4,  vel  2,  vel  nulli.  Spina  dorsalis  den- 
tata  vel  edentula.  Dentés  non  agsvegati  triseriati  3  ad  ]0. 

Systomus  McCl.  (subg.  Barbodes,   Capoëta  et  Systomus  Blkr) 

Os  suborbitale  anterius  trigonum  apice  acuto  antrorsuui  spectans 
vel  elongatuni.  Sulcus  postlabialis  unicus  margini  oris  parallelus. 
x  Spina  dorsalis  dentata.  Rostrum  conicuni.  Dentés  cochlea  ri  for- 
mes vel  subcochleariformes  7  ad  10  triseriati. 
I  Pinna  dorsalis  basi  vagina  squamosa.    Dorsum  elevatum  an- 
gulatum.  Genae  striis  numerosis  transversis  parallelis  V.  2 

CycloeJteilicJdhysWkt  (subg.  CycloclieilicMhjs ,  Siaja  et 
Anematichthys  Blkr.) 

F  Pinna  dorsalis  basi  non  squamosa.   Dorsum  liumile.  Cirri  1. 
Barbus  Cuv. 

x'  Spina  dorsalis  edentula.  Squamae  magnae.  V.  2  S. 
I  Cirri    4.    Dentés    cochleariformes    vel  subcochleariformes  7 
ad  10  triseriati. 

Labeobarbus  Rüpp. 

I'  Cirri  2,  supramaxiilares  tantum.  Dentés  acuti  uniseriati 

liemïbarbus  Blkr. 

-"-'  Squamae  parvae.    Cirri  nulli. 
*  Spina  dorsalis  edentula.  Pinna  dorsalis  basi  alepidota.  Dentés 
contusorii  5  4. 

Pseudophoxtiii'.i  Blkr. 

*'  Spina  dorsalis  dentata.  Apertura  branchialis  sub  oculo  desi- 
nens.  Pinna  dorsalis  squamosa.  Dentés  uncinato-cochlearifor- 
mes  2.3.5  5  3.2. 

BohteiclitJiys  Blkr. 

)'  Pinna  analis  elongata  vel  subelongata,  plun-ad  multi-radiata.  Cirri 

nulli.  Os   anticum  vel  subanticum. 
aa  Spina  dorsalis    dentata.  Squamae  parvae.     Dentés  cochlearifor- 
mes 2.3.5/5.3.2. 

Rohtee  Syk.  =:  Osteobrama  Heck. 

bb.  Spina  dorsalis  edentula.     Squamae  médiocres   vel  parvae. 
*  Corpus  oblongum.   Rostrum  convexum.   Dentés  5  5. 


2ÜS 

~  Linea  lateralis  basi  pinnae  caudalis  desiuens.  Squamae  parvae  vel  médio- 
cres. Dentés  contnsorii. 

Acanlhobrama  Heek. 

~'  Linea  lateralis  corpore  antice  tantum   conspicua.  Squamae  magnae.  üentcs 
cultriformes. 

Rhodcus  Ag. 

*'  Corpus  subelongatum.    Rostrum  valde  acutum.  Squamae  médiocres. 
Linea  lateralis  parum  curvata. 
~  Maxilla  inferior  non    prominens.  Dorsum    angulatum.    Rostrum  porrectum. 

Chanodichtlnjs  Blkr. 

~'  Maxilla  inferior  prominens-  Dorsum   humile.   Rostrum  breve- 

Pseudoculier  Blkr. 

+"  Corpus  elongatum.    Rostrum    breve.    Squamae  médiocres  vel  parvae. 
Linea  lateralis  valde  curvata. 

Remiculter  Blkr. 

b.  Corpus   alepidotum. 

ô  Spina  dorsalis  dentata.     Rictus  parvus.   Nares  utroque   latere    simplices.  Cirri 
4.  Dentés  scalprifornies  4/4. 

Aulopyge  Heek. 

o'   Spina  dorsalis   edentula.  Rictus  sub  oculo  desinens.   Cirri  nulli.  Dentés  pré- 
hensiles 1.4/4.1. 

Meda  Gir. 

2.  Anucantho7iotï    Spina  dorsalis  nulla.  Corpus  squamosum 

a   Maxillae    tumidae  poroso-verrucosae  seu    lacunosae.    Regio   thoraco-gularis  ale- 
pidota.     Squamae  magnae.    Cirri  nulli. 
)ssa  humeralia  valdc  cvoluta    inula.     Pinna    dorsalis  post   ventrales    incipiens. 
Dentés  uncinato-contusorii  4.5  5.4 

Chcdrus   Swns.  :=:  Padiystomus  Heck,  ex  parte. 

;  )ssa  humeralia    normalia.     Pinna  dorsalis  supra   ventrales   incipiens.  Dentés 
coinpre-si  préhensiles  2.4/4.2. 


269 

Plargynis  Raf.  —  Hypsolepis  Baird. 
b.    Maxillae   cute  laevi  tectae. 

g  Maxilla  inferior  depressa  cochleariformis.  Cirri  ïiulli.  Rostrum   depressum. 
Os  anticum.     Dentés  aggregati  vel  molares  triseriati. 
ó  Pinna  dorsalis  multiradiata,  analis  pauciradiata.  Squamae  magnae. 
Sulcus  postlabialis  unicus.  Labium  inferius  a  toto  maxillae  margine 
pendulum.     Dentés  aggregati  2-4.5/54 .2. 

Calla  Val.  =3  Gibeüon  Heck,   ex  parte. 

6'  Pinna  dorsalis  pauciradiata.  Squamae  parvae.  Oculi  posteri  vel  inferi. 
f  Pinna  analis    multiradiata    pinna    dorsali    longior.     Opercula   radi- 
atim'  rugosa. 

Hypophthalmiclithys  Blkr. 

f'  Pinna  analis  pauciradiata  pinna  dorsali  brevior.  Opercula  non  rugosa. 
o  Pinna  dorsalis  supra  vel  ante  pinnas   ventrales  incipiens.  Dentés 
aggregati  facie  masticatoria  oblique  truncati  plani  2.4.5/5.4-2. 

Thjnnichthjs   Blkr. 

o'  Pinna  dorsalis  post  pinnas  ventrales  incipiens.  Dentés  molares  facie 
masticatoria  oblongo-rotundati  et  transversim  rugosi  1.2.3/3.2.1. 
Amblypharyngodon  Blkr=s  Mola  Heek. 

0'  Pinnae   dorsalis  et  analis  elongatae  multiradiatae,  dorsalis  magna  parte 
anali  opposita.   Cirri  nulli. 

ó  Squamae  magnae.    Corpus  oblongum  elevatum.    Linea  lateralis    valde 
curvata  lineae  ventrali  convexae  approximata. 

üevario  Heek. 
ô"  Pinna  dorsalis  pinnae  anali  tota  vel  ex  parte  opposita.   Dorsum  humde. 

Squamae  magnae.     Oculi  post  vel  infra  apicem   rostri  siti. 
ó  Rictus  latus  obliquus  sub  oculo  desinens.  Pinnae  dorsalis  et  analis  pau- 
ciradiatae    breves,    pectorales    elongatae.    Cirri  4   carnosae   vel    nullae. 
Dentés  subcochleariformes  vel  voratorii  2.4.4/4.4.2,  vel  2.4.5/5.4.2. 

Luciosoma  Blkr  (subg.  Lnciosoma  et  Trinematichthys  Blkr). 

ó    Rictus  parvus    ante    oculum    desinens.  Cirri    4,  supramaxillares  ri'nrli 
setacei. 
f  Linea  lateralis    valde    curvata  lineae    ventrali  convexae   approximata. 

Pinnae  dorsalis  et  analis  pluri- ad  multiradiatae,  pectorales  non  elc 

satae. 


27 

Perilampus  Mc  Cl. 

f'   Linea  lateralis  nulla.  Cirri    rostrales    cirris    supramaxillaribus  approximati 
Pinnae  dorsalis  et analis pauciradiatae  breves,  pectorales  elongatae.  Dei 
acuti  vix  curvati  5,  5. 

/.'  omu8  Swns.  ss   Nuria  Val. 

Squamae  parvae.  Rostrum  carnosum.  Pinnae  dorsalis  et  analis  pauciradiatae ,  dor- 

is  tuta  ante  analcm  sita. 
ó    Cirri  2,  supramaxillares. 

f    Os    terminale.    Corpus    oblongum    compressum    dorso  elcvato    anguli 
Dentés  clavati  4,  5. 

Tinca  Rond.  Cuv. 

>s   inferum.    Corpus  elongatum  fusiforme  dorso  humili.    Dentés  raptatorii 
uni-  vel  biseriati  1.4/4.2,   vel   2.4/4.2,  vel   1    1, 

Argyreus  Heek.  =:  Bhinichthya  Ag-—  Agosla  Gir- 

Ürri  nulli.  Corpus  elongatum  fusiforme. 

\  Corpus   ubique   squamosum.   Linea  lateralis  vix  cnrvata.  Os  terminale. 
o    Dentcs    leviter    uncinati   facie  masticatoria   gracili  5/5.    Squamae  m 
l)ranaccae. 

C/irosotnus  Raf. 

•    Dentés  raptatorii  facie  masticatoria  nulla  1.3  3.1.  Isthmus  latissimua 

Tiaroga  Gir. 

o"  Dentcs  raptatorii   2.4/4.2,  vel  2.5/4.2.  Rostrum  obtusum  convexuui 

Phoxinus  Rond.  Ag. 

Corpus   linea  laterali  anticc  tantum  squamosum,  squaniis  uniseriatis 
Dentés  contusorii  5/4-  Rostrum  obtusum  convexum.  Os  terminale. 

v 

Fhoxinellus    Heek. 

'   Squamae  magnae.  Rostrum    carnosum.    Pinnae  dorsalis  et   analis   brèves,   dor- 
salis ante  ventrales  incipiens  et  longe  ante  analem  desinens.  Rictus  parvus. 
Ürri  2   rostrales  tantum.  Rostrum  non   porrectum. 

(  'irrhina  Cuv. 

ürri  2  supramaxillares  tantum.  Rostrum  porrectum.  Dentcs  raptatorii  2.5  '5.2, 
vel  2.4/4.1,   vel  3.5/5.2. 


271 

Gobio  Cuv. 

ó"  Cirri  nulli.  Rostrum  valde  camostim  elevatnm.  Linea  .lateralis 
rectiuscula.  Pinna  dorsalis  ante   ventrales  incipicns. 

Sarcoclieilicïrfhys  Blkr. 

o'"  '  Rostrum  acutum  depressum.   Corpus   elongatum  dorso   humili. 
Pinna  dorsalis  pauciradiata  ante  analera  sita. 
ó    Pinna    dorsalis  supra   vel   vix  ante  pinnas    ventrales  incipiens. 
Squamae  magnae.  Pinna  analis  pauciradiata. 
f  Cirri  4,  rostrales  et  supramaxillares.  Labia  gracilia.  Rictus  me- 
diocris  obliquus.  Maxilla  inferior  symphysi   tubercule)  null 
Linea   lateralis    curvata.  Dentés   cochleariformes  facie  masti- 
catoria  pluricrenulata  2.3.5/5.3.2. 

Leptobarbus  Blkr. 

•f'  Cirri  2,  supramaxillares   tantum.  Rictus   mediocris  obliquus. 
Linea  lateralis   rectiuscula.  DentesW"»     •'■ 

Gnathopogon  Blkr. 

f"  Cirri  nulli.  Labia  valde  carnosa.  Os  superurn,  rictu  brevissimo 
vert-icali.  Linea  lateralis  rectiuscula.  Dentés  uncinato-ci 
pressorii  5/5. 

Pscudorasbora  Blkr. 
o'  Pinna   dorsalis  post  pinnas   ventrales  incipiens.  Cirri  nulli 
anticuiu,  rictu  mediocri.  Dentés  bi-  ad  tri-seriati. 
f  Pinna  analis  pauciradiata.  Squamae  magnae.   Maxilla  super, 
symphysi  incisura  tuberculutn  inframaxillare  symphysiale  n  • 
piente.  Oculi  non  velati.  Linea  lateralis  lineae  ventrali  approxi- 
mata.  Dentés  subcochleariformes  uncinati. 
Basbora  Blkr. 
f'  Pinna  analis  multiradiata  dorsali  raulto  longior.  Squamae  mé- 
diocres. Maxilla  superior  symphysi  incisura  nulla.    Ocui  meru- 
brana  palpebrali  maxima  parte  velati.  Linea  lateralis  vix  curva- 
ta. Dentés  cultriformes. 
Rasboricltt/iys  Blkr. 
p"'  'Rictus  magnus  obliquus  sub  oculo  desinens.  Pinna  analis  pluri- 
radiata.  Liuea  lateralis  valde  curvata.  Rostrum  acutum.  Os  anticum. 
ó  Ossa  nasalia  valde  evoluta.  Maxilla  inferior  symphysi  tuin 
hamata.  Vesica  natatoria  triloba.    Corpus  elongatum.   Squai 
parvae  vel  médiocres.  Cirri  nulli.  Rostrum  porrectum. 


272 

■jpic/rfhijs  Blkr . 

6"  Ossa  uasalia  normalia. 

f  Dentés  pharyngeals  biseriati,  raptatorii.  Cirri  nulli.  Pinna  dorsalis 
ventrales  incipiens. 
o  Maxilla  superior  symphysi  emarginata3  inferior  prominen s  symphysi 
tuberculo  incisuram  intermaxillarem  intrante.  Corpus  elongatum.  Cau- 
da gracilis.  Squamae  magnae  vel  médiocres.  Dentés  cylindrici 

Aspius  Ag. 

o'  Squamae  parvae    vel  médiocres  inaequales.  Corpus  elongatum  cauda 
gracili.  Dentés  compressi.  Maxilla  inferior  hamata? 

Gila  Baird  Gir.  =;  Tigoma  Gir.  =3    Cheonda  G  ir. 

o"  Squamae  médiocres  inaequales.  Labia  carnosa.  Corpus  oblongiun  vel 
elongatum.  Cauda  robusta.  Dentés  facie  masticatoria  nulla.  Isthmus 
mediocris. 

Ptychocheilus  Ag.  =3  Clinosto7nus  Gir. 

\  Dentés  pharyngeales  voratorii  triseriati  2.3.5/5.3.2,  vel  2.3.4/4.3.2. 
Venter  couvexus  dorso  nonhumilior.  Cirri  4 ,  vel  2,  vel  nulli.  Squamae 
magnae  vel  médiocres.  Linea  lateralis  valde  curvata. 

Üpsarius McCl.  (subg.  Shacra,  Bendilisis,  Upsarim Blkr). 

'  Rostrum  couvexum  non  depressum.  Squamae  magnae  vel  médiocres.  Pinna 
dorsalis  brevis. 
ó  Pinna  analis  multiradiata  elongata  dorsali  multo  Iongior;  dorsalis  post  pinnas 
ventrales   incipiens.  Squamae  magnae.  Cirri  nulli.  Corpus  valde  elevatum 
Dentés  uni-  vel  biseriati. 

o  Linea  lateralis  leviter  curvata.  Venter  post  ventrales  carina  alepidota. 

Abramis  Cuv.  =3  BHcca  Heek.  =:  Ballerus  Heek.  =3  Blic- 
copsis  Heek. 

I  iinea  lateralis  valde  curvata. 

Luxilïis   Raf.  =:    Slilbe  De  Kay  53  Ric/iardsonius  Gir. 

;  inna  analis  multiradiata  dorsali  Iongior.  Corpus  subelongatum ,  dorso  non 
elevato.  Maxilla  superior  symphysi  incisura  tuberculum  maxillae   inféri- 
ons recipiente.  Rictus  valde  obliquus.  Pinna  dorsalis  post  ventrales  in- 
pien      Venter  p  winatus.  Linea  lateralis  valde  curvata. 


273 

Albumus  Rond  ,  Heck.  —  Aîburneîhs  Gir.  s  Leucaspius 
Heck.,  Kner. 

ó"  Pinna  analis  non  elongata,  dorsali  brevior  ad  vix  longior. 
f  Rostrum  valde  convexuin  truncatiusculuui  ante  os  proniinens.  Pinna  dor- 
salis  supra  ventrales  incipiens.  Squamae  magnae.  Cirri  2   supraruaxil- 
lares  vel  nulli.  Linea  lateralis  rectiuscula. 

Hybopsis  Ag.  (Subg.  Hybqpsis  Ag.,  Hudsonius  Gir.) 

f  '  Rostrum  non  truncatum ,  non  ante  os  prorninens.  Pinna  dorsalis  ante  vel 
supra  initium  analis   desinens. 
o  Cirri  2 ,  supramaxillares.  Squamae  magnae.  Corpus  elongatum  vel  sub- 
elongatum. 
aa  Rictus   sat  magnus.  Linea  lateralis  curvata.  Dentés  biseriati. 

Leucosomus  Heck.  z=i  Clieilonemu%  Baird—  PogonicMhjs 
Gir.  s=3  Nocomis  Gir. 

bb  Rictus  mediocris.  Linea  lateralis  rectiuscula.  Dentés  uniseriati. 

Ceraticldliys  Baird. 

o'  Cirri  nulli.  Squamae   magnae  vel  médiocres.  Dentés  uni-  vel  biseriati. 
Corpus  oblongum  vel  elongatum. 
aa  Rictus  sat  magnus.  Pinna  dorsalis  post  ventrales  incipiens.  Oculi  superi. 
Genae  elevatae.  Linea  lateralis  parum  curvata. 

Semotihs  Raf.  (gen.  Leucosomus  Heck.   valde  affin.). 
bb  Rictus  mediocris  vel  parvus.  Corpus  oblongum  vel  elongatum. 
f  Pinna  dorsalis  supra  vel  vix  post  ventrales  incipiens.  Linea  lateralis 
parum  ad  valde   curvata.  Squamae  magnae  vel  médiocres. 

Leuciscus  Rond.,  Klein  s  Leucos  Heck.  a  Squalius  Bp. 
ö  Telestes  Bp.   =  ù  ,,,,„„      ,  , 
f'  Corpus  oblongum.  Squamae  magnae.  Linea  lateralis  mediocriter  cur- 
vata. Pinna  dorsalis  post  piunas  ventrales  incipiens. 
Scardinius  Bp.  —  Idus  Heck. 

f"  Squamae  magnae  deciduae.  Rostrum  incrassatnm  ante  os  prorninens 
Pinna  dorsalis  supra  ventrales  incipiens.  Linea  lateralis  rectiuscula. 
Alburnops  Gir. 

Y"  Squamae   altae   breves.    Rictus  brevis.  Linae    lateralis  mediocriter 
curvata.  Pinna  dorsalis  supra  vel  vix  post  ventrales  incipiens. 

35 


274 

Cyprinella  G  ir. 

+""  Squamae  médiocres.    Maxillae  aequales.    Linea   lateralis  parum 

curvata.  Pinna  dorsalis  jilo    post  ven  trales  incipiens.  Isthmus   'a» 
sat    latus.   Dentés  4/4. 

Codoma  Gir. 

II  Oxyyaslri.  Venter  ante  pinnas  ventrales  cultratus.  Corpus  squamosum.  Pinnae, 
analis  elongata,  dorsalis  brevis.   Cirri  nulli. 
1.  Pinna  dorsalis  spina  armata.  Pinnae  pectorales  médiocres. 

a.  Spina  dorsalis  serrata.  Corpus  oblongum ,  dorso  rostroque  angulatis.  Squamae 

parvae.    Linea    lateralis    rectiuscula.    Dentés  compressi    facie   masticatoria 
obliqua  truncata  plurituberculata  2.2.4/4.2.2. 

Smilioyaster  Blkr. 

b.  Spina  dorsalis  edcntula.  Corpus  elongatum  dorso  humili.  Pinna  dorsalis  ven- 

trales inter  et  analem   sita.  Squamae  médiocres  vel  parvae.  Linea  lateralis 
valde  curvata.    Vesica  aërea  triloba. 

Culler  Basil. 

2  Pinna   dorsalis  spina   nulla,  anali  tota  vel  ex   parte   opposita.  Pinnae  pecto- 
rales elongatae.  Rictus  valde  obliquus. 
a.  Linea  gulo-ventralis  regulariter  convexa.  Linea  lateralis  valde  curvata. 
ô  Corpus    oblongum.  Rictus  brevis.  Maxilla   superior    symphysi  non  emargi- 
nata,  inferior    symphysi   non    tuberculata.  Squamae   maquae,  subaeguales ,  t  '. 
nuchales  longe  post  oculum  rejcctae.  Dentés  voratorii  2.4.5/5.4.2.  ( 

Luuhuca  Blkr. 

ô'  Corpus  oblongum  vel  elongatum.  Squamae  magnae  vel  parvae,  inaequales, 
nuchales  supra  oculum  incipientes.  Maxilla  superior  symphysi  incisura 
tuberculum  maxillae  inferioris  recipiens.  Dentés  raptatorii  bi-vel  triseriati 
2.4.5/5.4.2.   vel  2  5/5  2  vel  4.4/4  4. 

Chela  Buch.  zz  Pelecus  Ag.  -  <   '     '    • 

b.  Linea  gulo-ventralis  post  axillam   valde   emarginata.     Linea    lateralis  parum 
curvata. 
ô  Corpus    elongatum.    Squamae    parvae.  Rictus  magnus    subverticalis.    Dentés 
voratorii  subcochleariformes  4.4/4.4.  Pinnae  pectorales    elongatae. 

Macrochiricldliys  Blkr. 


275 

Species  Barbinorum  hucusque  cognitae. 


Racoina  labiata  McCl Afghanistan. 

//       brevis  McCI Afghanistan. 

h       Edeniana  Blkr  =:  Schizothorax  Edeniana  McCl.     .     .  Afghanistan. 

v       Ritchieana  Blkr  ö  Schizothorax  Ritchieana  McCl.     .  Afghanistan. 
Schizothorax  esocinus  Heek .  Affghan.,  Cashmir. 

/'       micropogon  Heek Cashmir. 

//       planifrons  Heek Cashmir. 

u       Hügelii  Heek Cashmir. 

//       intermedins  McCl Afghanistan. 

//  ?  barbatus  Blkr  —  Schizothorax  barbatus  McCl.      .     .  Afghanistan. 

//  ?  gobioides  Blkr  —  Racoma  gobioides  McCl Afghan.  (Bamean  fl). 

*  Balantiocheilos  melanopterus  Blkr^;  Barbus  melanopterus  Blkr 

—  Systomus  melanopterus  Blkr Sumatra,  Borneo,  Siam. 

*  Amblyrhynchichthys   truucatus  Blkr  0  Barbus  truncatus  Blkr 

—  Systomus  truncatus  Blkr Sumatra,  Borneo,  Siam. 

*  Albulichthys    albuloides    Blkr—  Systomus  albuloides  Blkr.     .  Sumatra,  Borneo,  Siam. 

*  Kampala    ampalong    Blkr  =5  Capoeta  ampalong  Blkr.   .     .     .  Borneo,  Sumatra. 

*  e    macrolepidota  V.  Hass.  —   Capoeta  macrolepidota  Val. 

ö  Scaphiodon  macrolepidotus  Heck,  a  Systomus  macro- 

lepidotus  Heek. Jav., Sum.,  Born.,  Pin.,  Tenss. 

Hypselobarbus  (Hypselobarbus)  mussullah  Blkr  ^  Barbus  mus- 

sullah  Syk Deccan. 

//?(//)  nancar  Blkr  —  Cyprinus  nancar  Buch  0  Gibe- 

lion  nancar  Heek Bengala. 

//       (Gonoproktopterus)    kolus   Blkr  :=!  Barbus  kolus  Syk. 

ö  Systomus  kolus  Heek.  =5  Capoeta  kolus  Blkr..  Deccan. 
*       (Tambra)  abramioides  Heek.  =  Leuciscus  abramioides 

Blkr Deccan. 

Systomus  ?  (Barbodes)  surkis  Blkr  s=i  Barbus  surkis  Rüpp.  .  Nilus. 
?  (  //  )  périnée  Blkr  a  Barbus  perince  Rüpp.  .  .  Nilus. 
?  (  //  )  intermedius  Blkr—  Barb,  intermedius  Rüpp.  Nilus. 
?     (  //  )     bynni   Blkr  3    Cyprinus  bynni   Forsk.  0 

Cyprinus  lepidotus  Geoffr.  s=3  Barbus  bynni  Val.  Nilus. 
?  (  //  )  gobionides  Blkr  ^3    Barbus  gobinoides   Val. 
(an  Barbus  pallidus  Smith??)  s   Barbus  go- 
bioides Heck.      .    :     .     .     : Prom.  bon.  spei. 


276 

Systomus  (Earbodes)  pallidus  Blkr  —   Barbus  (Pseudobarbus 

pallidus  Smith Proui.  bon.  spei. 

(  //  )  Burchelli    Blkr   =;     Barbus    (Pseudobarbus) 

Burchclli  Smith.       Prom.  bon.  spei. 

//       ?  (  y  )  callensis  Blkr  ö   Barbus   callensis  Val.    .     .  Algeria. 
//       ?  (  //  )  setivimensis  Blkr  :=i  Barbus  setivimensis  Val. 

a    Barbus  leptopogon  Ag.  ? Algeria. 

//  (  //  )  labecula  Blkr  a    Barbus  labecula  Val.   .     .  Palaestina. 

u       ?  (  u  )  lacerta  Blkr  a  Barbus  lacerta  Heck.       .     .  Syria. 
?  (  u  )  perniciosus  Blkr  a  Barbus  perniciosus  Heck.  Syria. 
//       ?  (  »  )  pectoralis  Blkr  a  Barbus  pectoralis  Heck.     .  Syria. 
h       ?  (  //  )  chalybatus   Blkr  a  Cyprinus  calybatus   Pali. 

—   Barbus  chlybatus  Heck .  Mar.  casp. 

//  (  u  )  arabicus  Blkr  a    Cyprinus  arabicus  Ehr.  — 

Arabia  Barbus  arabicus  Val Arabia. 

(  11  )  kersin  Blkr  a  Barbus   kersin  Heck.     .     .     .  Syria. 
»  (  u  )  rajanorum  Blkr  ~  Barbus  rajanorum  Heck.  Syria. 

(  //  )  Duvaucelii  Blkr  a  Barbus  Duvaucelii  Val.    .  Bengala. 
h           (  "  )  capito  Blkr  a  Cyprinus  capito  Pali.  a  Bar- 
bus capito  Val Georgia- 

//  (  u  )  clavatus  Blkr  a  Barbus  clavatus  McCl.  a  Cy- 

prinus chagunio  Buch-  sec.  McCl.  (1345);  an 
potius  spec.   Cyclocheilichthys.  ?      ....  Bengala. 
//       ?  (  u  )  spilopholus  Blkr  a  Barbus  spilopholus  McCl. 
a  Cyprinus  chagunio  Bucb.  sec.  McCl.  (1839); 
an  Cyclocheilichthys?  vel  gen.  propr.  ?  .     .  Bengala. 
a  (  "  )  deliciosus  Blkr  a  Barbus  deliciosus  McCl.     .  Assam. 

//  (  //  )  kadoon  Blkr  a  Buss.  No-  260 Hindustan. 

(  11  )  gibbosus  Blkr  a  Barbus  gibbosus  Val.    .     .  Hindustan. 
u  {  "  )  subnasutus  Blkr  a   Barbus  subnasutus  Val.  Hindustan. 

(  //  )  kakus  Blkr  a  Kakoo  v.  Karoo  Buss.  No.  205 

a  Barbus  kakus  Val Hindustan. 

(  a  )  chrysopoma  Blkr  a  Barbus  chrysopoma  Val.  Hindustan. 

(  a  )  roseipinnis  Blkr  =3  Barbus  roseipinnis  Val.   .  Hindostan. 

(  a  )  Polydori  Blkr  a  Barbus  Polydori  Val.     .     .  Hindostan. 

</  (  //  )  sarana   Blkr  a  Barbus  sarana  Val.     .     .     .  Hindostan. 

u  (  u  )  kunnamo  Blkr  a  Kunnamo  Buss.  No.  204  =s 

Cyprinus  sarana  Buch.  a  Barbus  sarana  Val. 

exparte  —  Barbus  kunnamvo  Heck.     .     .     .  Hindostan. 


277 


Systomus  (Barbodes)  iniruaculatus  Blkr^  Systomus  iiuinaculatus 
McCl.  s  Barbus  immaculatus  Heek.  =:  Cyprinus 
MacClellandi  Val.  a  Barbus  MacClellandi  Val. 
gardonides  Blkr  =:  Barbus  gardonides  Val.  .  . 
sada  Blkr  :=!  Cyprinus  sada  Buck,  s  Gonorhyn- 
chus  fimbriatus  McCl.  a    Barbus  sada  Val.  s 

Rohita?  fioabriata  Heck • 

rododactylus  Blkr  s  Barbus  rododactylus  McCl. 
micropogon  Blkr  ö  Barbus  inicropogon  Val.  . 
deauratus  Blkr  ö  Barbus  deauratus  Val.  .  . 
carassioides   Blkr  :=!  Barbus  carassioides  Heck. 

(descr.    mi  hi    ignota) .     .    . 

balleroides  Blkr  ö  Barbus  balleroides  Val.  . 
Schwanefeldi  Blkr  ö  Barbus  Sckwanefeldii  Blkr. 

belinka   Blkr 

amblycephalus  Blkr^:  Barbus  amblycephalus  Blkr. 
erythropterus  Blkr  ö  Barbus  erythropterus  Blkr. 
braruoides  Blkr  s  Barbus  bramoides  Val  s  Bar- 
bus breiiioides  Val.  s  Barbus  wadon  Blkr.  . 
javanicus  Blkr  0  Barbus  javanicus  Blkr.  .  . 
koilometopon  Blkr  =2  Barbus  koilonietopon  Blkr. 
gonionotus   Blkr  rf  Barbus  gonionotus   Blkr.     . 


Hugnenini  Blkr  a  Barbus  Huguenini    Blkr. 

hypselonotns    Blkr  a  Barbus  hypselonotus   V. 

Hass.  s  Barbus    hypocoenatus    Bull.    Féruss. 

1S24    (err.     typogr.) 

înacrophthalmus  Blkr^  Barb,  uiacrophthalui.  Blkr. 

platysoma  Blkr.  s  Barbus    platysoma  Blkr.     . 

rubripinna  Blkr^  Barbus  rubripinna  V.  Hass. 

ö  Barbus  rubripinnis  Val.  s  Barbus  orplioides 

Val.  =:  Barbus  gardonides  Val.  (speciru.  javan.) 

ö  Barbus    sarananella    Blkr 

)  bunter  Blkr  ^  Barbus  bunter  Blkr.  ,  .  . 
)  tetrazona  Blkrj=l  Barbus  tetrazona  Blkr.  .  .  . 
)  lateristriga  Blkrz:  Barbus  lateristriga  Val.  .  . 
)  fasciatus  Blkr  =2  Barbus  fasciatus  Blkr.  .  . 
)  obtusirostris  Blkr  s  Barbus  obtusirostris  V.  Hass. 
)  maculatus  Blkrs  Barbus  maculatus  V.  Hass- =: 

Barbus  binotatus  Kuhl.  S  Barbus  oresigenes  Blkr 


Assam. 
Bengala. 


Bengala. 

Assam. 

Hindost.  (Mysore). 

Cochin-China. 

Borneo. 

Archip.  sundaic.  ?? 

Sumatra,  Borneo. 

Sumatra. 

Borneo. 

Java,  Borneo. 

Java. 

Java,   Sumatra. 

Java. 

Java. 

Sumatra. 


Java. 
Java. 
Java. 


Java,  Siam. 

Java. 

Borneo. 

Jav.,  Sum.,  Born.,  Bank-,  Biltn. 

Sumatra,  Banka,  Borneo. 

Java. 


273 


s  Barbus  blitonensis   Blkrs  Barbus  kusanensis 

Blkrzs  Barbus  polyspilos  Blkr.  Jaw, Bali., Sum.,  Bilit., Bank.,  Bint.,  Nias,  Born. 

*  Systomus  (Barbodes)  goniosoma  Blkr Sumatra. 

a  )  margiuatus  Blkr  =3  Barbus  marginatus  Val..     .  Java,  Sumatra. 
Capoëta)  beso  Blkr  =j    Varicorhinus    beso  Riipp.  =i 

Systomus  beso  Heck.  =3  Labeo  varicorhinus  Val.  Nilus. 
h  )  luteus  Blkr  3  Systomus  luteus  Heck.  .  .  .  Syria. 
h  )  albus  Blkr  3  Systomus  albus  Heck.  .  .  .  Syria. 
a  )  amphibius  Blkr  =!     Capoëta    amphibia    Val.  s 

Scaphiodon  amphibia  Heck :  Hindustan. 

if  )  chola   Blkr  ö  C\  prinus  chola  Buch.  zs  Systomus 

chola  McCl.  =:  Capoëta  chola  Blkr Bengala. 

n  )  chrysosomus  Blkr  s  Systomus  chrysosomus  I\IcCl.  Bengala. 
h  )  padangensis  Blkr  3  Capoëta  padangensis  Blkr.  Sumatra. 
//  )  sumatranus  Blkr  =;  Capoëta  tetrazona  Blkr.  .  Sumatra. 
h  )  brevis  Blkr  3  Capoëta  brevis  Blkr.  ....  Java. 
h  )  leiacanthus  Blkr  =:  Capoëta  javanica  Blkr.  .  Java. 
//  )  oligolepis  Blkr  3  Capoëta  oligolepis  Blkr.  .  .  Sumatra. 
(Systomus)  chrysopterus  McCl :     .  Bengala. 


Bengala. 
Bengala. 


*  )  guganio  Blkr  =s  Cyprinus  guganio  Buch. 
u  )  tictis  Blkr  =s  Cyprinus  tictis  Buch.      .     .     . 
u  )  puntio  Blkr  sa    Cyprinus  puntio  Buch.      .     .     .  Bengala. 
//  )  Duvaucelii  Blkr=:  Leuciscus  Duvaucelii  Val.,Poiss- 

fig.  491  p.  71  (nec  pag.  58  quae  spec,  plane 
diversa.) .      .     .  Bengala. 

a  )  terio  Val.  ö  Cyprinus    terio    Buch.  ö  Cyprinus 

teripungti  Buch.  s  Systomus  gibbosus  McCl.    .  Bengala. 

a  )  sophore  McCl.  53  Cyprinus  sophore  Buch.  =3  Bar- 
bus sophore  Val ; Bengala. 

/■  )  phutunio  Val.  s  Cyprinus  phutunio  Buch.  sa  Cy- 
prinus phutunipungto  Buch.  ö  Systomus  lep- 
tosomus  McCl Bengala. 

//  )  siamensis  Casteln.    Mss Siam. 

*  )  gelius  McCl.  s   Cyprinus    gelius    Buch.  s  Cy- 

prinus canius  Buch.  s  Cyprinus  ranipungti  Buch. 

=3  Systomus  canius    McCl Bengala. 

y  )  ticto  McCl.  3  Cyprinus  ticto  Buch.  3  Cyprinus 
bimaculatus  Buch.  ap.  McCl.  3  Rohtee  ticto  Syk. 
s  Systomus  bimaculatus  McCl Bengala,  Deccan. 


279 

*  Systomus  (Systonius)  cosuatis  Blkr.  —  Cyprinus  cosuatis  Buch. 

—  Cyprinus  coswati  Buch.  =!  Systomus  malaco- 

pterus  McCl  z=i  Leuciscus  cosuatis  Val.    .     .     .  Bengala. 

-/     (  u  )  conchonius   Val  :=3  Cyprinus  conclionius    Buch.  Bengala. 

"     (  "  )  pyrrhopterus  McCl Assam. 

'/     (  11  )  titius  Val.  :=:  Cyprinus  titiua  Buch.  s  Systomus 

tetrarupagus  McCl Assam. 

u     (  '/  )  stigma  Blkr  =3  Leuciscus    stigma  Val.       .     .     .  Mysore. 

it     (  »  )  sulphureus    Blkr  ^  Leuciscus  sulphureus  Val.    .  Mysore. 

11     (  it  )  filamentosus  Blkr  z3  Leuciscus  filamentosus  Val.  Hindustan. 

11  ?  (  11  )  tripunctatus  Blkrs  Systomus  tripunctatus  Jerdon.  Hindostan. 

11     (  u  )  pangut  Heek.  =3  Rohtee  pangut   Syk.      .     .     .  Deccan. 

»  ?  (  a  )  mahecola   Blkr  =s  Leuciscus    mahecola   Val.      .  Hindostan  occid. 

//?(//)  presbyter  Blkr  s=l    Leuciscus   presbyter  Val.      .  Hindostan  occid. 

n     (  a  )  thermalis    Blkr  =3  Leuciscus  thermalis  Val.  .     .  Ceylon. 

11?  (  11  )  binotatus   Blkr  =!  Leuciscus  binotatus   Blyth.     .  Ceylon. 

*  //     (  //  )  Waandersi  Blkr :  Java. 

*  //(//)  bulu  Blkr Sumatra,  Borneo,  Siam. 

*  v(v)  lawak  Blkr.    . Java. 

*  Cyclocheilichthys  (Cyclocheilichthys)  armatus  Blkr  =:  Barbus 

armatus  Val.  -3  Barbus  Valenciennesi  Blkr.        .  Java,  Sumatra,  Siam? 

*  //     (  if  )  enoplos  Blkr  :=j  Barbus  enoplos   Blkr.       .     .     .  Java. 

*  //     (  //  )  macracanthus  Blkr  =3  Barbus  macracanthus  Blkr.  Sumatra. 

*  u     (  h  )  repasson   Blkr  =!  Barbus   repasson    Blkr.       .     .  Sumatra. 
*    (Siaja)  Deventeri  Blkr^-  Capoëta  Deventeri  Blkr.    .     .  Java. 

11     (  11  )  heteronema  Blkr  su  Barbus  heteronema  Blkr     .  Borneo. 

//     (  //  )  macropus  Blkr Borneo. 

//     (  n  )  microlepis   Blkr  =3  Capoëta  microlepis    Blkr.      .  Sumatra,  Borneo. 
//     (  //  )  siaja  Blkr  —  Capoëta  siaja  Blkr  =s  Capoëta   eno- 
plos  Blkr Sumatra,  Borneo. 

*  h     (Ànematichthys)  apogon  Blkr  =i  Barbus  apogon  Kuhl. 

=3  Systomus  apogon  Val Jav. ,  Sum.,  Borneo,  Banka. 

*  h     {  »  )  apogonides  Blkr  ^3  Systomus  apogonides   Blkr.  .  Java. 

*  //     (  u  )  janthochir  Blkr  33  Systomus  janthochir  Blkr.      .  Borneo. 
Labeobarbus  caninus  Blkr.  =3  Barbus   caninus   Val.      .     .     .  Europa. 

a  Petenyi  Blkr  =3  Barbus    Petenyi  Heck.  =3  Pseudo- 

barbus   Leonhardi    Bielz. 
h  Canalii  Blkr  =3  Barbus  Canalii  Val.     .....  Europa. 

u  fucini  Blkr  =3  Barbus  fucini    Costa Europa. 


:0 

Labeobarbus  peleponesius  Blkr  =3  Barbas  peleponesius  Val.  = 

Barbus  peleponensis  Heek Europa  (Morea). 

//         canis    Blkr  =3    Barbus   canis    Val.  =:  Luciobarbus 

canis    Heek. Palaestina. 

longiceps  Blkr  =!  Barbus  longiceps   Val.  :=:  Lucio- 
barbus   longiceps   Heek Palaestina. 

//         Kotschyi  Blkr  =3  Barbus   Kotschyi    Heek.      .     .     .  Syria. 

*         grypus    Blkr  s  lïarbus    grypus   Heck Syria. 

«         nedgia  Riipp. Nilus. 

h         affinis  Blkr  —  Barbus  affinis  Riipp.  =;  Luciobarbus 

affinis  Heck Nilus. 

elongatus   Blkr  =3  Barbus  elongatus  Riipp.  a  Lu- 
ciobarbus elongatus  Heck Nilus. 

/         gorguari  Blkr—  Barbus  gorguari  Riipp.  =3    Lucio- 


11 


barbus  gorguari  Heck Nilus. 

capensis  Blkr=3  Barb.  (Cheilobarbus)  capensis  Smith.  Proru.  bou.  spei. 

/'         marequensis  Blkr  —   Barbus    (Cheilobarbus)    ruare- 

quensis   Smith ;     .    .  Prom.  bon.  spei. 

a         macrolcpis  Heck Cashmir. 

//         khudree  Blkr  —  Barbus  khudree  Syk.  .  :     .     .     .  Deccan. 

//        chelynoides  Blkr  =3  Barbus    chelynoides  McCl.  =; 

Barbus  cheilvnoides    McCl.     » Bengala. 

u        macrocephalus  Blkr  —  Barbus  macrocephalus  McCl.  Assam. 

n         hexagonolepis  Blkr  —  Barbus   hexagonolepis   McCl.  Assam. 

//         mosal  Blkr  —  Cyprinus  mosal  Buch.  =3  Barbus  mo- 
sal  Val.  a  Barbus  megalepis  McCl Bengala. 

/         tor  Blkr  =3  Cyprinus    tor  Buch.  =3  Tor  Hamiltonii 

Gr.  S3  Barbus  hexastichus  McCl.  =:  Barbus  tor  Val.  Bengala. 

/         progencius    Val  =3  Cyprinus  tor  Buch.   Coll.   sec. 

McCl.  =3    Barbus   progeneius  McCl.     .....  Bengala. 

/         putitora  Blkr  =3   Cyprinus  putitora  Buch.  =3  Bar- 
bus  putitora  McCl :     .    .  Bengala,  China. 

spinulosus  Blkr  =3  Barbus  spinulosus  McCl.       .     .  China  ? 
douronensis  Blkr  =    Barbus   douronensis    Val.  =: 

Barbus  dauronensis  Heck Java,  Sumatra. 

soro    Blkr  =3  Barbus    soro  Val Java,  Sumatra- 

//         tambra  Blkr  =3  Barbus  tambra  Val Java 

//         tambroides  Blkr.      .     .     .     .    • Java,  Sumatra. 

zambezeusis  Pet-  (nomen  mihi  tantum  cognitum).  .  Africa  (Mossamb.) 
Barbus  vulgaris  Flem.  =3  Cyprinus  barbus  L  =3  Cyprinus  barba 


/'  gibbosus  Pet.  . 

//  inermis  Pet.     . 

h  trimacnlatus  Pet 

h  radiatas  Pet.    . 


281 

Hartin.=  Barbus  communis  Cuv.=s  Barbus  fluviatilis  Ag.  Europa. 

Barbus  Mayori  Val Europa. 

a         plebejus  Bp.  s  Barbus  tiberinus  Bp Europa. 

i'        eques  Bp.  =3  Cyprinus  barbus?  Nardo.         ....  Europa. 

//         leptopogon    Bp Europa. 

n         scincus  Heck. Syria. 

a     ?  longus  Heck.  (descriptio  ruiki  ignota)         Syria. 

//         barbulus  Heck Syria,  Persia. 

a         mystaceus  Blkr  =5  Cyprinus  mursa  Güldenst.  ?  s  Lu- 

ciobarbus  nuptaceus  Heck •     .  Syria,  Mar.  casp. 

//         sckejch    Blkr  =3  Luciobarbus    schejch  Heck.  sa  Lucio- 

barbus  schech   Heck Syria. 

h  esocinus  Blkr  =3  Luciobarbus  esocinus  Heck.  .  .  Syria. 
11  xanthopterin  Blkr  =3  Luciobarbus  xanthopterin  Heck.  Syria. 
a         paludinosus    Pet.  (  nomen  mihi  tantum  cognituni  )  .  Africa  (Mossamb.). 

(       //  u  n  h  )  .  Africa  (Mossamb.). 

(       //  //  «  //  )  .  Africa  (Mossamb.). 

(       n  u  n  u  )  .  Africa  (Mossamb.). 

(       //  11  n  n  )  .  Africa  (Mossamb.). 

Opsaridium  zambezense   Pet.   (gen.   et   spec.  nom.  mihi  tantum 

cognit loci?) Africa  (Mossamb.). 

Hemibarbus  barbus  Blkrï=Gobio  barbus  T.  Schl Japonia. 

Pseudophoxinus  zeregi  Blkr  =3  Phoxinellus  zeregi  Heck.       .     .  Syria. 
Rohteichthys    microlepis   Blkr  =;    Barbus     microlepis   Blkr  =î 

Systomus  microlepis  Blkr  :=i  Rohtee  microlepis  Blkr  Sumatra,  Borneo. 

Rohtee  Ogilbii   Syk  ^    Osteobrama    Ogilbii  Heck Decran. 

//         Vigorsii  Syk.  —  Osteobrama    Vigorsii    Heck.      .     .     .  Deccan. 
u        Alfredianus  Blkr^  Leuciscus  Alfredianus  Val.  zz  Leu- 
ciscus   Duvaucelii   Val.    (Poiss.  XVII   p.  58  nec  pag. 

71  fig.  491) : Deccan. 

//  ?  cotis  Blkr  —  Cyprinus  cotis  Buch.  S  Cyprinus  cotio 
Buch.— Abramis  gangeticus  Swns.  =î  Osteobrama  co- 
tis Heck.  —  Leuciscus  cotio  Val Bengala. 

n??     chrysops  Blkr=!  Leuciscus   chrysops   Val Bengala. 

//         Blythi  Blkr  s  Systomus  microlepis  Blyth  (nec  Blkr).     .  Bengala? 

n         bramula  Blkr~  Abramis  bramula  Val China. 

n         terminalis  Blkr^  Abramis  terminalis   Richds.     .     .     .  China. 
n?       rhomboidalis    Blkr  =5    Abramis   rhomboidalis   Richds. 

=5  Leuciscus  rhomboidalis  Val China. 

.36 


2S2 

\canthobrama   centisqnama   Heck.   =a   Trachibrama   centisqua- 

ma  Heek Syria. 

//        marmid   Heek.  sa  Trachibrama  marmid    Heck.       .  Syria. 

«         cupida  Heek.  sa  Trachibrama  cupida  Heek.     .     .     .  Syria. 

u         arrhada  Heek.  sa  Trachibrama  arrhada  Heek.     .     .  Syria. 

l^^b»^.:,     pekinensis  Blkr  sa  Abramis  pekinensis  Bas.     .     .     .  China. 

mantschurica   Blkr  sa    Abramis  mantschuriens  Bas.  Mongol.,  Mantscburia. 
Khodeus  amanis  Ag.  =3  Alburnus  Ausonii  MaTsigl.  sa  Cyprinus  Europa,  Asia  minor. 

amarus  L.  sa  Leuciscus     amarus    Cuv 

Chanodichthys  mongoliens  Blkr  sa  Leptocephalus  mongoliens  Bas.  Mongolia  ,  Mantshur. 
//     ?       argenteus    Blkr  sa  Leuciscus    argenteus   Bas.      .     .  China. 

//     ?       aethiops  Blkr  =3  Leuciscus  aethiops  Bas China. 

Pseudoculter  pekinensis  Blkr  sa  Cutter  pekinensis  Bas.     .     .     .  China. 

u         exiguus  Blkr  =3  Culter   exiguus  Bas China. 

Hcmiculter  leucisculus  Blkr=:  Culter  leucisculus  Bas China. 

Aulopyge  Hügelii  Heek .   Europa  (Bosnia,  Dalmat.) 

Meda  fulgida  Gir Am.  sept.   (Rio  San  Pedro). 

Chedrus  chedra  Blkr  sa  Cyprinus  chedra  Bucli.  sa  Chedrus  Grayi 

Swns.=s  Pachvstom.  chedra  Heck.zs  Leucisc  chedra  McCl.  Bengala. 
//       tila  Blkr^  Cyprinus  tila  Buch.sa  Pachystomus  tila  Heck. 

sa  Leuciscus  tila  Val Bengala. 

//       apiatus  Blkr  =3  Cyprinus  apiatus  Val.—  Leuciscus  apia- 

tus  McCl.  —  Pachystomus  apiatus  Heck Bengala. 

ii  ?  brachiatus  Blkr  sa  Leuciscus  brachiatus  McCl.  sa  Leu- 
ciscus branchiatus  McCl.  sa  Pachystomus  brachiatus  Heck.  Bengala. 
Plargyrus  cornutus  Gir.  =a  Cyprinus  cornutus  Mitch,  sa  Cy- 
prinus rubripinnis  Mus.  Par.  sa  Leuciscus  cornutus  De 
Kay  =a  Hypsolepis  cornutus  Baird  =a  Argyreus  rubri- 
pinnis Heck Aui.  s.  (N.BrittJnd.  lake,  etc) 

h       typicus  Gir.=:  Rutilus  plargyreus  Baf.sa  Leuciscus  plar- 
gyrus Kirtl Amer.  sept.  (Ohio). 

h       gibbosus  Gir.  sa    Leuciscus  gibbosus  Stor.  53   Hypsole- 
pis  gibbosus    Ag Amer.  sept.  (Alabama  etc.). 

»       frontalis  Gir.  —   Leuciscus  frontalis   Ag.  sa    Hypsolepis 

frontalis  Ag Amer.  sept.  (Lac.  superior). 

h       gracilis   Gir.  —  Leuciscus   gracilis  Ag Amer.  sept.  (Lac  Huron). 

//       Bowmani  Gir Amer.  sept.  (Nebraska). 

u       argentatus  Gir Amer.  sept.  (James-fl.) 

•  Gatla  Buchanani    Val.   sa    Cyprinus    catla    Buch.    s:   Gibelion 


283 


catta  Heck .  Bençmla. 

Hypophthalmichtbys  inolitrix  Blkr  s  Leuciscus  molitrix  Val.  a 

Leuciscus  hypophthaluius  Gray,  Richds.       .     .     .  China. 
u         mantschuricus  Blkr  a    Cephalus  mantschuricus  Bas.  Mongol.,  Mantschur. 
/'         nobilis  Blkr  a  Leuciscus  nobilis  Gray.       ....  China- 
u  ?     idella  a  Leuciscus  idella  Val-  ?  a  Aspius?  vel  Idus? 

idella    Richds        China- 

//  ?     piceus  Blkr  a  Leuciscus  piceus  Richds China. 

n  ?     aeneus  Blkr  a  Leuciscus  aeneus  Val-       .....  China. 
*  Thynnichthys  thynnoides  Blkr  a  Leuciscus  thynnoides  Blkr.     .  Sumatra. 


//         polylepis  Blkr Sumatra,  Borneo. 

n         harengula  Blkr  a  Leuciscus  harengula  Val.     .     .     .  Pegu. 

//  ?    jesella  Blkr  a  Leuciscus  jesella    Val China. 

a  ?     rosetta  Blkr  a  Leuciscus   rosetta  Val China. 

u  ?     xanthurus  Blkr  =5    Leuciscus    xanthurus  Richds.  a 

Aspius?    xanthurus  Richds. China. 

*  Amblypharyngodon    mola    Blkr  a     Cyprinus    mola    Buch.  a 
Leuciscus    mola  McCl.  a  Opsarius  mola  Heck.  a 
Mola  mola  Heck.  a  Leuciscus  pellucidus  McCl..      .  Bengala. 
y        microlepis  Blkr  a  Leuciscus  microlepis  Blkr.      .     .  Bengala. 
//         melettiua  Blkr  a  Leuciscus  melettina  Val.      .     .     .  Hindost.  occid- 
Devario  Buchanani  Blkr  s  Cyprinus  devario  Buch.  =3   Cyprinus 

devarid  Buch.  a  Devario  devario  Heck Bengala. 

a       cyanotaenia  Blkr  a  McCl.,  Ind-  Cypr.  As.  Res.   XIX 

tab.  5 G  fig.  9 Bengala. 

//       MacClellandi  Blkr  a  McCl.,  Intl.  Cypr.  As.  Res.  XIX 

tab.  56  fig.  S Bengala. 

v       ostreographus  Blkr  a  Perilampus  ostreographus  McCl. 

a    Devario    osteographus   Heck Assam. 

*  Luciosoma    (Luciosoma)    setigerum     Blkr   a    Barbus    setigerus 

Val.  a  Barbus  podonemus    Blkr Java,    Sumatra. 

//       (  u  )  spilopleura    Blkr Sumatra,  Siam. 

*       (Trinematichthys)  trinema  Blkr  a  Leuciscus  trinema 

Blkr Sumatra  ,  Borneo. 

Perilampus  rerio  Blkr  a  Cyprinus  rcrio  Buch-  a  Perilampus  striatus 

McCl.  a  Nuria  rerio  Val.  a  Esomus    striatus   Heck.  Bengala- 
n       dangila    Blkr  a    Cyprinus    dangila    Buch.  a    Peri- 
lampus reticulatus  McCl.  a  Esomus  reticulatus  McCl.  Bengala. 
//  ?    lineolatus  Blkr  a    Leuciscus    lineolatus    Blyth.     .     .  Darjeling. 


284. 

Esomus  danrica  Heck,  a  Cvprinus  danrica  Bach,  ss  Cypri- 
nus  danrua  Bach.  !=3  Cvprinus  sutiha  Bach.  =s  Cypri- 
nas  jogia  Bach,  ö  Esomus  vittatus  Swns-  —  Eso- 
mas  danraa  Heek.  ö  Perilainpas  reenrvirostris  McCl. 
zz  Perilampus  macropteras  McCl.  s  Perilampus  ma- 
croarus  .McCl.  s  Nana  danrica  Val.  =:  Cyprin  dan- 
rica,   Cyprin  jogia  et    Cyprin    sntiha  Val Bengala. 

u       thennoicos    Heek.  =3    Noria  thermoicos   Val.     .     .     .  Ceylon. 
n       thermophilus  Heek.  s  Perilampus  thermophilns  McCl. 

=3  Noria    thermophylos  Val Bengala. 

Tinea  vulgaris   Cuv.  =:  Cyprinns    tinca    L.  =  Tinca    chrysitis 

Ag.  =3  Tinca  italica  Bp Europa,  Asia  minor. 

'/  ?  perennurus    Heek.   =3     Cyprinas    perenaras    Pali.   33 

Leociscos  pernuras  Val Sibiria. 

Argyreas  atronasas  Heek.  ■=.  Cvprinus  atronasus  Mitch.  =3  Leu- 

ciscus  atronasas  Stor-   =3    Rhinichthys  atronasus  Ag-  A.  sept   (N.  York ,  Massach.) 
'/       marmoratus    Gir.  =3  Rhinichthys  marmoratus    Ag.     .  Amer.  sept.  (Lac.  super.) 
v       nasutus  Gir.  =3   Leuciscus  nasutus  Ayr.   33  Rhinich- 
thys nasutos  Ag.  =3  Chondrostoma?    nasutam  Heck.  A.  sept.  (Massach.,  Connect). 

it      obtusus    Gir.  s  Rhinichthys  obtusus  Ag Amer,  sept-  (Huntsville). 

u       meleagris  Gir.  33  Rhinichthys   meleagris  Ag.     .     .     .  Amer.  sept.  (Jowa). 

//       dalcis  Gir.       .     .     •. Amer.  sept.  (Nebraska). 

//       nubilus  Gir • Amer.  sept.  (Puget-sound). 

//       osculus  Gir Amer.  sept.  (R.  San  Pedro). 

//       notabilis  Gir. Am.  sept.  (R.  St.  Cruz,  Sonora). 

11       chrysogaster  Blkr=  Agosia  chrysogaster  Gir.      .     .  Amer.  sept.  (R.  St.   Cruz). 
//       nietallicas    Blkr  33  Agosia    metallica   Gir.    ....  Amer.  sept.  (R.  San    Pedro). 
Chrosomus  erythrogaster  Raf.  33  Luxilus  erythrogastcr  Kirtl.  33 

Leuciscus  erythrogaster  Stor.  33  Rutilus?  ruber  Raf.  A.  sept.'(Ohio,  Tcnessee,  Osag.) 

Tiaroga    cobitis    Gir.     .     . Amer-  sept.    (R-  San  Pedro). 

Phoxinus  Bclonii  Aldv.  33  Cobitis    fluviatilis  Marsigl.  33  Cy- 
prinus    phoxinus  L  33  Cvprinus     aphya    Meid.  c3 
Leuciscus    phoxinus    Cuv.  33  Phoxinus  laevis  Ag. 
=3  Phoxinus  Marsilii  Heck,  s  Cyprinas  Lumaireul 

Bonell.  33  Phoxinus    Lumaireul    Heck Europa. 

Phoxinellas  alepidotus  Heck,  33  Leuciscus  alepidotus  lleck.  .  Europa. 
Cirrhina    Dossamieri   Val.  33    Isoccphalus   Dussumieri  Heck.  Hindost  (Mysore). 
Gobio  flaviatilis   Ag.  33  Gobius   fluviatilis    Marsigl- =  Cvpri- 
nus gobio  L.  =3    Gobio    vulgaris  Cuv.  =s  Gobio    la- 


285 

tescens  De  Filippi.     .:'.'.'.'..'.'..  Europa. 

Gobio  uranoscopus  Ag Europa. 

a       venatus  Bp.  =3  Cyprinus  benacensis  Pollini  ?     .     .     .  Europa. 

11      obtusirostris  Val. Europa. 

h       damascinus    Val.  ö    Scaphiodon  ?  damascinus  Heek. 

=3  an  Gobio  ?  Blkr Syria. 

//      rivularis    Bas •.  China. 

a       cataractae   Val Amer.  sept. 

//       gelidus  Gir Amer.  sept. 

//       aestivalis    Gir Amer.  sept. 

//       vernalis  Gir :     .     .     . Amer.  sept. 

Sarcocheilichthys  variegatus  Blkr  =5  Leuciscns  variegatus  T.  Schl.  Japonia. 

*  Leptobarbus  Hoevenii   Blkr  ö  Barbus   Hoevenii  Blkr-      .     .  Sumatra,  Borneo. 

*  Gnathopogon  elongatus  Blkr  =3  Capoëta  elongata  T.  Schl.  =3 

Devario  elongata  Heek.         Japonia. 

11       gracilis    Blkr  =5   Capoëta    gracilis   T.  Schl.  =3  Devario 

gracilis  Heck Japonia- 

Pseudorasbora  parva   Blkr  =3  Leuciscus  parvus  T.  Schl.     .     -  Japonia. 

*  //       pusilla  Blkr  =3  Leuciscus  pusillus  T.  Schl-         .     .     .  Japonia- 

*  Rasbora  argyrotaenia  Blkr  —    Leuciscus    argyrotaenia  Blkr  =3 

Leucisc  cyanotaenia  Blkr  =3  Leucisc.  Schwenkii  Blkr.  Java ,  Bali ,  Sumatra. 

*  //  lateristriata  Blkr  s  Leuciscus  lateristriatus  V.  Hass.  .  Java,  Sumatra. 

*  //  dusonensis  Blkr  =3  Leuciscus  dusonensis  Blkr.        .     .  Sumatra,  Borneo,  Siam. 

*  //  kallochroma  Blkr  =3    Leuciscus  kallochroma  Blkr.  .     .  Borneo,  Banka. 

*  '/  sumatrana   Blkrz3  Leuciscus  sumatranus  Blkr.      .     .  Sumatra. 

*  //  borneënsis  Blkr Borneo. 

*  //  Einthoveni  Blkr  =3  Leuciscus  Eithovenii  Blkr.   .     .     .  Born. ,  Bilit. ,  Banka. 

*  //  bankanensis  Blkr  =3  Leuciscus  bankanensis  Blkr.       .  Banka. 

*  //  leptosoma  Blkr  =3  Leuciscus  leptosoma  Blkr.     .     .     .  Sumatra. 

//       cephalotaenia  Blkr  =3  Leuciscus    cephalotaenia  Blkr.  .  Born. ,  Billit-,  Banka,  - 

*  //       Buchanani  Blkr  =3    Cyprinus    rasbora  Buch.  —  Leu- 

ciscus rasbora  McCl.  =3    Opsarius  rasbora  Heek.  =2 

Cyprin  rasbora  Val.  =3    Leuciscus    rasbora  Cant.?    .  Bengala,   Pinang? 

'/       daniconia  Blkr  :=3  Cyprinus  daniconius  Buch.  =3    Leu- 
ciscus daniconius  McCl.  =3  Opsarius  daniconius  Heek.  Bengala. 

//       haematopterus    Cast.    Icon Siam. 

h       anjana   Blkr  —   Cyprinus  anjana   Buch.  s    Leuciscus 

lateralis  McCl-  ^  Opsarius  anjana  Heek Bengala- 


286 

Ltasbora??  bata  Blkr  =3  Cyprinus  bata  Buch Bengala. 

?  dandia   Blkr  s  Leuciscus  daiulia  Val Ceylon. 

f  ?  elingulata  Blkr  =s  Perilatnpug  elingulatus  McCl.  si  leu- 
ciscus elingulatus  McCl.  —  Squalius  elingulatus  Heek.  Bengala. 
?  teretiuscula    Blkr  =3  Leuciscus    teretiusculus  Bas.        .  China. 
tschiliensis  Blkr  si  Leuciscus    tschiliensis  Bas.        .     .  China. 
a      curricula    Blkr  =:  Leuciscus   curriculus  Richds.      .     .  China. 
»   J  vandella  Blkr  —  Leuciscus  vandella  Richds.        .     .       China. 

//??  cura   Blkr  =  Cyprinus  cura  Buch Bengala. 

//  ?  piscatoria  Blkr  —  Opsarius  piscatorius  McCl.       .    .     •  Bengala. 
/'       elanga   Blkr   =3    Cyprinus    elanga  Buch.  =3    Bengala 
elan  sa    Gr.  ö    Leuciscus   dvstomus    McCl.  si    Cir- 
rhina?    elanga  Val.    si    Scardinius    distomus    Heek.  Bcngala. 
ttasborichthys   Ilelfrichii    Blkr  =3    Leuciscus    Ilelfrichii    Blkr.  Borneo. 
Elopichthys    dauricus  Blkr—  Nasus    dauricus   Bas.       .     .     .  Mongol.,  Mantschur. 
y           bambusa  Blkr  s  Leuciscus  baoibusa  Richds.  =3  Che- 
la? vel  Pelecus?  Richds China. 

Aspius  rapax  Ag.  ss    Cyprinus  aspius  L.  =3    Cyprinus  rapax 
Pali.  =3    Cyprinus    taeniatus    Eichw.    var   Leuciscus 

aspius  Cuv. Europa. 

«      owsianka  Czernay Europa. 

h       Turskyi  Blkr  =    Squalius  Turskyi  Ileck.  çs  Leucis- 

//       eus  (Microlepis)  Turskyi  Bp Europa. 

//       microlepis   Blkr  s  Squalius  microlepis  Heek.  =:  Leu- 
ciscus   (Microlepis)   microlepis  Bp Europa. 

tenellus    Blkr  sa     Squalius     tenellus    Heek.  si  Leu- 
ciscus (Microlepis)  tenellus  Bp Europa 

»       albus    lilkr;=  Squalius    albus  Bp Europa. 

//       leptoccphalus  Heek.  33  Cyprinus  leptocephalus  Pall.     .  Asia. 

11       chalcoides  Heck.  —  Cyprinus  chalcoides  Güldcnst.     .  Asia. 

tarichi  Heek.  s:  Cyprinus  tarichi   Guldenst.     .     .     .  Asia. 

11       vorax    Heck Syria. 

berag  Blkr  =;  Squalius  berag  Heek.  si  Squalius  berak 

Heck Syria. 

//       lepidus  Blkr  =3  Squalius    lepidus  Heck Syria. 

i.ila    robusta  Baird  Gir Amer.  sept.  (Zuni  fl.). 

elegans   Baird  Gir Amer,  sept  (Zuni rl). 

a       conoccphala  Baird  Gir Amer,  sept  (San  Joaquin  rl) 


287 

Gila  gracilis  Baird   Gir.     .:::."..:....  Amer.  sept.  (Zuni  fl). 

u       Etnorii  Baird  Gir Amer.  sept.  (Gila  fl.). 

a       Grahami  Baird  Gir Amer.  sept.  (Gila  fl.). 

//       pulchella   Baird   Gir.  =3  Tigoma  pulchella  Gir.     .     .  Amer-  sept-  (Texas). 
n       conformis    Blkr  =3  Lavinia  confortais   Baird    Gir.     . 

53  Tigoma  conformis  Gir Amer.  sept.  (California). 

h       gibbosa   Baird  Gir.  =3  Tigoma  gibbosa  Gir.     .     .     .  Amer.  sept.  (It.  Santa  Cruz). 

n       bicolor  Blkr  =3  Tigoma    bicolor   Gir Amer.  sept.  (Flamath  lac). 

a       purpurea    Blkr  =5  Tigoma  purpurea  Gir Amer.  sept.  (Rio  Huagui). 

h       intermedia   Blkr  =3  Tigoma  intermedia  Gir.     .     .     .  Amer.  sept.  (Rio  San  Pedro). 

a       obesa  Blkr.  =3  Tigoma  obesa    Gir Amer.  sept.  (Salt-lake-valley). 

//       Humboldtii  Blkr  =3  Tigoma  Humboldti  Gir.    .     .     .  Amer.  sept.  (Humboldt  fl.). 

//       lineata  Blkr  =3  Tigoma  lineata  Gir Amer,  sept- (Humboldt  fl). 

it       Girardi  Blkr  =3  Tigoma  gracilis   Gir Amer.  sept.  (Humboldt  fl.). 

n       nigrescens   Blkr  =3  Tigoma  nigrescens    Gir.     .     .     .  A-  spt.  (Boca  grande,  Jonas  fl). 

//       pulchra  Blkr  =3  Tigoma  pulchra   Gir Amer.  sept.  (Chihchuari  fl.). 

v       crassa  Blkr  =3  Tigoma  crassa  Gir Amer.  sept.  (California.). 

//       Cooperi    Blkr  =3  Cheonda  Cooperi    Gir Amer.  sept.  (Columbia  fl.). 

//       coerulea  Blkr  =3  Cheonda  coerulea  Gr Amer.  sept.  (Lost  fl). 

Ptychocheilus  grandis  Gir.  =3  Gila  grandis  Ayr.  =3  Ptychochei- 

lus    major  Ag Amer.  sept.  (Californ.). 

//       oregonensis    Gir.  =3  Cyprinus    (Leuciscus)  oregonen- 

sis    Richds.  =3   Ptycbocheilus    gracilis    Ag.    Pick  =3 

Leuciscus  oregonensis  Val Am.  sept  (Oregon, Col. fl. etc) 

n       rapax  Gir Amer.  sept.  (Californ.)- 

a      vorax  Gir Amer.  sept. 

n       lucius  Gir Amer.  sept.  (Rio  Colorado). 

//       elongatus   Blkr  =3   Luxilus    elongatus    Kirtl.  =3   Leu- 
ciscus  elongatus    De  Kay  =3    Alburnoides    elongatus 

Les.  =3    Leuciscus    productus    Stor.  =3    Clinostomus 

elongatus  Gir Amer.  sept.  (Ohio,  Wabash). 

//       funduloides  Blkr  =3    Clinostomus  funduloides  Gir.     .  Amer.  sept.  (Washington). 

1/       affinis  Blkr  =3  Clinostomus  affinis  Gir Amer,  sept  (James  river). 

//       carolinus  Blkr  ^3  Clinostomus  carolinus  Gir.     .     .     .  Amer.  sept.  (Salem  jSt.  C.) 
Opsarius  (Shacra)    Blkr  —  Cyprinus  shacra   Buch.  =3    Opsarius 
cirratus   McCl.  z3  Pachystomus   schagra   Heck,  =3 

Barbus   schagra   Val.  =;  Chedri   sp? Assam. 

a       (  n  )     cocsa   Blkr  =s   Cyprinus  cocsa   Buch.  =3   Leuciscus 

cocsa  McCl.  53  Pachystomus  cocsa  Heck Bengala, 


28S 

Opsarius?  (Shacra)  chapalio  Buch.  =3  Cyprinus  chapalio   Buch.  sa 

Esomus  chapalio  Ileck Bengala. 

//  (Opsarius)  goha  Ileck.  =3  Cyprinus  goha  Buch.  —  Cyprinua 
(Leuciscus)  goha  Buch.  =3  Opsarius  gracilis  McCl. 
a  Leuciscus  goha  Val Bengala,  Assam. 

n  (  a  )  tileo  Blkr  —  Cyprinue  tileo  Buch.  =3  Opsarius  ma- 
culatus  iMcCl.  —  Opsarius  maculosus  McCl.  —  Leu- 
ciscus tileo  Val Bengala. 

//       (  //  )     bola  Blkr—  Cyprinus  bola  Buch.  ö  Opsarius  me- 


er 


gastomus  McCl.  3  Leuciscus  bola  Val.     ....  Bengala. 

//  (  //  )  barila  Blkr—  Cyprinus  barila  Buch.  =2  Cyprinus 
chedrio  Buch.  0  Opsarius  anisocheilus  McCl.  ö 
Leuciscus   barila  Val.  —  Leuciscus  chedrio  Val.     .  Bengala. 

«  (  a  )  barna  Blkr—  Cyprinus  barna  Buch.—  Cyprinus 
balibhola  Buch.  ss  Opsarius  fasciatus  McCl.  =:  Leu- 
ciscus   barna  Val Bengala. 

(  /'  )  vagra  Blkr  s  Cyprinus  vagra  Buch.  ^  Cyprinus  loya 
Buch.  =;  Opsarius  isocheilus  McCl.  33  Leucisus  va- 
gra  Val Bengala. 

11       {  »  )     brachialis    McCl.   (an    var.  Opsarii  tileo?)     .     .     .  Bengala. 

11       (  11  )     acanthopterus  McCl.  =ï  Opsarius  Iatipinnatus  McCl. 

—  Opsarius?  acanthopterus  Ileck Assam. 

11  ?    (  i'  )     aequipinnatus    Blkr  j=i    Perilampus    aequipinnatus 

McCl.  —  Chela  aequipinnata  Heek.       .....  Bengala. 

//       (  /'  )     gatensis  Blkr  s  Leuciscus  gatensis  Val Hindustan- 

a  ?    {  a  )     hoalius  Blkr  0  Cyprinus    hoalius   Buch Bengala. 

'■  ?    (  //  )     solio  Blkr—  Cyprinus  solio  Buch.  ......  Bengala. 

(  a  )     borelio  Blkr  =2  Cyprinus  borelio  Buch Bengala. 

*       (  11  )     salmoides  Blkr  =3    Leuciscus  salmoides  Blyth.     .     .  Bengala. 

n  ?    (  //  )     homospilotus  Blkr  ö  Leuciscus  homospilotus  Richds. 

Aspius?    vel   Alburnus?    Richds China- 

//       (  11  )     uncirostris    Blkr  —  Leuciscus    uncirostris  T.  Schl.  Japonia. 

11       (  "  )     platypus  Blkr—  Leuciscus  platypus  T.  Schl.     .     .  Japonia. 

u       (  n  )     macropus  Blkr—  Leuciscus   macropus  T.  Schl.     .  Japonia. 

//       (  "  )     minor  Blkr  =:  Leuciscus  minor  T.  Schl Japonia. 

(  11  )     Temminckii  Blkr  —  Leuciscus  Temminckii   T.Schl.  Japonia. 
(  11  )     Sieboldii  Blkr—  Leuciscus  Sieboldii  T.  Schl.     .     .  Japonia. 

//  ?    (  h  )    neso^allicus  Blkr  3  Leuciscus  nesogallicus  Val.     .  Mauritius. 


Il 


289 

Opsarias  (Opsarius)  thebensis  Blkr  =  Leuciscus  thebensis  De  Joann. 
~  Leuciscus  niloticus  De  Joann.  a  Opsarius  the- 
bensis Heck Nilus. 

i'  (Bendilisis)  bendilisis    Blkr  a    Cyprinus  bendilisis  Buch.  s 

Opsarius  bendilisis    Heck.  =3  Gobio  bendilisis  Val.  Hind.  (Mysore). 
11     {  i>  )       bicirrhatus   Blkr  =5  Opsarius    bicirrhatus  McCL  ^ 

Leuciscus  bicirratus  Blkr Afghanistan. 

Abrarnis  brama  Cuv.   =3  Brama   Marsigl.  53    Cyprinus   brama  L. 

ö  Cyprinus  farenus  L ..:....  Europa. 

blicca  Cuv.  =3    Cyprinus   ballerus    Meid.    (nee    L.)  a 
Cyprinus  blicca  Gm.  0    Blicca    argyroleuca    Heck.  ^3 

Blicca  blicca   Heck Europa. 

//         vimba  Cuv.  =3  Capito  auodromus  Marsigl.  s   Cyprinus 

vimba  L.  s  Cyprinus  carinatus  Pall Europa. 

//         ballerus    Cuv.  ;=i  Cyprinus  ballerus   L.  a  Ballerus  bal- 
lerus Heck Europa. 

i)         Buggenhagii  Cuv.  0  Cyprinus  Buggenhagii  BI.  ^   Blic- 

copsis  Buggenhagii  Heck Europa. 

//         vetula  Heck .  Europa. 

m         sapa  Heck.  :=!   Cyprinus    sapa    Pall.  =3    Brama   secun- 

da   foem.   Marsigl.  s    Abrarnis    Schreibersii    Heck.     .  Europa. 

it         melanops   Heck Europa. 

//         Leuckartii  Heck.      . Europa. 

laskyr  Nordm.  =3  Cyprinus    laskyr  Güklenst.  ö   Cypri- 
nus gastera  vel  lasgyrr  Pall.  0  Blicca  laskyr    Heck.     .  Europa. 

microlepidotus  Ag Europa. 

micropteryx  Ag Europa. 

argyreus  Ag.  =:  Cyprinus  Buggenhagii  Bi.  var.?  Val.     .  Europa. 

erythropterus  Ag :     .     .  Europa. 

elongatus  Ag Europa  (Crimea.) 

tenellus  Val.  ^  Leuciscus   tenellus   Val Europa  (Crimea.) 

//         Erivaldskyi  Heek.     .     , Natolia. 

u         chrysoprasius  Heek.  =3  Cyprinus  chrysoprasius  Gm.  Pall.   Asia. 
//         gibbosus  Heck.  33  Cyprinus  gibbosus   Gm.   Pali.      .     .  Asia. 

//         persa  Heck.  0  Cyprinus  persa  Gm.  Pali Persia. 

Luxilus  americanus  Gir.  ;=;  Cyprinus  americanus  Lac.  33  Cypri- 
nus chrysoleucns  Mitch.  ï3  Leuciscus  chrysoleucus  Stor. 
sa  Leuciscus  Boscii  Val.  33  Leucosomus  chrysoleucos 
Heek.  s3   Stilbe    chrysoleucus    De  Kay  33    Leucosomus 

37 


// 

v 
11 
11 
11 
11 
11 


290 

americanus  Gir •  Amer.  sept.  (Massach.).' 

Luxilus  compressas  Gir.  33  Ratilus   compressus    Raf.  33  Leu- 

ciscus  compressus  Kirtl Amer.  sept.  (Ohio). 

//         obesus  Gir. =2  Leuciscus obesus  Stor.33  Stilbe obesus Ag.  Amer.  sept.  (Alabama). 

//         occidentalis   Gir.  33   Leucosomus  occidentabs  B.  Gir.  A.  sept.  (Posa,  Four-creek). 

//         leptosomus    Gir Amer.  sept.  (Texas). 

•/         seco    Gir Amer.  sept. (Texas). 

'i         lucidus    Gir ,     .     .     .  Amer.  sept.  (Canadian  Riv). 

//         versicolor  Blkr.  33  Cyprinas   colus  Cossem  =  Abra- 

mis  versicolor  De  Kays  StUbe    versicolor  Ag      .  Amer.  sept.  (X.  York). 
»        balteatns   Blkr   33    Abramis    balteatns    Richds.   a 

Squalius    balteatns    Heck.    =3    Leuciscus    balteatns 

Val.  33   Richardsonius  balteatns  Gir Amer.  sept.  (Columbia  fl.). 

11         lateralis   Blkr  33  Richardsonius    lateralis    Gir.     .     .  Amer.  sept.  (Puget-soimd). 

Alburnus?   parvnlas  Blkr  =3  Leuciscus    parvulus    Val.      .     .  Europa  (Crimea). 
11         bipunctatus  Heck.  33  Phoxinus  primus  Mars.  —  Cy- 

prinus  bipunctatus  L.  33  Leuciscus  bipunctatus  Cuv. 

^3  Leuciscus  Baldneri  Val.  33  Aspius  bipunctat.  Ag-  Europa. 

coerulcus    Heck.      .     .     •     -. Syria. 

lucidus    Heck.   33    Phoxinus    secundus  Marsigl.  33 

Cyprinus  alburnus  L.  33  Leuciscus  alburnus  Cuv.  — 

Aspius    ochrodon  Eitz.  33    Aspius   alburnus  Ajj.  33 

Aspius   alburnoides  Selys. Europa. 

n         breviceps   Heck.  Kner Europa. 

//         alborella    Heck.  0  Aspius    alborclla    Ue  Filipp.      .  Europa, 

//         scoranza  Heck Europa. 

fracchia  Heck.  Kner.     .     ; ,     .  Europa. 

//         scoranzoides  Heck.  Kner.  .     : Europa. 

//         mento  Heck.  —  Aspius  mento    Ag.  33  Aspius    llcc- 

kelii  Fitz ■     ■  Europa. 

a        obtusus  Heck.     ...     ; Europa. 

11         acutus    Heck.       ..:...•. Eun  | 

//         cordilla  Blkrö  Cyprinus  cordilla  Savi=J    Leuciscus 

cordilla  Val Europa. 

h        delineatus  Blkr—  Squalius   delineatus    Heck.     .     .  Europa. 

11        abruptus  Blkr  =3    Leucaspius  abruptus  Heck.  Kner.  Europa. 
11  ?     niloticus  Heck.  —  Leuciscus  niloticus  De   Joann.  =3 

us  niloticus  Heck. j  an    Chela? Nilus. 

bibie  Blkr  33  Leuciscus    bibic  Dc  Joann.  33    Pelecus 

;   Heck.;  an  Chela/ •     •  Nilus. 


291 

Albnrnus  sellai  Heck.       ..:.;....:....  Syria. 

//         niicrolepis    Meek Syria. 

n        hebes  Heck Syria. 

;/         mossulensis   Heck Syria. 

it         capito  Heck Syria. 

//         pallidus  Heck ,     .     .  Syria. 

//         iblis  Heck.    .... Persia. 

/'         schejtan  Heck Fersia. 

//         caudimacula  Heck Persia. 

//         megacephalus    Heck Persia. 

ii         maxillaris  Heck  s  Leuciscus    maxillaris   Val-  —  Al- 

burnus    iblis    Heck.  ?  ? Persia. 

i'         albuloides  Heck.  :=:  Leuciscus  albuloides    Val.     .     .  Persia. 
//         clupeoides   Heck,  a    Leuciscus    clupeoides    Val.      .  Persia. 

//    ?     rubellus  Blkr  s  Alburnus   rubellus  Ag Amer.  sept.  (Lac.  super.). 

//         lepidulus    Gir.     ,     .     : •     •     .    •     •  A.  spt.  (Black-warrior  rl). 

//         dilectus  Gir.  =3  Alburnellus  dilectus  Gir Amer.  sept.  (Arkansas). 

//         umbratilis  Gir.  =3   Alburnellus  umbratilis  Gir.     .     .  Amer.  sept.  (Arkansas). 
m         amabilis  Gir.  =:   Alburnellus  umbratilis  Gir.    .    ;     .  Amer.  sept.  (Rio  Nueces). 
//         socius  Gir.  zi  Alburnellus  socius   Gir.     .    ;     :    :     .  Amer.  sept.  (Texas). 
//         megalops  Gir.  0  Alburnellus  megalops  Gir.   .     .     .  Amer,  sept  (Texas). 

Hybopsis  (Hybopsis)   gracilis    Ag Amer.  sept.  (Huntsville). 

//      ( // )    dorsalis  Ag  ......     , Amer.  sept.  (Burlington,  Jovva) 

//      (  //  )     Storerianus  Gir.  =3    Rutilus  Storerianus  Kirtl.  0 

Leuciscus    Storerianus  Kirtl A.  spt.  (Ohio,  Russellville). 

//      (  //  )    Wiuchellii   Gir Amer-  sept.  (Alabama). 

//    (Hudsonius)    hudsonius  Blkr  =:  Clnpca    hudsonia    Clint. 
Leuciscus  hudsonius  De  Kay^  Stolephorus  hudsonia- 
nus  Cozzens  s  Catostomus  hudsonius  Ag.=3  Hudso- 
nius hudsonia  Gir.  s  Hudsonius  flaviatilis  Gir.      .  A.  s.  (Huron,  Michig-,  Huds- fl.). 
//      (  y  )    amarus  Blkr  s  Hudsonius  amarus  Gir.       .     .     .  Amer.  sept. 
Leucosomus  plumbeus  Gir.  a  Gobio  plumbeus  Ag.     ....  Am.  sept.  (Lac.  sup.,  Huron). 
//         pulchellus  Gir.  :=!  Leucisc.  pul  hellus  Stor.  :=;  Leucisc. 
argenteus  Stor.  =3  Leucosomus  chrysoleucus  Heck.  :=: 
Leucisc.  Storeri  Val.  ;=!  Cheilonemus  pulchellus  Gir.  Am.  sept.  (Nov.   Brittann.). 

//         dissimilis  Gir Am.  sept.  (Milkriver). 

/'         pallidus  Gir Am.  sept.  (Arkansas). 

11         incrassatus  Gir Amer.  sept.  (Choctaw-agency), 

//        laevigatus  Heck.  =;  Cyprinus  laevigatu3  Mus.  Paris. 

sec.  Heck ....  Amer.  sept.  (New-York)- 


292 

Leucosomus  inaequilobusBlkr—  Pogonichthysinaequilobus  B.  G.  Amer.  sept.  (San-Joaq.  fl.). 

u  svnimetricus  Blkrsa  Pogonichtliys  symmetricus  B.  G.  Amer.  sept.  (San-Joaq.  fl.). 

//  argyreiosus  Blkr  ss  Pogonichtliys  argyreiosns  Gir.  Amer.  sept.  (Californ.). 

//  communis    Blkr  sa  Pogonichtliys    communis    Gir.  Amer.  sept.  (Nebraska). 

u  nebracensis   Blkr  sa  Nocomis    nebracensis    Gir.     .  Amer.  sept.  (Nebraska). 

a  bellicus  Blkr^!  Nocomis  bellicus  Gir Amer.  sept.  (Black- warrior  fl.). 

//  ?        gracilis  Blkr  =3  Leuciscus  gracilis  Richds.  ss  Leu- 
cosomus gracilis  Heck Amer.  sept.  (Saskatchewan  fl.). 

»?        vittatus  Blkr—  Leuciscus   vittatus   De    Kay.  .     .  Amer.  sept.  (New- York)- 

»?        corporalis    Blkr  sa   Cyprinus   corporalis  ZSIitch.  sa 

Leuciscus?   corporalis  De   Kay Amer.  sept.  (New- York). 

Ccratichthys  biguttatns  Baird  —  Semotilus  biguttatus  Kirtl.  sa 

Leuciscus  biguttatus  De  Kay Am.  s.  (Mahon.  fl.,  Ohio). 

//  amblops  Gir.  =3  Rntihis  amblops  Raf Amer.  sept.  (Ohio). 

//  leptocephalus  Gir Amer.  sept.  (Salem). 

Semotilus  atromaculatus  Gir.=:  Cyprinus  atromaculatus  Mitch.sa 

Leuciscus  atromaculatus  De  Kay  s  Leucisc.  iris  Val.  Am.  sept.  (N.  York,  Carolina). 

//  speciosus  Gir Amer.  sept.  (Nebraska). 

//  dorsalis    llaf '.     .  Amer.  sept.  (Ohio). 

//  cephalus  Raf.  sa  Leuciscus  cephalus  Kirtl.     .     .     .  Amer.  sept.  (Ohio). 

11  macrocephalus    Gir Amer.  sept.  (Nebraska). 

//  ?         vandoisulus  Blkr  —  Leuciscus  vandoisulus   Val.     .  Amer.  sept. 

u  ?         rotengulus   Blkr  sa  Leuciscus  rotengulus  Val.     .     .  Amer.  sept. 
Leuciscus  vulgaris  Cuv.  sa  Vandoise  Belon  sa    Cyprinus  leucis- 
cus   L.  sa  Cyprinus    jaculns  Jur.  sa  Leuciscus  ar- 
genteus  Ag.  sa  Leuciscus    saltator  Bp.  sa  Squalius 
leuciscus   Ilcck.   Kner Europa. 

//  rostratus  Ag.  sa  Squalius  rostratus  Ilcck.     .     .     .  Europa. 

//  cavedanus  Bp.  —  Squalius  cavedanus  Bp.  sa  Squa- 

lius  tiberiiuis    Bp.Psa  Squalius  Pareti   Bp.?     .     .  Europa. 

»  chalybaeus  Blkr  —  Squalius  chalybacus  Ilcck.  Kner.  Europa. 

u  rodens  Ag.  sa  Squalus  rodens  Heek Europa. 

//  dobula    Ag.  sa  Capito    fluviatilis    Cesn.  ss    Capito 

Ausonii  s.  Cephalus  Mars.  sa  Dobula  Schoneveldii 
Will.  sa  Cyprinus  cephalus  L.  ex  parte  sa  Cyprinus 
dobula  L  (nec  syn.)  sa  Cyprin,  orfus  Pali  —  Cyprin, 
idus  Bl.  tab.  36  sa  Leuciscus  frigidus  Val.ss:  Gar- 
don us  cephalus  Bp.  sa  Squalius  dobula  Ilcck.  Kner.  Europa. 

;/  argentatus    Eitz.  sa    Mugil  s.  Cephalus    fluviatilis 

minor  Gesn.  =s  Capito  fluviatilis  s.  Squalius  minor 


293 


Marsigl.  =s  Cyprinus  dobula  BI.,  tab.  5  -j  Cyprinus 
leuciscus  BI,  tab.    97=3  Leuciscus   vulgaris  Heek. 

=3  Squalius  lepusculus  Heek.  Kner Europa. 

Leuciscus  lancastriensis  Shaw  —    Leuciscus    majalis    A».   =! 

Squalius   majalis  Heek.     .     .     . Europa. 

v  clolabratus  Holandre  —  Squalius?  dolabratus  Heek. 

s  Scardinius?  dolabratus  Heek Europa. 

a  illyricus  Blkr  =s  Squalius  illyricus  Heek.     .     .     .  Europa. 

a  svallize  Blkr  =3    Squalius    svallize  Heek.      .     .     .  Europa. 

//  albus  Blkr  ö  Squalius  albus  Bp Europa. 

n  ukliva  Blkr  5=3    Squalius  ukliva  Heek.     ....  Europa. 

u  trasimenicus  Blkr  —  Squalius  trasimenicus   Bp.     .  Europa. 

11  rubilio  Bp. =3  Squalius  rubilioBp.—  LeucosrubilioBp.  Europa. 

11  Pucini  Blkr  0  Squalius  Eucini  Bp Europa. 

//  elatus  Blktf=3  Squalius  elatus  Bp  —  Leucisc.  elatus  Val.  Europa. 

11  ochrodon   Val.  =3  Aspius  ochrodon  Ag Europa. 

11  peleponensis  Val Europa. 

11  stymphalicus  Val.    .     .     • Europa. 

11  albiensis  Val Europa. 

a  burdigalensis  Val Europa. 

11  sardella  Val.  =:  Leuciscus    dobula  Costa.      .     .     .  Europa. 

u  corues    Costa Europa. 

11  albidus   Costa Europa. 

ti  brutius  Costa Europa. 

11  vulturinus  Costa  :=!  Leuciscus  vulturius  Val.     .     .  Europa. 

»  fasciatus  Val.  =!  Aspius  fasciatus  Nordin.     .     .     .  Europa. 

h           orientalis  Blkr  =3  Squalius  orientalis  Heek.  =3  Squa- 
lius cephalopsis  Heck Syria. 

11  spurius   Blkr  r=\  Squalius  spurius  Heck Syria. 

>/  rutilus  L.  —  Rubellus  Marsigl.  c3  Cyprinus  rutilus 
L  7=i  Rothauge  BI.  =3  Leuciscus  lividus  Heek.  =3 
Gardonus  rutilus  Bp Europa. 

11  Pausingeri  Heek.  =3  Gardonus  Pausingeri  Bp.  .     .  Europa. 

11  P'gus  He    Filipp.  —    Cyprinus    rutilus  Scopoli  =3 

Gardonus  pigus  Bp Europa. 

11  virgo  Heek.  Kner—  Nörfling,  Erfle  Gesn.  =3  Vröw- 
fish  Will.  3=!  Orfus  Gerrnanorutn  Marsigl.  =3  Cy- 
prinus idus  Eitz.  33  Cyprinus  orfus  Reis.  33  Che- 
vaine du  Lech  Val Europa. 


294 

Leuciscus  Meidingeri  Heck.  Kners  Cyprinus  grislagine  Meid. 

(nee  L.)  =s  Leuciscus  grislagine  Ag.    Val.   (colores 

tantum) Europa,  Asia  minor. 

«  l'risii    Nordm.  3  Gardonus  Frisii  Bp Europa. 

v  cephalus  Heek  —  Cyprinus  cephalus  L.  s  Cypri- 
nus jeses  Jur ,     .     .     .  Europa. 

a  prasinus  Ag Europa. 

/'  roseus  Ep  —  Gardonus  ?  roseus  Bp Europa. 

ii  Genei  Ep Europa. 

//  Heckelii  Nordm Europa  (Crimea). 

adspersus  Blkr  —  Leucos  adspersus  Heek    .     .     .  Europa. 

//  rutiloides  Selys=:  Leucos?   rutiloides    Heek.     .     .  Europa. 

//  Selysü    Heek.  ~  Leucos   Sclysii  Ileck Europa- 

ii  aula  Val.  ö  Squalius  aula  Bp.  3  Leucos  (Ceniso- 
phius)  paupcrum  Bp.  :=:  Leuciscus  pauperum  Ue  Fil. 
~  Leuciscus  scardinius  De  Fil.  =:  Squalius  aula 
Heek.  ^  Leucos  aula  Bp.  —  Leucos  (Cenisopliius) 
scardinus  Bp Europa. 

/•  rubella  Bp.  ^  Leucos  rubellicus  et  Leucos  Ilcnlei 

Ep.?  —  Squalius   rubella   Heek.  ^  Leucos   rubella 

Ileck.  :=;  Leucos  cisalpinus  Heek Europa. 

basack  Elkr=s  Leucos  basack  Heek Europa. 

chrysopterus  De  Kay Amer.  sept. 

vittatus  De  Kay Amer.  sept. 

Agassizii  Val.  ^  Ryserle,  Ryssling  Gcsn.  —  Gris- 
lagine Will.,  tab.  Q  1  fig.  1  =:  Leuciscus  aphya 
Ag-  =:  Chondrostoma  nsela  Ag.??  —  Squalius  aphya 
Heek.  ~  Telcstes  aphya  Bp.  =:  Telestes  rysela  Ileck. 
~  Leuciscus  (Telestes)  muticellus  Giintb.  (nee  Bp.) 

—  Telestes  Agassizii  Heek.  Kner Europa. 

Savignyi   Val.  —  Telestes  Savignyi  Bp.  =:  Leuciscus 

muticellus  De  Eil.  sec.  Bp.    . Europa. 

muticellus  Bp.  =:  Telestes  mutircllus  Bp.  s  Squa- 
lius muticellus   Heek Europa. 


// 


Barbini  affinilatis  nondum  rite  determinatae. 

Leuciscus    croceus  Stor.,   Hentz,  Ag Am.  sept.  (Alabama etc). 

elongatus  Les.  Val.  -  Alburnoides   elongatus  Les.  Amer.  sept.  (Wabash) 


295 

Leuciscus  pulchelioides  Ayr Amer.  sept.  (Connecticut). 

//  dissimilis   Kirtl-,    De  Kay Amer.  sept.  (Lac.  Erie). 

h  gille  Val Nilus. 

//  bisarre  Val Nilus. 

»  cir  Val .  Nilus. 

//  lacustris  Val.  —  Cyprinus    lacustris    Pali.      .     .     .  Sibiria. 

//  coreënsis  Val.,  Ricluls Korea,  Japonia. 

'/  flntella  Val.,  Ricluls China. 

//  chevanella  Val,  Ricluls China. 

'  molitorella  Val,  Richds China. 

//  cupreus  Val-,  Richds China. 

//  plenus  Richds.  n  Cyprinus  plenus  Brouss.  .     .     .  China. 

/'  zeylonicus  Benn.    (Rasborae  affînis)     .....  Cevlon. 


Scardinius  erythiophthalmus  Bp.  ^  Cyprinus  erythrophthal- 
mus  L.  ri  Leuciscus  erythrophthalmus  Val.s  Scar- 
dinius   hesperidicus    Heek Europa. 

//  derglé  Heek.  Kner Europa. 

//  scardafa  Bp.  n  Leuciscus  scardafa   Bp Europa. 

h  plotizza  Heck.  Kner  n  Scardinius   platizza  Bp.      .  Europa. 

//  inacrophthalmus  Heck.    Kner Europa. 

//  Hegeri  Bp.  s  Hegerius  typus  Bp.     .:....  Europa. 

//  marocchius   Blkr  =:    Leuciscus   marocchius    Costa.  Europa. 

//  scarpetta  Blkr.  ri  Leuciscus  scarpetta  Val.    .     .     .  Europa. 

//  affînis  Blkr  n  Leuciscus  affînis  Val Europa. 

//  idus  Blkr^l  Capito  fluviatilis  quem  Jesen  et  Jentling 
appellant  Gens.  —  Capito  fluviatilis  cocruleus  Mar- 
sigl.  ri  Cyprinus  idus  L.  —  Cyprinus  jeses  L.  El. 
—  Cyprinus  idbarus  Meid.—  Leuciscus  jeses  Bp? 
n  Idus  melanotus  Heck.  Kner Europa. 

//  orfus  Blkr  ri  Capito  fluviatilis  subruber  quem  Ger- 

mani  Orfum  appellant  Gens,  n  Cyprinus  orfus  BL, 
L.  Bl.  ri  Leuciscus  orfus  Val.  ~  Idus  orfus   Heck.  Europa. 

//  miniatus  Blkr  —  Idus  miniatus  Heck Europa. 

//  neglectus  Blkr  n  Leuciscus  neglectus  Selys  ri  Idus 

neglectus.   Heck Europa. 

Alburnops  blennius  Gir Amer.  sept.  (Arkansas). 

Shumardi  Gir.      , .....  Amer.  sept.  (Arkansas). 


296 

Alburnus  iüecebrosus  Gir Amer.  sept.  (Arkansas). 

»?        spirlingulus  Blkr  —  Leuciscus  spirlingulus   Val.     .  Am.  sept.  (N.  Jers,  N.  Harm.). 
Cyprinella  bubalina    Gir.  =:  Leuciscus    bubalinus  Baird  Gir.  Amer.  sept.  (Arkansas). 

u  umbrosa  Gir Amer.  sept.  (Canadian  fl.). 

„  Gunnisoni  Gir Amer.  sept.  (Utah). 

„  Beckwithi  Gir Amer.  sept.  (Arkansas). 

Whipplii  Gir Amer.  sept.  (Arkansas). 

//  suavis  Gir Amer  sept,  (Texas). 

//  lepida   Gir Amer.  sept.  (Texas). 

/  notata  Gir Amer.  sept.  (Texas). 

//  macrostoma  Gir.  . Amer.  sept.  (Texas). 

r  venusta  Gir Amer.  sept.  (Texas). 

a  texana  Gir Amer.  sept.  (Texas). 

r  luxiloides  Gir Amer.  sept.  (Texas;. 

//  lugubris  Gir. Amer.  sept. 

/  ludibunda  Gir Amer.  sept. 

//  lutrensis  Blkr  —  Leuciscus   lutrensis  Baird   Gir.  ^ 

Moniana    lutrensis  Gir Am.  sept.  (Arkans.,  Red-riv). 

//  leonina  Blkr  —  Moniana  deliciosa  Gir Amer.  sept. (Texas,  Leon-riv.). 

/<  deliciosa  Blkr  s  Moniana  deliciosa  Gir.        .     .     .  Am.  sept.  (Leon-riv.). 

//  proserpina  Blkr^  Moniana  proserpina  Gir.      .     .  Amer.  sept.  (Texas). 

/  aurata  Blkr  ^  Moniana  anrata  Gir Amer.  sept.  (N.  Mexico). 

//  complanata   Blkr  ^  Moniana  complanata  Gir.   .     .  Amer.  sept.  (Texas). 

//  laetabilis    Blkr  ^3  Moniana  laetabilis  Gir.     .     .     .  Amer.  sept.  (R.Grd.  del  Norte). 

//  pulchella   Blkr  —  Moniana   pulchella   Gir.     .     .     .  Amer.  sept.  (Arkansas). 

//  fYigiJa  Blkr  -  Moniana   frigida  Gir Amer.  sept.  (Texas). 

//  Couchi  Blkr ^  Moniana  Couchi  Gir Amer.  sept.  (Mexico). 

//  rutila  Blkr  =  Moniana  rutila  Gir Am.  sept.  (Mexico). 

/'  nitida  Blkr—  Moniana  nitida  Gir Amer.  sept.  (Mexico). 

11  formosa  Blkr  —  Moniana  formosa  Gir Amer.  sept.  (Mexico). 

//  gracilis    Blkr  -  Moniana  gracilis  Gir Amer.  sept.  (Mexico). 

n  gibbosa  Blkr  0  Moniana   gibbosa  Gir Amer.  sept.  (Texas). 

//  tristis  Blkr  -  Moniana  tristis  Gir Amer.  sept.  (Texas). 

11  ?        gardoneus   Blkr  n  Leuciscus  gardoneus   Val.     .     .  Amer.  sept. 

Codoma  ornata  Gir Amer.  sept.  (Chihuahua). 

vittata  Gir Amer.  sept.  (Mexico). 

Smiliogaster  Belangeri  Blkr  s  Leuciscus  Belangeri  Val.     .     .  Bengala. 

Culter  alburnus   Bas China. 

11       erythropterus  Bas China. 


- 


•: 


297 

*  Culter  mongolicus  Bas. ;     .     .     .  Mongolia. 

//       recurviceps  Blkr  ==  Lenciscus  recurviceps  Richds  =i  As- 

pius  recurviceps  Richds China. 

//   ?    ïnachaeroides  Blkr  a  Leuciscas  machaeroides  Richds.  China. 

v   ?    acutus  Blkr  —  Cyprinus  acntus  Brouss.  Mss.  3  Leu- 

ciscus   acutirostris-  Gr.  s  Leuciscas  acntus  Richds.     .  China. 

*  Laubaca  guttata  Blkr  —  Cyprinus  laubuca  Buch.  s  Perilam- 

pus  guttatus  McCl.  —  Chela  guttata  Heck,  a  Lencis- 
cus laubuka  Val.     , Bengala. 

h        dancena  Blkr  ~  Cyprinus  dancena  Buch Bengala. 

Chela  anomalura  Blkr  a  Clupea  anomalura  V.  Hass.  s  Oxy- 
gaster  anomalura  V.  Hass.  zi  Cyprinus  oxygaster  Cuv. 
=  Leuciscus  oxygaster  Val Java,  Sumatra,  Borneo. 

//       hypophthalmus  Blkr.         Sumatra. 

//       oxygastroides  Blkr  =;  Leuciscus  oxygastroides  Blkr.     .  Java,  Sumatra,  Borneo. 

//       bacaila    Blkr  â   Cyprinus   bacaila    Buch.   ö    Salmo- 
phasia   oblonga  Swns.  s    Pelecus   bacaila  Heek.  — 
Opsarius  bacaila  McCl Bengala. 

//  gora  Blkr  s  Cyprinus  gora  Buch.  a  Cyprinus  cora 
Gr.  0  Opsarius  pholicephalns  McCl.  a  Pelecus  pho- 
licephalus  Heek  0  Salmophasia  elongata  Swns.     .     .  Bengala. 

h       persea  Heek.  s  Perilampus  perseus  McCl.       .     .     .  Bengala?,  Assam. 

//  phulo  Blkr  ö  Cyprinus  phulo  Buch.  a  Opsarius 
albulus  McCl.  —  Pelecus  albulus  Heek.  a  Cyprinus 
phulchela  Buch.  Coll Bengala. 

//      leucera  Blkr  —   Opsarius  leucerus  McCl.  a   Pelecus 

leucerus  Heek Bengala. 

//       cachius  Blkr  a  Cyprinus   cachius  Buch.  a   Cyprinus 

kachki  Buch.  Coll.  =  Perilampus  cachius  McCl.  .     .  Bengala. 

h       atpar  Blkr  a  Cyprinus  atpar  Buch.  s  Cyprinus  loyu- 

kula  Buch.  Coll.  —  Perilampus  psilopteromus   McCl.  Bengala. 

//      macrolepis  Blkr  —  McCl.,  Ind.  Cypr.  Asiat.  Res.  XIX 

tab.  56  fig.  10  absque  nomine Bengala. 

//       cultella  Blkr  0  Leuciscus  cultellus  Val Hindustan. 

//  Dussumierii  Blkr  a  Cyprinus  clupeoides  BI.?—  Leu- 
ciscus Dussumieri  Val.  s  Leuciscus  clupeoides  Heck.?  Hindost.  (Mysore). 

//      novacula  Blkr  a  Leuciscus  novala  Val.  =3  Pelecus  no- 

vacula  Heck Hindustan. 

11      acinaces  Blkr  a  Leuciscus  acinaces  Val Hindost.  (Mysore). 

38 


298 

Chela  balookee  Syk.     ...t..'...".."..  Deccan. 

Oweni  Syk :     .  Deccan. 

jorah  Syk Deccan. 

teekance  Syk Deccan. 

alkootcc  Syk Deccan. 

alburna  Heck .     .     .  India. 

scalpella  Blkr  ö  Leuciscus  scalpellus  Val     ....  Ceylon. 

sardinella    Blkr  ö  Leuciscus  sardinella  Val.     .     .     .  Pegu. 

melanochir  Casteln.  Mss Siam. 

siamensis  Casteln.  Mss Siam. 

cultrata  Cuv.  s    Cyprinus  cultratus  L  a   Cyprinus 

clupeoides  Bl.,  tab.  408  72    Pelecus  cultratus  Ag.  =: 

Leuciscus  cultratus  Val Europa. 

Macrochirichtliys uranoscopus  Blkrs  Leucisc.uranoscopusBlkr.  Sumatra,  Borneo,  Siam. 
11  ?       macrochir  Blkr  0  Clupea  macrochira  K.  v.  II.  a 

Leuciscus  macrochirus  Val Java. 

Cyprin /formes  fossiles  (omnes  Period.  Molass.) 

Cyprinus     priscus  II.  De  Meyer Ulm. 

u  sp.?.      . •       ?• 

Thaumaturus  sp.  ?      . ?. 

Gobio  analis  Ag Oeningen. 

Tinea     furoata  Ag Oeningen. 

11       leptosoma  Ag. Oeningen. 

//       micropygoptera  Ag.  ^  Tinea  microptera  Jaeg.     .     .     .  Steinheim. 
Leuciscus  oeningensis  Ag Oeningen. 

//  latiusculus  Ag Oeningen. 

//  pusillus  Ag Oeningen. 

//  heterurus  Ag Oeningen. 

//  leptus  Ag •  Ilabichtswald. 

'/  macrurus  Ag Bonn. 

u  papyraceus  Broun.  . •  Lignites  tert. 

u  Hartmanni  Ag Steinheim. 

v  gracilis  Ag Steinheim. 

'/  brevis  Ag P. 

11  acrogaster  Reuss. Bohemia. 

médius  Reuss Bohemia. 

//•  Stephani  H.  De  Meyer Bohemia. 


299 


Leuciscus  Colei  H.  De  Meyer Bohemia. 

//  cephalon  Zenk Lignites. 


a 


sp. 


?  .  ? 


Aspius  gracilis  Ag Oeuingen. 

//       Brogniarti  Ag : Puy  de  Dôme. 

h       furcatus  II.   De  Meyer Bohemia. 

//       elongatus  H.  De  Meyer Bohemia. 

Scardinius  homospondylus  Heck .     .     •     .  Steinmark. 

Rhodeus  elongatus  Ag Oeningen. 

//       latior  Ag •     • Oeningen. 


Racoma  McCl. ,   Afghan   Collect,   of  Fish. ,  Calcutt.  Journal  Nat. 
Hist.  II  1842  p.   576,    Blkr. 

Corpus  elongatum  compressura,  squamis  parvis  vestitum.  Maxil- 
lae labiis  latis  carnosis  inclusae.  Cirri  4 ,  rostrales  et  supramaxillares. 
Rostrum  acutum  porrectum.  Oculi  membrana  palpebrali  non  velati. 
Os  subanticum  vel  inferum.  Labium  inferius  lobatum.  Plica  analis 
squamis  majoribus  vestita.  Pinna  dorsalis  supra  pinnas  ventrales  inci- 
piens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens,  radio  simplice  postico 
osseo  serrato.  Pinna  analis  pauciradiata,  dorsali  brevior,  acuta.  Pin- 
na caudalis  basi  tantum  squamosa.  Dentés   pharyngeales ? 

Aanm.  Hoezeer  ik  het  geslacht  Racoma  in  eene  andere  beteekenis  opvat  als 
de  '  heer  MacClelland,  komt  het  mij  voor,  behouden  te  kunnen  blijven  binnen  de 
grenzen ,  hierboven  omschreven.  Het  is  dan  het  naaste  verwant  aan  Schizothorax 
en  onderscheidt  er  zich  voornamelijk  van  door  de  buitengewone  ontwikkeling  dei- 
dikke  vleezige  gekwabte  onderlip.  Tot  dit  geslacht  zijn  te  brengen  eenige  af- 
ghansclie  soorten,  door  den  heer  MacClelland  kortelijk  beschreven  t.  w.  Racoma 
labiatus  McCl. ,  Racoma  brevis  McCl  ,  Schizothorax  Edeniana  McCl.  en  Schizo- 
thorax Ritchieana  McCl.  —  Racoma  labiatus  McCl  is  de  typische  soort  van  dit  ge- 
slacht en  merkwaardig,  niet  alleen  door  hare  buitengemeen  vleezige  lippen,  maar 
ook  door  hare  aan  de  spits  diïedeelige  voeldraden ,  wat  de  veeldeelige  voeldra- 
den  van  Cyclocheilichthys   (Siaja)  heteronema  Blkr  in  herinnering  brengt. 


300 

Schizothorax  Heck.,  Fisch.   Cnschmir  p.  11;  Val.,  Foiss.  XVI  p. 
160;  Heek.,  Fisch.  Syr.  p.  30,  Nachtr.  p.  183;  Blkr. 

Corpus  elongatum  compressum,  squamis  parvis  vestitum.  Maxillae 
labiis  teretibus  simplicibus  inclusae.  Cirri  4,  rostrales  et  supramaxil- 
lares.  Rostrum  acutum  porrectum.  Oculi  membrana  palpebral i  non 
velati.  Os  subanticum  vel  inferum,  rictu  ore  clauso  semilunari  vel 
formam  ferri  equini  referente.  Maxilla  inferior  maxilla  superiore  bre- 
vior.  Sulcus  postlabialis  utroque  latere  margini  maxillae  libero  pa- 
rallelus,  cum  sulco  lateris  oppositi  non  unitus.  Plica  analis  squamis 
majoribus  vestita.  Pinna  dorsalis  supra  pinnas  ventrales  incipiens  et 
longe  ante  pinnam  analem  desinens,  radio  simplice  postico  osseo  ser- 
rato.  Pinna  analis  pauciradiata  dorsali  brevior,  acuta,  non  emargina- 
ta.  Pinna  caudalis  basi  tantum  squamosa.  Dentés  pliaryngeales  cochleari- 
formes  2.3.5  5.3.2. 

Aanm.  Zoo  als  ik  boven  reeds  heb  aangeduid,  beperk  ik  het  oude  geslacht  Schizo- 
thorax  van  llcckel,  na  op  zijn  voetspoor  het  geslacht  Schizopyge,  en,  op  grond 
van  den  bouw  der  monddeelen ,  het  geslacht  Opistocheilos  er  van  te  hebben  afge- 
scheiden, tot  de  soorten,  welke  volgens  haren  lipbouvv  tot  de  Cheilognathinen  behoo- 
ren  t.  w.  Schizothorax  esocinus  Heek. ,  Schizotkorax  micropogon  Heek. ,  Schizothorax 
planifrons  Ileck.  en  Schizothorax  Hügelii  Heek.  Ook  Schizothorax  intermedins  McCl. 
is  hiertoe  te  brengen  en  misschien  ook  Schizothorax  barbatus  McC).  en  "Racoma  go  - 
bioides  McCl. 

Balantiociieilos  Blkr.  —  Zaklipkarper. 

Corpus  oblongum  valde  compressum,  squamis  magnis  vestitum,  dor- 
so  angulato.  Maxillae  labiis  teretibus  carnosis  inclusae,  superior  val- 
de deorsum  protractilis.  Cirri  nulli.  Rostrum  acutum.  Os  suborbi- 
tale anterius  oblongo-quadratum.  Os  subinferum,  rictu  ante  ocu- 
lum  desinente,  ore  clauso  formam  ferri  equini  referente.  Labium  in- 
ferius  a  toto  maxillae  marginc  pendulum,  latum,  saccum  postico  tan- 
tum apertum  efriciens.  Sulcus  postlabialis  unicus  margini  maxillae 
libero  parallelus,  formam  rictus  referens.  Plica  analis  squamis  majo- 
ribus   vestita    nulla.     Pinna    dorsalis   supra    vel    vix  post  pinnas  ver,- 


301 

trales  incipiens  et  longe  ante  pinnam  analem  desinens,  basi  vagina 
squamosa  inclusa ,  radio  simplice  postico  osseo  serrato.  Pinna  ana- 
lis  pinna  dorsali  brevior  emarginata.  Apertura  branchialis  angustior 
verticalis,  sub  medio  operculo  desinens.  Isthmus  interbranchialis  la- 
tus.     Dentés  pharyngeales  uncinato-  cochleares  2.3.5/5.3.2. 

Aanm.  Het  geslacht  Balantiocheilos  staat  in  verwantschap  tusschen  de  geslachten 
Cyclocheilichthys  en  Systomus.  Van  beide  verschilt  het  echter,  ten  eerste:  door  den 
eigenaardigen  bouw  der  onderlip,  welke  zich  van  den  geheelen  vrijen  rand  der 
onderkaak  omslaat  en  zeer  breed  is,  waardoor  een  zak  gevormd  wordt,  welke 
slechts  aan  de  achterzijde  geopend  is;  —  en  ten  andere,  doordien  de  kieuwopeninf 
er  betrekkelijk  zeer  eng  is,  en  slechts  eene  vertikale  spleet  vormt,  welke  onder 
het  midden  des  operkels  eindigt.  Overigens  verschilt  het  nog  in  het  bijzonder  van 
Cyclocheilichthys  door  de  langwerpig  onregelmatig  vierkante  gedaante  van  het  voorste 
onderoogkuilsbeen ,  en  van  Systomus  door  de  enkele  hoefijzervormige  achterlipsgroef. 
Ik  bezit  slechts  eene  enkele  soort  van  dit  geslacht  en  zie  overigens  nergens 
eene  soort  beschreven  of  afgebeeld ,  welke  er  insgelijks  toe  gebragt  zou  kunnen  worden. 

Balantiocheilos  melanopterus  Blkr.  — Zwartvinnige  zaklipkarper.  Atl.  Cypr. 
Tab.  XLIV. 

Balantioch.  corpore  oblongo  compresso,  altitudine  ilk  ad  S',3  in  ejus  longitudine,  Iatitudine  3 
ad  2' is  in  ejus  altitudine;  capite  acuto 43/4  ad  5  et  paulo  in  longitudine  corporis  cum,  S'/jad  3':,  in  lon- 
gitudine corporis  absque  pinna  caudali;  altitudine  capitis  l',3  ad  l'A,  Iatitudine  2  ad  l-'s  in  ejus 
longitudine;  oculis  diametro  3  ad  4  et  paulo  in  longitudine  capitis,  diametro  l',;s  ad  2  distantibus, 
raembrana  palpebrali  iridis  marginem  externum  tantum  tegente,  apertura  circular!;  rostro  acuto  an- 
tice  leviter  convexo ,  junioribus  oculo  paulo  breviore,  adultis  oculo  longiore,  vix  ante  os  prominen- 
te; naribus  orbitae  sat  approximates  ;  linea  rostro-dorsali  capite  superne  declivi  rectiuscula ,  nucha 
convexa;  linea  interoculari  convexa;  osse  suborbitali  anteriore  oblongo-quadrato,  inferne  quam  su- 
perne  multo  Iatiore,  angulo  infcriore  obtusiuscule  rotundato,  angulo  anteriore  acuto  antrorsum  spec- 
tante;  osse  suborbitali  2°  osse  suborbitali  1°  duplo  circiter  humiliore;  maxilla  superiore  maxilla 
inferïore  longiore  verticaliter  deorsum  valde  protractili,  ante  oculum  desinente,  S',3  ad  3"2  5  in  longitu- 
dine capitis;  rictu  parum  obliquo;  maxilla  inferïore  parum  adscendente,  obtusa,  symphysi  nee  nncinata 
nee  tuberculata;  labiis  latis  carnosis,  superiore  sulcis  numerosis  transversis  percurso  adultis  latissïmo 
antice  in  lobo  acuto  protractili,  inferiore  latissimo  a  toto  margine  maxillae  inferioris  reflexo  et  la- 
te cum  labio  superiore  unito,  saccum  postice  tantum  apertum  efficiente;  maxilla  inferiore  inferne 
poris  conspicuis  millis;  operculo  altitudine  l3/4  ad  lfys  in  ejus  longitudine,  margine  inferiore  rec- 
tiusculo;  apertura  brancliiali  verticali  angusta  sub  medio  operculo  desinente;  dentibus  pharyngeali- 
bus  uncinato-cochlearibus  2.3.5/5.3.2;  osse  scapulari  trigono  acuto,  aetate  provectis  rotundato  ;  dorso 
elevato  angulato  ventre  multo  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano  lateribus  angulato,  post 
pinnas  ventrales  rotundato,  non  carinato;  eau  da  altitudine  2  ad  l3  4  in  longitudine  capitis  ;  squamis 
parte  libera   et  basali  longitudinaliter  striatis,    35  in  linea  laterali,    11  in  serie  transversal!  absque 


302 

ventralibus  infirnis  quarurn  G  (51  2)  supra  lineara  lateralem,  11  in  serie  longitudinali  occiput  inter  et 
pinnam  dorsalem,  ventre  infiino  longitudinaliter  triseriatis  serie  media  iiP seriebus  lateralibus  rnajori- 
bus;  linea  laterali  rectiuscula  autice  tantum  declivi,  lineam  rostro-caudalem  attingente,  singulis 
squamis  tubulo  brevi  simplice  mediam  squamam  non  attingente  notata;  pinna  dorsali  supra mediam 
basin  pinnarum  ventralium  incipiente,  acuta,  emarginata,  juvenilibus  corpore  non,  aetate  provectis 
corpora  dod  multo  humiliore,  duplo  circiter  altiore  quam  basi  longa,  spina  crassa  postice  dentibus 
magnis  armata,  cum  parte  ejus  ilexili  capite  longiore;  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis, 
pectoralibus  ventralibus  paulo  brevioribus  G'  t  ad  7  in  longitudine  corporis,  juvenilibus  ventrales 
attingentibus,  aetate  provectis  ventrales  non  attingentibus;  anali  acuta,  emarginata,  dorsali  multo 
humiliore,  minus  duplo  altiore  quam  basi  longa,  radio  simplice  tertio  dimidio  basali  tantum  osseo  ; 
caudali  basi  tantum  squamosa,  profunde  incisa  lobis  acutis  3'/2  ad  -1  et  paulo  in  longitudine  corpo- 
ris; colore  corpore  superno  dilute  viridi,  inferne  argenteo;  iride  flava;  pinnis  roseis  vel  flavescente- 
roseis,  ventralibus  dimidio  apicali  nigris,  dorsali,  anali  et  caudali  Iatissime  nigro  marginatis ,  dorsa- 
li autice  dimidio  inferiore  et  caudali  dimidio  basali  rad i is  externis  vulgo  violaceis. 

B.  3.  D.  4/8  vel  4  'J.  P.   1  L5.   V.  2  9.  A.  :)  :,  vel  3  G.  C.  G  17  Ù  vel  7  17  7  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Barbus  melaaopterus  Blkr,    Bijdr.  ichth.   Borneo,  Nat.  T.  Ned.   Ind.  I.  p.   11. 

Systomus    melanoplerus    Blkr,    Zesde    bijdr.    ichth    Bom.,    Nut.  T.   Ned.    Ind.    III  p.  429, 

Zevende  bijdr.   ichth.   Borneo,   Nat.   T.  Ned.   Ind.   V   p.    149. 
Batang  I  ro  Palemb. 

Iiab. Borneo  (Bandjermasia,   Kahajan,  Pengaron,  Pontianak,  Sintang),  in  fluviis. 
Sumatra  (Palembang),  in  fluviis, 

Longitudo   19  speciminum  80'  '   ad  322    . 

Aanm.  De  hier  beschrevene  fraaije  soort,  de  cenige  welke  tot  nog  toe  van  het 
geslacht  bekend  is,  leeft  niet  alleen  in  de  groote  stroomen  van  Sumatra  en  Bor- 
neo, maar  ik  zie  haar  ook  zeer  goed  herkenbaar  afgebeeld  in  het  meermalen  reeds 
aangehaalde  schetsboek  van  Niamsehe  visschen  van  den  Graaf  Fr.  De  Castelnau,  waar- 
uit   blijkt,  dat  zij  ook  bij    Bangkok,   de   hoofdplaats  van   Siam  voorkomt. 

Ik  ontdekte  haar  reeds  in  het  jaar  1S50  en  besrhreef  haar  eerst  als  eene  Bar- 
bus en  later  als  eene  Systomus,  doch  breng  haar  thans,  op  de  boven  aangegevene 
gronden,  tot  een  eigen  geslacht.  liet  zeer  breed  zwarte  van  de  vrije  helften  der 
vinnen  (de  borstvinnen  slechts  uitgezonderd)  is  zeer  scherp  geteekend  en  doet 
de  soort  gemakkelijk  op  het  eerste  gezigt  herkennen. 

Amblyrhynchichthys  Blkr.  —  Stompsnuitkabpeb. 

Corpus  oblongum  valde  compressum ,  squamis  magnis  vestitum , 
dorso  angulato.  Maxillae  labiis  simplicibus  inclusae ,  superior  deorsum 
valde  protractilis.  Cirri  nulli.  Eostrum  valde  obtusum  truncatum.  Ossa 
supramaxillaria  apicem  rostri  attingentia  ibique  ossa  intermaxillaria  oc- 
cultantia.  Os  suborbitale  anterius  calceiforme  apice  calcei  postrorsum 
spectante.  Oculi  maxima  parte  membrana  palpebral!  velati.  Os  anticum, 


303 

rictu  parvo,  ore  clauso  formam  ferri  equini  referente.  Maxilla  inferior 
symphysi  tuberculo  hamata.  Sulcus  postlabialis  utroqne  latere  margini 
maxillae  libero  parallelus,  cum  sulco  lateris  oppositi  non  unitus.  Aper- 
tura  branchialis  mediocris  sub  angulo  praeoperculi  desinens.  Plica  a- 
nalis  squamis  majoribus  vestita  nulla.  Pinna  dorsalis  supra  pinnas  ven- 
trales incipiens  et  longeante  pinnam  analem  desinens,  basi  vagina  squa- 
mosa inclusa ,  radio  simplice  postico  osseo  serrato.  Pinna  analis  pinna 
dorsali  brevior,  emarginata.  Pinna  caudalis  basi  tantum  squamosa.  Den- 
tés pharyngeals  cunéiformes  aggregati  2.3.4/4.3.2. 

Aanrn.  Het  geslacht  Amblyrhynchichthys  is  onmiskenbaar  verwant  aan  Systoinus 
en  Albulichthys ,  maar  het  bezit  meerdere  bijzonderheden  in  zijnen  bouw,  welke 
het  als  een  eigen  geslacht  kenmerken.  Zeer  merkwaardig  is  het,  dat  de  keelgats- 
tanden  hier  plaveiselgewijze  zijn  gerangschikt  en  geheel  platte  schuins  afgekndtte 
kaauwvlakten  hebben  ,  een  bouw ,  welken  men  in  den  regel  slechts  bij  de  Labeo- 
ninen  waarneemt  Maar  afgescheiden  van  het  tandenstelsel  is  het  geslacht  opmer- 
kelijk door  den  bouw  der  voorste  helft  van  den  kop;  door  de  schoenvormige  ge- 
daante van  het  voorste  onderoogkuilsbeen ,  welks  punt  naar  achteren  is  gekeerd; 
en  door  het  zich  tot  aan  de  voorvlakte  van  den  snuit  uitstrekken  van  de  bovenkaaks- 
beenderen,  welke  daardoor,  de  tusschenkaaksbeenderen  geheel  naar  voren  bedek- 
kende, tusschen  deze  en  de  ncusbeenderen  geplaatst  zijn.  Deze  bewerktuiging 
bepaalt  het  zeer  hooge  en  nagenoeg  vertikaal  afgeknotte  van  den  snuit,  waardoor 
de  eenige  tot  nog  toe  bekende  soort  van  het  geslacht,  bij  den  eersten  oogspslag, 
van  alle  overige  bekende  Cyprinoïden  te  onderkennen  is.  De  bouw  van  romp  en 
vinnen  is  overigens  die  van  Systomus  en  Cyclocheilichthvs,  terwijl  het  breede,  het 
oog  grootendeels  bedekkende,  ooglidvlies  ook  bij  het  geslacht  Albulichthys  voor- 
komt. Tot  de  generische  karakters  van  Amblyrhynchichthys  zijn  almede  te  bren- 
gen, de  korte  platte  aan  de  symphysis  met  een  zeer  ontwikkeld  beenig  uitsteeksel 
voorziene  onderkaak,  de  dunne  lippen  en  de  dubbele  achterlipsgroeve.  Misschien  is 
ook  eene  generische  waarde  te  hechten  aan  den  grooten  beenigen  derden  onverdeel- 
den rugvinstraal  welke  een'  tweeden  rugdoorn  daarstelt,  welks  lengte  die  van  het 
groote  oog  overtreft.  Tot  nog  toe  ken  ik  van  dit  geslacht  slechts  de  soort ,  welke 
ik   reeds   in  het  jaar    1850  onder  den  naam  van   Barbus  truncatus  heb  beschreven. 

Amblyrhynchickthys  truncatus    Blkr.  —  Geknotte   Stompsnuitkarper.  Atl. 
Cypr.  Tab.  XLV. 

Amblyrhynchichth.  corpore  oblongo  compresse»,  altitudine  4'/2  ad  4  in  ejus  longitudine,  latitudioe 
2  ad  2'/2Ïn  ejus  altitudine;  capite  obtuso  truncato  4 ',/j  ad  5%  in  longitudine  corporis  cum,  4  ad  4'/: 


304 

rporls  absque  pinna  candali;  altitadine   capitis  h  2  ad  1'  5  ,   latitudine  2  et  paulo 
a 1    Ie  j    iu  ejus  longitudine;    oculis    cute  adiposa  lata  cinctis,  diametro  21  j  ad  2'-  9  in  longitudine 
•      is,    diametro  •"  j  ad  5/8  distantibus,  membrana  palpebral!  irideni  antice  postice  et  inferne  t 
suparne   margine    externe»   tantum    tegente    apertura    subcirculari   vel  oblongo-quadratiuscula  ; 
.'.Je  obtuso  subverticaliter  truncate,  elevato,  oculo  juvenilibus  et  adultis  duplo  circiter  bre- 
-  prominente;  naribua  rostri  apici  raagis  quam  orbitae  approxiniatis,  niagis  antrorsum 
.  1  [ateraliter  spectantibus;  linea  rostro-dorsali  capite  rectangula  angulo  rotundata,  nucha  declivi 
scalaj  linea  interoculari  con  vexa;  osse  suborbital!  anteriore  calceifbrmî  apicecalcei  postrorsum 
..  te  collo  calcei  naribua  approximate;  osse  suborbital*!  23  osse  suborbitali  1°  plus  duplo  humi- 
liore;  maxilla  su periore  maxilla  inferiore  longiore,  verticaliter  deorsum  valde  protractili,  sub  pupillae 
teriore  desiaente ,  lad  4  et  paulo  in  longitudine  capitis;  osse  intermaxillari  toto  fere  sub  osse 
tmaxillari  occulto  raino  adscendente  verticali  ;  rictu  subliorizontali  ;  maxilla  inferiore  brevi ,  mai 
sympbysi   tuberculo  conico  valde  conspicuo  eubbamata;  labiis   gracilibus    tenuibus   brevis- 
maz  Ua  inferiore  inferne  puis  conspicuis  nul'.is;  operculo  latitudine  l3/«  ad  l*/s  in  ejus   alti- 
i,  margine  inferiore  concav  icaviusculo;  apertura  brancbiali  verticali  sub  margine  pn 

rculi  posteriors  desiaente  ;  dentibus  pbaryngealibus  aggregatis  2.3.4,  1.3.2.  singulis  facie  masticatoria 
tevi,  cuneiformi  marginibus  nee  elevatis  nee  tuberculatis,-  osse  scapulari  trigono  obtusiusculo 
tundato  ,-  dorso  elevato  angulato  ventre  multo  altio:  ante  pinnas  ventrales  plano 

post  pi      .-  v         J  -  :      .  non  carinato;  cauJa  altitudine  l4  :.  ad  2  in  longi- 

•  .  squamis  parte  libera  et  basali  Iongitudinaliter  striatis,  30  vel  37  in  linea  laterali,  11 
serie  transversali  absque  ventralibus  iniirais,  quarum  6  (5'  î  )  supra  lineam  lateralem,  llvell2i:i 
serie   longitudinali    occiput  inter  et  pinnam  dorsalem,  ventre  inûmo  longitudinaliter  triseriatia  serie 
media  seriebus  lateralibus  majoribus;  linea  laterali  rectiuscula,  antice  tantum  declivi,  lineam  rostro- 
ialem  non  attin^e:.  .is  squamis  tubulo  brevi  simplice  mediam  squamam  vulgo  non  attin- 

.-■■.  ;  pinna  dorsali  supra  basin  pinnarum  ventralium  incipieute,  acuta ,  emarginata ,  corpore 
vd   vix  bumiliore,  duplo  circiter  altiore  quam  basi  longa,   spina  valde  crassa  postice  dentibus 
ma^'.'.is  armata,  cum  parte  ejus  flexili  capite  multo  longiore,  radio  simplice  tertio  osseo  spinaeformi 
re  ;  pinnis  pectoralibus  et  ventralibus  acutis  longitudine  subaequalibus  6  et  paulo  ad  7 
/une  corporis,  pectoralibus  ventrales  non  attingentibus;  anali  acuta,  emarginata,  dorsali  duplo 
vel  plus  duplo  humiliore,  minus  duplo  altiore  quam  basi  longa,  radio  simplice  tertio    mediocri  di- 
lio  basali  tantum  osseo;  candali  basi  tantum  squamosa,  profuude  incisa,  lobis  acutis  4  ad  4 - 

iorporis;  c  rpore  superne  dilute  viridi,  interne  argenteo;  iride  flava  ;  pinnis  dilute 

tibus,  dorsali  densa  fusca  marginatis. 

B.  3.  D.  4  S  vel  4  9.  P.  2  16.  V.  2  9.  A.  3  5  vel  3  6.  C.  7  17  7  vel  t-  17  S  lat.  brev.  incL 
Blkr,  Bjjdr.  iclith.  Born.  Nat  T.  Ned.  Ind.  I  p.  13. 

Blkr.  Derde  bijdr.  icLth.  Borneo,  Xat.  T.  Ned.  led.  II  p.  CO. 
•    Palemb, 
Hab.  B.irneo  (Bandjermasin,  Pontianak),  in  l'.uviis. 
tra    Palembang  iis. 

)  11  speciininuni  50  '  ad  2" 

un.     Mijne  eerste  voorwerpen  dezer  soort  ontving  ik  uit  de  Barito  bij  Bandjer- 

sin,  doch  sedert  e:  ik  ook  grootere  voorwerpen,  gevangen  in  de  Kapoeas 

bij  Pontianak  en   ia  Je  Moessi  bij  Baleinbang.     Ue  soort  bewoont  alzoo  de  grootste 

rivieren    van    Born«  S    .;atra.     Zij   is  echter  niet  tot  den   lndischen  archipel 


305 

beperkt ,    vermits  ik  haar  ook  zag  afgebeeld  in  een    schetsboek  van   den  heer    De 
Castelnau,  waar  ait  bleek,  dat  zij  ook  in  Siatn  bij  de  hoofdplaats  Bangkok  voorkomt. 

De  afbeelding  van  den  heer  De  Castelnau  heeft  eene  lenste  van  ongeveer   ■ 
millimeters,  zoodat  de  soort   nog  aanmerkelijk  grooter  schijnt  te  worden  dan  mijne 
grootste  voorwerpen. 

Albulichthys  Blkr.  —  Albulakabpee. 

Corpus  subelongatum  valde  compressum ,  squamis  magnis  vestitum , 
dorso  angulato.  Maxillae  labiis  teretibus  simplicibus  inclusae,  superior 
deorsum  valde  protractilis.  Cirri  nulli.  Rostrum  convexum.   Ossa  supra- 
maxillaria  apicem  rostri  non  attingentia.  Os  suborbitale  anterius  pentago- 
num    apice    acuto    sursum  spectante.  Oculi   maxima  parte    membra: 
palpebrali  velati.  Os  subanticum ,  rictu  mediocri ,  ore  clanso  formam  ferri 
equini  referente.  ülaxilla    inferior  symphysi  tuberculo  hamata.  Sulcus 
postlabialis    utroque    latere  margini    maxillae    libero  parallelus,    ei 
sulco  lateris    oppositi  non  unitus.  Apertura  branchialis  mediocris  sub 
angulo  praeoperculi    desinens.  Plica    analis  squamis  majorions    vestita 
nulla.  Pinna  dorsalis  supra  vel  paulo  ante  pinnas  ventrales  incipiens  et 
longe  ante  pinnam    analem  desinens,    basi   vagina  squamosa    inclu- 
radio  simplice  postico  osseo  serrato.  Pinna  analis  pinna  dorsali  bi 
emarginata.  Pinna  caudalis  dimidio  basali  tota  squamosa.  Dentés  phar; 
geales  incisivi  scalpriformes  2.3.4  4.3.2.  facie  masticatoria  longitudina- 
liter  ruffosi. 


o 


Aanm.     Eene   nadere   studie   der   soort,  et  jaar  1S55  onder 

naam  van  Systomus  albuloides  beschreef,  in   verband   met  mijne  nieuwere 
omtrent  de  rangschikking  der  Cyprinoïden ,  heeft  mij  geleerd,  dat  die  soort  eve. 
verdient    tot   een  eigen   geslacht    verheven  te    worden 

truncatus.     De  habitus  dier   soort,  vooral  die   van   den  kcp,   heeft   veel   van 
van   eene  Albula.  Zij  heeft  het   vijfhoekige  met  de  spits  naar  boven  gerigt 
onderoogkuilsbeen  van  Systomus,  maar  daarbij    het  breede  de   pupil  zelfs  een:, 
bedekkende  ooglidvlies   van  Amblyrhynchicüthys.    De  derde  onverdeelde  rugvinstraal 
is   er  zeer  ontwikkeld  en  beenig,  even  als  bij   .'.  .    Opmerke!:  :    s 

er    voorts  het  digt  beschubd  zijn  van  de  geheele  of  nagenoeg  de  geheele  gron . 
der  staartvin,  wat  ik  bij  geen'  enkelen  cyprinoied  terugvind.    Deze  kenmerken 
i  bij  den  eigen*        -  gr- of  bijte    .       .en  bouw  der  ke.  .   ■ . 


306 

op  hunne  kaauwvlakte  overlangs  geribd  zijn,  geven,  naar  het  mij  voorkomt,  al- 
lezins regt  in  deze  soort  te  zien  een  eigen  geslacht,  hetwelk  ik,  wegens  zijne  over- 
eenkomst in  habitus  met  Albula,   Albulichthys  heb  genoemd. 

Albalichthys  albuloides  Blkr — Typische  Albulakarper ,  Atl.  Cypr.  Tab. 
XLVI  Fig.  2. 

Albul.  corpore  oblongo  vel  elongato  coropresso,  altitudine  4'  2  ad  5  et  paulo  in  ejus  longitudine, 
latitudine  L3/*  ad  2  in  ejus  altitudiue;  capite  acuto  5  fore  ad  51  i  in  longitudine  corporis  cum ,  33/i 
ad  4  in  longitudine  corporis  absque  pinna  caudali;  altitudine  capitis  l"2  5  circiter,  latitudine  l3  i  ad 
I2/3  in  ejus  longitudine;  oculis  diametro  3  ad  31  2  in  longitudine  capitis,  diametro  1  et  paulo  distan- 
tibus,  membrana  palpebrali  iridem  antice  et  postice  totam  tegente  apertura  oblongo-ovali  verticali: 
rostro  convexo,  oculo  brevioro,  non  ante  os  prominente;  naribus  orbitae  valde  approximatis ;  linea 
rostro-dorsali  toto  capite  convexa  ;  linea  interoculari  convexa  vel  convexiuscula  ;  osse  suborbitali  an- 
teriore  pentagono  apico  acuto  sursum  spectante,  altiore  quara  longo,  carina  media  longitudinali  pos- 
trorsum  adscendente;  osse  suborbitali  2°  osse  suborbitali  1°  triplo  ad  plus  triplo  bumiliore;  maxilla 
superioro  maxilla  inferiors  paulo  longiore,  verticaliter  deorsura  valde  protractili ,  3  ad  3  et  paulo  in 
longitudine  capitis,  sub  oculi  parte  anteriore  desinente;  maxilla  inferiore  synipbysi  tuberculo  conico 
subbamata;  labiis  gracilibus  teretibus;  operculo  latitudine  1- ,3  ad  l3 ,\  in  ejus  altitudine,  margine 
inferiore  rectiusculo;  apertura  brancluali  sub  pracoperculi  margine  posteriore  desinente;  dentibus 
pharyngealibus  scalpriibrmibus  (incisivis)  2.3.4  1.3.2,  singulis  facie  masticatoria  obliqua  plana  longi- 
tudinalitcr  m^osa  marn-me  libero  aciem  acutam  rotundatam  efficiente;  osse  scapulari  trigono  obtuso; 
dorso  an^ulato  ventre  multo  altiore;  ventre  ante  pinnas  ventrales  plano  lateribu3  angulato,  post  pin- 
nas  ventrales  rotundato  non  carinato;  squamis  parte  libera  longitudinaliter  striatis,  38  vel  39  in 
linea  laterali,  11  in  serie  transversali  absque  ventralibus  infimis  quarum  5*/a  vel  G  supra  lineam 
lateralem,  11  vel  12  in  serie  longitudinali  occiput  inter  et  pinnam  dorsalem ,  ventre  infimo  loDgitudi- 
naliter  triseriatis  squamis  serie  media  squamis  seriebus  latcralibus  majoribus;  linea  laterali  recta,  antice 
tantum  declivi,  non  infra  lineam  rostro-caudalcm  descendente,  singulis  squamis  tubulo  brevi  simpüce  me- 
diam  squamam  non  superante  notata;  pinna  dorsali  supra  vel  vix  ante  pinnas  ven  trales  incipiente,  acuta, 
emaro-inata,  corpore  paulo  bumiliore,  altiore  quam  basi  longa,  spina  crassa,  postice  dentibus  valde  con- 
spirais serrata,  cum  parte  ejus  flexili  capite  paulo  breviore;  pinnis  pectoi-alibus  et  ventralibus  acu- 
tis  longitudine  subaequalibus  7  ad  7', 2  in  longitudine  corporis,  pectoralibus  ventrales  non  attingen- 
tibus;  anali  acuta  emarginata,  dorsali  multo  bumiliore,  minus  duplo  altiore  quam  basi  longa;  cau- 
dali toto  dirnidio  basali  dense  squamosa,  profunde  incisa,  lobis  acutis  4'/2  ad  5  in  longitudine  cor- 
poris; colore  corpore  superno  dilute  viridi,  inferne  argenteo;  pinnis  flavescente-rosei3  vel  rubris;  dor- 
sali superne,  caudali  postice  violascente-fusco  marginatis;  iride  flava. 

B.  3.  D.  4/8  vel  4/9.  P.  1/16  ad  1/18.  V.  2/9.  A.  3/5  vel  3/6.  C.  7/17/7  vel  6, 1716  lat.  brev.  incl. 

Syn.  Systomus  albuloides  Blkr,  Negende  bijdr.  iebth.  Borneo,  Nat.  T.  Ned.  Ind.  IX  p.  425. 

Hab.  Sumatra   (Palembang).   in  fluviis. 

Borneo  (Kabajan,  Pontianak),  in  fluviis. 

Longitudo  5  speciminum  132'"  ad  255"'. 

Aanra.  De  tanden  hebben ,  met  uitzondering  van  de  twee  voorste  der  buitenste 
rei,  wigvormige  of  snijtandvormige  aan  de  hoeken  afgeronde  kroonen,  welke  aan 
de   kaauwvlakte   eenige   overlangsche  ribjes    laten  waarnemen,  welke  zich  niet  tot 


307 

aan  den  bovenrand  der  tanden  uitstrekken.  De  syinphysiaalknobbel  der  onder- 
kaak  is  vrij  sterk  ontwikkeld.  Ik  kan  thans,  door  de  waarneming  van  uitmun- 
tend bewaarde  voorwerpen,  stellig  verklaren,  dat  de  soort  geene  voeldraden  bezit, 
waaraan  ik  vroeger  eenigzins  twijfelde. — Ik  ken  haar  tot  nog  slechts  van  de  groote 
stroomen  van   Borneo  en   Sumatra. 

Hampala  Van  Hass. ,  Algemeene  Konst-  en  Letterbode  1823  II  p. 
132. —  Hampal. 

Corpus  oblongo-elongatum  corapressum ,  squamis  magnis  vestitum , 
dorso  angulato.  Maxillae  labiis  teretibus  simplicibus  inclusae ,  superior 
parum  protractilis.  Cirri  2,  supramaxillares.  Rostrum  acutum,  non 
convexum.  Ossa  supramaxillaria  apicem  rostri  non  attingentia.  Os  sub- 
orbitale  anterius  pentagonum,  apice  acuto  sursum  spectante.  Oculi 
membrana  palpebrali  non  velati.  Os  anticum,  rictu  magno  obliquo. 
Maxilla  inferior  maxilla  superiore  non  brevior  symphysi  parum  ele- 
vata.  Sulcus  postlabialis  utroque  latere  margini  maxillae  libero  paral- 
lelus,  cum  sulco  lateris  oppositi  non  unitus.  Apertura  branchialis  lata 
usque  sub  oculo  producta.  Plica  analis  squamis  majoribus  vestita  nulla. 
Pinna  dorsalis  supra  basin  pinnarum  ventralium  incipiens  et  longe 
ante  pinnam  analem  desinens,  basi  vagina  squamosa  inclusa,  radio 
simplice  postico  osseo  serrato.  Pinna  analis  pinna  dorsali  brevior 
emarginata.  Pinna  caudalis  basi  tantum  squamosa.  Dentés  pharynge- 
als cochleares  1.3.5/5.3.1. 

Aanm.  Van  Hasselt,  waarschijnlijk  getroffen  door  den  eigenaardigen  habitus  van  den 
visch ,  op  Java  zoo  algemeen ,  en  bekend  onder  de  namen  Ampalong ,  Hampal , 
Hampalong  en  Soetjo,  bragt  dien  tot  een  eigen  geslacht,  aan  hetwelk  hij  naar  de 
soendasche  benaming,  den  naam  gaf  van  Hampala.  Hij  kenmerkte  het  echter  niet 
nader,  dan  door  er  van  te  zeggen,  dat  het  //het  naaste  komt  aan  Leuciscus 
Cuv.  doch  zich  onderscheidt  door  twee  filamenten,  aan  iederen  mondhoek"  (dat 
wil  zeggen  aan  iederen  mondhoek  één).  De  heer  Valenciennes  nam  Van  Hasselt's 
Hampala  macrolepidota  op  in  zijn  geslacht  Capoëta,  eene  minder  gelukkige  vinding, 
vermits  de  drie  soorten  van  Capoëta,  door  den  heer  Valenciennes  beschreven,  in 
even  zoovele  geslachten  te  huis  behooren ,  t.  w.  in  Scaphiodon ,  Systomus  en 
Hampala. 

Heckel,  in    zijne  "Fische  Syriens",  bragt   aanvankelijk   Hampala  macrolepidota 


30S 

tot  zijn  geslacht  Scaphiodon,  doch  herkende  nog  op  het  einde  van  hetzelfde  werk 
zijne  dwaling,  door  haar   tot  zijn  genus  Systomus  te  brengen. 

Inderdaad  is  llampala  na  aan  Systomus  verwant.  Vinbouw  en  beschubbing  zijn 
er  hetzelfde,  maar  de  bouw  van  snuit  en  kaken  en  zelfs  het  tandenstelsel ,  bieden 
verschillen  aan,  welke  eene  afzondering  van  Systomus  regtvaardigen. 

Ik  breng  hiertoe  den  zeer  spitsen  snuit,  de  betrekkelijk  groote  bekspleet  en  haren 
schuin schen  stand ,  de  weinig  uitstrekbare  bovenkaak  en  de  lengte  der  onderkaak 
die  even  lang  is  als  de  bovenkaak  en  waardoor  de  bekspleet  volkomen  eindstandig 
is.  Door  deze  eigenaardigheden  in  den  bouw  ontstaat  een  profiel,  zeer  verschillende 
van  dat  van  Systomus  en  verwante  geslachten  en  Van  Hasselt  had  gelijk,  door  te 
wijzen  op  «Ie  verwantschap  van  llampala  met  Leuciscus  Cuv. ,  biedende  vele  aan 
Leuciscus  verwante  soorten   eene  overeenkomstige  bekvorming  aan. 

Ik  ken  tot  nog  toe  slechts  twee  soorten  van  het  geslacht,  welke  beide  den 
Tndischen  archipel  bewonen.  Zij  hebben  in  habitus,  vinbouw  en  beschubbing  zeer 
groote  overeenkomst  met  elkander  en  laten  zich  voornamelijk  van  elkander  onder- 
scheiden als  volgt. 

1  Squamae   2S   in  linea  laterali.  Macula  oblonga  verticalis  nigra  magna    pinnam 
dorsalem  intérêt  ventrales.     Pinna  caudalis  superne  et  inferne  late  nigro-violaceo 


inarginata. 


llampala   macrolcpidota  V.  Hass. 


JI  Squamae  31  in  linea  laterali.  Media  latera  maculis  2  rotundis  nigris,  anteri- 
ore  pinnam  dorsalem  inter  et  ventrales,  posterior  vix  post  pinnam  analem. 
Pinna  caudalis  superne   et  inferne  margini